Van Koe-Lang-Soe de zee over, met een sampan, ging ik naar de
rotsvlakte, oostelijk van het eiland Amoy, de vlakte der witte
grafsteenen, waar de tempel staat van Kwan Yin, de Godin der Genade.
In China is de dood niet een bang geheim, dat men wegstopt, ergens in
een hoek, op een kerkhof, maar het geheele land is één groot kerkhof,
waar de graven overvloedig bloeien, als roerlooze, sombere gewassen.
China is een land des doods. Het is of de menschen er alleen leven om
begraven te worden. In de velden, in de tuinen, in de bergen, vooral in
de bergen, liggen de graven. Het is onmogelijk ergens lang te loopen
zonder over graven te gaan. Overal, overal in het rond liggen de dingen
des doods. De gedachte aan den dood is altijd bij mij hier, een ding
van alle dag, als de lucht en het licht. De dood grijnst met duizend
gezichten uit de aarde. De dood ligt open op het land, als de bloemen.
De lichte zon ziet over graven, de boomen neigen met treurende pluimen
over graven, de vogelen zingen hun melodieloos lied boven graven en de
voeten der menschen gaan aldoor over kille steenen, voelend de
aanraking des doods.
Aan land gekomen, stond ik op een wit strandje, en volgde een weg langs
hooge, witte muren. Primitieve versterkingen, wat broze wallen met
kanteeltjes en schietgaten. Het idee van veilig te wezen achter een
muur. In holten lagen doodkisten, achteloos neergezet. Ik lichtte uit
nieuwsgierigheid met een stuk hout een deksel op. Er lagen beenderen in
de kist, en wat vodden en zwarte dingen. Nu éven landwaarts in, door
sawahs met wuivend groen, en daarachter lag de vlakte, voor een hoogen
rotsenmuur, die als een massieve, zwarte verschrikking recht voor de
oogen stond. Zoo ver te zien was lagen de rotsblokken opgestapeld, en
overal in het grauw-zwarte waren de witte plekken der grafsteenen.
Generaties van eeuwen liggen hier in de rotsen, álom. Er groeien hier
enkel graven, koud en droef tegen den rotsenmuur, zoovèr ik maar kon
zien. Hoe verlaten en des doods, die naakte rotsen met die graven! Het
was om te denken een oud, oud land, een land van fossielen, eindelijk
weêr ontdekt, voor goed ontvolkt, en onder den grijzen hemel, in die
ijzige rust van rotsenmassa’s en kille steenen, leek China mij een Rijk
der Dooden, waar eeuwig droefheid over hangt en een vloek.....
En opeens, teêr van in de verte aankomen, een rij haastig naderende
figuren. En, schel door de stilte, snerpende, piepende muziek. Rood is
te zien en geelwit.
Er wordt een versch lijk aangebracht voor de bergen. Het komt met gele,
sombere dragers, met geklaag van hooge houtinstrumenten en piepende
pijpen. Met een fantastisch beweeg, op vreemden doodenmaat, ging de
stoet het sombere land over.
Nu waren zij naderbij. Voorop de vuile, havelooze muzikanten, de gele
gezichten gebold door ’t blazen, en hoofd-schuddende met den wilden
cadans mede van hunnen lijkzang. Het was geen muziek, hun lawaai. Het
was een verward koor van hooge fanssetten, met uitgegilde,
verscheurende jammerkreten, op een wilden wanhoopsmaat, onharmonisch,
maar de droefste en verschrikkelijkste smartgeluiden, die ik ooit
hoorde. Achter de muzikanten een baar, gedekt met een rood kleed,
waarop bloemfiguren. Een helle vlek rood in het grijze landschap van
rotsen. Acht mannen dragen haar aan bamboestokken, zwoegende en gebukt;
maar toch met het vlugge, veerende gaan der Oostersche volken.
Achter de baar komen de verwanten, de rouwenden, in smerige, gele
lompen, met vunze doeken om het hoofd, krijschende en gillende, en
besnotterd met vieze tranen en bellen speeksel. Zij loopen met
wankelstappen en zwaaien wanhoop om zich heen, met woeste gebaren. Een,
zeker de zoon—want dat de baar met rood bedekt is duidt aan, dat de
doode een vrouw is, stellig een moeder, denk ik—waggelt als een
beschonkene, en wordt ondersteund door vrienden. Ze zijn bang en
afschuwelijk om te zien, in die gore lappen van vuil zakkengoed, met
loshangende haren, met hun onbehouwen, brute smart, als groteske
persiflages op menschelijk gevoel, verdierlijkingen van wanhoop. Het is
maar een heel armoedige begrafenis, zonder de pompeuze staatsie van
palankijnen en vlaggen en lantarens der rijken, een miserabele troep in
vuile lappen, met smerige, gore gezichten, maar daarom juist des te
somberder in dat grauwe landschap, met al die ijzige graven. En de
siniestere stoet gaat aan mij voorbij, dáár, naar de kille rijzenis van
rotsen, in het land der lijken, waar geslachten van eeuwen verzonken en
vergaan zijn, in hun dood opeengehoopt als in hun leven in de
opgepropte steden, samengekrioeld als onuitroeibaar ongedierte.
De gillende clarinet verspreidt de nadering van het nieuwe aas, met
snerpende kreten door de stilte. Het geluid gaat verder en verder, hoog
vlamt de bloedvlek van de roode baar in het grijs, en geruischloos
snellen de voeten der dragers over het zand. Ik volg ze op een afstand.
Een sombere wandeling achter dien vreemden stoet. Dat duurt een half
uur, en nu komen zij bij de rotsige bergen. Ik zie nu, hoe die bijna
onbegaanbaar zijn door granietblokken, met scherpe hoeken, en steile
hellingen. Maar plotseling zie ik de dragers en de rouwenden al in de
hoogte. Zij zijn vooruitgegaan met denzelfden luchten stap, op
denzelfden rythmus, ongestoord door de stijging op steen. De beenen der
lijkdragers zijn nu mooi van fijnheid in de hoogte, en het is zoo teêr
en vlug als dunne paardepootjes, ver op een dijk. Zij bewegen
regelmatig en haastig, die vreemde menschen, en worden allengs bijna
silhouet, gevoelig van ver-zijn. En hoe verder hij gaat, de licht
trippelende stoet, hoe mooier. Hij gaat de ongebaande rotsen op als de
zachte zandvlakte. De voeten der chineezen zijn aangepast aan dit
gruwbaar land, voeten gemaakt om over graven te loopen. Met eenparige,
ongeschokte beweging zweeft de baar in de hoogte, met haar felle
bloedkleur, als een vlag van den dood. Somtijds verdwijnt alles achter
een hoog rotsblok, en dan is er niets meer te zien, tot het rood
plotseling weer ópvlamt, onverwacht lager, en weêr weg, en dan weêr
hooger. De muziek valt nu vreemd uit de lucht, als kreten van wilde
vogels, gieren of roofuilen, azende op een lijk.
Ik ga op een grooten steen zitten, en zie het nu angstig nieuwsgierig
uit de laagte aan. Nu blijven de dragers ergens staan, en de rouwenden
vormen een kring, zeker om een graf, en ik zie koelies met spaden. De
maat der muziek is hevig versneld, en de wilder en wilder wordende
rythmus geeft het stijgen aan der emotie. De woeste smartmuziek gilt
hooger tonen, en drijft de wanhoop met groote schokken in de lucht.
Daartusschen een jammerend brullen van menschenstemmen, schreeuwend hun
bruut gevoel door de grafstilte der bergen.
Ik zie de mannetjes bewegen, ver, met vage gebaren, een wriemelend
gedoe omhoog. Het is niet te zeggen funèbre, om te rillen, dat
doodenwerk daar tusschen die rotsgevaarten, met dat lawaai van schelle
mineuren omlaag treurend.
Plotseling een stilte.
De kist is afgenomen van de baar. Een buigen van de verre mannetjes,
koppen omlaag, en begrijpen, dat de doode in het graf zinkt.
Dán een oorverscheurend gehuil en gejammer, dat overal in de rondte
weêrgalmt, het brullen van een pandemonium vol duivels. En dan
plotseling even stilte, en de klarinet alleen, eerst langzaam, één
hooge toon, dan nog een, en weêr een, en dan sneller, sneller, in
woeste vaart een stroom van spitse tonen omhoog, een fontein van
kreten, razend van rythmus, wijd-uitspuitend in felle geluiden. En
eindelijk één allerhoogste noot, egaal en monotoon, langgerekt,
wild-opgehaald, als de láátste, woest-opgedreven uiting van wanhoop,
uit de allerdiepste lagen van de smart omhoog gerukt, en met een
laatste stuiptrekking uitgestooten in de lucht, om dan in de hoogste
sferen eindeloos door te dreunen....
De doode ligt in het graf van rots.
Boven de rotsen hangt laag een zwartgrijze hemel, donker en dreigend.
De donkere granietmassa’s staan somber, onwankelbaar opgerezen, omhoog.
En in dat ijzig grauwe vlekken de witte steenen van duizenden graven.
Maar het graf van de doode, daar hoog op die rots, ziet uit boven het
landschap, en ver over de groote, groote zee, zóó als een ziel uitziet
in de eindeloosheid.