XXII.

Dat de lezer zelf wel had kunnen schrijven, zoo gemakkelijk

was de afloop te voorzien!

De Groote Muur,--een Chineesch kraamschut, vierhonderd uur gaans

lang,--in de derde eeuw door keizer Tisi-Chi-Houang-Ti opgericht,

strekt zich uit van de golf van Léao-Tong, waar hij met twee steenen

hoofden in zee begint, tot aan de Kan-Sou, waar hij tot de afmetingen

van een gewonen muur teruggebracht is. Het is eene onafgebroken

opeenvolging van dubbele wallen, verdedigd door bastions en forten

of torens, vijftig voet hoog en twintig voet breed, gegrondvest op

graniet en opgetrokken van baksteen, die geheel het beloop der bergen

volgen, welke Rusland van China scheiden.

Aan de zijde van het Hemelsche Rijk is de muur vrij slecht

onderhouden. Aan de zijde van Mantchourije doet hij zich echter beter

voor en het getande metselwerk dat de bovenranden omzoomt is nog in

vrij goeden staat.

Verdedigers vindt men op deze lange rij van vestingwerken volstrekt

niet, kanonnen nog minder. De Russen, de Tartaren, de Kirgiesen

gaan even ongestoord door de poorten als de zoons van het Hemelsche

Rijk. Het kraamschut beschermt de noordelijke grenzen des lands zelfs

niet meer tegen het fijne Mongoolsche stof, dat door den wind somtijds

zelfs tot in de hoofdstad gedreven wordt.

Het was door de poort van een dezer verlaten bastions dat Kin-Fo en

Soun, na op stroo een zeer slechten nacht doorgebracht te hebben,

den volgenden ochtend geleid werden door een dozijn lieden, die

natuurlijk alleen tot de benden van Lao-Shen konden behooren.

De gids was verdwenen. Maar Kin-Fo wist zeer goed wat hij hiervan

denken moest. Het was niet bij toeval geweest dat deze verrader hun

zijne diensten had aangeboden. De ex-verzekerde bij de maatschappij

_de Eeuw_ was blijkbaar door dien ellendeling verwacht. Zijne aarzeling

om zich aan gene zijde van den Grooten Muur te wagen, was slechts een

krijgslist geweest om geen kwaad vermoeden op te wekken. De schelm

was in dienst van den Taï-ping en het was blijkbaar op diens bevel

dat hij gehandeld had.

Als Kin-Fo nog had kunnen twijfelen, dan zou dit toch niet meer het

geval geweest zijn na een kort gesprek met den persoon die den troep

scheen aan te voeren.

»Je brengt ons ongetwijfeld naar het kamp van Lao-Shen, je chef",

had hij gevraagd.

En het antwoord was geweest:

»Wij zullen er binnen een uur zijn!"

Wat was Kin-Fo dan ook eigenlijk daar komen doen? Immers alleen den

zaakgelastigde van zijn ouden leermeester, van wijlen den philosoof

Wang, opzoeken. Welnu, hij zou thans dit doel bereiken. Of hij er

goedschiks of kwaadschiks kwam, deed er immers weinig toe! Angst of

vrees te voelen, dat kon hij veilig aan Soun overlaten, wiens tanden

klapperden en die van tijd tot tijd reeds meende dat zijn hoofd hem

voor de voeten viel.

Kin-Fo had zich dus zeer phlegmatiek in zijn lot geschikt en liet zich

rustig verder leiden. Hij zou nu in de gelegenheid zijn met Lao-Shen

over den terugkoop van zijn brief te onderhandelen. Dit was al wat

hij gewenscht had. Hij had zich dus nergens over te beklagen.

Na den Grooten Muur achter zich gelaten te hebben, volgde de troep

niet den grooten Mongoolschen heerweg, doch afgelegen voetpaden, die

rechtsaf naar het bergachtige gedeelte der provincie leidden. Men

ging ongeveer een uur ver, zoo snel als de steile weg slechts

toeliet. Kin-Fo en Soun werden scherp bewaakt en zouden niet hebben

kunnen ontvluchten, ook al hadden zij dit gewild.

Na verloop van anderhalf uur bemerkten de roovers en de gevangenen

bij het omslaan van een hoek een half vervallen gebouw.

Het was een oude kloosterkerk op een der bergruggen, een eigenaardig

monument der Bouddhistische bouwkunst. Maar op deze verloren plek

aan de Russisch-Chineesche grenzen, te midden eener woestijn,

mocht men wel vragen welke geloovigen den drempel der kapel ooit

zouden overschrijden. Men mocht met recht onderstellen dat dit met

levensgevaar zou gepaard gaan, want nergens was beter gelegenheid om

hinderlagen te leggen.

Als de Taï-ping Lao-Shen zijn kamp had opgeslagen in dit bergachtig

gedeelte der provincie, dan had hij waarlijk zijn terrein niet

slecht gekozen.

Op een vraag van Kin-Fo vernam hij dat Lao-Shen daar werkelijk

vertoefde.

»Ik verlang terstond bij hem gelaten te worden," sprak Kin-Fo.

»Dat zal geschieden!" was het antwoord.

Men bracht hem en Soun in eene groote vestibule, die het voorhof van

den tempel vormde. Daar bevonden zich een twintigtal gewapende lieden,

die er in hun rooverspak zeer schilderachtig uitzagen, doch wier ruwe

en woeste gelaatstrekken juist niet geschikt waren om iemand recht

op zijn gemak te zetten.

Kin-Fo trad echter onbeschroomd tusschen de dubbele rij Taï-pings

door; wat Soun betreft, zijne beenen weigerden hem te dragen en

slechts met duwen en stooten kon men hem vooruit drijven.

De vestibule gaf aan de eene zijde toegang tot een trap in den dikken

muur, welker treden tot vrij diep onder den berg leidden.

Hieruit kon men afleiden dat er een soort van gewelf onder het

hoofdgebouw was en iemand, die niet met de onderaardsche inrichting

bekend was, zou zeer moeilijk of liever onmogelijk den weg door het

doolhof van gangen derwaarts hebben kunnen vinden.

Na een dertigtal treden afgedaald te zijn, ging men een honderdtal

schreden rechts en links bij den walmenden schijn van een aantal

toortsen en kwam toen in eene groote zaal, die op dezelfde wijze

eenigermate verlicht was.

Dit was oorspronkelijk een grafkelder geweest. Korte zware pilaren,

met de afzichtelijke monsterkoppen, die aan de grillige fauna der

Chineesche mythologie ontleend zijn, droegen de ingebogen gewelven,

waarvan de scherpe kanten aan den sluitsteen der zware bogen aansloten.

Een dof gemompel deed zich in deze onderaardsche zaal hooren toen de

twee gevangenen binnengebracht werden.

De zaal was namelijk volstrekt niet ledig. Eene groote menigte

vulde haar tot in hare duisterste schuilhoeken. De geheele bende

der Taï-pings was daar vereenigd, zeker om een of ander verdachte

plechtigheid te vieren.

Achter in het gewelf op eene steenen verhevenheid stond een groot en

zwaar man, als de voorzitter van een geheim gerechtshof. Drie of vier

zijner metgezellen stonden onbeweeglijk aan zijne zijde. Hij gaf een

teeken, de menigte week dadelijk uiteen en liet den doortocht voor

de twee gevangenen open.

»Lao-Shen", zei eenvoudig de aanvoerder van het geleide, den persoon

op de verhevenheid aanwijzende.

Toen Kin-Fo zich tegenover den gevreesden Taï-ping bevond, meende

hij niet beter te kunnen doen, dan terstond de zaak op het tapijt te

brengen, die hem aan de andere zijde van den Grooten Muur gebracht had.

»Lao-Shen", aldus begon hij, »gij bezit een brief die u toegezonden is

door uw ouden vriend en metgezel Wang. Deze brief, door mij geschreven

en aan Wang ter hand gesteld, heeft op dit oogenblik geen waarde

hoegenaamd meer en ik kom u verzoeken mij dien terug te geven."

Bij deze woorden, die Kin-Fo op vastberaden toon uitsprak, gaf de

Taï-ping geen antwoord; hij maakte zelfs geen enkele beweging. Men

had kunnen denken dat het een bronzen standbeeld was.

»Wat eischt gij van mij voor het teruggeven van dit geschrift?" hernam

Kin-Fo.

Hij wachtte echter tevergeefs op eenig antwoord.

»Lao-Shen", sprak Kin-Fo verder, »ik zal u een wissel geven op den

bankier, dien gij noemt, in de stad die gij verkiest, en die zonder

korting zal uitbetaald worden zonder dat de man door wien gij hem

wilt laten ontvangen deswege zal verontrust worden."

De Taï-ping bewaarde hetzelfde ijskoude stilzwijgen,--een omstandigheid

die weinig goeds voorspelde.

Kin-Fo ging voort, duidelijk op elk woord den klemtoon leggende:

»Hoe groot verlangt gij dat ik de som maken zal? Ik bied u vijfduizend

taëls aan." [17]

Geen antwoord.

»Tienduizend taëls?"

Lao-Shen en zijne gezellen lieten geen geluid hooren en bleven

onbeweeglijk, evenals de beelden in deze vreemdsoortige kerk.

Eenig ongeduld en toorn begon zich van Kin-Fo meester te maken;

zijn aanbod was dan toch wel eenig antwoord waard.

»Verstaat gij mij niet, Lao-Shen?" vroeg hij den Taï-ping.

Lao-Shen verwaardigde zich ditmaal met het hoofd te knikken en gaf

daardoor te kennen dat hij hem volmaakt goed verstond.

»Twintigduizend taëls? Dertigduizend taëls!" riep Kin-Fo uit. »Ik

zal u geven wat _de Eeuw_ u zou betaald hebben als ge mij gisteren

gedood hadt. Het dubbele! het driedubbele! spreek op, is dat genoeg?"

Kin-Fo geraakte buiten zichzelf door het stilzwijgen van allen die

hem omringden. Hij kruiste zijne armen over elkander en kwam een

schrede nader.

»Tot welken prijs", sprak hij, »wilt ge mij dan dien brief afstaan?"

»Voor geen prijs ter wereld!" zoo verbrak eindelijk de Taï-ping het

stilzwijgen. »Gij hebt Bouddha beleedigd door het leven te minachten

dat hij u geschonken heeft, en Bouddha wil gewroken worden. Slechts

door den dood kunt gij de volle waarde leeren erkennen van het

voorrecht dat gij zulk een geruimen tijd hebt miskend!"

Toen hij dit gezegd had op een toon die geen antwoord toeliet,

gaf Lao-Shen een teeken. Men greep Kin-Fo aan voordat hij nog een

poging had kunnen wagen om zich te verweren, hij werd gebonden en

voortgesleept. Een paar minuten later werd hij in een soort van kooi

geworpen, die als draagstoel kon dienen, doch die rondom zoodanig

gesloten was, dat er geen enkele lichtstraal in doordrong.

Soun, de ongelukkige Soun, werd ondanks zijn schreeuwen en smeeken

op dezelfde wijze behandeld.

»Dat is de dood," sprak Kin-Fo tot zich zelf; »welnu hetzij zoo,

hij die het leven veracht heeft, verdient te sterven!"

Toch was de dood nog niet zoo nabij als hij dacht. Maar welke foltering

had de wreede Taï-ping dan voor hem uitgedacht? Daarvan kon hij zich

geen voorstelling maken.

Er gingen uren voorbij. Kin-Fo voelde dat het hok waarin men hem

gesloten had, opgetild en voortgedragen werd. Toen werd het blijkbaar

op een of ander voertuig geplaatst. Het schokken op den weg, het

geluid der paarden, het gekletter der wapenen van de lieden die er

naast gingen, lieten daaraan geen twijfel over. Men vervoerde hen

blijkbaar naar elders. Waarheen! Dat was onmogelijk te gissen.

Zeven à acht uur later bemerkte Kin-Fo dat men stilhield, dat zijn

kooi opgenomen en voortgedragen werd en kort daarop voelde hij eene

geheel andere beweging dan die in het voertuig waarmede men hem over

den weg had gereden.

»Ben ik dan nu op een schip?" vroeg hij zichzelf af.

Zeer duidelijk merkbaar slingeren en stampen en het trillen van een

schroef versterkten hem in het denkbeeld dat men hem aan boord van

een stoomboot had gebracht.

»Dus de dood in de golven!" dacht hij, »'t Zij zoo, zij besparen mij

dusdoende veel erger folteringen! Heb dank daarvoor, Lao-Shen!"

Maar er gingen weder tweemaal vier-en-twintig uur voorbij. Tweemaal

per dag werd door een schuif wat eten en drinken in het hok gezet,

zonder dat de gevangene de hand zien kon die het bracht en zonder

dat hij eenig antwoord op zijne vragen kreeg.

Kin-Fo had ontroeringen gewenscht, voordat hij het schoone, hem door

den hemel geschonken leven verliet! Hij had niet gewild, dat zijn

hart zou ophouden te kloppen voordat het althans ook eens getrild

had! Welnu, er werd aan zijn wensch voldaan en in veel grooter mate

dan hij dit ooit had kunnen begeeren.

Toch had hij gaarne, nu hij zijn leven moest verliezen, in het volle

daglicht willen sterven. De gedachte dat het hok, waarin hij opgesloten

was en dat slechts op de meest primitieve wijze als een gevangenis-cel

was ingericht, elk oogenblik in de golven kon geworpen worden, kwelde

hem vreeselijk. Sterven zonder dat hij den hemel nog eenmaal gezien

had, zonder een laatsten blik geworpen te hebben op de arme Lé-ou,

wier herinneringen hem geheel vervulden, dat was te erg!

Eindelijk na een tijdsverloop, van welks duur hij zich geen

voorstelling kon maken, scheen het hem toe dat de lange tocht

plotseling gestaakt werd. Het gedreun der machine hield op. Het

vaartuig, waarop zijne gevangenis stond, hield stil. Kin-Fo voelde

dat de kooi opnieuw werd opgenomen.

Nu was dus het laatste oogenblik aangebroken en de veroordeelde had

nog slechts vergiffenis te vragen voor de afdwalingen waaraan hij

zich bij zijn leven had schuldig gemaakt.

Eenige oogenblikken verliepen er nog,--jaren, eeuwen!

Tot zijne verbazing bemerkte Kin-Fo, dat de kooi opnieuw op den vasten

grond stond.

Plotseling werd de gevangenis geopend. Ruwe armen grepen hem aan,

een sterke band werd hem om de oogen geslagen en hij voelde dat men

hem naar buiten trok. Stevig vastgehouden moest hij eenige schreden

doen, toen dwongen zijne geleiders hem om stil te staan.

»Als ik nu eindelijk sterven moet," riep hij uit, »smeek ik u niet

mij het leven te laten, waarvan ik geen goed gebruik wist te maken,

maar bid ik u mij te laten sterven in het volle daglicht, als een

man die den dood niet vreest!"

»Het zij zoo!" sprak een ernstige stem. »Laat het geschieden zooals

de veroordeelde wenscht!"

Plotseling werd de band, die zijne oogen bedekte, afgerukt.

Kin-Fo wierp toen een blik om zich heen....

Was hij de speelbal van een droom? Een rijk gedekte tafel stond voor

hem, waaraan vijf gasten gezeten waren, die glimlachten en slechts

op hem schenen te wachten om op het maal aan te vallen. Twee ledige

plaatsen waren open gelaten.

»Gij, gij! Mijn vrienden, mijn beste vrienden! Zijt gij het?" riep

Kin-Fo uit, op een toon die onmogelijk weer te geven zou zijn.

Maar neen! er was geen vergissing mogelijk. Het was Wang, de

philosoof! Het waren Yin-Pang, Houal, Pao-Shen, Tim, zijne vrienden

uit Kanton, dezelfden die hij twee maanden geleden onthaald had op

het bloemenschip op de Paarlen-rivier, de vrienden zijner jeugd,

de gezellen van zijn ongehuwden staat!

Kin-Fo kon zijne oogen niet gelooven! Hij was in zijn eigen huis,

in de eetzaal van zijn yamen te Shang-Haï!

»Als gij het zijt," riep hij uit, het woord tot Wang richtende,

»en niet uw schim, spreek dan!"

»Ik ben het zelf mijn vriend," antwoordde de philosoof. »En zijt gij

nu geneigd aan uw ouden leermeester te vergeven dat zijn laatste les

in de philosophie misschien wat buitengewoon en wat hard was?"

»Wat zegt ge?" antwoordde Kin-Fo. »Hebt gij, gij Wang, de hand in

dit alles gehad?"

»Dat heb ik!" luidde het antwoord.

»Ja", vervolgde Wang, »ik deed alles; ik, die alleen de opdracht om u

te dooden op mij genomen heb, opdat een ander zich er niet mee belasten

zou! Ik die wist, nog eerder dan gij, dat gij niet geruïneerd waart,

en dat er een oogenblik zou komen, waarop gij niet zoudt verlangen te

sterven. Mijn oude makker, Lao-Shen, die zich onderworpen heeft en die

in het vervolg een der hechtste steunpilaren van het rijk zal worden,

heeft mij wel behulpzaam willen zijn om u, met den dood voor oogen,

het leven op prijs te doen stellen. Dat ik u verschrikkelijken angst

heb doen doorstaan en u, wat nog erger is, meer heb laten verrichten

dan van een mensch naar billijkheid kan worden verlangd,--mijn hart

bloedde er onder,--is alleen geschied omdat ik de zekerheid had dat

gij het geluk achtervolgde, en dat gij het eenmaal bereiken zoudt!"

Kin-Fo was Wang in de armen gezonken en deze drukte hem innig tegen

de borst.

»Arme Wang!" sprak Kin-Fo bewogen, »had ik dan nog maar alleen gevaar

geloopen! Maar ook u heb ik in ongelegenheid gebracht! Wat heb ik

u laten loopen en wat heb ik u een koud bad bezorgd op de brug van

Palikao!"

»Och, wat dat betreft", antwoordde Wang lachende, »dit heeft mij met

het oog op mijn vijf en vijftig jaren en mijn philosophie niet weinig

vrees verwekt! Ik had het warm en het water was koud! Maar ik ben er

goed afgekomen! Men loopt en zwemt nooit beter dan als men het voor

een ander doet!"

»Voor een ander!" sprak Kin-Fo ernstig. »Ja! men moet voor een ander

alles over hebben! Daar ligt het geheim voor het ware geluk!"

Daarop kwam Soun binnen, bleek als iemand die gedurende tweemaal

vier-en-twintig uur door zeeziekte gekweld werd. De ongelukkige

knecht had, evenals zijn meester, den weg van Fou-Ning naar Shang-Haï

moeten maken, en hoe hij het er afgebracht had, kon men wel aan zijn

gezicht zien!

Na zich aan de armen van Wang als 't ware ontworsteld te hebben,

drukte Kin-Fo al zijne vrienden de hand.

»'t Is niet te loochenen, zóó is het beter!" sprak hij. »Ik ben tot

nu toe een gek geweest!..."

»En nu zult gij in een verstandig man veranderen!" antwoordde hem

de philosoof.

»Ik zal er naar trachten," zei Kin-Fo, »en in de eerste plaats beginnen

met orde op mijn zaken te stellen. Ik heb de wereld doorgezworven

om een stuk papier te zoeken dat de oorzaak is geweest van al mijn

wederwaardigheden en dat ik terug wil hebben. Wat is er geworden

van den vervloekten brief, dien ik u heb gegeven, Wang? Hebt gij

hem werkelijk uit uw handen gegeven? Ik zou hem graag terug hebben,

want hij kon weer wegraken! Lao-Shen kan er--gesteld hij heeft dien

nog in zijn bezit--geen waarde meer aan hechten en hij zou misschien

kunnen vallen in de handen van... minder fatsoenlijke lieden!"

Iedereen barstte op het hooren van deze woorden in lachen uit.

»Beste vrienden", zei Wang, »Kin-Fo is werkelijk, dank zij zijn

avonturen, een man van regelmaat geworden! Zijn onverschilligheid

van vroeger is geweken! Hij denkt als een verstandig man!"

»Ik krijg echter op deze wijze mijn brief niet terug", hernam Kin-Fo,

»mijn dwazen brief! Ik beken zonder schaamte dat ik niet rusten zal

voor ik dien terug heb en voor ik de asch er van aan den wind heb

toevertrouwd!"

"Hecht gij werkelijk aan uw brief?" hernam Wang.

»Zeker", antwoordde Kin-Fo. »Zoudt gij zoo wreed zijn dien te behouden

als een waarborg tegen een nieuwe dwaasheid mijnerzijds?"

»Neen."

»Welnu?"

»Welnu, beste leerling, aan uw verlangen kan niet voldaan worden het

is helaas mijn schuld niet. Noch Lao-Shen, noch ik hebben hem meer,

uw brief..."

»Hebt gij hem niet meer?"

»Neen."

»Hebt gij hem vernietigd?"

»Neen! helaas! neen!".

»Zijt gij onvoorzichtig genoeg geweest hem aan andere handen toe

te vertrouwen?"

»Ja."

»Aan wien? aan wien!" vroeg Kin-Fo driftig, daar zijn geduld ten

einde was. »Aan wien?"

»Aan iemand die hem alleen aan u persoonlijk ter hand wil stellen!"

Op dit oogenblik verscheen de bevallige Lé-ou, die achter een scherm

verborgen, het tooneel van het begin tot het einde had bijgewoond. Zij

hield den brief tusschen hare lieve vingertjes en bewoog hem, bij

wijze van waarschuwing, heen en weder.

Kin-Fo breidde zijn armen uit.

»Neen, nog niet. Eerst nog een weinig geduld!" sprak de beminnelijke

vrouw, terwijl zij een beweging maakte als wilde zij weder achter

het scherm terugkeeren. »Eerst zaken, mijn beste man!"

En terwijl zij hem den brief voor de oogen hield, sprak zij:

»Herkent mijn lieve jongste broeder zijn werk?"

»Of ik het herken!" riep Kin-Fo uit. »Wie anders dan ik had dien

gekken brief kunnen schrijven?"

»Welnu," vervolgde Lé-ou, »daar gij de wettige begeerte uit om

den brief te bezitten, ziedaar, verscheur, verbrand, vernietig dit

gevaarlijke stuk! Dat er niets overblijve van den Kin-Fo die het

geschreven heeft!"

»Zoo zij het," sprak Kin-Fo, en naderde met het dunne papier de vlam;

»maar vergun nu, mijn allerliefste, dat uw man teederlijk zijn vrouw

omarme en zet gij u aan het hoofd van dezen disch. Ik gevoel dat ik

er eer aan zal bewijzen."

»En wij ook!" riepen de vijf gasten. »Tevreden menschen zijn hongerig!"

Toen de officieele rouw eenige dagen later werd opgeheven, werd het

huwelijk gesloten.

De beide echtgenooten beminden elkander! Zij moesten elkander altijd

beminnen. Van alle kanten lachte hun het geluk toe.

Men ga naar China om er getuige van te zijn!

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 29 / 36 题