Waarin de handelswaarde van Kin-Fo nogmaals op het spel staat.
Acht dagen vroeger had een Amerikaansch schip het anker laten
vallen in de haven van Takou. Het was bevracht door de zesde
Chineesch-Californische maatschappij voor rekening van het agentschap
Fouk-Ting-Tong, waarvan de zetel op het Laurel-Hill-kerkhof te San
Francisco gevestigd is.
Daar wachten de zonen van het Hemelsche Rijk, die in Amerika sterven,
den dag af dat zij naar hun vaderland teruggebracht zullen worden, om,
zooals hun godsdienst dat beveelt, in vaderlandsche aarde te rusten.
Het bedoelde schip was naar Canton bestemd en had op schriftelijk bevel
van het agentschap een lading van tweehonderd en vijftig doodkisten
ingenomen, waarvan er vijf en zeventig te Takou moesten gelost worden,
om verder hun weg naar de noordelijke provinciën te vinden.
Dit gedeelte der lading was nu van het Amerikaansche naar het
Chineesche schip overgebracht en op den ochtend van dezen dag, 27
Juni, zou het laatstgemelde vaartuig naar de haven van Fou-Ning onder
zeil gaan.
Kin-Fo en zijne metgezellen zouden eveneens op dit schip den overtocht
doen. Zij hadden ongetwijfeld de voorkeur aan een ander gegeven,
maar omdat er geen ander was dat naar de golf van Léao-Tong vertrok,
hadden zij geen keus. Het was dan ook slechts om een reis van hoogstens
twee of drie dagen te doen, die om dezen tijd van het jaar volstrekt
geen bezwaar opleverde.
De _Sam-Yep_ was een zeejonk, metende ongeveer driehonderd last. Men
heeft er wel van duizend last en meer, die geen grooter diepgang
dan zes voet hebben, waardoor zij gemakkelijk over de ondiepten
heenzeilen, die voor den mond van bijna alle Chineesche rivieren
gevonden worden. Te breed naargelang harer lengte, zijnde de verhouding
als een tot vier, loopen zij slecht, schijnbaar echter niet bij den
wind, want zij wenden nagenoeg op de plaats zelve en draaien als een
tol, hetgeen hun een groot voordeel op schepen met fijnere lijnen
geeft. De klik van het enorme roer is van groote gaten voorzien, een
systeem dat in China algemeen in zwang is, doch waarvan het nut nog
al te betwisten valt. Hoe dit zij, deze jonken bevaren bij voorkeur
de kustzeeën. Er zijn zelfs voorbeelden van dat zij ladingen thee
of porcelein naar San-Francisco overbrengen. Zij zijn dus zeer goed
bruikbaar, waarbij nog komt dat de Chineesche matrozen door alle
deskundigen als uitstekend worden geroemd.
De _Sam-Yep_, van moderne constructie, bijna recht van voren naar
achteren, deed door haren vorm aan de Europeesche rompen denken. Daar
de huid noch van spijkers, noch van bouten voorzien was, doch
gemaakt van gevlochten bamboes, dat goed geharpuist en gekalefaat
was, zoo was zij zoo waterdicht, dat de jonk niet eens een lenspomp
bezat. Het schip was van dik bamboes vervaardigd en dreef op het
water als een stuk zwam. Een anker van zeer hard hout vervaardigd,
tuig uit palmvezels gedraaid, even sterk als lenig; dunne zeilen,
die van de brug af als waaiers open en dicht gemaakt konden worden;
twee masten die geplaatst waren als de groote mast en de bezaansmast
van een logger; geen windprop, geen fokzeilen; ziedaar de jonk die
in alle opzichten uitstekend voor de kustvaart voldeed.
Van buiten zou zeker niemand aan de _Sam-Yep_ gezegd hebben dat hare
reeders er ditmaal een enormen lijkwagen van gemaakt hadden.
De jonk vervoerde nu een aantal lijken in plaats van zijde,
parfumeriewaren en porcelein zooals gewoonlijk, doch het uiterlijk
voorkomen van het schip was niet veranderd. Het vertoonde dezelfde
levendige kleuren. Vooruit en achteruit wapperden veelkleurige vlaggen
en standaards met veelkleurige kwasten. Op den voorsteven was een groot
vlammend oog geschilderd, dat het in de verte op een groot zeemonster
deed gelijken. Boven in de masten ontrolde de wind den schitterenden
wimpel der Chineesche vlag. Twee caronades staken met hare blinkende
monden boven de verschansing uit en weerkaatsten de zonnestralen als
een spiegel. Geen overbodige metgezellen zijn dat aan boord in die nog
door zeeroovers verpeste zeeën! Alles zag er vroolijk, opgeschikt,
aangenaam uit. Het waren, dan ook terugkeerende landverhuizers, die
de _Sam-Yep_ overbracht,--doode landverhuizers wel is waar, maar in
elk geval lijken van menschen wier laatste wenschen vervuld werden!
Noch Kin-Fo, noch Soun had iets tegen een overtocht onder zulke
omstandigheden. Daarvoor waren zij veel te goede Chineezen. Craig
en Fry echter, als Amerikanen, waren niets op deze soort van
vrachtgoederen gesteld en zouden zeker ieder andere lading verkozen
hebben, doch het was hun niet in de keus gelaten.
De equipage van de jonk bestond uit een kapitein en zes matrozen,
meer dan genoeg voor de werkzaamheden aan boord van deze schepen. Men
zegt dat het kompas in China uitgevonden is. 't Is zeer mogelijk,
maar de kustvaarders bedienen er zich hier in het geheel niet van. Ook
kapitein Yin, de gezagvoerder van de _Sam-Yep_, had er geen bij zich;
hij was dan ook niet van plan om gedurende zijn overtocht de kust
uit het gezicht te verliezen.
Deze kapitein Yin, een klein lachend ventje, levendig en spraakzaam,
scheen de verpersoonlijking van de eeuwigdurende beweging. Hij stond
nooit stil en nooit op dezelfde plaats. Zijne handen, zijne armen,
zijne oogen spraken eigenlijk nog meer dan zijn mond en deze zweeg
nooit. Hij liet ook zijne matrozen weinig rust, doch kommandeerde
en interpelleerde hen onophoudelijk en vloekte nu rechts en dan
links. Maar 't was een flink zeeman, goed met het vaarwater en de
kusten bekend en hij deed met zijn jonk wat hij wilde. De groote
som gelds die Kin-Fo voor den overtocht betaald had strekte verder
om zijne opgewektheid nog te verhoogen. Passagiers die honderd en
vijftig taëls betaalden [13] voor eene reis van zestig uur, welk
een buitenkansje! En vooral omdat het passagiers waren, die evenmin
eenige aanmerking maakten op de gebrekkige inrichtingen en op den kost,
die hij hun verschafte, als de doode passagiers in het ruim beneden.
Kin-Fo, Craig en Fry waren zoo goed als het kon onder het achterdek
gehuisvest en Soun in het vooronder. De twee agenten, steeds
wantrouwend, hadden de equipage en den kapitein zeer nauwkeurig
opgenomen, doch zij vonden niets aan deze brave lieden dat hun
achterdocht had kunnen rechtvaardigen. 't Was meer dan onwaarschijnlijk
dat zij met Lao-Shen in eenige betrekking zouden staan, omdat het een
bloot toeval was dat Kin-Fo op deze jonk plaats had genomen. En het
toeval zou toch met den al te beruchten Taï-ping geen verbond hebben
gesloten! Met uitzondering van het gewone gevaar dat de zee oplevert,
zouden zij dus nu eenige dagen in volkomen veiligheid en gerustheid
kunnen doorbrengen en konden zij Kin-Fo meer aan zich zelf overlaten.
Deze was daar niets bedroefd over. Hij ging alleen in zijne hut
zitten en philosofeerde daar op zijn gemak. Arme man, dat hij zijn
geluk niet had weten te waardeeren noch zich in zijne omstandigheden
verheugd had, toen hij zorgeloos in zijn yamen te Shang-Haï leefde,
en toen hij zich zoo goed met eenigen nuttigen arbeid had kunnen
bezig houden? Als hij eerst zijn brief maar weder terug had, dan zou
men eens zien of hij zijn voordeel ook doen zou met de harde les,
die hij nu ontving, en of de gek niet verstandig zou geworden zijn!
Maar zou hij dien brief ooit terugkrijgen? Ja, zonder twijfel,
omdat hij er de volle waarde voor wilde betalen. Het kon voor dien
Lao-Shen natuurlijk alleen een quaestie van geld wezen. Maar men
moest hem voorkomen en niet door hem verrast worden. Daar zat de
moeilijkheid. Lao-Shen was natuurlijk op de hoogte van al wat Kin-Fo
deed, doch Kin-Fo wist niets van Lao-Shen. Van daar dat men in groot
gevaar zou zijn zoodra de cliënt van Craig en Fry den voet zou zetten
in de streek waar de Taï-ping zich ophield. Het kwam er dus vooral
op aan dat men hem vóór was. Lao-Shen zou toch liever vijftigduizend
dollars uit de handen van Kin-Fo zelf ontvangen dan vijftigduizend
dollars verdienen aan zijn dood. Dat zou hem een reis naar Shang-Haï
besparen en een bezoek aan het bureau van de Eeuw, twee zaken die,
in weerwil van de lankmoedigheid der Chineesche regeering, voor hem
toch niet geheel zonder gevaar waren.
Zoo peinsde de geheel veranderde Kin-Fo bij zich zelf, terwijl verder
de bekoorlijke jonge weduwe natuurlijk ook eene groote plaats in
zijne overdenkingen innam.
En waaraan dacht Soun onderwijl?
Soun dacht aan niets. Hij lag in het vooronder en betaalde den tol
aan de vijandige goden der golf van Pé-Tché-Li. Van tijd tot tijd
slechts kon hij eenige verwenschingen slaken aan het adres van zijn
meester, van den philosoof Wang en van den bandiet Lao-Shen! Zijn
hart was stom! _Ai ai ya!_ zijne gedachten waren stom, zijn gevoel
was stom. Hij dacht aan thee nog rijst! _Ai ai ya!_ Wat deed hij ook
in dienst te gaan van een man, die uitstapjes ter zee maakte! Hij
zou graag alles wat hem van zijn staart overbleef gegeven hebben,
als hij op 't oogenblik op vasten grond was! Hij zou zich liever het
hoofd kaal scheren, of priester worden! Een gele hond! ja 't was een
gele hond die hem de lever en de ingewanden verscheurde! _Ai, ai, ya!_
De _Sam-Yep_ zeilde intusschen, voortgedreven door een frisschen
zuidenwind, op drie of vier mijl afstands van de lage kuststreek,
flink vooruit. Zij passeerde Peh-Tang bij de monding van de rivier
van dien naam, niet ver van de plaats waar de Europeesche legers hunne
landing volbrachten; vervolgens ging het langs Shan-Tung, Tschiang-Ho,
voorbij de monden van de Tau en langs Haï-Vé-Tsé.
Dit gedeelte van de golf was niet zeer druk bevaren. Van de drukke
scheepvaart aan de monding van de Peï-ho was hier, op twintig
mijl afstand, niet veel meer te bespeuren. Eenige handelsjonken,
die ter kustvaart gingen, een dozijn visschersvaartuigen, die de
vischrijke wateren langs de kust bezochten, was alles wat men aan
den gezichteinder bespeurde.
Craig en Fry merkten op dat de visschersvaartuigen, zelfs dezulken die
nauwelijks vijf of zes ton hielden, met een of twee kleine kanonnen
gewapend waren.
Toen zij den kapitein Yin naar de reden hiervan vroegen, antwoordde
deze, zich de handen wrijvende:
»Dit moeten zij wel doen voor de zeeroovers!"
»Zeeroovers in dit gedeelte van de golf van Pé-Tché-Li!" riep Craig
niet zonder eenige verbazing uit.
»Waarom niet!" antwoordde Yin. »'t Is hier als overal. In geen enkele
Chineesche zee worden deze brave mannen gemist!"
En de waardige kapitein lachte en liet zijne beide rijen glinsterende
tanden zien.
»U schijnt ze weinig te vreezen!" werd door Fry opgemerkt.
»Heb ik dan mijn beide kanonnetjes niet, twee knapen, die ongemakkelijk
brommen als men er te dicht bij komt!"
»Zijn zij geladen?" vroeg Craig.
»Gewoonlijk wel."
»En nu?"
»Nu niet."
»Waarom niet?" vroeg Fry.
»Omdat ik geen kruit aan boord heb," antwoordde kapitein Yin bedaard.
»Waar dienen dan de kanonnen voor?" vroegen Craig-Fry, weinig tevreden
over het antwoord.
»Waarvoor?" riep de kapitein uit. »Wel om de lading te beschermen als
't de moeite waard en mijn jonk tot aan de luiken toe beladen is met
twee of opium! Maar met de lading die ik nu in heb!..."
»En hoe weten de zeeroovers," vroeg Craig, »dat de jonk het aantasten
niet waard is?"
»U schijnt zeer bevreesd te zijn voor een bezoek van deze brave
lieden?" antwoordde de kapitein, terwijl hij op de hielen draaide en
de schouders optrok.
»Wel zeker," zeide Fry.
»En toch hebt u geen enkel stuk goed aan boord!"
»Dat is waar," voegde Craig er bij, »maar wij hebben bijzondere
redenen, waarom wij hun bezoek minder wenschelijk achten."
»Welnu, wees onbezorgd!" antwoordde de kapitein. »De zeeroovers zullen,
als zij ons ontmoeten, geen moeite doen om onze jonk te achtervolgen."
»En waarom niet?"
»Omdat zij vooruit weten wat soort van lading ik in heb, zoodra zij
mij in 't gezicht hebben."
En kapitein Yin wees naar een witte vlag die halfstag geheschen van
de jonk woei.
De witte vlag! De rouwvlag! De brave lieden zouden zich de moeite
niet geven een vaartuig te plunderen dat met lijkkisten was beladen.
»Zij zouden toch kunnen meenen, dat u uit voorzorg de rouwvlag
geheschen hadt," zei Craig, »en zich komen overtuigen...."
»Als zij komen zullen wij hen ontvangen," antwoordde kapitein Yin,
»en als zij ons een bezoek gebracht hebben, zullen zij zich verwijderen
zooals zij gekomen zijn!"
Craig en Fry drongen niet verder op de zaak aan, doch zij voelden zich
volstrekt niet zoo gerust als de optimistische kapitein Yin. Een jonk
van driehonderd last, al was de lading dan ook niets waard, moest dien
»braven lieden", zooals Yin de zeeroovers noemde, toch voordeel genoeg
opleveren om er eens een kansje op te wagen, meenden de agenten van
de Eeuw. Maar men moest zich nu wel in de omstandigheden schikken en
het beste van de zaak hopen.
Overigens had de kapitein niets verzuimd om de fortuin gunstig voor
hem te stemmen. Op het oogenblik van het vertrek was er een haan
aan de goden der zee geofferd. De vederen van den ongelukkige hingen
daar nog aan den bezaansmast! Een paar droppels van zijn bloed waren
op de brug gesprenkeld en een beker wijn in de zee geplengd om het
offer te voltooien. Wat kon, na die plechtigheden, de jonk _Sam-Yep_
onder bevel van den waardigen gezagvoerder Yin nog te vreezen hebben?
Men moet echter aannemen, dat de grillige geesten niet voldaan
waren. 't Zij dat de haan te mager, 't zij dat de wijn niet van
de beste soort was, de jonk werd door een geweldige windvlaag
overvallen. Niets was daarvan vooraf te voorzien geweest, want het
weder was helder en er woei een frissche bries. De scherpstziende
zeeman had geen »hondenweer" kunnen verwachten.
Des avonds te acht uur maakte de _Sam-Yep_ zich gereed om de kaap
om te zeilen die tegen het noordoosten aan de kust uitsteekt. Aan de
andere zijde zou zij voor den wind kunnen gaan zeilen, hetgeen zeer
gunstig zijn zou. Kapitein Yin meende dan ook op zijn gemak binnen
vier en twintig uur Fou-Ning te zullen bereiken.
Kin-Fo zag van zijn kant het uur waarop hij aan land zou stappen niet
zonder ongeduld te gemoet en de zeezieke Soun smachtte er naar als
een gevangene naar de verlossing uit zijn kerker. Wat Craig en Fry
betreft, deze merkten tegen elkander op dat, als hun cliënt er in
slaagde binnen drie dagen den brief die zijn leven in gevaar bracht
uit de handen van Lao-Shen te krijgen, dit juist zou geschieden op
het oogenblik dat de maatschappij de Eeuw zich volstrekt niet meer om
hem bekreunde. Zijn polis bleef slechts tot middernacht van 30 Juni
van kracht, want dan waren de twee maanden verstreken waarvoor hij
de verzekering met den heer William J. Bidulph gesloten had. En dan:
»All" zei Craig.
»Right!" vulde Fry aan.
Des avonds op het oogenblik dat de jonk bij den ingang der golf
van Léao-Tong was, draaide de wind plotseling naar het noordoosten;
daarop door het noorden heengaande, woei hij twee uur later hard uit
het noordwesten.
Als kapitein Yin een barometer aan boord had gehad, zou hij gezien
hebben dat de kwikkolom in een punt des tijds vier of vijf millimeter
was gedaald. Deze snelle luchtverdunning was het voorteeken van een
zeer nabijzijnden typhon, [14] welks nadering reeds door den dampkring
werd gevoeld. Was kapitein Yin bekend geweest met de beschouwingen van
den Engelschman Paddington of van den Amerikaan Maury, hij zou getracht
hebben de richting van zijn vaartuig te veranderen en noord-oost te
sturen, in de hoop eene minder gevaarlijke windstreek te bereiken,
buiten het centrum waaromheen zich de draaiende storm bewoog.
Maar kapitein Yin maakte nooit gebruik van den barometer en hij was
met de wet der cyclonen niet bekend. Hij had bovendien een haan aan
de goden ten offer gebracht en achtte zich daardoor voor elk onheil
beveiligd.
Maar onze Chinees, hoe bijgeloovig ook, was een kloek zeeman, dat
bewees hij in deze omstandigheden. Hij manoeuvreerde bij instinct
even behendig als een Europeesch gezagvoerder zou gedaan hebben.
Deze typhon was slechts een kleine cycloon en bewoog zich dus met eene
buitengewone snelheid van meer dan honderd kilometer per uur. Hij
dreef de _Sam-Yep_ naar het oosten, eene gelukkige omstandigheid,
wijl de jonk daardoor van een kust werd gedreven, die geen enkele
schuilplaats aanbood en waar zij onvermijdelijk in weinig tijd zou
verloren geweest zijn.
Ten elf ure had de storm zijn hoogste punt bereikt. Kapitein Yin
manoeuvreerde, flink bijgestaan door zijn scheepsvolk, als een ervaren
zeeman. Hij lachte niet meer, maar hij had al zijne koelbloedigheid
behouden. Zijn hand, krachtig aan het roer geklemd, bestuurde het
lichte vaartuig, dat als een notendop over de golven bewogen werd.
Kin-Fo had de achterkajuit verlaten. Tegen de verschansing gedrongen,
staarde hij naar de lucht met hare wolkenmassa's, door den storm
voortgedreven. Hij keek naar de zee, waarvan het witte schuim den
donkeren nacht als verlichtte en waarvan de golven door de reusachtige
aantrekkingskracht van den typhon tot ver boven haar gewoon peil werden
gedreven. Het gevaar verraste noch verschrikte hem. Het maakte een deel
uit van de reeks van rampspoeden die over hem was losgebarsten. Een
overtocht in zestig uur zonder storm, in het hartje van den zomer,
dat was goed voor gelukkige stervelingen; hij, Kin-Fo, behoorde daar
niet langer toe!
Craig en Fry waren vrij wat meer in onrust, altijd met het oog op de
handelswaarde van hun cliënt. 't Is waar, hun leven was evenveel waard
als dat van Kin-Fo. Waren zij met hem gestorven, zij zouden de belangen
van _de Eeuw_ niet meer hebben kunnen behartigen. Maar deze trouwe
agenten vergaten zichzelf en dachten alleen aan hun plicht. Omkomen,
goed! Met Kin-Fo, goed! maar niet vóór 30 Juni des middernachts! Een
millioen redden, ziedaar hetgeen Craig-Fry wilden. Daaraan dachten
zij alleen!
Wat Soun betreft, hij wist niet dat de jonk in gevaar verkeerde, of,
juister gezegd, men had, naar zijn meening, in gevaar verkeerd van
het oogenblik af dat men zich op het verraderlijk element had gewaagd,
zelfs bij het schoonste weder.
De jonk was drie uur lang in dreigend gevaar. Eene verkeerde beweging
van het roer zou haar ondergang geweest zijn, want de golven zouden
haar hebben overdekt. Al kon zij niet, evenals een tobbe, overslaan,
zij had kunnen vol loopen en zinken. Er was natuurlijk geen denken
aan om haar in eene bepaalde richting voort te drijven, te midden
van de golven door den wervelwind van den cycloon voortgezweept.
Door een gelukkig toeval bereikte de _Sam-Yep_, zonder ernstige averij,
het midden van den reusachtigen atmosfeerischen kring die zich over
een afstand van honderd kilometer uitstrekte. Daar was de zee over
een uitgestrektheid van twee of drie mijlen bedaard en men bespeurde
er nauwelijks iets van den wind. Het was een kalm meer te midden van
een bewogen oceaan.
't Was een geluk voor de jonk dat de orkaan haar daar, als 't ware op
't droge, had gezet. Tegen drie uur in den morgen hield de woede van
den cycloon op en de bewogen wateren legden zich rustig rondom dit
kleine centrale meer neder.
Maar voor het dag werd, keek men van de _Sam-Yep_ te vergeefs uit
naar land aan den gezichteinder. Er was nergens iets van de kust te
ontdekken. Zoo ver het oog reikte zag men water, niets dan water.