XVIII.

Waarin Craig en Fry, door nieuwsgierigheid gedreven, een

uitstapje maken naar het ruim van de _Sam-Yep_.

»Waar zijn wij, kapitein Yin?" vroeg Kin-Fo toen het gevaar geweken

was.

»Ik weet het niet precies", antwoordde de kapitein, die er weder even

vroolijk als vroeger uitzag.

»In de golf van Pé-Tché-Li?"

»Misschien."

»Of in de golf van Léao-Tong?"

»Ook dit is mogelijk."

»Maar waar komen wij aan land?"

»Waar de wind ons heendrijft!"

»En wanneer?"

»Ik kan het onmogelijk zeggen."

»Een echt Chinees weet zich altijd te oriënteeren, mijnheer", hernam

Kin-Fo op ontevreden toon, een spreekwijze bezigende in het Hemelsche

Rijk veel in gebruik.

»Op het land, ja" antwoordde kapitein Yin. »Maar op zee, niet!"

En zijn mond sperde zich bijna tot de ooren open.

»Er is waarachtig geen reden om te lachen," zei Kin-Fo.

»Om te schreien evenmin," antwoordde de kapitein.

De toestand had, 't is waar, op 't oogenblik niets verontrustends,

maar 't was ook waar dat kapitein Yin onmogelijk kon zeggen waar de

_Sam-Yep_ zich bevond.

Hoe zou hij zonder kompas gedurenden den wervelwind, die drie kwart

van het kompas rondliep, bestek hebben kunnen houden! De jonk had

voor top en takel, bijna naar geen roer luisterende, ten speelbal aan

den orkaan gestrekt. Het was dus niet te verwonderen, dat de kapitein

slechts zeer onvoldoende antwoorden op Kin-Fo's vragen kon geven. Maar

hij had er wat minder vroolijkheid bij te pas kunnen brengen.

Hoe het ook zij, of de _Sam-Yep_ in de golf van Léao-Tong was

medegevoerd, dan wel teruggeworpen in de golf van Pé-Tché-Li, in

ieder geval moest de steven naar het noordwesten worden gericht. In

die richting moest zich land bevinden. Het eenige punt in quaestie

was alleen op welken afstand het lag.

Als hij het had kunnen doen, zou kapitein Yin zijne zeilen bijgezet

en met de zon die op dat oogenblik helder scheen, meegegaan zijn.

Die mogelijkheid bestond echter niet.

Op den typhon was de meest volslagen kalmte gevolgd, geen tochtje

in den dampkring, geen enkel zuchtje wind. Een spiegelgladde zee,

nauwelijks in golving gebracht door een zware deining, die het schip

over en weer deed slingeren zonder het vooruit te brengen. Er lag

een heete damp op het water, en de lucht, die tijdens den nacht zoo

zwart mogelijk was geweest, was nu zoo kalm, dat zij ten eenenmale

ongeschikt scheen voor een worsteling der elementen. Het was een dier

doodsche kalmten, omtrent wier duur men geen rekening kan maken.

»Dat ziet er mooi uit!", sprak Kin-Fo, voor zich heen. »Na den storm,

die ons in volle zee heeft geslingerd, een windstilte die ons belet

weder het land te bereiken."

En zich tot den kapitein wendende:

»Hoe lang kan die windstilte aanhouden?" vroeg hij.

»In dit jaargetijde, mijnheer? Ja, wie zal dat zeggen," antwoordde

de kapitein.

»Uren of dagen?"

»Dagen of weken!" hernam Yin met een glimlach van kalme berusting,

die zijn passagier bijna in toorn deed ontsteken.

»Weken!" riep Kin-Fo. »Denk je dat ik weken kan wachten."

»Dat zal toch dienen, of we moeten onze jonk op sleeptouw nemen!"

»De duivel hale je jonk en allen die er op zijn, en mij het eerst

dat ik zoo dwaas ben geweest mij hier in te schepen!"

»Mijnheer," hernam kapitein Yin, »mag ik u iets aanraden!"

»Ga je gang!"

»Vooreerst kalm te gaan slapen, evenals ik ga doen; dat is een zeer

verstandig besluit, na een nacht op het dek doorgebracht te hebben."

»En dan?" vroeg Kin-Fo, die door de kalmte van den kapitein zoo

mogelijk nog wanhopiger werd gemaakt dan door die van de zee.

»En dan raad ik u aan", antwoordde Yin, »om het voorbeeld te volgen

van mijn passagiers in het ruim. Die beklagen zich nooit en nemen

het weder zooals het is."

Na deze wijsgeerige opmerking, Wang zelfs waardig, verdween de kapitein

in zijn hut, terwijl twee of drie mannen van de equipage op het dek

achterbleven.

Kin-Fo liep een kwartier van voren naar achteren, met over elkander

gekruiste armen, terwijl zijne vingers van ongeduld trilden. Vervolgens

wierp hij nog een blik op de doodsche, onbeweeglijke vlakte, waarvan

de jonk het middelpunt uitmaakte, haalde de schouders op en trad zijn

kajuit binnen zonder zelfs tot Fry-Craig een woord te richten.

Toch waren de beide agenten daar, rustig op de banken uitgestrekt

en, naar hunne gewoonte, elkander verstaande zonder te spreken. Zij

hadden de vragen van Kin-Fo gehoord en eveneens de antwoorden van

den kapitein, maar geen deel aan het gesprek genomen. Waarvoor zou

het gediend hebben, dat zij er zich mee bemoeiden, en waarom vooral

zouden zij zich over het oponthoud beklaagd hebben, dat hun cliënt

in zoo ontevreden stemming bracht?

In waarheid, zij mochten aan tijd verliezen, maar zij wonnen in

veiligheid. Kin-Fo liep aan boord geen enkel gevaar, wijl de hand

van Lao-Shen hem er niet kon bereiken; wat zouden zij meer gewenscht

hebben?

De termijn waarop hunne verantwoordelijkheid ophield, naderde met

rassche schreden. Nog veertig uur en geheel het leger van de Taï-pings

had zich op den ex-cliënt van _de Eeuw_ kunnen werpen zonder dat

zij een vinger zouden hebben uitgestoken om hem te helpen. Het zijn

practische menschen, die Amerikanen! Aan Kin-Fo gehecht zoolang hij

tweemaal honderdduizend dollars waard was! Dood onverschillig omtrent

hetgeen hem zou overkomen als hij geen sapeke meer waard zou zijn!

Nadat Craig en Fry aldus geredeneerd hadden, gingen zij met den

meesten eetlust ontbijten. Zij hadden goeden voorraad meegenomen en

aten van denzelfden schotel, hetzelfde bord, eenzelfde hoeveelheid

stukken brood en koud vleesch. Zij dronken eenzelfde aantal glazen

van den heerlijken wijn van Chao-Chigne op de gezondheid van William

J. Bidulph. Zij rookten ieder een half dozijn sigaren en bewezen op

nieuw dat men Siamees kan wezen door gewoonte, als is men het niet

door geboorte.

Die goede Yankees, die meenden dat zij aan het eind van hun rampspoed

waren!

De dag ging rustig voorbij. Altijd dezelfde kalmte in de natuur,

hetzelfde zachte, »mollige" voorkomen van den hemel. Niets deed eene

verandering in de meteorologische gesteldheid van den dampkring

vermoeden. De wateren van de zee waren onbeweeglijk als die van

een meertje.

Tegen vier uur verscheen Soun op het dek, wankelend en waggelend als

een dronken man, hoewel hij zijn geheele leven lang niet zoo matig

geweest was als gedurende de laatste dagen.

Zijn gelaat dat eerst violet, daarna indigo, toen blauw, vervolgens

groen geweest was, begon nu weer geel te worden. Weder op den

vasten wal gekomen, zou hij zijn gewone kleur, oranje, spoedig

herkrijgen. Als een opwelling van boosheid hem dan rood maakte,

zou zijn gelaat successievelijk en in de natuurlijke volgorde al de

kleuren van het spectrum vertoond hebben.

Soun sleepte zich naar de beide agenten, met halfgesloten oogen en

zonder een blik te durven slaan over de verschansing van de _Sam-Yep_.

»Zijn wij er?"... vroeg hij.

»Neen," antwoordde Fry.

»Komen wij er haast?"

»Neen", antwoordde Craig.

»_Ai, ai, ya!_" kreet Soun.

En in diepen wanhoop, geen kracht in zich gevoelende om iets meer

te zeggen, strekte hij zich aan den voet van den grooten mast uit,

allerlei krampachtige bewegingen makende, waardoor zijn korte staart

zich evenals het staartje van een hond bewoog.

Ondertusschen waren op bevel van kapitein Yin de luiken

van het dek geopend om het ruim te luchten. Dat was een wijze

voorzorgsmaatregel. De zon zou spoedig de vochtigheid doen opdrogen,

die door een drie- of viertal golven, tijdens den typhon, in 't

inwendige van 't vaartuig gebracht was.

Craig en Fry waren bij hunne wandelingen over het dek reeds

herhaaldelijk blijven stilstaan bij het groote luik. Een gevoel van

nieuwsgierigheid deed hen weldra besluiten om eens een kijkje te gaan

nemen in het in een grafkelder herschapen ruim. Zij daalden dus de

primitieve trap af, die daarheen leidde.

De zon wierp door het geopende luik hare stralen midden in het ruim,

doch voor en achter was het zeer donker. De oogen van Craig en Fry

gewenden daar echter spoedig aan en weldra waren zij in staat om te

zien hoe deze buitengewone lading van de _Sam-Yep_ geborgen was.

Het ruim was niet, zooals dit in de meeste koopvaardijjonken het

geval is, door schutten afgedeeld. Het was één groote ruimte, die

geheel volgeladen kon worden, daar er onder het voor- en achterdek

ruimte genoeg overbleef voor equipage en passagiers.

Aan elke zijde van het ruim stonden, even regelmatig als in een

praalgraf, de vijf en zeventig doodkisten, die naar Fou-Ning gebracht

moesten worden. Stevig bevestigd konden zij noch door de slingeringen

der jonk van hunne plaats geraken noch eenigermate de veiligheid van

het vaartuig in gevaar brengen.

Door een smallen gang, die vrijgelaten was tusschen de dubbele rij

kisten, kon men van het eene einde van het ruim naar het andere gaan,

nu eens in het volle licht als men in de nabijheid van het luik was,

dan weder in schemerlicht of in een bijna volkomen duister.

Craig en Fry liepen zwijgend, alsof zij zich in een praalgraf bevonden,

in dezen gang op en neder.

Zij keken niet zonder eenige nieuwsgierigheid naar de zonderlinge

lading.

Er waren lijkkisten van allerlei aard, van allerlei vorm en afmeting,

kostbaar of armoedig. Van de landverhuizers, die door nooddruft

naar de overzijde der Stille Zuidzee gedreven waren, waren sommige

rijk geworden in de mijnen van de Nevada en den Colorado of in

Californië, doch dit waren er, helaas, slechts weinige. De andere

waren er arm en ellendig gekomen en arm en ellendig gestorven. Maar

allen keerden nu gelijkelijk naar hunnen geboortegrond terug, aan

elkander gelijk door den dood. Een tiental kisten waren van kostbaar

hout en versierd met al de fantasie der Chineesche weelde, de meeste

andere bestonden eenvoudig uit zes planken, ruw in elkander geslagen

en geel geverfd. Maar rijk of arm, op elke kist stond een naam dien

men kon lezen als men het ruim doorging: Lien-Fou van Yung-Ping-Fu,

Nan Loou van Fou-Ning, Shen-Kin van Lin-Kia, Luang van Ku-Li-Kao,

enzoovoorts. Er was geen vergissing of verwarring mogelijk. Ieder lijk

was behoorlijk gewaarmerkt en zou aan zijn adres bezorgd worden, om

op het veld het uur der definitieve teraardebestelling af te wachten.

»'t Ziet er netjes uit," zei Craig.

»Zeer netjes!" antwoordde Fry.

Zij zouden hetzelfde gezegd hebben als zij een der groote magazijnen

van San Francisco of New-York bezichtigd hadden.

Aan het uiterste einde van het ruim, waar het licht nagenoeg niet

doordrong, waren zij blijven staan, en voordat zij weder naar boven

gingen, lieten zij nogmaals hunne blikken over de stapels der kisten

gaan.

Plotseling werd hun aandacht door eenig geritsel getrokken.

»Zeker een rat!" zeide Fry.

»Ja, dat zal een rat zijn!" antwoordde Craig.

Het was geen voordeelige lading voor zulk een knaagdier. Rijst,

of maïs, of gierst zou beter naar zijn zin geweest zijn.

Het geluid hield evenwel aan. Het was ontstaan op manshoogte, aan

stuurboordzij, dus bij de bovenste rij kisten. Als het geen geknabbel

van tanden was, kon het niets anders zijn dan een gekrabbel van

klauwen of nagels!

»Frrrr! Frrrr!" deden Craig en Fry.

Maar het geraas hield niet op.

De twee agenten kwamen naderbij en luisterden met ingehouden adem. Het

gekrab kwam stellig uit een der bovenste doodkisten.

»Ze zullen toch geen schijndooden Chinees in een van de kisten gepakt

hebben?" vroeg Craig.

»Die eerst na een overtocht van vijf weken weder levend geworden

is?" antwoordde Fry.

De twee agenten legden de hand op de verdachte kist en er was geen

twijfel aan of er was beweging in.

»Drommels!" fluisterde Craig.

»Drommels!" fluisterde ook Fry.

Hetzelfde denkbeeld ontstond plotseling bij beiden, en wel dat Kin-Fo

vermoedelijk door eenig gevaar bedreigd werd.

Zij namen de hand van de kist af en voelden dat het deksel zeer

zorgvuldig opgetild werd.

Craig en Fry, als lieden die zich nergens over verbaasden, hielden

zich doodstil, en daar zij in het donker niets konden zien, spitsten

zij hunne ooren op hetgeen zij zouden hooren.

»Ben jij het, Couo?" sprak een stem zeer voorzichtig en zacht

fluisterend.

Bijna op hetzelfde oogenblik antwoordde een stem uit een der kisten

aan bakboord op dezelfde wijze:

»Ben jij het, Fo-Kien?"

En toen wisselden zij zeer vlug de volgende woorden:

»Van nacht, niet waar?"

»Ja, van nacht!"

»Voordat de maan opkomt?"

»Bij de tweede nachtwake."

»En de anderen?"

»Zijn allen gewaarschuwd."

»Zes-en-dertig uur in een doodkist! Ik heb er genoeg van!"

»Ik niet minder."

»Als Lao-Shen het niet bevolen had...."

»Stil toch!"

Op het hooren van den naam van den gevreesden Taï-ping hadden Craig

en Fry onwillekeurig eene lichte beweging gemaakt en daarop waren de

deksels weder plotseling dichtgevallen. Het was op nieuw doodstil in

het ruim van de _Sam-Yep_.

Na het tooneel in het ruim slopen Craig en Fry zoo voorzichtig mogelijk

weder naar het midden en klommen naar boven. Zij bleven eerst op het

dek staan, toen zij zeker wisten dat niemand hen hooren kon.

»Met dooden die spreken...." begon Craig.

»Is het niet pluis!" voltooide Fry.

Een enkel woord had hun alles verraden. Dat was de naam Lao-Shen,

dien een der gewaande lijken uitgesproken had.

De handlangers van dezen gevreesden Taï-ping waren er dus in geslaagd

zich aan boord te verbergen! Kon dit geschied zijn buiten weten van

kapitein Yin, of van zijn equipage, of van de manschappen die de

sombere lading aan boord hadden gebracht? Dat was onmogelijk. Na uit

het Amerikaansche vaartuig gelost te zijn, die ze van San-Francisco had

overgebracht, waren de doodkisten tweemaal vier en twintig uur in het

dok blijven staan. Toen hadden tien of misschien twintig manschappen

van de bende van Lao-Shen de kisten ongetwijfeld geledigd en de plaats

der lijken ingenomen. Maar had hun opperhoofd dan geweten of kunnen

weten dat Kin-Fo van plan was om zich aan boord van de _Sam-Yep_

in te schepen? En hoe had hij dit kunnen weten?

Ziedaar eene zeer duistere zaak, doch die op dit oogenblik niet

behoefde opgelost te worden. Zeker was het, dat er, sedert men Tahou

verliet, schelmen van de ergste soort aan boord waren; zeker was

het, dat Craig en Fry een hunner den naam van Lao-Shen had hooren

uitspreken; zeker was het dat het leven van Kin-Fo in onmiddellijk

gevaar verkeerde.

In dezen nacht, in den nacht van 28 op 29 Juni, zou _de Eeuw_ een

verlies lijden van tweehonderdduizend dollars; een verlies dat der

maatschappij bespaard zou worden als het vier en vijftig uur later

geweest was, daar ook Kin-Fo zijn polis niet had vernieuwd!

Men zou echter Craig en Fry slecht kennen als men meende dat zij in

deze ernstige omstandigheden hunne bezinning verloren. Hun besluit

was terstond genomen. Kin-Fo moest, voordat de tweede nachtwake begon,

de jonk verlaten, en zij beiden zouden hem vergezellen.

Maar hoe zouden zij ontsnappen? Zich meester maken van de eenige boot

die de jonk aan boord had? Onmogelijk. Dat was een zware sloep, en al

de handen aan boord zouden noodig zijn om haar in zee te brengen. En

kapitein Yin, met zijn equipage, die er alles van wist, zouden hen

zien komen! Men moest dus wel zijn toevlucht tot iets anders nemen,

hoe gevaarlijk het ook wezen mocht.

Het was zeven uur. De kapitein was nergens te zien en zat

waarschijnlijk in zijn hut. Hij wachtte mogelijk daar wel het uur af

dat de manschappen van Lao-Shen voor den dag zouden komen.

»Er is geen oogenblik te verliezen!" zeiden Craig-Fry.

Neen, geen enkel oogenblik! Het gevaar had niet dreigender kunnen

zijn als zij boven een mijn gestaan hadden en de lont, die daarmede

in verbinding stond, reeds aangestoken was.

De jonk scheen, bij de volslagen windstilte, aan zichzelf

overgelaten. Een enkele matroos zat op het dek te slapen.

Craig en Fry schoven dus de deur der kajuit open en vonden Kin-Fo daar.

Hij sliep, doch men wekte hem onverwijld.

»Wat is er?" vroeg hij.

Enkele woorden waren voldoende om hem op de hoogte der zaak te

brengen. Zijn moed en zijne koelbloedigheid begaven hem gelukkig niet.

»Laat ons die gewaande lijken spoedig in zee werpen", riep hij uit.

Geen slecht idée, maar volkomen onuitvoerbaar met het oog op de

medeplichtigheid van kapitein Yin en het vermoedelijk aantal der

schelmen.

»Wat dan?" vroeg Kin-Fo.

»Dit even aantrekken", antwoordden Craig-Fry.

Dit zeggende opende zij een der kisten, die zij uit Tong-Tchéou hadden

meegenomen, en boden hunnen cliënt een dier verwonderlijke drijfpakken

aan, waarvan de wereld de uitvinding aan kapitein Boyton dankt.

De kist bevatte vier dergelijke pakken met al de gereedschappen en

werktuigen die er bij behooren en die het reddingstoestellen van de

beste soort doen zijn.

»'t Is goed", zei Kin-Fo, »ga Soun maar waarschuwen."

Een oogenblik later kwam Fry met Soun terug, die volkomen de kluts

kwijt was. Men moest hem geheel aankleeden. Hij liet ze machinaal

begaan en stiet alleen van tijd tot tijd zijn gewoon _ai ai ya_ uit!

Om acht uur waren Kin-Fo en zijne metgezellen gereed. Men had hen voor

vier zeehonden hebben kunnen houden, die gereed stonden om in zee

te duiken. Om de waarheid te zeggen zou de zeehond Soun slechts een

zeer ongunstig denkbeeld gegeven hebben van de wonderbare vlugheid

dezer zoogdieren van de zee, zoo slap en onbeholpen zag hij er uit

in zijn waterdicht pak.

In het oosten begon de lucht reeds donker te worden. De jonk dreef

onbeweeglijk bij de onafgebroken windstilte op de spiegelgladde

oppervlakte der zee.

Craig en Fry maakten een der poorten van de kajuit achter in den

spiegel van de jonk open. Zonder plichtplegingen nam men Soun op

en stak hem door het luik naar buiten, waar men hem in de zee hoorde

plassen. Kin-Fo volgde hem onmiddellijk. Craig en Fry raapten alles bij

elkander wat zij noodig hadden en stapten op hunne beurt in het water.

Alles was zeer stil en behendig in zijn werk gegaan en aan boord van de

jonk kon niemand vermoeden dat de bemanning vier personen minder telde.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 25 / 36 题