Waarin Craig en Fry met bijzondere voldoening de maan zien
opgaan.
»Nu naar den Taï-ping!"
Dat waren de eerste woorden die Kin-Fo den volgenden morgen, 30 Juni,
uitsprak, na door een goede nachtrust, die den held dezer zonderlinge
avonturen wel toekwam, verkwikt te zijn.
Zij waren eindelijk op het tooneel van de heldendaden van Lao-Shen
gekomen. De beslissende worsteling was genaderd.
Zou Kin-Fo overwinnaar zijn? Ja, zonder twijfel, als hij den
Taï-ping kon verrassen; want hij zou den brief koopen voor den
prijs dien Lao-Shen daarvoor beliefde te stellen. Neen, zekerlijk,
als hij zich liet verrassen, als hem een dolksteek in de volle borst
werd toegebracht voor hij met den woesten zaakwaarnemer van Wang in
onderhandeling trad.
»Naar den Taï-ping!" hadden Fry-Craig geantwoord, na elkander met
een blik geraadpleegd te hebben.
De aankomst van Kin-Fo, Fry-Craig en Soun, in hun zonderlingen dos,
gekleed zooals zij waren toen de visschers hen uit het water haalden,
had eene zekere opschudding in het kleine havenstadje Fou-Ning
teweeggebracht. Het was onmogelijk aan de openbare nieuwsgierigheid te
ontsnappen. Zij waren den vorigen dag door eene talrijke volksmenigte
begeleid naar de herberg, waar zij zich, dank zij het geld, in
den gordel van Kin-Fo en den zak van Fry-Craig aanwezig, van meer
passende kleeding hadden voorzien. Als Kin-Fo en zijne metgezellen
minder dicht omringd waren geweest, zou hunne aandacht getrokken zijn
door een zekeren zoon van het Hemelsche rijk, die hen geen oogenblik
uit het oog verloor. Hunne verwondering zou ongetwijfeld nog zijn
toegenomen, als zij bespeurd hadden dat hij den geheelen nacht de
herberg bewaakte. Hun wantrouwen zou ongetwijfeld opgewekt zijn als zij
hem den volgenden morgen weder op dezelfde plek hadden aangetroffen.
Maar zij zagen niets; zij hadden geen argwaan, zij hadden zelfs geen
reden om verbaasd te zijn toen deze verdachte persoon hun bij het
verlaten van de herberg zijn dienst kwam aanbieden als gids.
Het was een man van dertig jaar en hij zag er zeer fatsoenlijk uit.
Toch koesterden Craig-Fry eenige achterdocht en zij ondervroegen
den man.
»Waarom", luidde hunne vraag, »biedt gij aan ons te geleiden en
waarheen wilt gij ons brengen?"
Niets natuurlijker dan deze dubbele vraag, maar ook niets natuurlijker
dan het antwoord dat er op gegeven werd.
»Ik onderstel," sprak de gids, »dat gij voornemens zijt een bezoek
te brengen aan den Grooten Muur, evenals alle reizigers doen die
Fou-Ning komen bezoeken. Ik ken het land en bied mij aan u tot gids
te strekken."
»Vriendlief," zei Kin-Fo, zich in het gesprek mengende, »voor ik een
besluit neem, wensch ik te weten of de provincie veilig is."
»Zeer veilig," antwoordde de gids.
»Spreekt men in deze streek niet van een zekeren Lao-Shen?" vroeg
Kin-Fo verder.
»Lao-Shen, den Taï-ping?"
»Ja."
»Zeker," antwoordde de gids, »maar gij hebt niets van hem te
vreezen aan deze zijde van den Grooten Muur. Hij durft zich niet op
Keizerlijk grondgebied te wagen. Aan gindsche zijde zwerft zijn bende
de Mongoolsche provinciën rond."
»Weet men waar hij op dit oogenblik is?" vroeg Kin-Fo.
»Hij moet op het oogenblik in de omstreken van de Tschin-Tang-Ra zijn,
op eenigen _lis_ afstand van den Grooten Muur."
»En hoe ver is het van Fou-Ning naar de Tsching-Tang-Ro?"
»Ongeveer vijftig lis." [16]
»Welnu, ik neem uw diensten aan."
»Om u te geleiden tot den Grooten Muur!..."
»Om mij te geleiden naar het kamp van Lao-Shen!"
De gids kon eene beweging van verrassing niet weerhouden.
»Ik zal je goed betalen," voegde Kin-Fo er bij.
De gids schudde het hoofd als iemand die niet voornemens was de grens
te passeeren. Vervolgens sprak hij:
»Tot den Grooten Muur, goed! verder neen! Ik wil mijn leven niet
wagen."
»Bepaal den prijs er van! ik zal u betalen."
»Zoo zij het!" antwoordde de gids.
Zich daarop tot de beide agenten wendende, voegde Kin-Fo er bij:
»Gij zijt vrij mijne heeren, om mij al of niet te vergezellen!"
»Waar gij gaat...." zei Craig.
»Gaan wij ook", zei Fry.
De cliënt van _de Eeuw_ vertegenwoordigde nog altijd voor hen een
waarde van tweemaal honderdduizend dollars!
Het scheen dat de agenten na het onderhoud geheel gerust gesteld
waren omtrent den gids. Maar mocht men hem gelooven dan diende men
op ernstige moeielijkheden bedacht te zijn na het overschrijden van
de bescherming, die de Chineezen hebben opgericht tegen de invallen
der Mongoolsche horden.
De toebereidselen tot de reis waren weldra gemaakt. Men vroeg Soun
niet of hij geneigd was de reis mee te maken. Hij diende te volgen.
Vervoermiddelen, als rijtuigen of wagentjes, ontbraken geheel in het
kleine plaatsje van Fou-Ning. Paarden en muildieren waren evenmin, te
krijgen. Maar er waren een zeker aantal kameelen die in den handel der
Mongolen dienst doen. Deze ondernemende kooplieden gaan met karavanen
den weg op van Peking naar Kiatcha, hunne groote troepen langstaartige
schapen voor zich uit drijvende. Zij onderhouden aldus de gemeenschap
tusschen Aziatisch Rusland en het Hemelsche Rijk. Zij wagen zich nooit
door de onmetelijke steppen, dan talrijk en goed gewapend. Het zijn
woeste, fiere mannen, die de Chineezen diep verachten.
Men kocht vijf kameelen met hun primitief tuig, belaadde ze met
voorraad, kocht de noodige wapenen en toog onder leiding van den gids
op weg.
Maar deze voorbereidende maatregelen hadden eenigen tijd vereischt en
men kon eerst één uur na den middag vertrekken. Desniettemin maakte
de gids zich sterk om vóór middernacht den voet van den Grooten Muur
te bereiken. Daar zou een kamp worden aangelegd en den volgenden
morgen zou Kin-Fo, als hij bij zijn onvoorzichtig besluit volhardde,
de grens overschrijden.
Het land was in de omstreken van Fou-Ning heuvelachtig. Wolken van gele
stof rolden in dichte kringen over de wegen, die langs de bebouwde
landen liepen. Ook daar was de vruchtbare grond van het Hemelsche
Rijk niet te miskennen.
De kameelen liepen met afgemeten passen, niet snel maar geregeld. De
gids ging Kin-Fo, Soun, Craig en Fry voor, die een plaats hadden
gevonden tusschen de twee bulten van het dier. Soun kon zich zeer
goed in deze soort van reizen schikken en hij zou desnoods meegegaan
zijn tot het einde der wereld.
Maar mocht de weg niet vermoeiend zijn, de hitte was groot. Door
de luchtlagen, verhit door de uitstraling van de aarde, werden
de zonderlingste luchtspiegelingen voortgebracht. Uitgestrekte
watervlakten, groot als een zee, verschenen aan den gezichteinder
en verdwenen weder spoedig, tot buitengewone voldoening van Soun,
die zich reeds bedreigd achtte door een nieuw zeetochtje.
Maar al was deze provincie aan de uiterste grens van China gelegen,
men moet daarom niet denken, dat zij onbewoond was. Het Hemelsche
Rijk, hoe uitgestrekt ook, is nog te klein voor de bevolking, die op
zijne oppervlakte is saamgeperst. Overal zijn de bewoners talrijk,
zelfs op de grenzen van de Aziatische woestijn.
De velden werden door mannen bearbeid. Ook de Tartaarsche vrouwen,
kenbaar aan haar rose en blauwe kleeding, waren met veldarbeid
bezig. Troepen gele schapen met lange staarten--een staart, dien Soun
niet zonder wangunst beschouwde!--graasden hier en daar, beloerd door
een zwarten arend.
Ongelukkig de arme verdwaalde die van den troep afraakte! Het zijn
geduchte roovers en zij richten eene moorddadige slachting aan onder
de schapen, rammen en jeugdige antilopen, en dienen zelfs den Kirgiesen
in de steppen van Midden-Azië als jachthonden.
Voorts zag men overal geheele wolken van gevleugeld wild. Een geweer
zou hier bezigheid gevonden hebben; maar de ware jager zou niet zonder
verontwaardiging de menigte strikken enz. gade geslagen hebben, alleen
den strooper waardig, die den grond overal tusschen de koren-, gierst-
en maïsvelden bedekten.
Kin-Fo en zijne metgezellen gingen steeds voort te midden van wolken
van Mongoolsche stof. Zij hielden stand noch onder de schaduw hier
en daar langs den weg, noch op de verspreid liggende boerenplaatsen,
noch in de dorpen welker bestaan van tijd tot tijd in de verte bleek
uit de graftorens, ter gedachtenis van eenige helden der Bouddhistische
legende opgericht. Zij liepen achter elkander en lieten zich geleiden
door de kameelen, die altijd zoo loopen en die bij hunne gelijkmatige
stappen geaccompagneerd worden door het geluid van een hun om den
hals gebonden roode schel.
Onder deze omstandigheden was er aan het voeren van een gesprek
niet te denken. De gids, weinig spraakzaam van aard, bleef steeds
aan het hoofd van de kleine karavaan en keek scherp voor zich uit,
zoover de dikke stofwolken om hen heen slechts toelieten. Hij aarzelde
trouwens nooit en wist steeds welken weg hij in moest slaan, ook bij
de kruiswegen waar handwijzers ontbraken. Craig en Fry koesterden
dan ook te zijnen opzichte geen wantrouwen meer en konden al hun
aandacht wijden aan den kostbaren cliënt van _de Eeuw_. Het was niet
meer dan natuurlijk dat hun onrust toenam, naarmate zij dichter bij
het bereiken van hun doel waren. Ieder oogenblik en zonder dat zij in
staat zouden zijn er iets aan te doen, kon er een man langs de zijde
van den weg verschijnen, die hun door een wel toegebrachten slag een
verlies van tweehonderdduizend dollars kon berokkenen.
Wat Kin-Fo betreft, hij was in die gemoedstemming waarin de
herinneringen van het verledene het overwicht hebben op den angst van
het oogenblik of van de toekomst. Alles kwam hem weder voor den geest
wat er in de laatste twee maanden gebeurd was, en de hardnekkigheid
waarmede het ongeluk hem vervolgde, begon hem ernstig ongerust te
maken. Van den dag af waarop zijn correspondent te San-Francisco hem
het bericht van zijn gewaand verlies had gemeld, was alles hem toch
letterlijk tegengeloopen. Zou dit gebeurd zijn om hem te straffen voor
de verblindheid waarmede hij de voorrechten van het eerste gedeelte
van zijn bestaan had miskend? Zou zijn slecht gesternte ondergaan
als het hem slechts gelukte Lao-Shen dien ongeluksbrief afhandig
te maken, of zou deze nog vóór dien tijd aan de opdracht van Wang
voldoen en hem dooden? Zou het eenmaal de beminnelijke Lé-ou nog
gegeven zijn door haar teederheid, haar zorg, haar opgewektheid,
de booze geesten te bezweren die tegen hem losgelaten waren? Dit
alles kwam hem in de gedachte, hij peinsde er over, en het maakte
hem bezorgd en ongerust. En Wang! Zeker, hij kon het hem niet kwalijk
nemen dat hij eene belofte had willen houden die hij zoo plechtig had
moeten bezweren; maar Wang, de philosoof, die nooit ontbrekende gast
van de yamen, hij zou daar niet meer zijn om hem wijsheid te leeren!
....»Pas op, val niet!" riep op dit oogenblik de gids uit, tegen
wiens kameel die van Kin-Fo aanviel; hij had in zijne droomerijen
niet opgemerkt, dat het dier gevaar liep van te struikelen.
»Zijn wij er?" vroeg hij.
»'t Is acht uur" antwoordde de gids, »en ik stel voor hier halt te
houden om eerst te eten."
»En dan?"
»Dan gaan we verder."
»Maar dan is het donker."
O, wees maar niet bang dat wij verdwalen zullen! De Groote Muur is geen
twintig _lis_ meer van hier en onze kameelen moeten even uitblazen."
»'t Is best!" antwoordde Kin-Fo.
Aan den kant van den weg stond een vervallen gebouw en een beekje
kronkelde zich daarnevens door een ravijn; de beesten konden daar
heerlijk drinken.
Voordat de duisternis inviel richtten Kin-Fo en zijn gevolg zich
eenigszins huiselijk in het gebouw in en aten daar met den gewonen
trek van lieden, die een flinken tocht achter den rug hebben.
Maar met het gesprek wilde het niet vlotten. Een of tweemaal trachtte
Kin-Fo het op Lao-Shen te brengen. Hij vroeg den gids, wat deze
Taï-ping er voor een was, of hij hem kende. De gids schudde zijn
hoofd als iemand die niet alles zeggen wil wat hij weet en vermeed
zooveel mogelijk om de tot hem gerichte vragen te beantwoorden.
»Komt hij wel eens in deze provincie?" vroeg Kin-Fo.
»Neen", antwoordde de gids, »maar Taï-pings uit zijn bende zijn
dikwijls aan deze zijde van den Grooten Muur geweest en het was beter
hen niet te ontmoeten! Bouddha behoede ons voor de Taï-pings!"
Gedurende dit gesprek, dat Kin-Fo meer belang inboezemde dan de gids
scheen te kunnen vermoeden, zagen Craig en Fry elkander aan, fronsten
hunne wenkbrauwen keken op hun horloge en schudden het hoofd.
»Waarom zouden wij hier niet rustig den dag blijven afwachten?" vroegen
zij.
»In dezen bouwval!" riep de gids uit. »Ik overnacht nog liever in
het open veld; men loopt dan nog minder gevaar overvallen te worden!"
»De afspraak was, dat we van avond nog bij den Grooten Muur zouden
zijn", merkte Kin-Fo op. »Ik wil daar zijn en dat zal geschieden ook."
Dit werd gezegd op een toon die geen tegenspraak duldde. Soun zelf,
ofschoon half dood van angst, durfde geen aanmerking maken.
Toen het maal afgeloopen en het inmiddels negen uur geworden was,
stond de gids op en maakte men zich gereed den tocht voort te zetten.
Kin-Fo wilde op zijn kameel klimmen, toen Craig en Fry hem aanspraken.
»Blijft mijnheer nog altijd bij zijn plan om Lao-Shen op te zoeken
en zich in zijn tegenwoordigheid te wagen?"
»Wel zeer zeker", antwoordde Kin-Fo: »ik wil mijn brief terug hebben,
wat het dan ook kosten mag."
»U speelt een gevaarlijk spel!" hernamen de agenten, »door u in het
kamp van den Taï-ping, in het hol van den leeuw te wagen!"
»Denk je dat ik de geheele reis gemaakt heb om op het laatste oogenblik
terug te deinzen?" antwoordde Kin-Fo. »Jelui bent immers vrij om mij
al of niet te volgen!"
De gids had een kleine zaklantaarn aangestoken. De beide agenten
kwamen naderbij en keken nogmaals op hun horloge.
»'t Zou zeker voorzichtiger zijn tot morgen te wachten", zoo hielden
zij aan.
»Waarom dat?" vroeg Kin-Fo. »Lao-Shen zal zeker morgen of overmorgen
even gevaarlijk zijn als heden. Kom aan, op weg!"
»Op weg!" herhaalden nu Craig en Fry.
De gids had dit gedeelte van het gesprek gehoord. Reeds verscheidene
keeren, toen de beide agenten moeite gedaan hadden om Kin-Fo van zijn
voornemen af te brengen, had zijn gelaat eene verstoorde uitdrukking
getoond. Nu hij hoorde dat zij weder op dit onderwerp terugkwamen,
kon hij eene beweging van ongeduld niet onderdrukken.
Dit was de aandacht van Kin-Fo niet ontgaan, die overigens vast
besloten was om niet te aarzelen en geen stap terug te gaan. Maar
groot was zijne verbazing, toen op het oogenblik dat hij zou opstijgen,
de gids op hem toetrad en hem in het oor fluisterde:
»Vertrouw die beide menschen niet!"
Kin-Fo opende zijn mond reeds om hiervan nader verklaring
te vragen.... De gids gaf hem echter een teeken om te zwijgen,
waarschuwde dat het oogenblik van vertrek daar was en de kleine
karavaan ging weder op weg.
Was er wantrouwen opgewekt in den geest van Kin-Fo tegen de beide
agenten van William J. Bidulph? Konden de geheel onverwachte en
onverklaarbare woorden van den gids opwegen tegen de twee maanden
van toewijding die de agenten aan zijn dienst hadden gewijd? Stellig
niet! En toch vroeg Kin-Fo zichzelf te vergeefs af waarom Craig en
Fry hem zoo sterk hadden aangeraden om zijn bezoek bij den Taï-ping
tot den volgenden dag uit te stellen of liever er geheel van af te
zien. Waren zij dan niet onverwachts uit Peking vertrokken om Lao-Shen
te zoeken? Het eigenbelang zelf der beide agenten van de Eeuw eischte
immers dat hun cliënt weder in het bezit kwam van dien dwazen en
gevaarlijken brief? Er was dus wel iets onverklaarbaars in hun gedrag!
Kin-Fo liet niets van deze overpeinzingen blijken. Hij had zijn plaats
in de rij weder ingenomen. Craig, Fry en Soun volgden hem en zoo reden
zij ruim twee uur zwijgend achter elkander door, zonder dat hun iets
belangrijks overkwam.
Het zal omstreeks middernacht geweest zijn, toen de gids stilhield
en hun in het noorden eene lange donkere lijn toonde, die slechts
onduidelijk tegen den weinig minder donkeren hemel afstak. Achter
deze lijn zag men de toppen van eenige bergen, die reeds door de
eerste stralen der maan verlicht werden, ofschoon dit hemellichaam
zelf noch achter den gezichteinder verborgen was.
»De Groote Muur!" sprak de gids.
»Kunnen wij van nacht nog verder?" vroeg Kin-Fo.
»Ja wel, als u dat absoluut wilt!" antwoordde de gids.
»Dan gaan wij verder!"
De kameelen waren blijven staan.
»Ik zal den pas gaan verkennen," sprak toen de gids; »wacht hier dan
maar op mij."
Daarop verwijderde hij zich.
Op dit oogenblik traden Craig en Fry op Kin-Fo toe.
»Mijnheer?..." sprak Craig.
»Mijnheer?..." sprak Fry.
»Is u tevreden geweest over onze diensten gedurende den tijd dat mijn
heer William J. Bidulph ons aan uw persoon verbonden heeft?"
»Zeer tevreden!"
»Zou mijnheer dan zoo goed willen zijn dit stuk even te willen
teekenen, waarin verklaard wordt, dat u alle reden hebt om voldaan
te zijn over onze houding in de twee laatste maanden?"
»Dit stuk!" hernam Kin-Fo uiterst verbaasd. Craig had inmiddels uit
zijn zakboek een keurig net getuigschrift voor den dag gehaald en
hield hem dit voor.
»Het zal misschien den heer William J. Bidulph genoegen doen en dan
is ons dat zeer aangenaam."
»En bezorgt het ons misschien ook een extra gratificatie," voegde
Fry er bij.
»Mijnheer kan mijn rug wel als lessenaar gebruiken," sprak Craig zich
omkeerend en bukkend.
»En hier is pen en inkt, waarmede mijnheer gelegenheid heeft om ons
dit genoegen te doen," zei Fry.
Kin-Fo lachte en teekende zoo goed als de buitengewone omstandigheden
toelieten het hem aangeboden stuk.
»En zeg mij nu eens" sprak Kin-Fo, toen hij aan het verzoek der
beide agenten voldaan en het begeerde stuk geteekend had, »wat deze
aardigheid hier op deze plaats en op dit uur beteekent!"
»Op deze plaats," antwoordde Fry, »omdat wij niet verder met u mede
zullen reizen."
»En op dit uur," voegde Craig er bij, »omdat het over een paar minuten
middernacht zijn zal."
»Maar wat doet dat er toe?"
»Mijnheer," antwoordde Craig, »het belang dat de
verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ in uw dierbaar leven stelt..."
»Duurt nog slechts enkele oogenblikken..." voegde Fry er bij.
»En dan kunt ge u zelf het leven benemen..."
»Of u door anderen laten dooden..."
»Al naar u dat zelf verkiest!"
Kin-Fo zag de beide agenten, die zeer beleefd en ernstig spraken, met
verbazing aan, maar begreep er niets van. Op dit oogenblik verschenen
de eerste stralen der maan in het oosten boven den gezichteinder.
»De maan!" riep Fry uit.
»En heden 30 Juni...." riep Craig uit.
»Komt zij te middernacht op...."
»En daar uw contract met _de Eeuw_ niet vernieuwd is...."
»Is thans uw polis ook niet geldig meer en behoort u niet meer onder
de verzekerden!..."
»Goeden avond, mijnheer Kin-Fo!" zei Craig.
»Mijnheer Kin-Fo, goeden avond!" zei Fry.
En de beide agenten stegen op hunne kameelen, trokken den teugel aan
en verdwenen langs den weg dien zij gekomen waren, Kin-Fo sprakeloos
van verbazing achterlatende.
Nauwelijks hield het geluid op van de hoefslagen der kameelen, waarop
deze practische Amerikanen huiswaarts keerden, of een aantal mannen,
aangevoerd door den gids, wierpen zich op Kin-Fo, die vruchteloos
trachtte zich te verdedigen, en op Soun, die vruchteloos trachtte
te vluchten.
Een oogenblik later waren heer en knecht gebonden en sleepte men hen
naar een der verlaten forten van den Grooten Muur, waarin men hen
stevig achter slot en grendel bracht.