XV.

't Geen melding maakt van eene verrassing voor Kin-Fo en

waarschijnlijk ook voor den lezer.

Niets stond het huwelijk van den rijken Kin-Fo van Shang-Haï met

de beminnelijke Lé-ou van Peking langer in den weg. Binnen zes

dagen zou de termijn verstreken zijn, die aan Wang was toegestaan

om zijne belofte te houden; maar de ongelukkige philosoof had zijn

onverklaarbare vlucht met den dood bekocht. Er was dus voor hem niets

meer te vreezen. Het huwelijk kon plaats hebben. Het werd vastgesteld

op den 25n dag van Juni, denzelfden dag dien Kin-Fo bestemd had om

de laatste zijns levens te zijn!

De jonge vrouw kende nu den geheelen toestand. Zij wist wat hij

ondervonden had, die de eerste maal geweigerd had om haar ongelukkig

en de tweede maal om haar weduwe te maken. Thans kwam hij tot haar

terug om haar gelukkig te doen zijn.

Lé-ou kon, toen zij den dood van den philosoof vernam, hare tranen

niet weerhouden. Zij kende hem, zij beminde hem, hij was de eerste

vertrouwde geweest van haar liefde voor Kin-Fo.

»Arme Wang!" zeide zij. »Hij zal bij ons huwelijk ontbreken."

»Ja! arme Wang," antwoordde Kin-Fo, die even als zij den makker van

zijn jeugd, den vriend die hem langer dan twintig jaar ter zijde had

gestaan, betreurde. »En toch," voegde hij er bij, »hij zou mij gedood

hebben, zooals hij gezworen had te doen."

»Neen, neen!" zeide Lé-ou, het lieve hoofdje schuddende, »en wellicht

heeft hij den dood in de golven van de Peï-ho gezocht om te ontsnappen

aan de vervulling van deze verschrikkelijke belofte."

Helaas! De onderstelling was maar al te aannemelijk dat Wang besloten

had zich te verdrinken om te ontsnappen aan de verplichting die hij

op zich genomen had. Kin-Fo deelde op dit punt geheel de meening van

de jonge vrouw en in hun beider hart was het beeld van den philosoof

met onuitwischbare trekken gemaald.

Het is licht te begrijpen dat de Chineesche bladen, na het ongeluk

op de brug te Palikao, ophielden met de dwaze advertentiën van den

heer William J. Bidulph op te nemen en dat de lastige beroemdheid

van Kin-Fo even spoedig verdween als zij gekomen was.

Wat moest er inmiddels met Craig en Fry gebeuren? Zij waren wel tot

30 Juni belast met het verdedigen der belangen van de Eeuw, dat is

te zeggen nog gedurende tien dagen; maar Kin-Fo had hunne diensten

niet langer noodig. Was het te vreezen dat Wang zijn leven zou

bedreigen? Neen, want Wang was dood. Konden zij onderstellen dat hun

cliënt de hand aan zichzelf zou slaan? Evenmin. Kin-Fo verlangde niets

vuriger dan te leven, goed te leven, zoo lang mogelijk te leven. Er

bestond dus geen reden hoegenaamd meer voor het toezicht van Fry-Craig.

Maar het waren een paar brave kerels, deze beide zonderlingen. Zij

hadden wel is waar alleen den _cliënt_ van de _Eeuw_ bewaakt, maar

hun zorg was aanhoudend en flink geweest. Kin-Fo noodigde hen daarom

uit bij zijn huwelijk tegenwoordig te zijn, en dat namen zij aan.

»Overigens", merkte Fry grappig op, »is een huwelijk somtijds een

zelfmoord."

»Men sterft dan om in zijn wederhelft te herleven," antwoordde Craig

met een beminnelijken glimlach.

Reeds den volgenden dag was Nan in het huis in de avenue Cha-Coua

door een meer geschikt persoon vervangen. Eene tante van de

jonge vrouw, mevrouw Luhalou, was bij haar gekomen en zou bij de

huwelijksplechtigheid de plaats harer moeder innemen. Mevrouw Luhalou,

de vrouw van een mandarijn van den vierden rang, tweede klasse, van

den blauwen knoop, oud-keizerlijk voorlezer en lid van de academie

van Han-Lin, bezat alle lichamelijke en geestelijke eigenschappen,

noodig om hare gewichtige betrekking naar eisch te vervullen.

Wat Kin-Fo betreft, hij was voornemens Peking na zijn huwelijk te

verlaten, daar hij niet tot die zonen van het vorstelijke Hemelsche

Rijk behoorde, die gaarne in de buurt van de paleizen wonen. Hij zou

eerst in waarheid gelukkig zijn, als hij met zijne jonge vrouw in de

rijke yamen te Shang-Haï was gekomen.

Kin-Fo had tijdelijk eene woning moeten betrekken en hij had die

gevonden in de Tiène-Fou-Tang, den »tempel van het hemelsch geluk",

een zeer goed ingericht hotel en restaurant, gelegen in de nabijheid

van den boulevard van Tiene-Men, tusschen de Tartaarsche en Chineesche

stad. Daar waren ook Craig en Fray ingekwartierd, die, uit gewoonte,

hun cliënt nog niet konden verlaten. Wat Soun aangaat, hij had zijn

dienst hervat, altijd ontevreden, maar wel zorg dragende dat hij

zijn gevoel geen lucht gaf in de nabijheid van een onbescheiden

phonograaf. Hetgeen met Nan gebeurd was, had hem voorzichtig gemaakt.

Kin-Fo had het genoegen te Peking zijne Cantonsche vrienden, den

koopman Yin-Pang en den letterkundige Houal terug te vinden. Voorts

kende hij eenige ambtenaren en handelslieden in de hoofdstad, en ieder

van hen was hem in de tegenwoordige omstandigheden zooveel mogelijk

van dienst.

De onverschillige van vroeger, de doodkalme leerling van den

philosoof Wang, is nu werkelijk gelukkig. Twee maanden van zorg,

onrust, vermoeienissen, dit geheele veelbewogen tijdvak van zijn

bestaan, had hem leeren waardeeren wat het geluk is, wat het wezen

moet en wat het wezen kan. Ja! de wijze philosoof had gelijk! Ach,

waarom was hij niet tegenwoordig, om nogmaals de voortreffelijkheid

van zijn leer bevestigd te zien!

Kin-Fo bracht nu bij zijne aanstaande jonge vrouw al den tijd door,

dien hij niet besteedde tot het maken van voorbereidsels voor de

plechtigheid. Lé-ou gevoelde zich gelukkig als haar vriend slechts bij

haar was. Wat behoefde hij de rijkste magazijnen der stad schatplichtig

te maken, om haar met kostbare geschenken te overladen? Zij dacht

alleen aan hem en herhaalde gedurig de wijze spreuken der beroemde

Pan-Hoei-Pan:

»Als eene vrouw een echtgenoot vindt naar haar hart, is dat

voor haar geheele leven.

De vrouw moet een onbegrensden eerbied hebben voor hem wiens

naam zij draagt en voortdurend een wacht stellen op zich zelve.

De vrouw moet in huis als een schaduw zijn en een eenvoudige

echo.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 20 / 36 题