Waarin Craig en Fry, door nieuwsgierigheid gedreven, een
uitstapje maken naar het ruim van de _Sam-Yep_.
»Waar zijn wij, kapitein Yin?" vroeg Kin-Fo toen het gevaar geweken
was.
»Ik weet het niet precies", antwoordde de kapitein, die er weder even
vroolijk als vroeger uitzag.
»In de golf van Pé-Tché-Li?"
»Misschien."
»Of in de golf van Léao-Tong?"
»Ook dit is mogelijk."
»Maar waar komen wij aan land?"
»Waar de wind ons heendrijft!"
»En wanneer?"
»Ik kan het onmogelijk zeggen."
»Een echt Chinees weet zich altijd te oriënteeren, mijnheer", hernam
Kin-Fo op ontevreden toon, een spreekwijze bezigende in het Hemelsche
Rijk veel in gebruik.
»Op het land, ja" antwoordde kapitein Yin. »Maar op zee, niet!"
En zijn mond sperde zich bijna tot de ooren open.
»Er is waarachtig geen reden om te lachen," zei Kin-Fo.
»Om te schreien evenmin," antwoordde de kapitein.
De toestand had, 't is waar, op 't oogenblik niets verontrustends,
maar 't was ook waar dat kapitein Yin onmogelijk kon zeggen waar de
_Sam-Yep_ zich bevond.
Hoe zou hij zonder kompas gedurenden den wervelwind, die drie kwart
van het kompas rondliep, bestek hebben kunnen houden! De jonk had
voor top en takel, bijna naar geen roer luisterende, ten speelbal aan
den orkaan gestrekt. Het was dus niet te verwonderen, dat de kapitein
slechts zeer onvoldoende antwoorden op Kin-Fo's vragen kon geven. Maar
hij had er wat minder vroolijkheid bij te pas kunnen brengen.
Hoe het ook zij, of de _Sam-Yep_ in de golf van Léao-Tong was
medegevoerd, dan wel teruggeworpen in de golf van Pé-Tché-Li, in
ieder geval moest de steven naar het noordwesten worden gericht. In
die richting moest zich land bevinden. Het eenige punt in quaestie
was alleen op welken afstand het lag.
Als hij het had kunnen doen, zou kapitein Yin zijne zeilen bijgezet
en met de zon die op dat oogenblik helder scheen, meegegaan zijn.
Die mogelijkheid bestond echter niet.
Op den typhon was de meest volslagen kalmte gevolgd, geen tochtje
in den dampkring, geen enkel zuchtje wind. Een spiegelgladde zee,
nauwelijks in golving gebracht door een zware deining, die het schip
over en weer deed slingeren zonder het vooruit te brengen. Er lag
een heete damp op het water, en de lucht, die tijdens den nacht zoo
zwart mogelijk was geweest, was nu zoo kalm, dat zij ten eenenmale
ongeschikt scheen voor een worsteling der elementen. Het was een dier
doodsche kalmten, omtrent wier duur men geen rekening kan maken.
»Dat ziet er mooi uit!", sprak Kin-Fo, voor zich heen. »Na den storm,
die ons in volle zee heeft geslingerd, een windstilte die ons belet
weder het land te bereiken."
En zich tot den kapitein wendende:
»Hoe lang kan die windstilte aanhouden?" vroeg hij.
»In dit jaargetijde, mijnheer? Ja, wie zal dat zeggen," antwoordde
de kapitein.
»Uren of dagen?"
»Dagen of weken!" hernam Yin met een glimlach van kalme berusting,
die zijn passagier bijna in toorn deed ontsteken.
»Weken!" riep Kin-Fo. »Denk je dat ik weken kan wachten."
»Dat zal toch dienen, of we moeten onze jonk op sleeptouw nemen!"
»De duivel hale je jonk en allen die er op zijn, en mij het eerst
dat ik zoo dwaas ben geweest mij hier in te schepen!"
»Mijnheer," hernam kapitein Yin, »mag ik u iets aanraden!"
»Ga je gang!"
»Vooreerst kalm te gaan slapen, evenals ik ga doen; dat is een zeer
verstandig besluit, na een nacht op het dek doorgebracht te hebben."
»En dan?" vroeg Kin-Fo, die door de kalmte van den kapitein zoo
mogelijk nog wanhopiger werd gemaakt dan door die van de zee.
»En dan raad ik u aan", antwoordde Yin, »om het voorbeeld te volgen
van mijn passagiers in het ruim. Die beklagen zich nooit en nemen
het weder zooals het is."
Na deze wijsgeerige opmerking, Wang zelfs waardig, verdween de kapitein
in zijn hut, terwijl twee of drie mannen van de equipage op het dek
achterbleven.
Kin-Fo liep een kwartier van voren naar achteren, met over elkander
gekruiste armen, terwijl zijne vingers van ongeduld trilden. Vervolgens
wierp hij nog een blik op de doodsche, onbeweeglijke vlakte, waarvan
de jonk het middelpunt uitmaakte, haalde de schouders op en trad zijn
kajuit binnen zonder zelfs tot Fry-Craig een woord te richten.
Toch waren de beide agenten daar, rustig op de banken uitgestrekt
en, naar hunne gewoonte, elkander verstaande zonder te spreken. Zij
hadden de vragen van Kin-Fo gehoord en eveneens de antwoorden van
den kapitein, maar geen deel aan het gesprek genomen. Waarvoor zou
het gediend hebben, dat zij er zich mee bemoeiden, en waarom vooral
zouden zij zich over het oponthoud beklaagd hebben, dat hun cliënt
in zoo ontevreden stemming bracht?
In waarheid, zij mochten aan tijd verliezen, maar zij wonnen in
veiligheid. Kin-Fo liep aan boord geen enkel gevaar, wijl de hand
van Lao-Shen hem er niet kon bereiken; wat zouden zij meer gewenscht
hebben?
De termijn waarop hunne verantwoordelijkheid ophield, naderde met
rassche schreden. Nog veertig uur en geheel het leger van de Taï-pings
had zich op den ex-cliënt van _de Eeuw_ kunnen werpen zonder dat
zij een vinger zouden hebben uitgestoken om hem te helpen. Het zijn
practische menschen, die Amerikanen! Aan Kin-Fo gehecht zoolang hij
tweemaal honderdduizend dollars waard was! Dood onverschillig omtrent
hetgeen hem zou overkomen als hij geen sapeke meer waard zou zijn!
Nadat Craig en Fry aldus geredeneerd hadden, gingen zij met den
meesten eetlust ontbijten. Zij hadden goeden voorraad meegenomen en
aten van denzelfden schotel, hetzelfde bord, eenzelfde hoeveelheid
stukken brood en koud vleesch. Zij dronken eenzelfde aantal glazen
van den heerlijken wijn van Chao-Chigne op de gezondheid van William
J. Bidulph. Zij rookten ieder een half dozijn sigaren en bewezen op
nieuw dat men Siamees kan wezen door gewoonte, als is men het niet
door geboorte.
Die goede Yankees, die meenden dat zij aan het eind van hun rampspoed
waren!
De dag ging rustig voorbij. Altijd dezelfde kalmte in de natuur,
hetzelfde zachte, »mollige" voorkomen van den hemel. Niets deed eene
verandering in de meteorologische gesteldheid van den dampkring
vermoeden. De wateren van de zee waren onbeweeglijk als die van
een meertje.
Tegen vier uur verscheen Soun op het dek, wankelend en waggelend als
een dronken man, hoewel hij zijn geheele leven lang niet zoo matig
geweest was als gedurende de laatste dagen.
Zijn gelaat dat eerst violet, daarna indigo, toen blauw, vervolgens
groen geweest was, begon nu weer geel te worden. Weder op den
vasten wal gekomen, zou hij zijn gewone kleur, oranje, spoedig
herkrijgen. Als een opwelling van boosheid hem dan rood maakte,
zou zijn gelaat successievelijk en in de natuurlijke volgorde al de
kleuren van het spectrum vertoond hebben.
Soun sleepte zich naar de beide agenten, met halfgesloten oogen en
zonder een blik te durven slaan over de verschansing van de _Sam-Yep_.
»Zijn wij er?"... vroeg hij.
»Neen," antwoordde Fry.
»Komen wij er haast?"
»Neen", antwoordde Craig.
»_Ai, ai, ya!_" kreet Soun.
En in diepen wanhoop, geen kracht in zich gevoelende om iets meer
te zeggen, strekte hij zich aan den voet van den grooten mast uit,
allerlei krampachtige bewegingen makende, waardoor zijn korte staart
zich evenals het staartje van een hond bewoog.
Ondertusschen waren op bevel van kapitein Yin de luiken
van het dek geopend om het ruim te luchten. Dat was een wijze
voorzorgsmaatregel. De zon zou spoedig de vochtigheid doen opdrogen,
die door een drie- of viertal golven, tijdens den typhon, in 't
inwendige van 't vaartuig gebracht was.
Craig en Fry waren bij hunne wandelingen over het dek reeds
herhaaldelijk blijven stilstaan bij het groote luik. Een gevoel van
nieuwsgierigheid deed hen weldra besluiten om eens een kijkje te gaan
nemen in het in een grafkelder herschapen ruim. Zij daalden dus de
primitieve trap af, die daarheen leidde.
De zon wierp door het geopende luik hare stralen midden in het ruim,
doch voor en achter was het zeer donker. De oogen van Craig en Fry
gewenden daar echter spoedig aan en weldra waren zij in staat om te
zien hoe deze buitengewone lading van de _Sam-Yep_ geborgen was.
Het ruim was niet, zooals dit in de meeste koopvaardijjonken het
geval is, door schutten afgedeeld. Het was één groote ruimte, die
geheel volgeladen kon worden, daar er onder het voor- en achterdek
ruimte genoeg overbleef voor equipage en passagiers.
Aan elke zijde van het ruim stonden, even regelmatig als in een
praalgraf, de vijf en zeventig doodkisten, die naar Fou-Ning gebracht
moesten worden. Stevig bevestigd konden zij noch door de slingeringen
der jonk van hunne plaats geraken noch eenigermate de veiligheid van
het vaartuig in gevaar brengen.
Door een smallen gang, die vrijgelaten was tusschen de dubbele rij
kisten, kon men van het eene einde van het ruim naar het andere gaan,
nu eens in het volle licht als men in de nabijheid van het luik was,
dan weder in schemerlicht of in een bijna volkomen duister.
Craig en Fry liepen zwijgend, alsof zij zich in een praalgraf bevonden,
in dezen gang op en neder.
Zij keken niet zonder eenige nieuwsgierigheid naar de zonderlinge
lading.
Er waren lijkkisten van allerlei aard, van allerlei vorm en afmeting,
kostbaar of armoedig. Van de landverhuizers, die door nooddruft
naar de overzijde der Stille Zuidzee gedreven waren, waren sommige
rijk geworden in de mijnen van de Nevada en den Colorado of in
Californië, doch dit waren er, helaas, slechts weinige. De andere
waren er arm en ellendig gekomen en arm en ellendig gestorven. Maar
allen keerden nu gelijkelijk naar hunnen geboortegrond terug, aan
elkander gelijk door den dood. Een tiental kisten waren van kostbaar
hout en versierd met al de fantasie der Chineesche weelde, de meeste
andere bestonden eenvoudig uit zes planken, ruw in elkander geslagen
en geel geverfd. Maar rijk of arm, op elke kist stond een naam dien
men kon lezen als men het ruim doorging: Lien-Fou van Yung-Ping-Fu,
Nan Loou van Fou-Ning, Shen-Kin van Lin-Kia, Luang van Ku-Li-Kao,
enzoovoorts. Er was geen vergissing of verwarring mogelijk. Ieder lijk
was behoorlijk gewaarmerkt en zou aan zijn adres bezorgd worden, om
op het veld het uur der definitieve teraardebestelling af te wachten.
»'t Ziet er netjes uit," zei Craig.
»Zeer netjes!" antwoordde Fry.
Zij zouden hetzelfde gezegd hebben als zij een der groote magazijnen
van San Francisco of New-York bezichtigd hadden.
Aan het uiterste einde van het ruim, waar het licht nagenoeg niet
doordrong, waren zij blijven staan, en voordat zij weder naar boven
gingen, lieten zij nogmaals hunne blikken over de stapels der kisten
gaan.
Plotseling werd hun aandacht door eenig geritsel getrokken.
»Zeker een rat!" zeide Fry.
»Ja, dat zal een rat zijn!" antwoordde Craig.
Het was geen voordeelige lading voor zulk een knaagdier. Rijst,
of maïs, of gierst zou beter naar zijn zin geweest zijn.
Het geluid hield evenwel aan. Het was ontstaan op manshoogte, aan
stuurboordzij, dus bij de bovenste rij kisten. Als het geen geknabbel
van tanden was, kon het niets anders zijn dan een gekrabbel van
klauwen of nagels!
»Frrrr! Frrrr!" deden Craig en Fry.
Maar het geraas hield niet op.
De twee agenten kwamen naderbij en luisterden met ingehouden adem. Het
gekrab kwam stellig uit een der bovenste doodkisten.
»Ze zullen toch geen schijndooden Chinees in een van de kisten gepakt
hebben?" vroeg Craig.
»Die eerst na een overtocht van vijf weken weder levend geworden
is?" antwoordde Fry.
De twee agenten legden de hand op de verdachte kist en er was geen
twijfel aan of er was beweging in.
»Drommels!" fluisterde Craig.
»Drommels!" fluisterde ook Fry.
Hetzelfde denkbeeld ontstond plotseling bij beiden, en wel dat Kin-Fo
vermoedelijk door eenig gevaar bedreigd werd.
Zij namen de hand van de kist af en voelden dat het deksel zeer
zorgvuldig opgetild werd.
Craig en Fry, als lieden die zich nergens over verbaasden, hielden
zich doodstil, en daar zij in het donker niets konden zien, spitsten
zij hunne ooren op hetgeen zij zouden hooren.
»Ben jij het, Couo?" sprak een stem zeer voorzichtig en zacht
fluisterend.
Bijna op hetzelfde oogenblik antwoordde een stem uit een der kisten
aan bakboord op dezelfde wijze:
»Ben jij het, Fo-Kien?"
En toen wisselden zij zeer vlug de volgende woorden:
»Van nacht, niet waar?"
»Ja, van nacht!"
»Voordat de maan opkomt?"
»Bij de tweede nachtwake."
»En de anderen?"
»Zijn allen gewaarschuwd."
»Zes-en-dertig uur in een doodkist! Ik heb er genoeg van!"
»Ik niet minder."
»Als Lao-Shen het niet bevolen had...."
»Stil toch!"
Op het hooren van den naam van den gevreesden Taï-ping hadden Craig
en Fry onwillekeurig eene lichte beweging gemaakt en daarop waren de
deksels weder plotseling dichtgevallen. Het was op nieuw doodstil in
het ruim van de _Sam-Yep_.
Na het tooneel in het ruim slopen Craig en Fry zoo voorzichtig mogelijk
weder naar het midden en klommen naar boven. Zij bleven eerst op het
dek staan, toen zij zeker wisten dat niemand hen hooren kon.
»Met dooden die spreken...." begon Craig.
»Is het niet pluis!" voltooide Fry.
Een enkel woord had hun alles verraden. Dat was de naam Lao-Shen,
dien een der gewaande lijken uitgesproken had.
De handlangers van dezen gevreesden Taï-ping waren er dus in geslaagd
zich aan boord te verbergen! Kon dit geschied zijn buiten weten van
kapitein Yin, of van zijn equipage, of van de manschappen die de
sombere lading aan boord hadden gebracht? Dat was onmogelijk. Na uit
het Amerikaansche vaartuig gelost te zijn, die ze van San-Francisco had
overgebracht, waren de doodkisten tweemaal vier en twintig uur in het
dok blijven staan. Toen hadden tien of misschien twintig manschappen
van de bende van Lao-Shen de kisten ongetwijfeld geledigd en de plaats
der lijken ingenomen. Maar had hun opperhoofd dan geweten of kunnen
weten dat Kin-Fo van plan was om zich aan boord van de _Sam-Yep_
in te schepen? En hoe had hij dit kunnen weten?
Ziedaar eene zeer duistere zaak, doch die op dit oogenblik niet
behoefde opgelost te worden. Zeker was het, dat er, sedert men Tahou
verliet, schelmen van de ergste soort aan boord waren; zeker was
het, dat Craig en Fry een hunner den naam van Lao-Shen had hooren
uitspreken; zeker was het dat het leven van Kin-Fo in onmiddellijk
gevaar verkeerde.
In dezen nacht, in den nacht van 28 op 29 Juni, zou _de Eeuw_ een
verlies lijden van tweehonderdduizend dollars; een verlies dat der
maatschappij bespaard zou worden als het vier en vijftig uur later
geweest was, daar ook Kin-Fo zijn polis niet had vernieuwd!
Men zou echter Craig en Fry slecht kennen als men meende dat zij in
deze ernstige omstandigheden hunne bezinning verloren. Hun besluit
was terstond genomen. Kin-Fo moest, voordat de tweede nachtwake begon,
de jonk verlaten, en zij beiden zouden hem vergezellen.
Maar hoe zouden zij ontsnappen? Zich meester maken van de eenige boot
die de jonk aan boord had? Onmogelijk. Dat was een zware sloep, en al
de handen aan boord zouden noodig zijn om haar in zee te brengen. En
kapitein Yin, met zijn equipage, die er alles van wist, zouden hen
zien komen! Men moest dus wel zijn toevlucht tot iets anders nemen,
hoe gevaarlijk het ook wezen mocht.
Het was zeven uur. De kapitein was nergens te zien en zat
waarschijnlijk in zijn hut. Hij wachtte mogelijk daar wel het uur af
dat de manschappen van Lao-Shen voor den dag zouden komen.
»Er is geen oogenblik te verliezen!" zeiden Craig-Fry.
Neen, geen enkel oogenblik! Het gevaar had niet dreigender kunnen
zijn als zij boven een mijn gestaan hadden en de lont, die daarmede
in verbinding stond, reeds aangestoken was.
De jonk scheen, bij de volslagen windstilte, aan zichzelf
overgelaten. Een enkele matroos zat op het dek te slapen.
Craig en Fry schoven dus de deur der kajuit open en vonden Kin-Fo daar.
Hij sliep, doch men wekte hem onverwijld.
»Wat is er?" vroeg hij.
Enkele woorden waren voldoende om hem op de hoogte der zaak te
brengen. Zijn moed en zijne koelbloedigheid begaven hem gelukkig niet.
»Laat ons die gewaande lijken spoedig in zee werpen", riep hij uit.
Geen slecht idée, maar volkomen onuitvoerbaar met het oog op de
medeplichtigheid van kapitein Yin en het vermoedelijk aantal der
schelmen.
»Wat dan?" vroeg Kin-Fo.
»Dit even aantrekken", antwoordden Craig-Fry.
Dit zeggende opende zij een der kisten, die zij uit Tong-Tchéou hadden
meegenomen, en boden hunnen cliënt een dier verwonderlijke drijfpakken
aan, waarvan de wereld de uitvinding aan kapitein Boyton dankt.
De kist bevatte vier dergelijke pakken met al de gereedschappen en
werktuigen die er bij behooren en die het reddingstoestellen van de
beste soort doen zijn.
»'t Is goed", zei Kin-Fo, »ga Soun maar waarschuwen."
Een oogenblik later kwam Fry met Soun terug, die volkomen de kluts
kwijt was. Men moest hem geheel aankleeden. Hij liet ze machinaal
begaan en stiet alleen van tijd tot tijd zijn gewoon _ai ai ya_ uit!
Om acht uur waren Kin-Fo en zijne metgezellen gereed. Men had hen voor
vier zeehonden hebben kunnen houden, die gereed stonden om in zee
te duiken. Om de waarheid te zeggen zou de zeehond Soun slechts een
zeer ongunstig denkbeeld gegeven hebben van de wonderbare vlugheid
dezer zoogdieren van de zee, zoo slap en onbeholpen zag hij er uit
in zijn waterdicht pak.
In het oosten begon de lucht reeds donker te worden. De jonk dreef
onbeweeglijk bij de onafgebroken windstilte op de spiegelgladde
oppervlakte der zee.
Craig en Fry maakten een der poorten van de kajuit achter in den
spiegel van de jonk open. Zonder plichtplegingen nam men Soun op
en stak hem door het luik naar buiten, waar men hem in de zee hoorde
plassen. Kin-Fo volgde hem onmiddellijk. Craig en Fry raapten alles bij
elkander wat zij noodig hadden en stapten op hunne beurt in het water.
Alles was zeer stil en behendig in zijn werk gegaan en aan boord van de
jonk kon niemand vermoeden dat de bemanning vier personen minder telde.