Waarin men zien zal waaraan men zich blootstelt als men
kapitein Boyton's drijftoestel gebruikt.
Drie uren later werd de horizon verhelderd door de eerste voorteekenen
van den dageraad, en het duurde niet lang of men kon de zee in hare
geheele uitgestrektheid overzien.
De jonk was reeds uit het gezicht. Zij was de vier drijvers spoedig
vooruit gezeild en deze hadden volstrekt geen begeerte om bij haar te
blijven. Zij volgden wel denzelfden weg naar het westen, voortgestuwd
door denzelfden wind, maar de _Sam-Yep_ moest hun thans meer dan drie
mijlen voor zijn. Er was dus voor onze vrienden van die zijde niets
meer te vreezen.
Maar al was dit gevaar geweken, toch nam dit niet weg dat hun toestand
hoogst ernstig bleef.
De zee was zoo ver het oog reikte eenzaam en verlaten. Geen schip
of visscherssloep was ergens te bespeuren. Geen spoor van land was
noord- of oostwaarts te ontdekken. Niets duidde aan dat men dicht
bij een of andere kust was. Waren zij in de golf van Pé-Tché-Li of
in de Gele zee? Men wist er niets van.
Toch werd de oppervlakte van het water nog door een tochtje
bewogen. Men mocht het niet verloren laten gaan. De richting, die
de jonk genomen had bewees dat het land, na korter of langer tijd,
in het westen zou opdagen en dat men het in elk geval aan die zijde
moest zoeken.
Men kwam dus met elkander overeen dat zij weder onder zeil zouden
gaan, doch niet voordat men zich eenigermate had versterkt. De maag
deed hare rechten gelden, en nadat men tien uur in zee gedreven had,
was dat waarlijk niet te verwonderen.
»Laat ons eerst ontbijten", zei Craig.
»En zoo goed mogelijk!" voegde Fry er bij.
Kin-Fo gaf een teeken van toestemming, en aan de wijze waarop Soun
met de lippen smakte, bleek voldoende hoe hij er over dacht. Hij was
uitgehongerd en dacht er zelfs op dit oogenblik niet aan dat haaien
hem zelf wel eens voor hun ontbijt konden uitkiezen.
De waterdichte zak werd voor den dag gehaald en geopend. Fry haalde
er uitmuntenden voorraad uit, brood en ingelegde vruchten, eenig
tafelgereedschap, kortom al wat men noodig had om zich behoorlijk
te ontnuchteren. Van de honderd schotels, die een Chineesch maal
behooren te versieren, ontbraken er wel acht en negentig, maar er was
genoeg voor de behoeften der vier, die er gebruik van zouden maken
en de omstandigheden waren er niet naar dat men buitengewone eischen
mocht stellen.
Men ontbeet dus heerlijk, want de zak bevatte voorraad voor twee
dagen. Als men binnen dien tijd niet aan land kwam zou men er ook
wel nooit komen.
»Maar wij zijn goedsmoeds", verklaarden Craig-Fry.
»Hoe kunt ge nu zoo goedsmoeds zijn?" vroeg Kin-Fo niet zonder eenige
spotternij.
»Omdat het geluk ons nu reeds weer meeloopt", antwoordde Fry.
»Hé, vindt ge dat?"
»Ja zeker", verklaarde Craig. »Het groote gevaar was de jonk en
daaruit zijn we ontsnapt."
»Nooit, mijnheer", voegde Fry er bij, »nooit, zoolang wij de eer gehad
hebben bij uw persoon in dienst gesteld te zijn, werd uw leven minder
bedreigd dan op dit oogenblik."
»Geen Taï-ping ter wereld...." zei Craig.
»Zou u hier kunnen treffen...." zei Fry.
»En u drijft zeer aardig...." voegde Craig er bij.
»Voor iemand die tweehonderd duizend dollars weegt", vulde Fry aan.
Kin-Fo moest glimlachen, of hij wilde of niet.
»Als ik drijf", antwoordde hij, »dank ik dat u, mijnheeren! Zonder
uw hulp was ik thans daar, waar de arme kapitein Yin is!"
»Wij zelf ook!" antwoordden Fry-Craig.
»En ik dan!" riep Soun uit, terwijl hij bijna stikte in een groot
stuk brood, dat hij slechts met moeite kon verzwelgen.
»'t Doet er niet toe", hernam Kin-Fo, »ik weet wat ik u schuldig ben!"
»U zijt ons volstrekt niets schuldig", antwoordde Fry, »daar u
verzekerd zijt bij _de Eeuw_...."
»Groote algemeene levensverzekeringsmaatschappij...."
»Met een waarborgkapitaal van twintig millioen dollars....."
»En wij hopen vurig...."
»Dat zij geen cent aan u verliezen zal!"
In zijn hart was Kin-Fo zeer getroffen door de zorgen die de beide
agenten voor hem gehad hadden, wat dan ook de beweegredenen mochten
geweest zijn. Ook maakte hij van dat gevoel geen geheim voor hen.
»Wij zullen over dit alles wel eens nader spreken", voegde hij er bij,
»als Lao-Shen mij eerst maar den brief teruggegeven heeft, dien Wang
hem zoo ter kwader uur heeft ter hand gesteld."
Craig en Fry zagen elkander aan. Een schier onmerkbare glimlach
speelde om hunne lippen. Zij hadden blijkbaar weder op hetzelfde
oogenblik hetzelfde denkbeeld gehad.
»Soun!" sprak Kin-Fo.
»Wat blieft mijnheer!"
»Mijn thee!"
»Ik zal u helpen, mijnheer!" antwoordde Fry.
En het was goed dat Fry antwoordde, want als Soun het had moeten
doen, zou het wel eens kunnen geweest zijn met de minder eerbiedige
vraag hoe zijn heer dacht dat hij hem zijn thee had kunnen brengen,
terwijl beiden midden in den oceaan dreven.
Voor de beide agenten evenwel was de oplossing van deze quaestie
slechts een kleinigheid.
Fry nam namelijk uit den waterdichten zak een klein instrument, dat
zeer eigenaardig bij het drijfpak van kapitein Boyton behoort. Het
kan des nachts dienst doen als lantaarn, als het koud is als
verwarmingstoestel en als men iets warmen of koken wil als kookfornuis.
Niets eenvoudiger dan dit. Een kokertje van vijf of zes duim, verbonden
aan een metalen bakje, van boven en van onderen met een kraantje,
alles omsloten door een stuk kurk zooals de drijvende thermometers
waarmede men de warmte van het water in badkuipen meet--ziedaar het
instrument waarvan wij spreken.
Fry liet het op de oppervlakte van het water drijven.
Met de eene hand opende hij toen de bovenste kraan en met de andere
de onderste die met het metalen bakje in verbinding stond.
Terstond steeg een heldere vlam uit het kokertje op, die eene duidelijk
merkbare warmte verspreidde.
»Ziedaar ons fornuis", zeide Fry.
Soun kon zijne oogen niet gelooven.
»Maakt u vuur van water?" riep hij uit.
»Van water en phosphorcalcium!" antwoordde Craig.
Het werktuig was inderdaad zoodanig ingericht dat men op vernuftige
wijze partij trok van een der eigenaardige eigenschappen van het
phosphorcalcium, die phosphorverbinding welke, als zij met water
in aanraking komt, phosphorhoudend waterstofgas voortbrengt. Dit
gas ontbrandt van zelf in de lucht en noch de regen, noch de wind,
noch de zee kan het uitblusschen. Daarom wordt het thans ook gebruikt
om de nieuwste reddingsboeien te verlichten. Als men zulk een boei
in zee werpt komt het phosphorcalcium met het water in aanraking,
waaruit dadelijk eene heldere vlam te voorschijn springt, die den over
boord gevallen man de plaats aanwijst waar hij redding vinden kan of
den matrozen toont waar zij hem terstond te hulp kunnen komen [15].
Terwijl de vlam uit den koker opsteeg, hield Craig er een ketel met
zoetwater boven, uit een tonnetje dat hij in zijn waterdichten zak
mede van boord genomen had.
Het water kookte spoedig en Craig schonk het toen over in een trekpot
waarin eenige lepeltjes thee gedaan waren. Spoedig daarop kregen Kin-Fo
en Soun elk een geurigen kop van dit thans op zijn Amerikaansch gezette
aftreksel en het smaakte hun werkelijk even goed als gewoonlijk de
op Chineesche wijze bereide thee.
Met dezen warmen drank werd het ontbijt op »zooveel" graden breedte
en »zooveel" lengte op waardige wijze besloten; als men een sextant
en een chronometer had gehad, zou men ook op enkele seconden na de
plaats hebben kunnen bepalen waar. Deze instrumenten zullen zeker ook
spoedig eene plaats onder den voorraad van kapitein Boytons reiszak
vinden en dan zullen de schipbreukelingen ook gewaarborgd zijn tegen
het gevaar van op den oceaan te verdwalen.
Kin-Fo en zijne metgezellen gevoelden zich na dit eigenaardige ontbijt
behoorlijk uitgerust en versterkt; zij heschen nu het zeil weder in
top en zetten hun tocht westwaarts voort.
De bries woei nog twaalf uur achter elkander en de scaphanders, die
den wind achter zich hadden, legden in dien tijd een aanzienlijken
afstand af. Alleen moesten zij nu en dan even met de pagaai sturen,
om in de juiste richting te blijven. Op den rug liggende en van zelf
gemakkelijk voortglijdende, voelden zij groote neiging om in slaap
te vallen. Het was echter dringend noodzakelijk om zich daartegen te
verzetten en Craig en Fry wisten daarvoor geen beter middel dan elk
eene geurige sigaar op te steken, die zij even rustig oprookten als
een dandy zulks in de zwemschool doet.
Meermalen, intusschen, werden de tochtgenooten gestoord door de
luchtsprongen van eenige zeedieren, die den ongelukkigen Soun grooten
schrik op het lijf joegen.
Het waren gelukkig slechts onschadelijke bruinvisschen. Die »clowns"
der zee kwamen heel nieuwsgierig eens een kijkje nemen naar de vreemde
wezens, die in hun element ronddreven,--zoogdieren even als zij,
maar op verre na niet als zij, thuis in dat element.
Het was een vreemd schouwspel! Die bruinvisschen maakten in troepen
hunne opwachting, zij schoten als pijlen voorbij en deelden het water
een smaragdgroene kleur mede; zij maakten luchtsprongen van vijf of
zes voet boven de golven uit en bewezen daardoor de buigzaamheid en
kracht hunner spieren. Als de arme scaphanders het water maar even
snel als zij hadden kunnen doorklieven, eene snelheid welke die van
de beste schepen overtreft, wat zouden zij spoedig het land bereikt
hebben! Zij zouden haast lust gekregen hebben zich aan eenige van die
dieren vast te sjorren en zich door hen te laten voortslepen. Maar
welke buitelingen en onderdompelingen! Dan was het toch maar beter zich
met de verplaatsing door den wind te vergenoegen, die wel langzamer,
maar toch oneindig veiliger geschiedde.
Intusschen ging tegen den middag de wind geheel liggen. Hij eindigde
met grillige dwarlwindjes, die een oogenblik de kleine zeilen deden
zwellen om ze even daarna slap te laten hangen. De hand behoefde zich
niet meer in te spannen om den schoot vast te houden en het zog liet
noch aan de voeten noch aan het hoofd der scaphanders het eigenaardig
gemurmel hooren.
»Een lelijk..." zei Craig.
»Geval!" antwoordde Fry.
Men hield een oogenblik op. De masten werden gestreken, de zeilen
geborgen en allen, zich in den vertikalen stand plaatsende, bespiedden
den horizont.
De zee was altijd verlaten. Geen enkel zeil in 't gezicht, geen enkele
rookpluim eener stoomboot, zich tegen den hemel afteekenende. Een
brandende zon had al de dampen opgeslorpt en de lucht verdund. Zelfs
menschen die niet gekleed waren geweest in een dubbele laag caoutchouc,
zouden de temperatuur van het water warm gevonden hebben!
Hoe gerust nu Fry-Craig hadden voorgegeven te zijn over den uitslag
van dit avontuur, waren zij nu toch niet zeer op hun gemak. En geen
wonder, want de sedert ongeveer zestien uur afgelegde afstand kon
niet bepaald worden en daarenboven werd het hoe langer hoe vreemder
dat niets de nabijheid van de kust verried, noch handelsvaartuig,
noch visschersboot, noch eenig ander vaartuig die zich gewoonlijk
niet ver in zee wagen.
Gelukkig waren Kin-Fo, Craig en Fry geen menschen die zich heel gauw
uit het veld lieten slaan. Zij hadden nog voorraad voor een dag en
er deed zich geen enkel teeken voor dat het weder slecht zou worden!
»Pagaaien maar!" zeide Kin-Fo.
Dat was het signaal om de reis te vervolgen, en nu eens op den rug,
dan weder op den buik, roeiden de scaphanders in de richting van het
westen voort.
Men vorderde niet hard. Door dat pagaaien werden de armen, die het
niet gewoon waren, spoedig vermoeid. Men moest dikwijls ophouden
en op Soun wachten die achterbleef en telkens zijne klaagliederen
hervatte. Zijn meester beknorde hem, berispte en bedreigde hem,
maar Soun was niet bang voor 't geen nog van zijn staart overbleef
daar het beschermd werd door de dikke kap van caoutchouc en liet hem
eenvoudig praten. Toch was de vrees om verlaten te worden voldoende
om op korten afstand te blijven.
Tegen twee uren vertoonden zich eenige vogels. Het waren meeuwen, maar
deze, vlugge vogels wagen zich zeer ver in zee. Men kon dus uit hunne
tegenwoordigheid niet afleiden dat de kust dichtbij was. Niettemin
werd het als een gunstig voorteeken beschouwd.
Een uur later geraakten de scaphanders in een net van zeekroos verward
waaruit zij moeite hadden zich te verlossen. Met behulp van hunne
messen moesten zij zich een weg door dien chaos van zeeplanten banen.
Daarmede ging een groot half uur verloren en een verbruik van krachten
die beter hadden besteed kunnen worden.
Te vier uur hield de kleine drijvende troep wederom stil om uit te
rusten, want het is onnoodig te zeggen dat zij zeer vermoeid waren. Er
was een vrij sterke bries opgestoken, maar, hetgeen eene verontrustende
omstandigheid mocht genoemd worden, woei zij toen uit het zuiden. En
inderdaad konden de scaphanders slechts voor den wind zeilen, en
niet als een sloep waarvan de kiel haar tegen afdrijven bewaart,
het bij den wind of halven wind houden. Indien zij dus zeil zetten,
zouden zij gevaar loopen om Noord te halen en een gedeelte van het
West dat zij eens gemaakt hadden weder te verliezen. Daarenboven werd
de deining sterker, terwijl eene sterk opkomende zee de positie nog
lastiger maakte.
Zij bleven dus vrij lang halt houden. Zij rustten niet alleen uit maar
gaarden ook krachten, door op nieuw hun voorraad aan te spreken. Dit
diner was minder vroolijk dan het ontbijt. Binnen weinige uren zou
de nacht weder aanbreken. De wind wakkerde aan.... Hoe te handelen?
Kin-Fo op zijn pagaai geleund, de wenkbrauwen gefronst, ontevredener
nog dan wel ongerust over dien hardnekkigen tegenspoed, sprak geen
woord. Soun jammerde onophoudelijk en niesde reeds als iemand die
door een geduchte verkoudheid bedreigd wordt.
Craig en Fry gevoelden zich stilzwijgend door hunne lotgenooten om
raad gevraagd, maar wisten niet wat te antwoorden!
Eindelijk verschafte een gelukkig toeval hun een antwoord.
Eenige minuten voor vijf uren, wezen Craig en Fry tegelijk met de
hand naar het zuiden, onder den uitroep:
»Een zeil!"
En werkelijk vertoonde zich drie mijlen te loevert een vaartuig, dat
kracht van zeilen maakte. De koers dien het nu met den wind achter
zich volgde, moest het brengen vlak bij de plaats, waar zich Kin-Fo
met zijne metgezellen bevonden.
Zij hadden dus niets anders te doen dan den weg dien het schip volgde,
te snijden en het daartoe in rechte lijn te gemoet te gaan.
Zij manoeuvreerden onmiddellijk in die richting en voelden hunne
krachten terugkeeren. Nu zij de uitkomst als het ware in hunne eigen
handen hadden, zouden zij haar niet laten ontsnappen. De wind, die naar
de andere zij woei, belette hen gebruik van hunne zeilen te maken,
doch zij konden het wel met hunne pagaaien af, daar de afstand niet
groot was.
De wind nam gaande weg toe en men zag het schip steeds grooter
worden. Het was een visschersjonk en daaruit kon men afleiden dat men
dicht onder de kust was; de visschers in die streken wagen zich toch
zelden ver in volle zee.
»Houdt moed! Maakt voort!" riepen Craig en Fry, zelf met kracht de
pagaai hanteerende.
Zij behoefden echter hunne tochtgenooten niet aan te sporen. Kin-Fo,
horizontaal op het water uitgestrekt, sneed door de golven als een
bruinvisch. En wat Soun betreft, die overtrof zichzelf en was, uit
vrees van achter te blijven, de anderen van tijd tot tijd zelfs voor.
Nog een halve mijl moest men afleggen om in het vaarwater der jonk
te komen. Daarenboven was het midden op den dag en al kreeg men de
scaphanders niet in het oog, dan zouden zij met hunne stemmen de
aandacht der schepelingen wel weten te trekken. Zouden deze echter
niet op de vlucht gaan als zij door zulke zonderling toegetakelde
wezens aangeroepen werden? Dat was al weder een kwade kans, die zij
best loopen konden.
Hoe het ook zij, men had geen oogenblik te verliezen. De armen werden
dan ook weder krachtiger uitgeslagen, de pagaaien raakten met snellen
slag het schuim der korte golven, de afstand verminderde in 't oog
loopend, toen Soun op eens een vreeselijken angstkreet deed hooren.
»Een haai! een haai!"
En Soun had zich ditmaal niet bedrogen.
Op ongeveer twintig voet afstands zag men twee voorwerpen zich
bewegen. Het waren de vinnen van een verscheurend dier, in die zeeën te
huis, van den tijgerhaai, die met recht den naam verdient welken men
hem gegeven heeft, want de natuur heeft hem de woestheid toegedeeld,
den tijger en den haai eigen.
»De messen gereed!" riepen Fry en Craig.
Het waren de eenigste wapenen die zij te hunner beschikking hadden,
wapenen die wellicht onvoldoende zouden zijn!
Soun was, men begrijpt dit lichtelijk, eensklaps in de achterhoede
geraakt.
De haai had de scaphanders gezien en naderde hen. Zijn kolossaal
lichaam werd één oogenblik in het doorschijnende water groen gevlekt en
gestreept gezien. Hij was zestien à achttien voeten lang. Een monster!
Hij wierp zich het eerst op Kin-Fo en keerde zich half om, om hem
te verslinden.
Maar Kin-Fo verloor zijne koelbloedigheid niet. Op het oogenblik dat
de haai hem zou bereiken, zette hij het dier zijn pagaai tegen den
rug en verwijderde zich met een krachtigen stoot.
Craig en Fry waren naderbij gekomen, gereed ten aanval en ter
verdediging.
De haai dook een oogenblik onder en kwam daarop weder boven met
geopenden muil, een metaalschaar van een vierdubbele rij tanden
voorzien.
Kin-Fo wilde de beweging, die hem zoo goed gelukt was, herhalen, maar
zijn pagaai raakte de kaken van het dier en werd midden door gesneden.
De haai wierp zich toen, half op zijde liggende, op zijn prooi.
Op dat oogenblik gutsten stroomen bloed uit zijn lichaam en de zee
werd rood gekleurd.
Craig en Fry hadden het dier herhaaldelijk met hunne messen getroffen
en hoe hard zijn vel ook mocht zijn, hunne lange Amerikaansche messen
waren er doorgedrongen en hadden hem hevig gekwetst.
De muil van het monster opende en sloot zich met een verschrikkelijk
geluid, terwijl hij met zijn staart het water ontzettend beukte. Fry
kreeg een slag in de zijde en werd op tien pas afstands weggeslingerd.
»Fry!" kreet Craig op een toon, die de diepste smart verried alsof
hij zelf den slag had ontvangen.
»Hoezee!" antwoordde Fry, het strijdperk weder naderende.
Hij was niet gewond. Zijn caoutchouc kuras had het geweld van den
slag gebroken.
De haai werd daarop op nieuw en met ware woede aangegrepen. Hij draaide
en wendde zich naar alle richtingen om. Kin-Fo was er in geslaagd
hem het gebroken eind van zijn pagaai in de oogholte te drijven, en
trachtte nu, op gevaar af van doormidden gebeten te worden, het dier
op de plaats te houden, terwijl Fry en Craig hem met hunne messen
het hart poogden te treffen.
Het scheen dat de beide agenten er in geslaagd waren, want het monster
zonk, na eene laatste poging beproefd te hebben om Kin-Fo te grijpen
en na een breeden bloedstroom verloren te hebben, in de diepte.
»Hoezee! hoezee! hoezee!" schreeuwden Fry en Craig eenstemmig, hunne
messen zwaaiende.
»Ik dank u!" zei Kin-Fo.
»Dat vereischt geen dank!" antwoordde Craig. »Het zou wat moois
geweest zijn als zoo'n dier een brokje van tweemaal honderdduizend
dollars had opgeslokt!"
»Dat nooit!" voegde Fry er bij.
En Soun? Waar was Soun? Ditmaal was hij de voorste, en het vaartuig,
dat zich op ongeveer drie kabellengten afstands bevond van de plek
waar de worsteling plaats had, reeds genaderd. De lafaard was met alle
kracht zijner pagaai gevlucht. Bijna had hem dit een ongeluk bezorgd.
De visschers hadden hem inderdaad bespeurd; maar zij konden niet
vermoeden dat zich onder dat zeehondenuiterlijk een menschelijk wezen
bevond. Zij maakten zich gereed naar hem te visschen, zooals zij
naar een dolfijn of een zeekalf zouden hebben gedaan. Zij wierpen dan
ook, zoodra hij dicht genoeg genaderd was, een lang touw overboord,
voorzien van een sterken haak.
De haak pakte Soun onder den gordel van zijn kleed en scheurde dit
van den rug tot den nek open.
Soun, die nu alleen boven water gehouden werd door de lucht die zich
in de dubbele voering van zijn pantalon bevond, duikelde om en stond
met zijn hoofd onder water en met zijne beenen in de lucht.
Kin-Fo, Craig en Fry, die spoedig naderden, waren zoo voorzichtig om
de visschers in goed Chineesch toe te spreken.
De goede lieden verschrikten uitermate! Sprekende zeekalven! Zij grepen
naar de zeilen en wilden zich zoo snel mogelijk uit de voeten maken.
Maar Kin-Fo stelde hen gerust en zeide wie hij en zijne makkers waren,
namelijk menschen, Chineezen als zijzelf.
Een oogenblik later waren de drie landzoogdieren aan boord.
Alleen Soun bleef nog te water. Men haalde hem met een haak naar zich
toe en beurde hem het hoofd boven water. Een der visschers greep hem
bij het einde van zijn staart en tilde hem op.
De staart van Soun bleef in de hand van den redder achter en de arme
duivel ging weder kopje onder.
De visschers sloegen hem daarop een touw om het lijf en heschen hem
zonder moeite in de schuit.
Nauwelijks op het dek gekomen en nadat hij het zeewater, dat hij
ingezwolgen had, weder was kwijtgeraakt, naderde hem Kin-Fo en sprak
op strengen toon:
»Hij was dus valsch?"
»Zou ik, antwoordde Soun, »die uw gewoonten kende ooit bij u in dienst
gekomen zijn als dat het geval niet was geweest!"
Hij zei dat op zoo koddigen toon, dat allen in lachen uitbarstten.
De visschers waren lieden van Fou-Ning. Op nog geen twee mijl afstands
bevond zich de haven die Kin-Fo wilde bereiken.
Nog dienzelfden avond te acht uur, stapte hij met zijne kameraden
aan wal en zich ontdoende van de toestellen van kapitein Boyton,
hernamen zij hunne menschelijke gedaante.