Waarin Kin-Fo, nog altijd ongehuwd, op nieuw de wereld ingaat.
De toestand was nu voor Kin-Fo duizendmaal ernstiger dan hij nog
geweest was.
't Was dus waar dat Wang, niettegenstaande zijn gegeven woord, zijne
hand had voelen verlammen toen het er op aankwam zijn ouden leerling
te treffen! Ook scheen Wang niets van de verandering te weten die in
den toestand van Kin-Fo was gekomen, want zijn brief zweeg er van! Ook
had Wang dus aan een ander opgedragen zijne belofte te houden, en aan
wien! Aan een Taï-ping, den meest gevreesde van allen, die natuurlijk
geen de minste zwarigheid zou maken om iemand te dooden, voor wiens
dood men hem niet eens aansprakelijk kon stellen! Het bewuste stuk
van Kin-Fo waarborgde hem straffeloosheid en de aanwijzing van Wang
zou hem bovendien een kapitaal van vijftigduizend dollars verschaffen!
»Ik heb er nu meer dan genoeg van!" riep Kin-Fo uit in zijne eerste
opwelling van toorn.
Craig en Fry hadden kennis genomen van het schrijven van Wang.
»Draagt het door u aan Wang verstrekte stuk niet als uitersten termijn
den datum van 25 Juni?"
»Wel neen," antwoordde Kin-Fo: »Wang moest en kon het stuk niet anders
teekenen dan op den datum, waarop ik sterven zou! Nu kan die Lao-Shen
handelen naar eigen goedvinden, zonder in een enkel opzicht door den
tijd gebonden te zijn!"
»Ja, maar," zeide Fry-Craig, »hij heeft er belang bij de zaak spoedig
tot een eind te brengen."
»Waarom?...."
»Wel, omdat de politie op het kapitaal, dat op uw hoofd is verzekerd,
beslag kan leggen en het hem op deze wijze zou ontgaan!"
Daar was niets tegen in te brengen.
»'t Zij zoo," antwoordde Kin-Fo. »In ieder geval moet ik geen uur
verloren laten gaan om te trachten mijn schrijven terug te krijgen,
al moest ik het ook met de vijftig duizend dollars betalen, die aan
dien Lao-Shen zijn beloofd!"
»Dat is juist," sprak Fry.
»Zeer waar!" voegde Craig er bij.
»Ik vertrek dus! Ik moet dien chef der Taï-pings opsporen! Hij zal,
hoop ik, gemakkelijker te vinden zijn dan Wang!"
Kin-Fo liep, deze woorden sprekende, voortdurend heen en weder. Hij
kon niet blijven zitten. Deze reeks van knodsslagen, die op hem
neerdaalden, brachten hem in een staat van zeldzame opgewondenheid.
»Ik vertrek!" zeide hij. »Ik ga dien Lao-Shen opzoeken! Wat u betreft,
mijne heeren, u moet weten wat u past."
»Mijnheer," antwoordden Fry-Craig, »de belangen van de _Eeuw_ zijn
meer dan ooit bedreigd. Als wij u thans verlieten, zouden wij aan
onzen plicht tekort komen. Wij zullen u niet verlaten!"
Men wilde geen uur verloren laten gaan. Maar vóór alles diende men
nauwkeurig te weten wat die Lao-Shen was, en waar hij zijn verblijf
hield. Zijne bekendheid was gelukkig van dien aard dat dit minder
moeielijkheid opleverde.
Deze oude makker van Wang, in den opstand der Mang-Tchao, had zich in
noordelijk China teruggetrokken aan gene zijde van den Grooten muur,
naar het gedeelte grenzende aan de golf van Pé-Tché-Li. Het Keizerlijke
bewind had niet met hem onderhandeld gelijk het met het meerendeel
der andere hoofden van den opstand had gedaan die het niet had kunnen
onderwerpen; men liet hem met rust, en hij oefende nu op de grenzen
van het rijk het meer bescheiden beroep van straatroover uit. Wang
had een goede keus gedaan! Zulk een man zou minder bezwaren maken en
een dolksteek meer of minder zou zijn geweten niet verontrusten!
Kin-Fo en de beide zaakgelastigden verkregen de meest nauwkeurige
inlichtingen omtrent den Taï-ping en vernamen dat hij het laatst
gezien was in de omstreken van Fou-Ning, een kleine haven aan de golf
van Léao-Ting. Zij besloten zich zonder verwijl daarheen te begeven.
Aan Lé-ou werd dadelijk meegedeeld wat er gebeurd was. Haar angst
verdubbelde! Tranen ontsprongen aan hare schoone oogen. Zij wilde
Kin-Fo overhalen om niet te vertrekken. Begaf hij zich niet vrijwillig
in een onvermijdelijk gevaar? Zou het niet beter zijn te wachten,
zich uit de voeten te maken, het Hemelsche Rijk desnoods te verlaten
en zich te verschuilen in een ander werelddeel, waar de woeste Lao-Shen
hem niet kon bereiken?
Maar Kin-Fo bracht de jonge vrouw aan het verstand, dat het hem
onmogelijk zou zijn te leven onder deze voortdurende bedreiging, en als
het ware, door de genade van zulk een schurk, die door den moord een
aardig fortuintje zou verwerven. Neen! Er moest en er zou een einde aan
komen. Kin-Fo en zijne beide satellieten zouden dien dag op reis gaan,
zij zouden tot den Taï-ping doordringen, den ongelukkigen brief voor
handen vol goud koopen, en zij zouden te Peking terug zijn, nog voordat
de termijn van openbaren rouw voor de keizerin-weduwe verstreken was.
»Liefste zuster", zeide Kin-Fo, »ik betreur het nu minder dat ons
huwelijk eenige dagen is uitgesteld. Ware het voltrokken, hoe droef
zou dan uw toestand geweest zijn!"
»Als het voltrokken ware geweest", antwoordde Lé-ou, »zou ik het
recht gehad hebben, en het zou mijn plicht geweest zijn, u te volgen;
en ik zou met u medegegaan zijn!"
»Neen!" sprak Kin-Fo, »ik zou liever duizend dooden gestorven zijn dan
dat ik u slechts een oogenblik aan gevaar blootstelde!.... Vaarwel,
Lé-ou, vaarwel!...."
En Kin-Fo onttrok zich, met tranen in de oogen, aan de armen van de
jonge vrouw, die hem wilde weerhouden.
Op dienzelfden dag verlieten Kin-Fo, Craig en Fry, gevolgd door Soun,
wien ook geen oogenblik rust te beurt mocht vallen, Peking en begaven
zich naar Tong-Tchéou. Zij waren er in een uur.
Men had het volgende plan gemaakt:
De reis te land, door eene niet veilige provincie, leverde ernstige
bezwaren op.
Als het niets anders geweest was dan om den Grooten Muur te bereiken,
ten noorden van de hoofdstad, zou men, wat gevaren ook verbonden
waren aan het afleggen van honderd zestig lis [11], den tocht hebben
ondernomen. Maar de haven van Fou-Ning bevond zich niet in het noorden
maar in het oosten. Door over zee te gaan zou men tijd winnen en
veiliger zijn. Kin-Fo en zijne metgezellen zouden er binnen vier of
vijf dagen komen; en men besloot daarom dien weg te volgen.
Maar zou er een vaartuig te vinden zijn, dat naar Fou-Ning vertrekken
moest? Zij besloten zich daarvan voor alles te overtuigen bij de
scheepsagenten te Tong-Tchéou.
Het toeval, dat Kin-Fo anders alles behalve gunstig was, diende
hem thans. Aan den mond van de Peï-ho lag een schip in lading voor
Fou-Ning.
Men had niets anders te doen dan onmiddellijk op een der snelvarende
stoombooten, die den stroom tot zijne monding afzakken, plaats te
nemen, en dan met het bewuste vaartuig naar de plaats der bestemming
te gaan.
Craig en Fry zouden in een uur gereed zijn. Dat uur besteedden zij
om zich alle bekende reddingstoestellen aan te schaffen, van den
primitieven kurkengordel af tot de voor water ondoordringbare kleeding
van kapitein Boyten toe. Kin-Fo was nog altijd tweehonderdduizend
dollars waard. Hij kon over zee reizen zonder verhoogde premie, omdat
hij voor alle kansen betaalde. Er kon een ongeluk gebeuren. Men moest
op alles bedacht zijn, en men was het ook.
Den 26n Juni des middags te 12 uur stapten Kin-Fo, Craig-Fry en Soun
aan boord van de _Peï-tang_ en daalden de Peï-ho af. De bochten van
deze rivier zijn zoo talrijk dat men juist tweemaal zooveel afstand
doorloopt dan men zou doen als men de rechte lijn kon volgen; maar de
stroom is gekanaliseerd en bij gevolg bevaarbaar gemaakt voor schepen
van vrij groote tonnenmaat. Ook is er een drukke scheepvaart, vrij
wat drukker dan de beweging op den weg, die langs den stroom loopt.
De _Peï-tang_ stoomde snel tusschen de boorden van het kanaal,
beukte met hare raderen de gele wateren van den stroom, en bracht de
talrijke bevloeiingskanalen aan de beide oevers door haar kielwater
in beweging. De hooge toren van den tempel aan de gindsche zijde van
Tong-Tchéou was weldra voorbij gestoomd en uit het gezicht verdwenen
bij het omvaren van een vrij scherpen hoek.
De Peï-ho was op deze hoogte nog smal. Zij stroomde, hier tusschen
kleine zandheuvels, daar langs kleine gehuchten, welker bewoners zich
met den landbouw onledig hielden, te midden van een tamelijk boschrijk
landschap, door wijngaarden en groene hagen doorsneden. Verschillende
meer belangrijke plaatsen, Mahao, Hé-Si-Vou, Nane-Tsaé, Yang-Tsoune
daagden op. Eb en vloed deed zich hier nog niet bespeuren.
Weldra vertoonde zich Tien-Tsin. Daar ging het minder vlug. De
voetbrug, die de beide oevers van de rivier verbindt, diende geopend
te worden en men moest met de noodige voorzichtigheid den weg zoeken
tusschen de honderden vaartuigen die in de haven vertoeven. Dat ging
met vrij wat moeite en drukte gepaard en kostte aan menige schuit de
touwen, waarmede zij voor meeslepen door den stroom was beveiligd. Als
het te veel bezwaar opleverde, sneed men eenvoudig de touwen door,
zonder zich in 't minst te bekommeren om de schade, die daardoor
aangericht werd. Vandaar een opschudding, een opstopping van drijvende
vaartuigen, die vrij wat van het toezicht van de havenmeesters te
Tien-Tsin zou geëischt hebben, als te Tien-Tsin havenmeesters waren
geweest.
Het is overtollig te zeggen, dat Craig en Fry hun cliënt nauwlettender
dan ooit bewaakten.
Het gold nu niet meer den philosoof Wang, met wien men gemakkelijk
eene schikking had kunnen treffen, maar wel Lao-Shen den Taï-ping,
iemand dien zij niet kenden, 't geen de zaak vrij wat lastiger maakte.
Men kon zichzelf in veiligheid achten te zijn, omdat men naar hem
toeging, maar wie kon de verzekering geven dat Lao-Shen niet reeds
op weg was gegaan om zijn slachtoffer te ontmoeten! En hoe zou men
hem dan ontwijken, hoe hem voorkomen? Craig en Fry zagen in iederen
passagier van de _Peï-tang_ een moordenaar. Zij aten niet meer,
zij sliepen niet meer, zij leefden niet meer!
Waren Kin-Fo, Craig en Fry ernstig ongerust, Soun was vooral niet
minder angstig. De gedachte dat hij op zee moest gaan, bezorgde hem
kippenvel. Hoe dichter de _Peï-tang_ de golf van Pé-Tché-Li naderde,
des te bleeker werd hij. Zijn neus werd spitser, zijn mond trok zich
samen en toch dreef de boot nog kalm op de rustige wateren der rivier.
Hoe zou het dan wel gaan als Soun op den smallen zeeboezem kwam,
waar de korte golfslag het schip onophoudelijk en heftig doet stooten!
»Ben je nog nooit op zee geweest?" vroeg hem Craig.
»Nooit!"
»Ben je goed gezond?" vroeg hem Fry.
»Neen!"
»Je moet het hoofd stil houden", voegde Craig er bij.
»Het hoofd?...."
»En je mond dicht...." vervolgde Fry.
»De mond?...."
Soun bracht de beide agenten aan het verstand dat hij niet van praten
hield, en zette zich zwijgend omstreeks het midden van de boot neder,
niet zonder op den reeds vrij breeden stroom een droefgeestigen blik
te hebben geworpen, dien blik, eigen aan personen die voorbeschikt
zijn de min of meer belachelijke kwaal der zeeziekte te ondergaan.
Het landschap had zich in de vallei, die de Peï-ho doorstroomt,
gewijzigd. De rechteroever vormde door zijn steilte een sterk contrast
met de linkerzijde, wier uitgestrekte, zandige oppervlakte met het
schuim van de golven was bedekt. Daarachter strekten zich velden
van sorgho, maïs, koren en gierst uit. Ook hier gold wat in geheel
China--eene huismoeder die zooveel duizenden kinderen te voeden
heeft--het geval is: geen enkel plekje, voor cultuur geschikt,
was onbebouwd. Overal was door middel van besproeiïngskanalen of
bamboezen toestellen, een soort van oorspronkelijke noria's [12],
voor voldoenden watertoevoer gezorgd. Hier en daar verhieven zich,
naast de dorpen met hunne met gele klei gepleisterde huizen, kleine
groepen boomen, waaronder enkele appelboomen voorkwamen, die op eene
vlakte in Normandië niet misplaatst zouden geweest zijn. Op de oevers
liepen talrijke visschers heen en weder, wien zeeraven voor jachthonden
of juister gezegd voor waterhonden dienden. Deze vogels dompelden zich
op een wenk van hun meester in het water en brachten de visschen boven,
die zij, dank zij een ring welke hen den strot half dichtkneep, niet
konden verslinden. Voorts vlogen voortdurend uit het hooge riet aan
den oever, eenden, kraaien, raven, eksters, sperwers en ander gevogelte
op, die door het geraas van de stoomboot in hun rust werden gestoord.
De groote weg langs de rivier was daar geheel verlaten, maar de
beweging op de Peï-ho nam steeds toe. Welk een aantal vaartuigen van
alle soort voeren den stroom af en op! Oorlogsjonken met hare opene
batterijen, waarvan het dek eene sterke holronde kromming vertoonde
van voren naar achter, en die door eene dubbele verdieping riemen of
door een rad, 't welk door menschenhanden in beweging werd gebracht,
vooruit gedreven werden; jonken van het personeel der douane, met
twee masten en sloepzeilen, die bevestigd waren aan dwars uitstekende
uithouders, terwijl de voor- en achtersteven met grillige beelden waren
voorzien; handelsjonken, die met de kostbaarste voortbrengselen van
het Hemelsche Rijk bevracht, niet vreesden om de geduchte typhons in
de naburige zeeën te trotseeren; jonken voor het gewone vervoer van
reizigers, die al naar het tij het meebracht òf met riemen werden
voortgedreven, òf wel aan de lijn voortgesleept, en die gemaakt
schenen voor personen, die te veel tijd hebben; mandarijnen-jonken,
kleine pleizierjachten, die hunne bootjes achter zich voortsleepten;
alle soorten van platboomde vaartuigen, met rieten matten als zeil, en
waarvan de kleinste--door jeugdige vrouwen bestuurd, de roeispaan in de
hand en 't kind op den rug--met recht hun naam dragen, die beteekent:
drie planken; eindelijk ontzaglijke groote vlotten, een soort van
drijvende dorpen met hutten, boomgaarden, groentetuinen enz., waartoe
een of ander Mantsjoerijsch bosch het noodige hout had geleverd.
De dorpen werden allengs minder talrijk. Men telt er een twintigtal
tusschen Tien-Tsin en Takou, aan de monding van den stroom. Op de
oevers zonden eenige steenfabrieken hare groote rookwolken naar omhoog
en bezwangerden den dampkring tegelijk met den rook, dien de stoomboot
verspreidde. De avond naderde, voorafgegaan door de Juni-schemering
die onder dezen breedtegraad langer aanhoudt. Weldra teekende zich
eene rij witte heuvels symmetrisch gerangschikt en één van vorm in het
halfduister af. Het waren zouthoopen, in de nabijgelegen zoutketen
verzameld. Daar begon, tusschen dorre vlakten, de wijde monding der
Peï-ho, een somber landschap, waarin men niets bespeurt dan zout,
zand en stof.
Den volgenden morgen, 27 Juni, kwam de _Peï-tang_ vóór het opgaan
der zon in de haven te Takou, bijna aan den mond der rivier.
Op deze plaats verheffen zich de twee forten, het Noordelijke en het
Zuidelijke, thans vernield, die in 1860 door het Anglo-Frankisch leger
vermeesterd werden. Dáár had de heldhaftige aanval plaats van generaal
Colliman op 24 Augustus van dat jaar, daar hebben de kanonneerbooten
den ingang van de rivier geforceerd, daar strekt zich eene smalle,
weinig bewoonde streek uit, die den naam draagt van Fransche concessie,
dáár bespeurt men nog het grafteeken waaronder de officieren en
soldaten rusten in die betreurenswaardige gevechten gevallen.
De _Peï-tang_ kon de bank niet passeeren. Al de passagiers moesten
dus te Takou aan wal gaan. Het is eene vrij belangrijke plaats,
die zich zeer goed ontwikkelen zal als de mandarijnen toestaan dat
er een spoorweg wordt gelegd ter verbinding met Tien-Tsin.
Het vaartuig in lading voor Fou-Ning, moest nog dienzelfden dag
vertrekken. Kin-Fo en zijne makkers hadden geen uur te verliezen. Een
platboomde schuit bracht hen in een kwartier aan boord van de _Sam-Yep_
over.