't Geen melding maakt van eene verrassing voor Kin-Fo en
waarschijnlijk ook voor den lezer.
Niets stond het huwelijk van den rijken Kin-Fo van Shang-Haï met
de beminnelijke Lé-ou van Peking langer in den weg. Binnen zes
dagen zou de termijn verstreken zijn, die aan Wang was toegestaan
om zijne belofte te houden; maar de ongelukkige philosoof had zijn
onverklaarbare vlucht met den dood bekocht. Er was dus voor hem niets
meer te vreezen. Het huwelijk kon plaats hebben. Het werd vastgesteld
op den 25n dag van Juni, denzelfden dag dien Kin-Fo bestemd had om
de laatste zijns levens te zijn!
De jonge vrouw kende nu den geheelen toestand. Zij wist wat hij
ondervonden had, die de eerste maal geweigerd had om haar ongelukkig
en de tweede maal om haar weduwe te maken. Thans kwam hij tot haar
terug om haar gelukkig te doen zijn.
Lé-ou kon, toen zij den dood van den philosoof vernam, hare tranen
niet weerhouden. Zij kende hem, zij beminde hem, hij was de eerste
vertrouwde geweest van haar liefde voor Kin-Fo.
»Arme Wang!" zeide zij. »Hij zal bij ons huwelijk ontbreken."
»Ja! arme Wang," antwoordde Kin-Fo, die even als zij den makker van
zijn jeugd, den vriend die hem langer dan twintig jaar ter zijde had
gestaan, betreurde. »En toch," voegde hij er bij, »hij zou mij gedood
hebben, zooals hij gezworen had te doen."
»Neen, neen!" zeide Lé-ou, het lieve hoofdje schuddende, »en wellicht
heeft hij den dood in de golven van de Peï-ho gezocht om te ontsnappen
aan de vervulling van deze verschrikkelijke belofte."
Helaas! De onderstelling was maar al te aannemelijk dat Wang besloten
had zich te verdrinken om te ontsnappen aan de verplichting die hij
op zich genomen had. Kin-Fo deelde op dit punt geheel de meening van
de jonge vrouw en in hun beider hart was het beeld van den philosoof
met onuitwischbare trekken gemaald.
Het is licht te begrijpen dat de Chineesche bladen, na het ongeluk
op de brug te Palikao, ophielden met de dwaze advertentiën van den
heer William J. Bidulph op te nemen en dat de lastige beroemdheid
van Kin-Fo even spoedig verdween als zij gekomen was.
Wat moest er inmiddels met Craig en Fry gebeuren? Zij waren wel tot
30 Juni belast met het verdedigen der belangen van de Eeuw, dat is
te zeggen nog gedurende tien dagen; maar Kin-Fo had hunne diensten
niet langer noodig. Was het te vreezen dat Wang zijn leven zou
bedreigen? Neen, want Wang was dood. Konden zij onderstellen dat hun
cliënt de hand aan zichzelf zou slaan? Evenmin. Kin-Fo verlangde niets
vuriger dan te leven, goed te leven, zoo lang mogelijk te leven. Er
bestond dus geen reden hoegenaamd meer voor het toezicht van Fry-Craig.
Maar het waren een paar brave kerels, deze beide zonderlingen. Zij
hadden wel is waar alleen den _cliënt_ van de _Eeuw_ bewaakt, maar
hun zorg was aanhoudend en flink geweest. Kin-Fo noodigde hen daarom
uit bij zijn huwelijk tegenwoordig te zijn, en dat namen zij aan.
»Overigens", merkte Fry grappig op, »is een huwelijk somtijds een
zelfmoord."
»Men sterft dan om in zijn wederhelft te herleven," antwoordde Craig
met een beminnelijken glimlach.
Reeds den volgenden dag was Nan in het huis in de avenue Cha-Coua
door een meer geschikt persoon vervangen. Eene tante van de
jonge vrouw, mevrouw Luhalou, was bij haar gekomen en zou bij de
huwelijksplechtigheid de plaats harer moeder innemen. Mevrouw Luhalou,
de vrouw van een mandarijn van den vierden rang, tweede klasse, van
den blauwen knoop, oud-keizerlijk voorlezer en lid van de academie
van Han-Lin, bezat alle lichamelijke en geestelijke eigenschappen,
noodig om hare gewichtige betrekking naar eisch te vervullen.
Wat Kin-Fo betreft, hij was voornemens Peking na zijn huwelijk te
verlaten, daar hij niet tot die zonen van het vorstelijke Hemelsche
Rijk behoorde, die gaarne in de buurt van de paleizen wonen. Hij zou
eerst in waarheid gelukkig zijn, als hij met zijne jonge vrouw in de
rijke yamen te Shang-Haï was gekomen.
Kin-Fo had tijdelijk eene woning moeten betrekken en hij had die
gevonden in de Tiène-Fou-Tang, den »tempel van het hemelsch geluk",
een zeer goed ingericht hotel en restaurant, gelegen in de nabijheid
van den boulevard van Tiene-Men, tusschen de Tartaarsche en Chineesche
stad. Daar waren ook Craig en Fray ingekwartierd, die, uit gewoonte,
hun cliënt nog niet konden verlaten. Wat Soun aangaat, hij had zijn
dienst hervat, altijd ontevreden, maar wel zorg dragende dat hij
zijn gevoel geen lucht gaf in de nabijheid van een onbescheiden
phonograaf. Hetgeen met Nan gebeurd was, had hem voorzichtig gemaakt.
Kin-Fo had het genoegen te Peking zijne Cantonsche vrienden, den
koopman Yin-Pang en den letterkundige Houal terug te vinden. Voorts
kende hij eenige ambtenaren en handelslieden in de hoofdstad, en ieder
van hen was hem in de tegenwoordige omstandigheden zooveel mogelijk
van dienst.
De onverschillige van vroeger, de doodkalme leerling van den
philosoof Wang, is nu werkelijk gelukkig. Twee maanden van zorg,
onrust, vermoeienissen, dit geheele veelbewogen tijdvak van zijn
bestaan, had hem leeren waardeeren wat het geluk is, wat het wezen
moet en wat het wezen kan. Ja! de wijze philosoof had gelijk! Ach,
waarom was hij niet tegenwoordig, om nogmaals de voortreffelijkheid
van zijn leer bevestigd te zien!
Kin-Fo bracht nu bij zijne aanstaande jonge vrouw al den tijd door,
dien hij niet besteedde tot het maken van voorbereidsels voor de
plechtigheid. Lé-ou gevoelde zich gelukkig als haar vriend slechts bij
haar was. Wat behoefde hij de rijkste magazijnen der stad schatplichtig
te maken, om haar met kostbare geschenken te overladen? Zij dacht
alleen aan hem en herhaalde gedurig de wijze spreuken der beroemde
Pan-Hoei-Pan:
»Als eene vrouw een echtgenoot vindt naar haar hart, is dat
voor haar geheele leven.
De vrouw moet een onbegrensden eerbied hebben voor hem wiens
naam zij draagt en voortdurend een wacht stellen op zich zelve.
De vrouw moet in huis als een schaduw zijn en een eenvoudige
echo.