XXI.

Waarin Craig en Fry met bijzondere voldoening de maan zien

opgaan.

»Nu naar den Taï-ping!"

Dat waren de eerste woorden die Kin-Fo den volgenden morgen, 30 Juni,

uitsprak, na door een goede nachtrust, die den held dezer zonderlinge

avonturen wel toekwam, verkwikt te zijn.

Zij waren eindelijk op het tooneel van de heldendaden van Lao-Shen

gekomen. De beslissende worsteling was genaderd.

Zou Kin-Fo overwinnaar zijn? Ja, zonder twijfel, als hij den

Taï-ping kon verrassen; want hij zou den brief koopen voor den

prijs dien Lao-Shen daarvoor beliefde te stellen. Neen, zekerlijk,

als hij zich liet verrassen, als hem een dolksteek in de volle borst

werd toegebracht voor hij met den woesten zaakwaarnemer van Wang in

onderhandeling trad.

»Naar den Taï-ping!" hadden Fry-Craig geantwoord, na elkander met

een blik geraadpleegd te hebben.

De aankomst van Kin-Fo, Fry-Craig en Soun, in hun zonderlingen dos,

gekleed zooals zij waren toen de visschers hen uit het water haalden,

had eene zekere opschudding in het kleine havenstadje Fou-Ning

teweeggebracht. Het was onmogelijk aan de openbare nieuwsgierigheid te

ontsnappen. Zij waren den vorigen dag door eene talrijke volksmenigte

begeleid naar de herberg, waar zij zich, dank zij het geld, in

den gordel van Kin-Fo en den zak van Fry-Craig aanwezig, van meer

passende kleeding hadden voorzien. Als Kin-Fo en zijne metgezellen

minder dicht omringd waren geweest, zou hunne aandacht getrokken zijn

door een zekeren zoon van het Hemelsche rijk, die hen geen oogenblik

uit het oog verloor. Hunne verwondering zou ongetwijfeld nog zijn

toegenomen, als zij bespeurd hadden dat hij den geheelen nacht de

herberg bewaakte. Hun wantrouwen zou ongetwijfeld opgewekt zijn als zij

hem den volgenden morgen weder op dezelfde plek hadden aangetroffen.

Maar zij zagen niets; zij hadden geen argwaan, zij hadden zelfs geen

reden om verbaasd te zijn toen deze verdachte persoon hun bij het

verlaten van de herberg zijn dienst kwam aanbieden als gids.

Het was een man van dertig jaar en hij zag er zeer fatsoenlijk uit.

Toch koesterden Craig-Fry eenige achterdocht en zij ondervroegen

den man.

»Waarom", luidde hunne vraag, »biedt gij aan ons te geleiden en

waarheen wilt gij ons brengen?"

Niets natuurlijker dan deze dubbele vraag, maar ook niets natuurlijker

dan het antwoord dat er op gegeven werd.

»Ik onderstel," sprak de gids, »dat gij voornemens zijt een bezoek

te brengen aan den Grooten Muur, evenals alle reizigers doen die

Fou-Ning komen bezoeken. Ik ken het land en bied mij aan u tot gids

te strekken."

»Vriendlief," zei Kin-Fo, zich in het gesprek mengende, »voor ik een

besluit neem, wensch ik te weten of de provincie veilig is."

»Zeer veilig," antwoordde de gids.

»Spreekt men in deze streek niet van een zekeren Lao-Shen?" vroeg

Kin-Fo verder.

»Lao-Shen, den Taï-ping?"

»Ja."

»Zeker," antwoordde de gids, »maar gij hebt niets van hem te

vreezen aan deze zijde van den Grooten Muur. Hij durft zich niet op

Keizerlijk grondgebied te wagen. Aan gindsche zijde zwerft zijn bende

de Mongoolsche provinciën rond."

»Weet men waar hij op dit oogenblik is?" vroeg Kin-Fo.

»Hij moet op het oogenblik in de omstreken van de Tschin-Tang-Ra zijn,

op eenigen _lis_ afstand van den Grooten Muur."

»En hoe ver is het van Fou-Ning naar de Tsching-Tang-Ro?"

»Ongeveer vijftig lis." [16]

»Welnu, ik neem uw diensten aan."

»Om u te geleiden tot den Grooten Muur!..."

»Om mij te geleiden naar het kamp van Lao-Shen!"

De gids kon eene beweging van verrassing niet weerhouden.

»Ik zal je goed betalen," voegde Kin-Fo er bij.

De gids schudde het hoofd als iemand die niet voornemens was de grens

te passeeren. Vervolgens sprak hij:

»Tot den Grooten Muur, goed! verder neen! Ik wil mijn leven niet

wagen."

»Bepaal den prijs er van! ik zal u betalen."

»Zoo zij het!" antwoordde de gids.

Zich daarop tot de beide agenten wendende, voegde Kin-Fo er bij:

»Gij zijt vrij mijne heeren, om mij al of niet te vergezellen!"

»Waar gij gaat...." zei Craig.

»Gaan wij ook", zei Fry.

De cliënt van _de Eeuw_ vertegenwoordigde nog altijd voor hen een

waarde van tweemaal honderdduizend dollars!

Het scheen dat de agenten na het onderhoud geheel gerust gesteld

waren omtrent den gids. Maar mocht men hem gelooven dan diende men

op ernstige moeielijkheden bedacht te zijn na het overschrijden van

de bescherming, die de Chineezen hebben opgericht tegen de invallen

der Mongoolsche horden.

De toebereidselen tot de reis waren weldra gemaakt. Men vroeg Soun

niet of hij geneigd was de reis mee te maken. Hij diende te volgen.

Vervoermiddelen, als rijtuigen of wagentjes, ontbraken geheel in het

kleine plaatsje van Fou-Ning. Paarden en muildieren waren evenmin, te

krijgen. Maar er waren een zeker aantal kameelen die in den handel der

Mongolen dienst doen. Deze ondernemende kooplieden gaan met karavanen

den weg op van Peking naar Kiatcha, hunne groote troepen langstaartige

schapen voor zich uit drijvende. Zij onderhouden aldus de gemeenschap

tusschen Aziatisch Rusland en het Hemelsche Rijk. Zij wagen zich nooit

door de onmetelijke steppen, dan talrijk en goed gewapend. Het zijn

woeste, fiere mannen, die de Chineezen diep verachten.

Men kocht vijf kameelen met hun primitief tuig, belaadde ze met

voorraad, kocht de noodige wapenen en toog onder leiding van den gids

op weg.

Maar deze voorbereidende maatregelen hadden eenigen tijd vereischt en

men kon eerst één uur na den middag vertrekken. Desniettemin maakte

de gids zich sterk om vóór middernacht den voet van den Grooten Muur

te bereiken. Daar zou een kamp worden aangelegd en den volgenden

morgen zou Kin-Fo, als hij bij zijn onvoorzichtig besluit volhardde,

de grens overschrijden.

Het land was in de omstreken van Fou-Ning heuvelachtig. Wolken van gele

stof rolden in dichte kringen over de wegen, die langs de bebouwde

landen liepen. Ook daar was de vruchtbare grond van het Hemelsche

Rijk niet te miskennen.

De kameelen liepen met afgemeten passen, niet snel maar geregeld. De

gids ging Kin-Fo, Soun, Craig en Fry voor, die een plaats hadden

gevonden tusschen de twee bulten van het dier. Soun kon zich zeer

goed in deze soort van reizen schikken en hij zou desnoods meegegaan

zijn tot het einde der wereld.

Maar mocht de weg niet vermoeiend zijn, de hitte was groot. Door

de luchtlagen, verhit door de uitstraling van de aarde, werden

de zonderlingste luchtspiegelingen voortgebracht. Uitgestrekte

watervlakten, groot als een zee, verschenen aan den gezichteinder

en verdwenen weder spoedig, tot buitengewone voldoening van Soun,

die zich reeds bedreigd achtte door een nieuw zeetochtje.

Maar al was deze provincie aan de uiterste grens van China gelegen,

men moet daarom niet denken, dat zij onbewoond was. Het Hemelsche

Rijk, hoe uitgestrekt ook, is nog te klein voor de bevolking, die op

zijne oppervlakte is saamgeperst. Overal zijn de bewoners talrijk,

zelfs op de grenzen van de Aziatische woestijn.

De velden werden door mannen bearbeid. Ook de Tartaarsche vrouwen,

kenbaar aan haar rose en blauwe kleeding, waren met veldarbeid

bezig. Troepen gele schapen met lange staarten--een staart, dien Soun

niet zonder wangunst beschouwde!--graasden hier en daar, beloerd door

een zwarten arend.

Ongelukkig de arme verdwaalde die van den troep afraakte! Het zijn

geduchte roovers en zij richten eene moorddadige slachting aan onder

de schapen, rammen en jeugdige antilopen, en dienen zelfs den Kirgiesen

in de steppen van Midden-Azië als jachthonden.

Voorts zag men overal geheele wolken van gevleugeld wild. Een geweer

zou hier bezigheid gevonden hebben; maar de ware jager zou niet zonder

verontwaardiging de menigte strikken enz. gade geslagen hebben, alleen

den strooper waardig, die den grond overal tusschen de koren-, gierst-

en maïsvelden bedekten.

Kin-Fo en zijne metgezellen gingen steeds voort te midden van wolken

van Mongoolsche stof. Zij hielden stand noch onder de schaduw hier

en daar langs den weg, noch op de verspreid liggende boerenplaatsen,

noch in de dorpen welker bestaan van tijd tot tijd in de verte bleek

uit de graftorens, ter gedachtenis van eenige helden der Bouddhistische

legende opgericht. Zij liepen achter elkander en lieten zich geleiden

door de kameelen, die altijd zoo loopen en die bij hunne gelijkmatige

stappen geaccompagneerd worden door het geluid van een hun om den

hals gebonden roode schel.

Onder deze omstandigheden was er aan het voeren van een gesprek

niet te denken. De gids, weinig spraakzaam van aard, bleef steeds

aan het hoofd van de kleine karavaan en keek scherp voor zich uit,

zoover de dikke stofwolken om hen heen slechts toelieten. Hij aarzelde

trouwens nooit en wist steeds welken weg hij in moest slaan, ook bij

de kruiswegen waar handwijzers ontbraken. Craig en Fry koesterden

dan ook te zijnen opzichte geen wantrouwen meer en konden al hun

aandacht wijden aan den kostbaren cliënt van _de Eeuw_. Het was niet

meer dan natuurlijk dat hun onrust toenam, naarmate zij dichter bij

het bereiken van hun doel waren. Ieder oogenblik en zonder dat zij in

staat zouden zijn er iets aan te doen, kon er een man langs de zijde

van den weg verschijnen, die hun door een wel toegebrachten slag een

verlies van tweehonderdduizend dollars kon berokkenen.

Wat Kin-Fo betreft, hij was in die gemoedstemming waarin de

herinneringen van het verledene het overwicht hebben op den angst van

het oogenblik of van de toekomst. Alles kwam hem weder voor den geest

wat er in de laatste twee maanden gebeurd was, en de hardnekkigheid

waarmede het ongeluk hem vervolgde, begon hem ernstig ongerust te

maken. Van den dag af waarop zijn correspondent te San-Francisco hem

het bericht van zijn gewaand verlies had gemeld, was alles hem toch

letterlijk tegengeloopen. Zou dit gebeurd zijn om hem te straffen voor

de verblindheid waarmede hij de voorrechten van het eerste gedeelte

van zijn bestaan had miskend? Zou zijn slecht gesternte ondergaan

als het hem slechts gelukte Lao-Shen dien ongeluksbrief afhandig

te maken, of zou deze nog vóór dien tijd aan de opdracht van Wang

voldoen en hem dooden? Zou het eenmaal de beminnelijke Lé-ou nog

gegeven zijn door haar teederheid, haar zorg, haar opgewektheid,

de booze geesten te bezweren die tegen hem losgelaten waren? Dit

alles kwam hem in de gedachte, hij peinsde er over, en het maakte

hem bezorgd en ongerust. En Wang! Zeker, hij kon het hem niet kwalijk

nemen dat hij eene belofte had willen houden die hij zoo plechtig had

moeten bezweren; maar Wang, de philosoof, die nooit ontbrekende gast

van de yamen, hij zou daar niet meer zijn om hem wijsheid te leeren!

....»Pas op, val niet!" riep op dit oogenblik de gids uit, tegen

wiens kameel die van Kin-Fo aanviel; hij had in zijne droomerijen

niet opgemerkt, dat het dier gevaar liep van te struikelen.

»Zijn wij er?" vroeg hij.

»'t Is acht uur" antwoordde de gids, »en ik stel voor hier halt te

houden om eerst te eten."

»En dan?"

»Dan gaan we verder."

»Maar dan is het donker."

O, wees maar niet bang dat wij verdwalen zullen! De Groote Muur is geen

twintig _lis_ meer van hier en onze kameelen moeten even uitblazen."

»'t Is best!" antwoordde Kin-Fo.

Aan den kant van den weg stond een vervallen gebouw en een beekje

kronkelde zich daarnevens door een ravijn; de beesten konden daar

heerlijk drinken.

Voordat de duisternis inviel richtten Kin-Fo en zijn gevolg zich

eenigszins huiselijk in het gebouw in en aten daar met den gewonen

trek van lieden, die een flinken tocht achter den rug hebben.

Maar met het gesprek wilde het niet vlotten. Een of tweemaal trachtte

Kin-Fo het op Lao-Shen te brengen. Hij vroeg den gids, wat deze

Taï-ping er voor een was, of hij hem kende. De gids schudde zijn

hoofd als iemand die niet alles zeggen wil wat hij weet en vermeed

zooveel mogelijk om de tot hem gerichte vragen te beantwoorden.

»Komt hij wel eens in deze provincie?" vroeg Kin-Fo.

»Neen", antwoordde de gids, »maar Taï-pings uit zijn bende zijn

dikwijls aan deze zijde van den Grooten Muur geweest en het was beter

hen niet te ontmoeten! Bouddha behoede ons voor de Taï-pings!"

Gedurende dit gesprek, dat Kin-Fo meer belang inboezemde dan de gids

scheen te kunnen vermoeden, zagen Craig en Fry elkander aan, fronsten

hunne wenkbrauwen keken op hun horloge en schudden het hoofd.

»Waarom zouden wij hier niet rustig den dag blijven afwachten?" vroegen

zij.

»In dezen bouwval!" riep de gids uit. »Ik overnacht nog liever in

het open veld; men loopt dan nog minder gevaar overvallen te worden!"

»De afspraak was, dat we van avond nog bij den Grooten Muur zouden

zijn", merkte Kin-Fo op. »Ik wil daar zijn en dat zal geschieden ook."

Dit werd gezegd op een toon die geen tegenspraak duldde. Soun zelf,

ofschoon half dood van angst, durfde geen aanmerking maken.

Toen het maal afgeloopen en het inmiddels negen uur geworden was,

stond de gids op en maakte men zich gereed den tocht voort te zetten.

Kin-Fo wilde op zijn kameel klimmen, toen Craig en Fry hem aanspraken.

»Blijft mijnheer nog altijd bij zijn plan om Lao-Shen op te zoeken

en zich in zijn tegenwoordigheid te wagen?"

»Wel zeer zeker", antwoordde Kin-Fo: »ik wil mijn brief terug hebben,

wat het dan ook kosten mag."

»U speelt een gevaarlijk spel!" hernamen de agenten, »door u in het

kamp van den Taï-ping, in het hol van den leeuw te wagen!"

»Denk je dat ik de geheele reis gemaakt heb om op het laatste oogenblik

terug te deinzen?" antwoordde Kin-Fo. »Jelui bent immers vrij om mij

al of niet te volgen!"

De gids had een kleine zaklantaarn aangestoken. De beide agenten

kwamen naderbij en keken nogmaals op hun horloge.

»'t Zou zeker voorzichtiger zijn tot morgen te wachten", zoo hielden

zij aan.

»Waarom dat?" vroeg Kin-Fo. »Lao-Shen zal zeker morgen of overmorgen

even gevaarlijk zijn als heden. Kom aan, op weg!"

»Op weg!" herhaalden nu Craig en Fry.

De gids had dit gedeelte van het gesprek gehoord. Reeds verscheidene

keeren, toen de beide agenten moeite gedaan hadden om Kin-Fo van zijn

voornemen af te brengen, had zijn gelaat eene verstoorde uitdrukking

getoond. Nu hij hoorde dat zij weder op dit onderwerp terugkwamen,

kon hij eene beweging van ongeduld niet onderdrukken.

Dit was de aandacht van Kin-Fo niet ontgaan, die overigens vast

besloten was om niet te aarzelen en geen stap terug te gaan. Maar

groot was zijne verbazing, toen op het oogenblik dat hij zou opstijgen,

de gids op hem toetrad en hem in het oor fluisterde:

»Vertrouw die beide menschen niet!"

Kin-Fo opende zijn mond reeds om hiervan nader verklaring

te vragen.... De gids gaf hem echter een teeken om te zwijgen,

waarschuwde dat het oogenblik van vertrek daar was en de kleine

karavaan ging weder op weg.

Was er wantrouwen opgewekt in den geest van Kin-Fo tegen de beide

agenten van William J. Bidulph? Konden de geheel onverwachte en

onverklaarbare woorden van den gids opwegen tegen de twee maanden

van toewijding die de agenten aan zijn dienst hadden gewijd? Stellig

niet! En toch vroeg Kin-Fo zichzelf te vergeefs af waarom Craig en

Fry hem zoo sterk hadden aangeraden om zijn bezoek bij den Taï-ping

tot den volgenden dag uit te stellen of liever er geheel van af te

zien. Waren zij dan niet onverwachts uit Peking vertrokken om Lao-Shen

te zoeken? Het eigenbelang zelf der beide agenten van de Eeuw eischte

immers dat hun cliënt weder in het bezit kwam van dien dwazen en

gevaarlijken brief? Er was dus wel iets onverklaarbaars in hun gedrag!

Kin-Fo liet niets van deze overpeinzingen blijken. Hij had zijn plaats

in de rij weder ingenomen. Craig, Fry en Soun volgden hem en zoo reden

zij ruim twee uur zwijgend achter elkander door, zonder dat hun iets

belangrijks overkwam.

Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen de gids stilhield

en hun in het noorden eene lange donkere lijn toonde, die slechts

onduidelijk tegen den weinig minder donkeren hemel afstak. Achter

deze lijn zag men de toppen van eenige bergen, die reeds door de

eerste stralen der maan verlicht werden, ofschoon dit hemellichaam

zelf noch achter den gezichteinder verborgen was.

»De Groote Muur!" sprak de gids.

»Kunnen wij van nacht nog verder?" vroeg Kin-Fo.

»Ja wel, als u dat absoluut wilt!" antwoordde de gids.

»Dan gaan wij verder!"

De kameelen waren blijven staan.

»Ik zal den pas gaan verkennen," sprak toen de gids; »wacht hier dan

maar op mij."

Daarop verwijderde hij zich.

Op dit oogenblik traden Craig en Fry op Kin-Fo toe.

»Mijnheer?..." sprak Craig.

»Mijnheer?..." sprak Fry.

»Is u tevreden geweest over onze diensten gedurende den tijd dat mijn

heer William J. Bidulph ons aan uw persoon verbonden heeft?"

»Zeer tevreden!"

»Zou mijnheer dan zoo goed willen zijn dit stuk even te willen

teekenen, waarin verklaard wordt, dat u alle reden hebt om voldaan

te zijn over onze houding in de twee laatste maanden?"

»Dit stuk!" hernam Kin-Fo uiterst verbaasd. Craig had inmiddels uit

zijn zakboek een keurig net getuigschrift voor den dag gehaald en

hield hem dit voor.

»Het zal misschien den heer William J. Bidulph genoegen doen en dan

is ons dat zeer aangenaam."

»En bezorgt het ons misschien ook een extra gratificatie," voegde

Fry er bij.

»Mijnheer kan mijn rug wel als lessenaar gebruiken," sprak Craig zich

omkeerend en bukkend.

»En hier is pen en inkt, waarmede mijnheer gelegenheid heeft om ons

dit genoegen te doen," zei Fry.

Kin-Fo lachte en teekende zoo goed als de buitengewone omstandigheden

toelieten het hem aangeboden stuk.

»En zeg mij nu eens" sprak Kin-Fo, toen hij aan het verzoek der

beide agenten voldaan en het begeerde stuk geteekend had, »wat deze

aardigheid hier op deze plaats en op dit uur beteekent!"

»Op deze plaats," antwoordde Fry, »omdat wij niet verder met u mede

zullen reizen."

»En op dit uur," voegde Craig er bij, »omdat het over een paar minuten

middernacht zijn zal."

»Maar wat doet dat er toe?"

»Mijnheer," antwoordde Craig, »het belang dat de

verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ in uw dierbaar leven stelt..."

»Duurt nog slechts enkele oogenblikken..." voegde Fry er bij.

»En dan kunt ge u zelf het leven benemen..."

»Of u door anderen laten dooden..."

»Al naar u dat zelf verkiest!"

Kin-Fo zag de beide agenten, die zeer beleefd en ernstig spraken, met

verbazing aan, maar begreep er niets van. Op dit oogenblik verschenen

de eerste stralen der maan in het oosten boven den gezichteinder.

»De maan!" riep Fry uit.

»En heden 30 Juni...." riep Craig uit.

»Komt zij te middernacht op...."

»En daar uw contract met _de Eeuw_ niet vernieuwd is...."

»Is thans uw polis ook niet geldig meer en behoort u niet meer onder

de verzekerden!..."

»Goeden avond, mijnheer Kin-Fo!" zei Craig.

»Mijnheer Kin-Fo, goeden avond!" zei Fry.

En de beide agenten stegen op hunne kameelen, trokken den teugel aan

en verdwenen langs den weg dien zij gekomen waren, Kin-Fo sprakeloos

van verbazing achterlatende.

Nauwelijks hield het geluid op van de hoefslagen der kameelen, waarop

deze practische Amerikanen huiswaarts keerden, of een aantal mannen,

aangevoerd door den gids, wierpen zich op Kin-Fo, die vruchteloos

trachtte zich te verdedigen, en op Soun, die vruchteloos trachtte

te vluchten.

Een oogenblik later waren heer en knecht gebonden en sleepte men hen

naar een der verlaten forten van den Grooten Muur, waarin men hen

stevig achter slot en grendel bracht.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 28 / 36 题