XVI.

Waarin Kin-Fo, nog altijd ongehuwd, op nieuw de wereld ingaat.

De toestand was nu voor Kin-Fo duizendmaal ernstiger dan hij nog

geweest was.

't Was dus waar dat Wang, niettegenstaande zijn gegeven woord, zijne

hand had voelen verlammen toen het er op aankwam zijn ouden leerling

te treffen! Ook scheen Wang niets van de verandering te weten die in

den toestand van Kin-Fo was gekomen, want zijn brief zweeg er van! Ook

had Wang dus aan een ander opgedragen zijne belofte te houden, en aan

wien! Aan een Taï-ping, den meest gevreesde van allen, die natuurlijk

geen de minste zwarigheid zou maken om iemand te dooden, voor wiens

dood men hem niet eens aansprakelijk kon stellen! Het bewuste stuk

van Kin-Fo waarborgde hem straffeloosheid en de aanwijzing van Wang

zou hem bovendien een kapitaal van vijftigduizend dollars verschaffen!

»Ik heb er nu meer dan genoeg van!" riep Kin-Fo uit in zijne eerste

opwelling van toorn.

Craig en Fry hadden kennis genomen van het schrijven van Wang.

»Draagt het door u aan Wang verstrekte stuk niet als uitersten termijn

den datum van 25 Juni?"

»Wel neen," antwoordde Kin-Fo: »Wang moest en kon het stuk niet anders

teekenen dan op den datum, waarop ik sterven zou! Nu kan die Lao-Shen

handelen naar eigen goedvinden, zonder in een enkel opzicht door den

tijd gebonden te zijn!"

»Ja, maar," zeide Fry-Craig, »hij heeft er belang bij de zaak spoedig

tot een eind te brengen."

»Waarom?...."

»Wel, omdat de politie op het kapitaal, dat op uw hoofd is verzekerd,

beslag kan leggen en het hem op deze wijze zou ontgaan!"

Daar was niets tegen in te brengen.

»'t Zij zoo," antwoordde Kin-Fo. »In ieder geval moet ik geen uur

verloren laten gaan om te trachten mijn schrijven terug te krijgen,

al moest ik het ook met de vijftig duizend dollars betalen, die aan

dien Lao-Shen zijn beloofd!"

»Dat is juist," sprak Fry.

»Zeer waar!" voegde Craig er bij.

»Ik vertrek dus! Ik moet dien chef der Taï-pings opsporen! Hij zal,

hoop ik, gemakkelijker te vinden zijn dan Wang!"

Kin-Fo liep, deze woorden sprekende, voortdurend heen en weder. Hij

kon niet blijven zitten. Deze reeks van knodsslagen, die op hem

neerdaalden, brachten hem in een staat van zeldzame opgewondenheid.

»Ik vertrek!" zeide hij. »Ik ga dien Lao-Shen opzoeken! Wat u betreft,

mijne heeren, u moet weten wat u past."

»Mijnheer," antwoordden Fry-Craig, »de belangen van de _Eeuw_ zijn

meer dan ooit bedreigd. Als wij u thans verlieten, zouden wij aan

onzen plicht tekort komen. Wij zullen u niet verlaten!"

Men wilde geen uur verloren laten gaan. Maar vóór alles diende men

nauwkeurig te weten wat die Lao-Shen was, en waar hij zijn verblijf

hield. Zijne bekendheid was gelukkig van dien aard dat dit minder

moeielijkheid opleverde.

Deze oude makker van Wang, in den opstand der Mang-Tchao, had zich in

noordelijk China teruggetrokken aan gene zijde van den Grooten muur,

naar het gedeelte grenzende aan de golf van Pé-Tché-Li. Het Keizerlijke

bewind had niet met hem onderhandeld gelijk het met het meerendeel

der andere hoofden van den opstand had gedaan die het niet had kunnen

onderwerpen; men liet hem met rust, en hij oefende nu op de grenzen

van het rijk het meer bescheiden beroep van straatroover uit. Wang

had een goede keus gedaan! Zulk een man zou minder bezwaren maken en

een dolksteek meer of minder zou zijn geweten niet verontrusten!

Kin-Fo en de beide zaakgelastigden verkregen de meest nauwkeurige

inlichtingen omtrent den Taï-ping en vernamen dat hij het laatst

gezien was in de omstreken van Fou-Ning, een kleine haven aan de golf

van Léao-Ting. Zij besloten zich zonder verwijl daarheen te begeven.

Aan Lé-ou werd dadelijk meegedeeld wat er gebeurd was. Haar angst

verdubbelde! Tranen ontsprongen aan hare schoone oogen. Zij wilde

Kin-Fo overhalen om niet te vertrekken. Begaf hij zich niet vrijwillig

in een onvermijdelijk gevaar? Zou het niet beter zijn te wachten,

zich uit de voeten te maken, het Hemelsche Rijk desnoods te verlaten

en zich te verschuilen in een ander werelddeel, waar de woeste Lao-Shen

hem niet kon bereiken?

Maar Kin-Fo bracht de jonge vrouw aan het verstand, dat het hem

onmogelijk zou zijn te leven onder deze voortdurende bedreiging, en als

het ware, door de genade van zulk een schurk, die door den moord een

aardig fortuintje zou verwerven. Neen! Er moest en er zou een einde aan

komen. Kin-Fo en zijne beide satellieten zouden dien dag op reis gaan,

zij zouden tot den Taï-ping doordringen, den ongelukkigen brief voor

handen vol goud koopen, en zij zouden te Peking terug zijn, nog voordat

de termijn van openbaren rouw voor de keizerin-weduwe verstreken was.

»Liefste zuster", zeide Kin-Fo, »ik betreur het nu minder dat ons

huwelijk eenige dagen is uitgesteld. Ware het voltrokken, hoe droef

zou dan uw toestand geweest zijn!"

»Als het voltrokken ware geweest", antwoordde Lé-ou, »zou ik het

recht gehad hebben, en het zou mijn plicht geweest zijn, u te volgen;

en ik zou met u medegegaan zijn!"

»Neen!" sprak Kin-Fo, »ik zou liever duizend dooden gestorven zijn dan

dat ik u slechts een oogenblik aan gevaar blootstelde!.... Vaarwel,

Lé-ou, vaarwel!...."

En Kin-Fo onttrok zich, met tranen in de oogen, aan de armen van de

jonge vrouw, die hem wilde weerhouden.

Op dienzelfden dag verlieten Kin-Fo, Craig en Fry, gevolgd door Soun,

wien ook geen oogenblik rust te beurt mocht vallen, Peking en begaven

zich naar Tong-Tchéou. Zij waren er in een uur.

Men had het volgende plan gemaakt:

De reis te land, door eene niet veilige provincie, leverde ernstige

bezwaren op.

Als het niets anders geweest was dan om den Grooten Muur te bereiken,

ten noorden van de hoofdstad, zou men, wat gevaren ook verbonden

waren aan het afleggen van honderd zestig lis [11], den tocht hebben

ondernomen. Maar de haven van Fou-Ning bevond zich niet in het noorden

maar in het oosten. Door over zee te gaan zou men tijd winnen en

veiliger zijn. Kin-Fo en zijne metgezellen zouden er binnen vier of

vijf dagen komen; en men besloot daarom dien weg te volgen.

Maar zou er een vaartuig te vinden zijn, dat naar Fou-Ning vertrekken

moest? Zij besloten zich daarvan voor alles te overtuigen bij de

scheepsagenten te Tong-Tchéou.

Het toeval, dat Kin-Fo anders alles behalve gunstig was, diende

hem thans. Aan den mond van de Peï-ho lag een schip in lading voor

Fou-Ning.

Men had niets anders te doen dan onmiddellijk op een der snelvarende

stoombooten, die den stroom tot zijne monding afzakken, plaats te

nemen, en dan met het bewuste vaartuig naar de plaats der bestemming

te gaan.

Craig en Fry zouden in een uur gereed zijn. Dat uur besteedden zij

om zich alle bekende reddingstoestellen aan te schaffen, van den

primitieven kurkengordel af tot de voor water ondoordringbare kleeding

van kapitein Boyten toe. Kin-Fo was nog altijd tweehonderdduizend

dollars waard. Hij kon over zee reizen zonder verhoogde premie, omdat

hij voor alle kansen betaalde. Er kon een ongeluk gebeuren. Men moest

op alles bedacht zijn, en men was het ook.

Den 26n Juni des middags te 12 uur stapten Kin-Fo, Craig-Fry en Soun

aan boord van de _Peï-tang_ en daalden de Peï-ho af. De bochten van

deze rivier zijn zoo talrijk dat men juist tweemaal zooveel afstand

doorloopt dan men zou doen als men de rechte lijn kon volgen; maar de

stroom is gekanaliseerd en bij gevolg bevaarbaar gemaakt voor schepen

van vrij groote tonnenmaat. Ook is er een drukke scheepvaart, vrij

wat drukker dan de beweging op den weg, die langs den stroom loopt.

De _Peï-tang_ stoomde snel tusschen de boorden van het kanaal,

beukte met hare raderen de gele wateren van den stroom, en bracht de

talrijke bevloeiingskanalen aan de beide oevers door haar kielwater

in beweging. De hooge toren van den tempel aan de gindsche zijde van

Tong-Tchéou was weldra voorbij gestoomd en uit het gezicht verdwenen

bij het omvaren van een vrij scherpen hoek.

De Peï-ho was op deze hoogte nog smal. Zij stroomde, hier tusschen

kleine zandheuvels, daar langs kleine gehuchten, welker bewoners zich

met den landbouw onledig hielden, te midden van een tamelijk boschrijk

landschap, door wijngaarden en groene hagen doorsneden. Verschillende

meer belangrijke plaatsen, Mahao, Hé-Si-Vou, Nane-Tsaé, Yang-Tsoune

daagden op. Eb en vloed deed zich hier nog niet bespeuren.

Weldra vertoonde zich Tien-Tsin. Daar ging het minder vlug. De

voetbrug, die de beide oevers van de rivier verbindt, diende geopend

te worden en men moest met de noodige voorzichtigheid den weg zoeken

tusschen de honderden vaartuigen die in de haven vertoeven. Dat ging

met vrij wat moeite en drukte gepaard en kostte aan menige schuit de

touwen, waarmede zij voor meeslepen door den stroom was beveiligd. Als

het te veel bezwaar opleverde, sneed men eenvoudig de touwen door,

zonder zich in 't minst te bekommeren om de schade, die daardoor

aangericht werd. Vandaar een opschudding, een opstopping van drijvende

vaartuigen, die vrij wat van het toezicht van de havenmeesters te

Tien-Tsin zou geëischt hebben, als te Tien-Tsin havenmeesters waren

geweest.

Het is overtollig te zeggen, dat Craig en Fry hun cliënt nauwlettender

dan ooit bewaakten.

Het gold nu niet meer den philosoof Wang, met wien men gemakkelijk

eene schikking had kunnen treffen, maar wel Lao-Shen den Taï-ping,

iemand dien zij niet kenden, 't geen de zaak vrij wat lastiger maakte.

Men kon zichzelf in veiligheid achten te zijn, omdat men naar hem

toeging, maar wie kon de verzekering geven dat Lao-Shen niet reeds

op weg was gegaan om zijn slachtoffer te ontmoeten! En hoe zou men

hem dan ontwijken, hoe hem voorkomen? Craig en Fry zagen in iederen

passagier van de _Peï-tang_ een moordenaar. Zij aten niet meer,

zij sliepen niet meer, zij leefden niet meer!

Waren Kin-Fo, Craig en Fry ernstig ongerust, Soun was vooral niet

minder angstig. De gedachte dat hij op zee moest gaan, bezorgde hem

kippenvel. Hoe dichter de _Peï-tang_ de golf van Pé-Tché-Li naderde,

des te bleeker werd hij. Zijn neus werd spitser, zijn mond trok zich

samen en toch dreef de boot nog kalm op de rustige wateren der rivier.

Hoe zou het dan wel gaan als Soun op den smallen zeeboezem kwam,

waar de korte golfslag het schip onophoudelijk en heftig doet stooten!

»Ben je nog nooit op zee geweest?" vroeg hem Craig.

»Nooit!"

»Ben je goed gezond?" vroeg hem Fry.

»Neen!"

»Je moet het hoofd stil houden", voegde Craig er bij.

»Het hoofd?...."

»En je mond dicht...." vervolgde Fry.

»De mond?...."

Soun bracht de beide agenten aan het verstand dat hij niet van praten

hield, en zette zich zwijgend omstreeks het midden van de boot neder,

niet zonder op den reeds vrij breeden stroom een droefgeestigen blik

te hebben geworpen, dien blik, eigen aan personen die voorbeschikt

zijn de min of meer belachelijke kwaal der zeeziekte te ondergaan.

Het landschap had zich in de vallei, die de Peï-ho doorstroomt,

gewijzigd. De rechteroever vormde door zijn steilte een sterk contrast

met de linkerzijde, wier uitgestrekte, zandige oppervlakte met het

schuim van de golven was bedekt. Daarachter strekten zich velden

van sorgho, maïs, koren en gierst uit. Ook hier gold wat in geheel

China--eene huismoeder die zooveel duizenden kinderen te voeden

heeft--het geval is: geen enkel plekje, voor cultuur geschikt,

was onbebouwd. Overal was door middel van besproeiïngskanalen of

bamboezen toestellen, een soort van oorspronkelijke noria's [12],

voor voldoenden watertoevoer gezorgd. Hier en daar verhieven zich,

naast de dorpen met hunne met gele klei gepleisterde huizen, kleine

groepen boomen, waaronder enkele appelboomen voorkwamen, die op eene

vlakte in Normandië niet misplaatst zouden geweest zijn. Op de oevers

liepen talrijke visschers heen en weder, wien zeeraven voor jachthonden

of juister gezegd voor waterhonden dienden. Deze vogels dompelden zich

op een wenk van hun meester in het water en brachten de visschen boven,

die zij, dank zij een ring welke hen den strot half dichtkneep, niet

konden verslinden. Voorts vlogen voortdurend uit het hooge riet aan

den oever, eenden, kraaien, raven, eksters, sperwers en ander gevogelte

op, die door het geraas van de stoomboot in hun rust werden gestoord.

De groote weg langs de rivier was daar geheel verlaten, maar de

beweging op de Peï-ho nam steeds toe. Welk een aantal vaartuigen van

alle soort voeren den stroom af en op! Oorlogsjonken met hare opene

batterijen, waarvan het dek eene sterke holronde kromming vertoonde

van voren naar achter, en die door eene dubbele verdieping riemen of

door een rad, 't welk door menschenhanden in beweging werd gebracht,

vooruit gedreven werden; jonken van het personeel der douane, met

twee masten en sloepzeilen, die bevestigd waren aan dwars uitstekende

uithouders, terwijl de voor- en achtersteven met grillige beelden waren

voorzien; handelsjonken, die met de kostbaarste voortbrengselen van

het Hemelsche Rijk bevracht, niet vreesden om de geduchte typhons in

de naburige zeeën te trotseeren; jonken voor het gewone vervoer van

reizigers, die al naar het tij het meebracht òf met riemen werden

voortgedreven, òf wel aan de lijn voortgesleept, en die gemaakt

schenen voor personen, die te veel tijd hebben; mandarijnen-jonken,

kleine pleizierjachten, die hunne bootjes achter zich voortsleepten;

alle soorten van platboomde vaartuigen, met rieten matten als zeil, en

waarvan de kleinste--door jeugdige vrouwen bestuurd, de roeispaan in de

hand en 't kind op den rug--met recht hun naam dragen, die beteekent:

drie planken; eindelijk ontzaglijke groote vlotten, een soort van

drijvende dorpen met hutten, boomgaarden, groentetuinen enz., waartoe

een of ander Mantsjoerijsch bosch het noodige hout had geleverd.

De dorpen werden allengs minder talrijk. Men telt er een twintigtal

tusschen Tien-Tsin en Takou, aan de monding van den stroom. Op de

oevers zonden eenige steenfabrieken hare groote rookwolken naar omhoog

en bezwangerden den dampkring tegelijk met den rook, dien de stoomboot

verspreidde. De avond naderde, voorafgegaan door de Juni-schemering

die onder dezen breedtegraad langer aanhoudt. Weldra teekende zich

eene rij witte heuvels symmetrisch gerangschikt en één van vorm in het

halfduister af. Het waren zouthoopen, in de nabijgelegen zoutketen

verzameld. Daar begon, tusschen dorre vlakten, de wijde monding der

Peï-ho, een somber landschap, waarin men niets bespeurt dan zout,

zand en stof.

Den volgenden morgen, 27 Juni, kwam de _Peï-tang_ vóór het opgaan

der zon in de haven te Takou, bijna aan den mond der rivier.

Op deze plaats verheffen zich de twee forten, het Noordelijke en het

Zuidelijke, thans vernield, die in 1860 door het Anglo-Frankisch leger

vermeesterd werden. Dáár had de heldhaftige aanval plaats van generaal

Colliman op 24 Augustus van dat jaar, daar hebben de kanonneerbooten

den ingang van de rivier geforceerd, daar strekt zich eene smalle,

weinig bewoonde streek uit, die den naam draagt van Fransche concessie,

dáár bespeurt men nog het grafteeken waaronder de officieren en

soldaten rusten in die betreurenswaardige gevechten gevallen.

De _Peï-tang_ kon de bank niet passeeren. Al de passagiers moesten

dus te Takou aan wal gaan. Het is eene vrij belangrijke plaats,

die zich zeer goed ontwikkelen zal als de mandarijnen toestaan dat

er een spoorweg wordt gelegd ter verbinding met Tien-Tsin.

Het vaartuig in lading voor Fou-Ning, moest nog dienzelfden dag

vertrekken. Kin-Fo en zijne makkers hadden geen uur te verliezen. Een

platboomde schuit bracht hen in een kwartier aan boord van de _Sam-Yep_

over.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 23 / 36 题