XIX.

Dat zeer slecht afloopt voor kapitein Yin, gezagvoerder van

de _Sam-Yep_ en zijn equipage.

De toestellen van kapitein Boyton bestaan uitsluitend uit een enkel

kleedingstuk van caoutchouc, waarin het geheele lichaam sluit. Door

den aard der stof zijn ze waterdicht. Maar al kan het water er

niet doordringen de koude, die het gevolg zou zijn eener langdurige

indompeling, zooveel te beter. Deze kleedingstukken nu, zijn dubbel

en tusschen de stof en de voering kan men eene zekere hoeveelheid

lucht inblazen.

De lucht strekt tot twee doeleinden. Ten eerste om het toestel beter

te doen drijven en ten tweede om te maken dat het menschelijk lichaam

op den duur niet te veel afkoelt. Met zulk een toestel kan men zoo

lang in het water vertoeven als men zelf maar verkiest.

Het spreekt van zelf dat de sluiting er van niets te wenschen

overliet. De pantalon waarvan de voeten met zware zolen voorzien

waren, sloot om het middel met een ceintuur van staal, ruim genoeg

om het lichaam eenige vrijheid van beweging te laten. Het buis dat

aan dit ceintuur vast zat, sloot van boven met een stevige kraag,

waaraan de kap bevestigd was. Deze ging over het hoofd en sloot door

een elastieken band nauwkeurig om voorhoofd, wangen en kin. Men zag

dus van de kin niets anders dan de oogen, den neus en den mond.

Aan het buis zaten verscheiden buizen van caoutchouc die dienden om

lucht in te brengen en deze te regelen naar den graad van dichtheid

die men voor het drijvende lichaam verlangde. Men kon dus, al naar men

verkoos, tot aan den hals onder water blijven, of slechts halverwege,

of zelfs als men wilde in het water staan. Er bestaat eene volkomen

vrijheid van handelen en beweging, en daarenboven eene volkomen

veiligheid.

Ziedaar het toestel dat zijn uitvinder zooveel roem heeft bezorgd

en waarvan het nut bij tal van zeerampen ontwijfelbaar groot is. Het

wordt voltooid door een aantal bijkomende zaken: een waterdichten zak

met verschillende voorwerpen, die als een gordel om het lijf geslagen

wordt; een stevigen stok die aan de voeten in een haak bevestigd is

en waaraan men een klein fokzeil kan hangen, eene kleine pagaai die

al naar omstandigheden gebruikt kan worden om den toestel in beweging

te brengen of naar verkiezing te besturen.

Kin-Fo, Craig, Fry en Soun dreven nu, aldus toegerust, op de

oppervlakte der zee. Soun werd door Craig of Fry voortgeduwd en

liet hen stil begaan en met eenige pagaaislagen waren zij weldra op

voldoenden afstand van de jonk verwijderd.

De ingevallen duisternis was voor deze manoeuvre zeer gunstig

geweest. Zelfs al waren kapitein Yin en zijne matrozen op het dek

verschenen, toch zouden zij de vluchtelingen niet in het oog gekregen

hebben. Niemand had dan ook kunnen onderstellen, dat zij op deze wijze

de jonk hadden verlaten. De schurken uit het ruim zouden zulks eerst

op het laatste oogenblik kunnen gewaar worden.

»Bij de tweede nachtwake," had de gewaande doode uit de laatste kist

gezegd: dus omstreeks middernacht.

Kin-Fo en zijne gezellen hadden dus nog een paar uur tijd en inmiddels

hoopten zij zich wel een mijl van het schip te kunnen verwijderen. Er

begon werkelijk ook wat wind te komen, doch dit was nog zoo weinig,

dat men alleen op de pagaaien mocht vertrouwen, om uit het vaarwater

van de _Sam-Yep_ te komen.

Na een paar minuten waren Kin-Fo, Craig en Fry zoodanig aan hun nieuwen

toestand gewend, dat zij instinctmatig alles deden wat de inrichting

van het toestel vorderde of onderstelde, zonder ooit te aarzelen of

mis te tasten. Soun zelfs had weldra zijne bezinning teruggekregen en

voelde zich in de zee veel beter op zijn gemak dan aan boord van de

jonk. Zijne zeeziekte was plotseling verdwenen. Het is dan ook een

groot verschil of men aan boord van een schip al de bewegingen van

dat vaartuig gevoelt, dan wel of men halverwege in het water met de

deining mededrijft. Soun maakte deze opmerking met zeer veel genoegen.

Maar al was Soun niet zeeziek meer, hij was nu vreeselijk bang. Hij

vreesde dat de haaien misschien nog niet naar bed zouden zijn en

instinctmatig trok hij bij die gedachte zijne beenen omhoog als

vreesde hij dat zij daarin bijten zouden.

Een klein beetje angst was hem, in zijne omstandigheden, dan ook

waarlijk zoo kwalijk niet te nemen.

Kin-Fo en zijne makkers, wie het ongeluk op de meest krasse wijze bleef

vervolgen, zetten hunne vlucht in kapitein Boyton's drijftoestellen

voort. Bij het pagaaien lagen zij horizontaal uitgestrekt. Als zij

een oogenblik rustten, hernamen zij hunne verticale houding.

Een uur nadat zij het vaartuig hadden verlaten, waren zij reeds een

halve mijl onder de lij van de _Sam-Yep_. Zij hielden een poosje

rust, op hunne pagaai geleund, daarbij echter zorg dragende dat zij

zachtjes spraken.

»Die schurk van een kapitein!" zei Craig, om 't gesprek te openen.

»Die vervloekte Lao-Shen!" antwoordde Fry.

»'t Schijnt dat het je zonderling voorkomt?" zei Kin-Fo op den toon

van iemand die zich over niets meer verwondert.

»Ja!" antwoordde Craig, »want ik kan niet begrijpen hoe die

ellendelingen te weten gekomen zijn dat wij passagiers aan boord

zouden zijn!"

»'t Is waarlijk onverklaarbaar," voegde Fry er bij.

»Het doet er niet toe," sprak Kin-Fo, »zij hebben het geweten en wij

zijn het gevaar ontsnapt!"

»Ontsnapt!" antwoordde Craig. »Neen, zoolang de _Sam-Yep_ in 't

gezicht is, zijn wij niet buiten gevaar!"

»Wat moet er gedaan worden?" vroeg Kin-Fo.

»Laat ons al onze krachten inspannen", antwoordde Fry, »en ons zoover

van het vaartuig verwijderen dat wij bij 't aanbreken van den dag

uit het gezicht zijn!"

En Fry blies een zekere hoeveelheid lucht in zijn kleed en steeg

daardoor halverwege uit het water. Hij nam daarop uit zijn borstzak

een flesch en een glas, vulde dat met besten brandewijn en reikte

het zijn cliënt over.

Kin-Fo liet zich niet lang bidden en ledigde het glas tot den laatsten

druppel. Craig-Fry volgden zijn voorbeeld en Soun werd niet vergeten.

»Hoe gaat het?.." vroeg hem Craig.

»Beter!" antwoordde Soun na gedronken te hebben. »Zouden wij ook niet

een stukje kunnen eten?"

»Morgen", zei Craig, »zullen wij ontbijten bij het aanbreken van den

dag en eenige kopjes thee...."

»Koud!" riep Soun uit, een leelijk gezicht trekkende.

»Warm!" antwoordde Craig.

»Kan je dan vuur maken?"

»Ik zal vuur maken."

»Waarom zouden wij tot morgen wachten?" vroeg Soun.

»Zou u dan soms willen dat ons vuur aan kapitein Yin en zijn

medeplichtigen onze tegenwoordigheid verried?"

»Neen! neen!"

»Dus, morgen!"

Onze vrienden babbelden werkelijk even gezellig alsof zij »te huis"

waren! Alleen deed eene lichte deining hun eene op- en neergaande

beweging ondergaan, die min of meer komisch was. Zij bewogen zich

naar boven, evenals de toetsen van een klavier door de hand van een

pianist aangeroerd.

»De bries neemt toe," merkte Kin-Fo op.

»Dan moeten wij zeilen," antwoordden Craig-Fry.

En zij maakten zich gereed den stok op de voeten te bevestigen, ten

einde er het zeil aan op te hijschen, toen Soun een kreet van schrik

deed hooren.

»Zal je den mond houden, ezel!" liet zijn meester hooren. »Wil je

ons verraden?"

»Maar ik meen iets gezien te hebben!...." stamelde Soun.

»Houd den mond, schavuit," zei Kin-Fo, zijne hand op den schouder van

zijn bediende leggende. »Zelfs als je voelt dat je een been afgebeten

wordt, mag je nog niet schreeuwen, of..."

»Of," voegde Fry er bij, »wij zullen hem met een messteek door zijn

pak naar beneden sturen, waar hij op zijn gemak kan schreeuwen!"

Men ziet dat de arme Soun nog niet aan het eind van zijne jammeren

was gekomen. Hij was angstig, maar mocht toch geen geluid geven. Hij

had nog wel geen spijt de jonk, de zeeziekte en de passagiers in het

ruim verlaten te hebben, maar er scheelde toch niet veel aan.

't Was zoo als Kin-Fo had gezegd, de bries stak op, maar het was

slechts een van die tochtjes die gewoonlijk het opgaan van de zon

voorafgaan. Toch moest men er gebruik van maken, om zich zoover

mogelijk van de _Sam-Yep_ te verwijderen. Als de mannen van Lao-Shen

Kin-Fo niet vonden, zouden zij hem zekerlijk achtervolgen en als zij

in het gezicht waren, dan zouden zij spoedig met de sloep bereikt

zijn. Men moest dus zorgen om bij het aanbreken van den dag zoover

mogelijk uit 't gezicht te zijn.

De bries woei uit het oosten. Welke ook de streken waren waarheen

de orkaan de jonk gevoerd had, in de golf van Léao-Tong, of die van

Pé-Tché-Dé, of zelfs in de Gele zee, men moest westwaarts sturen om

den vasten wal te bereiken. Daar had men kans eenige handelsjonken

te ontmoeten, die naar de monding van de Peï-ho voeren. Daar waren

nacht en dag visschersvaartuigen bij de kust. De kansen om opgenomen

te worden waren groot. Als de wind daarentegen uit het westen had

geblazen en de _Sam-Yep_ verder naar het zuiden was gevoerd dan de

kust van Korea, dan was er weinig kans op behoud. Voor hen lag, wijd

uitgestrekt, de zee, en als zij al de kusten van Japan bereikten,

dan zou het zeker niet anders zijn dan als lijk, drijvende in hun

ondoordringbaar kleed van caoutchouc.

Maar, zooals reeds gezegd is, de bries zou waarschijnlijk gaan liggen

bij het opgaan der zon en men deed zeer verstandig zich zoover mogelijk

uit de voeten te maken.

Het was ongeveer 10 uur in den avond. De maan moest even voor

middernacht opkomen. Men had dus geen minuut te verliezen.

»Maak zeilklaar!" riepen Fry-Craig.

Dit was zeer eenvoudig. Iedere voetzool van den rechtervoet van het

pak had een bus, waarin de stok, die als mast dienst moest doen,

kon worden bevestigd.

Kin-Fo, Soun en de beide agenten strekten zich op den rug uit;

vervolgens trokken zij het been op, bogen de knie en plaatsten den stok

in de bus, na aan het uiteinde het hijschtouw van het zeil bevestigd

te hebben. Zoodra zij de horizontale houding hadden hernomen maakte

de stok een rechten hoek met hun lichaam en stond flink naar boven.

»Hijsch het zeil!" riepen Fry-Craig.

En ieder trok met de rechterhand aan het touw en bracht zoodoende

een klein driekant zeil naar boven.

Het touw werd in den stalen gordel bevestigd, men hield den schoot

in de hand en de bries in de vier fokzeilen blazende, dreef de kleine

vloot van scaphanders vooruit.

Verdienden die »schip-mannen" den naam van scaphanders niet meer nog

dan de onderzeesche werklieden aan wie men dien gewoonlijk geeft?

Tien minuten later manoeuvreerde ieder met de meeste veiligheid en

gemakkelijkheid.

Zij stuurden in gezelschap zonder elkander uit het oog te

verliezen. Men zou ze hebben kunnen aanzien voor een troepje groote

zeemeeuwen, die met uitgestrekte vleugels langs de wateren scheerden.

De toestand, waarin de zee verkeerde, begunstigde de beweging

zeer. Geen enkele golfslag verstoorde de lange en kalme golving

harer oppervlakte.

Slechts een paar maal vergat Soun de voorschriften van Fry-Craig en

kreeg hij, bij het omwenden van het hoofd, eenige monden vol zout

water in. Maar dat raakte hij spoedig kwijt. Hij gaf daar trouwens

niet veel om, maar was nog altijd gepijnigd door den angst dat hij

een collectie haaien zou tegenkomen! Men bracht hem echter aan het

verstand dat hij minder gevaar liep als hij dreef dan in verticale

houding. De muil toch van den haai is zoo ingericht dat hij zich om

moet wentelen om zijn prooi te bemachtigen en die beweging maakt

het hem niet gemakkelijk om een voorwerp dat aan de oppervlakte

drijft, te grijpen. Daarenboven heeft men opgemerkt dat deze dieren

eenigszins huiverig schijnen te zijn om voorwerpen, die zich bewegen,

te grijpen. Als Soun dus onophoudelijk in beweging bleef, liep hij het

minste gevaar; men kan dus begrijpen dat hij heel wat beweging maakte.

De scaphanders zetten hun tocht op deze wijze ongeveer een uur voort,

juist lang genoeg voor Kin-Fo en zijne gezellen. Zij waren nu op vrij

voldoenden afstand van de jonk, maar een langer voortgaan zou hen te

veel vermoeid hebben, zoowel door de spanning van het zeil als door

de vrij krachtige kabbeling der golven.

Craig-Fry gaven het bevel om te stoppen. De schoten werden gevierd

en de kleine vloot hield stil.

»Vijf minuten rust, als 't belieft, mijnheer?" zei Craig, zich tot

Kin-Fo wendende.

»Gaarne."

Daarop hernamen allen, met uitzondering van Soun, die uit voorzorg

horizontaal wilde blijven, hunne verticale houding.

»Nog een glaasje brandewijn?" vroeg Fry.

»Met genoegen," antwoordde Kin-Fo.

Voor het oogenblik hadden zij niets anders noodig dan eenige droppels

van deze opwekkende likeur. De honger kwelde hen nog niet. Zij hadden

een uur vóór zij de jonk verlieten, gegeten en konden dus tot den

volgenden morgen wachten. Zij gevoelden ook geen koude. De luchtlaag

die zich tusschen hun lichaam en het water bevond, behoedde hen voor

afkoeling. De normale temperatuur van hun lichaam was ongetwijfeld

sedert hun vertrek nog geen graad gedaald.

Was de _Sam-Yep_ nog altijd in het gezicht?

Craig en Fry keerden zich om. Fry nam een nachtkijker uit zijn zak

en bespiedde zorgvuldig den oostelijken gezichteinder.

Er was niets te zien. Ook niet de schaduw, nauwelijks zichtbaar,

die de vaartuigen tegen den donkeren achtergrond van het luchtruim

afteekenen. Overigens was de nacht donker; het mistte een weinig en

er waren bijna geen sterren. De planeten waren slechts flauw aan den

hemel te zien. Maar waarschijnlijk zou de maan, die spoedig haar

halven cirkel moest vertoonen, de lichte nevels optrekken en een

vrijer uitzicht openen.

»De jonk is op verren afstand!" zei Fry.

»De schurken slapen nog," antwoordde Craig en zullen niets van de

bries bespeurd hebben."

»Willen wij weder voortgaan?" sprak Kin-Fo, terwijl hij zijn schoot

aanhaalde en op nieuw den wind in het zeil liet spelen.

Zijne reisgenooten volgden zijn voorbeeld; allen hernamen de vorige

houding en dreven--de bries was iets verminderd--in dezelfde richting

weder vooruit.

Zij gingen steeds voorwaarts. Bijgevolg zou de maan, die in het

oosten opkwam, niet dadelijk hun aandacht trekken; maar zij zou

met hare stralen het eerst den tegenovergestelden gezichteinder

verlichten en 't was deze gezichteinder dien zij met de meeste aandacht

bespiedden. Misschien zouden zij, in plaats van de regelmatige lijn

door de lucht en het water gevormd, een kustlijn ontdekken, door het

maanlicht beschenen. Het zou de kust zijn van het Hemelsche rijk, dat

hun, waar zij het ook betreden mochten, veiligheid zou aanbieden. De

kust zou vrij zijn en daar er zoo goed als geen branding zou wezen,

kon men op eene veilige landing rekenen. Eens op den vasten wal zou

men wel zien wat verder te doen.

Omstreeks kwart voor twaalf toonden zich de eerste lichtstrepen en

werd de nevel zwak verlicht.

Noch Kin-Fo, noch zijne metgezellen keerden zich om. De bries die in

frischheid toenam, terwijl de dampen werden opgetrokken, dreef hen snel

voort. Maar zij bespeurden dat de omgeving gestadig helderder werd.

Terzelfder tijd werd het gesternte beter zichtbaar. De opstekende

wind dreef den nevel voor zich heen, en de scaphanders gevoelden dat

het water krachtiger in beweging werd gebracht.

De maanschijf, eerst rood als koper, nu wit als zilver, verlichtte

spoedig het geheele luchtruim.

Eensklaps ontsnapte aan den mond van Craig een echt Amerikaansche

vloek.

»De jonk!" riep hij.

Allen hielden stil.

»Strijk de zeilen!" beval Fry.

In een oogenblik waren de vier fokzeilen naar beneden gehaald en de

masten uit de bus genomen.

Kin-Fo en zijne reisgenooten, plaatsten zich in verticale houding en

keken om.

De _Sam-Yep_ was dáár op een mijl afstand, en teekende zich, met

volle zeilen, op den verlichten gezichteinder af.

Het was de jonk wel. Zij had de zeilen geheschen en maakte gebruik van

de bries. Kapitein Yin had zonder twijfel het verdwijnen van Kin-Fo

bespeurd, zonder te kunnen begrijpen op welke wijze hij ontsnapt

was. Op goed geluk af had hij, in overleg met de medeplichtigen uit

het ruim, de vervolging begonnen, en binnen een kwartier zouden Kin-Fo,

Soun, Craig en Fry weder in zijne handen vallen!

Maar had men hen bespeurd, te midden van de lichtstralen, die de maan

over de oppervlakte van het water schoot? Neen, misschien niet!

»Omlaag met het hoofd!" zei Craig, zich aan deze hoop vastklemmende.

Men begreep hem. Men liet uit de pijpjes van het toestel eenige lucht

ontsnappen en de vier scaphanders dompelden dieper in het water en

wel zóó, dat alleen hun gelaat nog aan de oppervlakte was. Het kwam er

nu op aan te zwijgen en zich niet te verroeren. De jonk vorderde met

snelheid. Hare hooge zeilen wierpen zware schaduwen over de wateren.

Vijf minuten later was de _Sam-Yep_ op een halve mijl afstand. Men zag

de matrozen achter de verschansing heen en weder loopen. De kapitein

stond aan het roer.

Deed hij zijn best om de vluchtelingen te achterhalen? of was het

hem alleen te doen om het meest mogelijke voordeel van den wind te

hebben. Men wist het niet.

Eensklaps deden zich kreten hooren. Er vertoonden zich een massa

personen op het dek van de _Sam-Yep_. Luid getier werd vernomen.

Het leed geen twijfel, er was eene worsteling ontstaan tusschen de

gewaande dooden, uit het ruim ontsnapt, en de equipage van de jonk.

Maar waartoe die worsteling? Waren dan de schurken, matrozen en

zeeroovers, het niet eens?

Kin-Fo en zijne makkers hoorden duidelijk aan de eene zijde woedende

scheldwoorden, aan den anderen kant kreten van smart en wanhoop,

die echter binnen weinige minuten werden verdoofd.

Daarop duidde een heftig geplons in het water langs de jonk aan,

dat er eenige lichamen over boord werden geworpen.

Neen! kapitein Yin en zijne bemanning waren de medeplichtigen niet

van Lao-Shen! De arme lieden waren integendeel door hen verrast en

vermoord. De schurken, die zich aan boord verscholen hadden--zonder

twijfel met behulp van de sjouwerlieden te Takou--hadden geen ander

plan gehad dan zich van de jonk meester te maken voor rekening van den

Taï-ping, en zeker was het hun onbekend geweest dat Kin-Fo passagier

aan boord van de _Sam-Yep_ was.

Als zij gezien werden en gevat, dan zouden zeker noch Kin-Fo, noch

Fry-Craig, noch Soun genade vinden bij deze ellendelingen.

De jonk kwam steeds nader. Zij was vlak bij de vluchtelingen toen,

door eene gelukkige wending, de schaduw van de zeilen op hen viel.

Zij doken onder.

Toen zij weder aan de oppervlakte verschenen, was de jonk voorbij; zij

waren niet ontdekt; het vaartuig werd snel door den wind voortgedreven.

Een lijk dreef het achterna en werd door de beweging van het kielwater

van de jonk naar de scaphanders gedreven.

Het was het lichaam van den kapitein, met een dolk in de zijde. De

lange plooien van zijn gewaad hielden het boven water.

Daarop zonk het en verdween in de diepte der zee.

Aldus was het uiteinde van den vroolijken kapitein Yin, gezagvoerder

van de _Sam-Yep_.

Tien minuten later was de jonk in westelijke richting uit het oog

verloren en dreven Kin-Fo, Craig-Fry en Soun weder alleen op de

oppervlakte van de zee.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 26 / 36 题