Zooals algemeen bekend is, neemt de Noordelijke boeddhistische school,
die men gewoonlijk de Mahâyana noemt, het bestaan aan van een hel, in
welke de zielen voor de op aarde begane zonden moeten boeten. De
chineesche hel is uit het indische boeddhisme overgenomen, maar heeft
een geheel eigenaardig chineesch karakter gekregen.
Zij is verdeeld in tien gebieden—tjen—, elk met een koning aan het
hoofd. Elke „tjen” is weer verdeeld in achttien groote en zestien
kleine afdeelingen. Zij liggen onder den bodem der oceanen, in het rijk
der duisternis. In die hellen heerscht, als op aarde, een
mandarijnenregeering. De koning heeft zijne hooge en lage ambtenaren,
in verschillende gewaden, met verschillende teekenen van waardigheid.
Hij zit behoorlijk voor de mandarijnentafel, en de zielen, door
soldaten opgebracht, komen knielende binnen om hun vonnis aan te
hooren.
Karakteristiek is de beschrijving der hel in „De oorspronkelijke, echte
Soetra van het overvoeren van Kwan Yin”, een totnutoe onvertaald werk.
[52]
Kwan Yin, de Godin der Genade, bezocht na haren dood, als prinses Miao
Sjen, met den geest Hwang Lung, den Gelen Draak, en de beide
geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, de
hellen.
Toen het eerwaardige gezelschap aan de grenzen van het Rijk der
Duisternis was gekomen, ging het Gouden Jongetje voorop, naar den
duivel die voor de poort de wacht hield. Toen deze die van licht
schitterende verschijning zag aankomen, dacht hij: „dit is zeker een of
andere geest uit de westelijke regionen”, en vroeg dus heel beleefd:
„Groote Geest, wat voert U herwaarts?” Het Gouden Jongetje zeide: „Ik
ben het Gouden Jongetje, dat in het Paleis van den Jaspis-Vijver voor
den zetel van de Gouden Moeder, Kin Mu, staat, en ik ben uitgezonden
met den Gelen Draak en het Edelsteenen Meisje, om de prinses Miao Sjen
de hel te laten zien. Weest dus zoo goed, dit te gaan berichten.” De
duivel bracht dit bericht over aan den mandarijn Saan Tso Fah, die dit
grensgebied regeerde. Toen deze zulke aanzienlijke gasten hoorde
aandienen, liet hij direct de tafel met wierook gereed maken, en beval
zijn gevolg, de staatsiekleederen aan te trekken. Toen liet hij de
prinses in de voor-binnenzaal, en verrichtte hij voor zijne gasten de
hooge beleefdheidsceremonieën.
De prinses vroeg: „Waarvoor dient toch de poort op deze plaats?”
—„Hier wordt de naam der menschen opgeschreven, die gestorven zijn,”
antwoordde de mandarijn. „Van hun goed en kwaad, dat hier onderzocht
wordt, maak ik een verslag op. Zij, die hun ziel verreind hebben, en
wier deugden en werken volmaakt zijn, gaan naar de hemelsche gewesten
om daar eene betrekking te krijgen. Volgens de oorzaak, door hun werk
gecreëerd, ontvangen zij de albewustheid der geesten en wordt er voor
hen op aarde wierook gebrand. Degenen, wier goed werk wel bestaat, maar
nog niet geheel volmaakt is, gaan van het eerste hellegebied direct
naar het tiende, en behoeven niet door de acht anderen. Zijn zij in het
tiende hellegebied gekomen, dan wordt, volgens hun vroegere
verdiensten, hun kleeding en tractement vastgesteld, en worden zij weer
in het leven als mensch geboren, òf rijk òf arm. Het goed wordt, als
het minder is, van het kwaad afgetrokken, en volgens het overblijvende
kwaad wordt dan gestraft. En omgekeerd.”
De prinses zeide hierop: „Deze betrekking van U lijkt mij nogal
ellendig toe. Kunt U ook promotie maken?”
De mandarijn antwoordde hierop bevestigend, daar Shang Ti, de opperste
God, wel het kwaad strafte, maar ook het goede beloonde. Als hij dus
maar goed oppaste kon hij hoogerop komen.
Toen vroeg hem de prinses: „Ik heb gehoord, dat hier een Spiegel der
Zonde is, waarin de dingen, die de menschen gedaan hebben, worden
weerspiegeld, en die goed en kwaad weêrkaatst. Is dat werkelijk zoo?”
„—Óf het,” antwoordde de mandarijn. „Dat zijn heusch geen leêge
praatjes!”
Daarop ging het gezelschap verder, en zagen zij een ander hoog
ambtenaar, den „Beslisser-Mandarijn” genaamd, die op last van den
koning van het eerste hellegebied, de prinses kwam begroeten. Deze
Beslisser bracht haar bij een hoogen spiegel, op een voetstuk. Een
roodgebaarde duivel, met groen gezicht, en slagtanden, had juist een
mensch gegrepen, en hem gedwongen, voor den spiegel neer te knielen.
Ter zijde stond een mandarijn die, met het hoofd knikkende, zijne
bevinding met een penseel opschreef in een boek. De prinses vroeg, wat
dit toch wel moest beteekenen, en de Beslisser antwoordde, dat deze
mensch op aarde veel zonde had gedaan, en die maar niet wilde bekennen.
Daarom werd hij nu voor den alles weerkaatsenden spiegel gebracht. De
mandarijn die ter zijde stond, schreef alles op, om de straf te kunnen
bepalen, die de zondaar moest ondergaan.
Zóo sprekende, wandelde het illuuster gezelschap verder op, tot voor
den zetel van den hellekoning Tseu Kwang. De koning excuseerde zich,
dat hij de prinses niet reeds eerder was komen begroeten, en bewees
haar de gebruikelijke beleefdheden.
Hij geleidde de prinses en haar gevolg nu verder in zijn gebied. Twee
scharen menschen waren elk aan eene zijde van den weg verzameld. De
eene schaar lachte en scheen vergenoegd, de andere was in groote
vreeze, en lag geknield.
Toen de prinses nader om zich heen keek zag zij een houten tablet boven
den koninklijken zetel, waarop geschreven stond: „Het Eerste
Helle-Gebied,” en een rol neêrhangend papier met het opschrift: „De
Spiegel der Zonde is helder. Duizend booze plannen kunnen hier niet
verborgen blijven.”
Miao Sjen vroeg, wat de menschen daar deden, en hoe het kwam, dat
sommigen lachten, en anderen schreiden. En de koning antwoordde:
„Die daar, met die blauwe kleederen, heeft den familienaam Lao en den
eigennaam Poe Sien. Hij had een hart als de goede Oorsprong van Hemel
en Aarde. Hij deelde overal aalmoezen uit aan armen en ellendigen. Die
daar met het groene kleed heet Kang Siu Tik. Deze heeft zijn geheele
leven lang het beschreven papier vereerd en verzorgd, soetra’s en
stukken uit de heilige Kings opgezegd, nooit vleesch gegeten, en de
menschen vermaand tegen het dooden van levende schepselen. Hij heeft
bruggen en wegen hersteld, en was geen dag van zijn leven in ledigheid.
Die daar met het gebloemde kleed is Tin Ti Go. De eerste dertig jaren
van zijn leven wist hij niet wat goed en kwaad was, en zijne zonden
waren velen. Op zijn een en dertigste jaar ontmoette hij iemand, die
hem tot bewustzijn riep en hem deed ontwaken. Toen deed hij een gelofte
om den heiligen Tao Teh King van Lao Tsz’ op te zeggen, en zich uit te
putten in gaven voor de armen en ellendigen. Door zijn gedrag en zijn
werken maakte hij alles weder goed. Nu is hij gestorven, twee en
zeventig jaren oud. Die daar met dat andere groene kleed, het
gescheurde, is Tshi Lip Tsi, die van jongs af aan alleen plantaardig
voedsel at. Zijn geheele familie was arm en leed altijd gebrek, maar
toch bleef hij goed, hetzelfde mensch tot aan zijn dood toe. Die vrouw
daar in het blauw is Hong Si, gehuwd met zekeren Ang. Haar man leerde
het vak van varkensslachter. Zij bad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat den Hemel, om hem tot inzicht te doen komen. Zij smeekte hem, toch
niet te dooden, en eindelijk verliet hij de zonde en volgde het goede.
Man en vrouw, en hunne geheele familie werden vegetariërs.
„Over deze vijf menschen wordt volgens de wet beslist. Ik heb reeds een
rekwest voor hen opgezonden, en als hierop een gunstige beschikking
komt, geleid ik ze de hel uit, den weg op naar de hemelsche paleizen.”
Eigenaardig is deze epizode voor de karakterizeering der chineesche
ideeën omtrent de hel. Zóó ingegroeid is bij de chineezen het idee van
een mandarijnen-regeering, en zóó innig is het genot en het verlangen
om mandarijn te zijn, dat zij zich geen hel, en ook geen hemel, kunnen
voorstellen, waar het niet evenzoo zou toegaan als op aarde. Er worden
missives en rekwesten opgezonden naar de opperste Godheid, er komen
gunstige beschikkingen, er zijn registers en boeken, waarin namen
worden opgeteekend, er is promotie en degradatie, in één woord, er
heerscht dezelfde autocratie, en ook dezelfde bureaucratie, als in het
ondermaansche. Zonder dat is er nu eenmaal geen plezier aan.—Of er ook
omgekocht en geknoeid kan worden, staat niet vermeld, maar dat is wel
waarschijnlijk. Een chinees in de hel of in den hemel blijft nu eenmaal
een chinees. En in het vervolg van dit stuk, als ik van koning T’ai
Tsung vertel, zal de lezer zien hoe goed het in elk geval is
kruiwagentjes te hebben in de hel.
De hellekoning ging voort:
„Die daar met dat vuile kleed, die daar knielt en schreit, heet Ho Hin
Jen. In een vorig leven werd hij arm en ellendig geboren, maar zijn
hart en zijn Oorsprong waren goed. Vol liefde gehoorzaamde hij steeds
zijn ouders, en twee-en-veertig jaar lang was hij vegetariër. Hij
deelde aan de armen driehonderd drie-en-zeventig paar strooien schoenen
uit, en leefde zelf in gebrek. Hij herstelde op vier plaatsen
hobbelige, slechte wegen. Toen stierf hij, zooals hij geleefd had. Hij
deed het hart van den Hemel ontroeren, zoodat hij in een volgende
incarnatie werd geboren in de familie van een hoog mandarijn, en zijn
levensduur werd vastgesteld op zes-en-tachtig jaren. Wie had gedacht
dat hij, eenmaal rijk en geëerd, van zijn oorsprong zou afdwalen? Van
af een gewoon mandarijn klom hij op tot minister. Hij bespotte zijn
opperheer en verguisde het volk. Hij misbruikte zijn macht om menschen
ten onder te brengen. Hij vernietigde het leven van negentien menschen,
en sloeg twee zijner huisgenooten dood. Hij beroofde drie-en-zestig
huisgezinnen van hun goed. Hij was begeerig naar schatten en lekker op
eten, en doodde daarvoor meer dan driehonderd en zeventig duizend
levende schepselen. Toen nam de Hemel vier-en-twintig jaren van zijn
levensduur af, en tot straf ging bovendien van zijn vroegere verdienste
een geheele graad weg. Daarom is hij nu op twee-en-zestigjarigen
leeftijd gestorven.
„Die daar knielt, in het blauwe kleed, en zoo weent, is Li Bo Ting. Hij
behoorde tot de literatoren, maar beoefende niet de rechte Leer. Met
zijn penseel [53] wondde hij menschen als met een mes. Hij had
menschlievendheid noch plichtmatigheid, ouderlievendheid noch
oprechtheid. Zijn mond sprak als een Boeddha, maar zijn hart was dat
van een slang.
„Deze twee menschen hebben misdaden begaan. Binnenkort zullen zij naar
het tweede gebied worden gevoerd, om daar te boeten voor hunne zonden.”
De prinses, wier hart een groote genade was, die over álle zonden
heenvloeide, werd van weedom bevangen bij het zien van zóóveel leed.
Zij sprak eene prediking uit van zoo transcendente kracht, dat zij de
zonde aller zondaren zuiverde, en de zielen der lijdenden in het eerste
hellegebied overvoerde naar den Hemel.
Toen schreed Miao Sjen met haar gevolg naar het tweede gebied, waar
koning Ch’u Kiang regeerde. De koning ontving haar zeer deftig, en
begon met haar te vertellen, dat het hier eigenlijk de bodem van een
grooten oceaan was, onder een gloeienden steen gelegen, en dat zijn hel
in achttien groote en zestien kleine afdeelingen was verdeeld. De
prinses zag boven zijn zetel een houten tablet met het opschrift: „Voel
naar uw hart, en vraag dan U zelf af”, en daarnaast een rolprent,
waarop was geschreven: „Het hart is als een pijl. De lach verbergt een
mes. Hier kan men precies de ellende te weten komen van pijlen en
messen.”
De Gele Draak verzocht den koning eerbiedig, of Zijne Majesteit zoo
goed wilde zijn, de hellen te laten zien, waarop de vorst beleefd
antwoordde, dat hij dit bevel dadelijk zou gehoorzamen. Daarop ging de
koning het gezelschap voor.
Eerst kwam de Berg der Messen en Lansen. Dit was een berg, beplant met
messen en lansen, als met bamboe, waar mannen en vrouwen op werden
neergesmeten door duivels. De koning legde Miao Sjen uit, dat dit
menschen waren, die met vergiftige praatjes hadden gelasterd,
familieleden van elkander hadden vervreemd, en anderen geld hadden
afgezet en ongelukkig gemaakt.
Een tweede afdeeling was een steile berg, met olie bestreken, waaronder
diepe afgronden. Hier werden zondaren met geweld door duivels
afgeworpen. Zij stootten en kletterden in hun val tegen de scherpe
steenen, dat het bloed als een rivier van den berg stroomde. Het was
een afgrijselijk gezicht, en vol afschuw vroeg de prinses, wat dit toch
moest beduiden. En de koning zeide onbewogen, dat dit de gerechte straf
der menschen was, die de leer der Boeddha’s hadden verguisd, en de
wetten des Hemels geschonden.
Toen kwam de afdeeling der slachterij. Het weêrklonk er van een
oorverdoovend gehuil. De koning vertelde, dat hier de vrouwen geslacht
werden, die, onbewust van hun Oorsprong, niet van hun echtgenoot
hielden en van hun schoonmoeder, voorkinderen van hun man
verwaarloosden, en een hart vol vergif hadden.
Een volgende afdeeling was de hel der onthoofding. Hier werden menschen
met koorden vastgebonden, en daarna onthoofd, onverschillig of het
armen of rijken waren.
En zóó nog vele andere afdeelingen, overal gevloei van bloed en tranen,
en gekerm en gehuil van gepijnigde zondaren.
Weer werd het Miao Sjen zoo droef te moede, dat zij in extaze van
medelijden een innig liefdevolle prediking uitsprak en de
Dhyâni-Boeddha Amitâbha te hulp riep, om de verdoemde zielen te
verlossen. En ziet! Een donderslag daverde, een bliksemstraal flitste,
en een mirakel veranderde de hel in een goud-rossige wolk van
lotusbloemen. Een groot Licht voerde de zondaren ten Hemel.
Toen dit werk volbracht was schreed Kwan Yin naar het derde gebied.
Koning Soeng Ti, die hier regeerde, ontving haar met muziek en gezang,
en veel ceremonieel. Boven zijn zetel prijkte een houten tablet met de
woorden: „Het kleinste heeft nog altijd macht, zelfs een kleinigheid
zult gij niet verkeerd doen. Als het ongeluk over u hangt, hoop dan
maar niet op redding, want de vergelding komt voor ieder naar zijn
aandeel”. Evenals de vorige potentaten geleidde Soeng Ti zijne gasten
welwillend door de hellen.
In een van dezen werden de zondaren door duivels met een zwart touw aan
de rechterhand en de linkervoet opgehangen. Dit waren menschen, die op
aarde de zwakken verdrukt hadden, en hen beroofd van gronden en
eigendommen. In een andere werden de zondaren aan ijzeren pilaren
gebonden, en dan door duivels met messen de oogen uitgestoken. Dezen
hadden het geschreven papier verwaarloosd, en graven geschonden. Met
een slecht hart en lage gedachten hadden zij vrouwen en meisjes van
anderen begeerd. In een derde hel werden de verdoemden in weegschalen
gewogen, terwijl een mandarijn nauwkeurig de gewichten van hun goed en
kwaad opteekende. Dit waren de kooplieden, die op aarde valsche
gewichten hadden gebruikt, en nu op hun beurt óok werden gewogen, ter
bepaling van hun straf. In weêr een andere afdeeling werden de
slachtoffers aan palen gebonden, waarna duivels hun de huid afscheurden
en levend vilden. Dit waren de misdadigers, die andere menschen hadden
gewond en vermoord op aarde.
Weêr werd het lijden te zwaar voor de oogen van de Godin der Genade.
Zij sprak vol geestdrift een nieuwe prediking uit, en een groot Licht
herschiep de hel in een wit lotusterras, en voerde de verloste zielen
naar de eeuwige gewesten over.
Toen ging de eerwaardige Kwan Yin met haar gevolg naar de vierde hel,
waar koning Wu Kwan regeerde. En zóó achtereenvolgens door al de
overige hellegebieden, waar de koningen Yen Lo, [54] Pien Ch’ing, T’ai
Shan, Tu Shi, Ping Ting en Ch’wen Lun haar met dezelfde beleefdheden
ontvingen, en met de meeste bereidwilligheid door de verschrikkingen
van hun koninkrijken leidden, als waren het even zooveel
pleiziertuinen. De martelingen waren talloos als de zonden der
menschen, door welke zij werden gecreëerd. Zondaren werden handen en
voeten afgeschroeid boven een vuur, omdat zij indertijd valsche
geneesmiddelen hadden verkocht, en vogels geschoten; zij werden aan
pilaren gebonden, en door duivels de aderen doorgesneden, omdat zij in
hun leven hadden geprocedeerd en gedobbeld, en naar vrouwen waren
geloopen; zij werden onder steenen begraven, omdat zij op aarde,
mandarijn zijnde, geld voor een publiek doel hadden verzameld, en ten
eigen bate gebruikt; en weêr anderen werden blootgesteld aan ijskoude
winden, die hen verstijfden.
Grimmige duivels smeten de zondaren in vijvers van ijswater, staken hun
dorens in den mond, en goten gloeiend gesmolten ijzer in hun keel. Dit
waren de lasteraars, die door hun praatjes huwelijken deden mislukken,
of oneenigheid tusschen echtgenooten hadden gestookt. Andere zondaren
werden naar een hoog terras gesleept, vanwaar zij de aarde konden
overzien, waar hunne kinderen op het slechte pad waren, de
nagedachtenis hunner ouders verguisden, en tot den bedelstaf werden
gebracht, of wel, duivels rukten dien verdoemden lever en longen uit,
en hakten hen door de lendenen in tweeën. Degenen, die indertijd
meisjes en vrouwen hadden verleid, zagen zich de tong en het hart
uitgesneden, om later als kippen of honden weer geïncarneerd te worden.
Mandarijnen, die vroeger van hun macht misbruik hadden gemaakt om het
volk te bestelen, werden als rijst door duivels met groote mortieren in
een vijzel fijngestampt. Taoistische en boeddhistische priesters, die
de indertijd door verreining der ziel verkregen kennis der
natuurgeheimen ten kwade aangewend hadden om andere menschen in ’t
verderf te storten, werden op een plank heen en weer geschuurd, tot de
beenderen vergruisden en het bloed stroomde. Andere zondaren werden
door duivels met haken in afgronden van vuur gesleurd, omdat zij
vroeger bosschen in brand hadden gestoken en zoo de daarin wonende
beesten hadden gedood, of wel door duivels met roode baarden en groene
gezichten op een ijzeren spijkerbed geworpen en dan onder ijzeren
planken gesmoord. Weêr anderen werden in een vijver gesmeten, waar
vergiftige slangen kronkelden,—dezen hadden er op aarde pleizier in
gehad om slangen en schildpadden dood te slaan, en visschen en garnalen
te eten;—of wel, zij werden in een vuurkuil gedrongen, omdat zij
vroeger huizen in brand hadden gestoken en daarvan gebruik gemaakt
hadden om te stelen. Ook werden er op planken gebonden en met zagen
doorgezaagd. Een andere verschrikking was een brug, twee-en-zeventig
vademen lang en maar zeven en twee tiende duim breed. Aan weerszijden
van de brug zweefden duivels met stokken en haken, en in de rivier
beneden zwommen slangen en honden. De verdoemden moesten in allerijl
over de brug, en verloren hun evenwicht door de op hen gerichte haken.
Er waren er maar weinigen die veilig overkwamen; de meesten vielen in
het water, sommigen nog op het laatste eindje, en werden daar door de
beesten verscheurd.
Ook hier redde Kwan Yin’s gebed alle zondaren uit deze verschrikkingen
en voerde hen naar de hemelsche gewesten over.
Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning
Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der
menschen in eene volgende incarnatie beschikt. Op vier wijzen konden
zij wedergeboren worden: uit een baarmoeder, uit een ei, uit water, of
uit gedaanteverwisseling, dat is, als zoogdieren, als vogels, als
visschen, of als insecten [55]. Als mensch op zes manieren: met lang
leven, met kort leven, rijk, geëerd, behoeftig en verachtelijk, en deze
onderling gecombineerd. De prinses vroeg den koning hoe het mogelijk
was, dat de zielen door al die pijnigingen in de hel niet geheel
vergruizeld en vernietigd waren, maar Ch’wen Lun antwoordde, dat dit
heel eenvoudig was. Telkens als er gevaar was voor vernietiging,
verfrischte een geneeskrachtige, weldadige wind de gehavende zielen
zoodanig, dat zij weer nieuwe pijnigingen konden verduren. Toen maakte
de prinses de opmerking, dat in de wereld de slechte menschen juist met
voorspoed beloond werden, en de goede met ellende. Dit was toch niet in
den haak, vond zij. Maar dit was wel degelijk in den haak, zeide de
koning, want die voorspoed en ellende waren gecreëerd door deugd of
zonde uit vorige levens, en die hadden deze menschen dan nog te goed.
Voor wat zij nú deden zouden zij in een volgend leven wel weer beloond
of gestraft worden. Dat kon niet uitblijven. Zoodat ten slotte alles
zoo rechtvaardig was, als ’t maar eenigszins wezen kon.
Maar hoe dan, als die menschen, al werden zij eens gelukkig herboren,
met de herinnering aan al die doorgestane folteringen in de hel,
moesten leven? Ook dáár was behoorlijk voor gezorgd, zeide de koning.
En hij geleidde de prinses naar een theehuis, waar de zondaren bij
massa’s door duivels werden ingedreven om thee te drinken. Hier werd
hun de thee der vergetelheid ingeschonken, en wie deze ééns gedronken
had, wist van al de doorgestane smarten niets meer af.
Voorbij het theehuis stond een kolossaal wiel. Dit wiel droeg zes
wagens, en draaide langs zes wegen. De duivels waren druk bezig, een
schaar voor nieuwe geboorte bestemde zielen in de wagens te leiden, en
toen deze vol waren, begon het rad langs de zes wegen te draaien. De
eerste weg was van goud, de tweede van zilver, de derde van jaspis, de
vierde van steen, de vijfde van koper en de zesde van hout. De zielen
die den eersten weg opgingen werden hooge mandarijnen, rijke lieden in
zijden kleederen, die van den tweeden werden onbemiddelde menschen, van
gewone klassen, die van den derden armen, zieken en gebrekkigen. Die
van den vierden weg werden vogels, die van den vijfden viervoetige
dieren, die van den zesden visschen, schildpadden, garnalen en krabben
[56].
Ook dit gezicht was te, overweldigend voor de zachte zinnen der Maagd
van Genade. En door een nieuwe, innige prediking, werd ook het tiende
hellegebied door het mirakel van hare Liefde getransformeerd in een
geurig lotusparadijs, en stegen de zielen, voor goed ontkomen aan de
omwenteling des Levens, in allerzuiversten staat òp naar de gewesten
der gelukzalige Boeddha’s.
Zóó ver kunnen de chineezen het tegenwoordig niet meer brengen. Zoo in
eens álle zielen uit de hellen voor goed verlossen is ook wèl wat véél.
Maar, lach niet, beste lezer, want het is heusch adorabel van
naïefheid, den armen stakkerts een maand vacantie bezorgen uit het
hellevuur, dát kan er nog wel meê door, en dát gebeurt dan ook!
Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de
poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang
rondwaren op de aarde. Deze gunst is alweer voornamelijk een gave van
de boeddha Kwan Yin, wier medelijdend hart nooit uitgeput raakt van
weldaden. Door het lang aangehouden op-bidden van toovergebeden,
Tantra’s, aan alle Boddhissatva’s en Boeddha’s ter wereld, maar vooral
aan Kwan Yin, slagen de priesters er in, de hellepoorten te openen, en
de zielen stroomen met millioenen terug naar de aarde [57]. Daar de
hellen tot het gebied der duisternis behooren, vanwaar de weg in het
donker naar de aarde niet zoo gemakkelijk te vinden is, steken de
chineezen overal voor hun huis brandende kaarsen en lantarens aan, om
hen bij te lichten. En daar de geesten in de hel een alles behalve
lekker leventje hebben, worden zij, nu zij dan eens voor een maand
„uit” zijn, behoorlijk van alles voorzien. Papieren, waarop
kleedingstukken en geld zijn afgebeeld, worden verbrand, om den geesten
goede kleeren en zakgeld te geven, en voor de deur zet men allerlei
lekkernijen, om hen eens terdege te doen smullen. En om hen wat op te
vroolijken en te verstrooien worden de geheele maand door, dag en
nacht, tooneelvoorstellingen gegeven. Op den dag van de groote,
algemeene offerande is het in de buurt van de tempels een waar
Luilekkerland. Geheele straten door worden stellages opgeslagen, waarop
een overdaad van voedsel, waar de Rijstenbrij-berg niets bij is. [58]
Geheele varkens, schapen en geiten, ladingen eenden en kippen, op
allerlei wijzen toebereid en versierd, manden aan manden met ooft en
vruchten, pakjes opium, sigaren, sigaretten, tabak, sirih, alles wat de
geesten maar met mogelijkheid zouden kunnen wenschen, wordt daar
rijkelijk voor hen uitgestald, en alles smaakvol en keurig, zooals
alleen een chinees dat kan. Men kan er om lachen, en het volk dat zoo
iets doet een volk van dwazen vinden, van domme bijgeloovigen. Zeker,
dat kan men, en dat doet men dan ook. Maar naïef zijn ze, die
chineezen, naïef als kinderen, en daarom,—ik wil het niet goed weten,
aldoor zie ik meer slechts en leelijks in hen,—daarom houd ik toch
eigenlijk dol van dit volk, zooals ik houd van dwaze, lieve vrouwen, en
van kinderen, die gekke dingen doen,—verbeeld je, hoe bespottelijk, hè,
hoe kan-je nou zoo iets doen!—maar dingen, die óók aanbiddelijk en
charmant zijn van naïefheid, van simpele, zuivere bedoeling, en au fond
toch zoo héél, héél goed gemeend!
Uit die voor ons, verstandige menschen, nietwaar? zoo tamelijk ridicule
opvatting van de hel—waar bijna alle chineezen vast aan gelooven—zijn
heel gemakkelijk eenigen der voornaamste principes van het
oorspronkelijke boeddhisme te halen. Ze zijn heusch nog zoo gek niet,
die verhaaltjes. En wat er aan ten grondslag ligt, is alles behalve
belachelijk. Ten eerste de leer van „Yin Kwo”, van Oorzaak en Gevolg,
dat wat de indische boeddhisten Karma noemen. De leer dus, dat de
mensch zichzelf met het goede ten laatste beloont, en met het kwade
straft, zichzelf, en niet anderen; dat zijn geluk of ongeluk van nu het
produkt is van zijn goed en kwaad in een vorig leven, zooals hij nu
bezig is, zijn volgend leven te creëeren. Ten tweede, de leer der
transmigratie door wedergeboorte. Ten derde, de leer der verreining, de
leer dus, dat men door steeds het spiritueel goede te doen en zich van
het kwade te bevrijden, door dus zijn Karma te verzorgen, aan de
reïncarnatie kan ontkomen, en het eeuwige zieleleven kan verkrijgen. En
ten vierde, de leer, die wondere leer, die een zoo subliem reine
vrouwenfiguur schiep als Kwan Yin, de blanke Godin van Genade,—dat
intenze liefde de macht heeft, om zelfs andere menschen te redden, en
te reinigen van zonden.
Ik hoop, dat deze zeer serieuze ideeën den lezer eenigszins het
kinderachtige en eng-griezelige van die helle-verschrikkingen zullen
vergoeden, en speciaal den lezer in Indië, die gedurende de vacantie
der geesten door de chineesche kampen moet, waar op lange stellages de
varkens, en schapen, en geiten, en allerlei verdachte chineesche
manisans liggen te stinken, in den afschuwelijken rook van walmende
olielampjes en brandend offerpapier.
Van den chinees, die in al de bovenverhaalde verschrikkingen gelooft,
is het echter te begrijpen, dat hij de arme, verhongerde geesten eens
een lekker beetje gunt, vooral als het ten slotte,—wat werkelijk het
geval is, nadat zij er onzichtbaar de essence van hebben verorberd,—in
zijn eigen maag verdwijnt!