XIV.

Waarin de lezer op zijn gemak vier steden voor een kan

doorwandelen.

Pé-Tché-Li, de noordelijkste van China's achttien provinciën,

is in negen departementen verdeeld. Een dezer departementen heeft

Chun-Kin-Fo tot hoofdplaats, »de stad van den eersten rang die den

hemel gehoorzaamt",--met andere woorden Péking.

Als de lezer zich een Chineesche doos voorstelt, die een oppervlakte

heeft van zesduizend hectaren en een omtrek van acht uren gaans,

waarvan de onregelmatige brokken te zamen juist een rechthoek vormen,

dan heeft men eenig denkbeeld van dat geheimzinnige Kambalu, van

de hoofdstad van het Hemelsche Rijk, waarvan Marco Polo tegen het

einde van de dertiende eeuw zulk eene vreemdsoortige beschrijving

naar Europa overbracht.

Péking bevat inderdaad twee afzonderlijke steden, die van elkander

gescheiden zijn door een breeden boulevard en een versterkten muur;

de eerste in den vorm van een rechthoekig parallellogram, is de

Chineesche, de andere, bijna vierkant, is de Tartaarsche stad; deze

bevat twee andere steden, de Gele stad, Hoang Tchin, en de Roode of

Verboden stad, Tsen-Kin-Tching.

Voorheen telde alles bij elkander meer dan twee millioen inwoners. Maar

landverhuizing op groote schaal, een gevolg van vreeselijke ellende

heeft dit cijfer tot hoogstens één millioen teruggebracht. Dit zijn

namelijk de Tartaren en de Chineezen; voor de Muzelmannen kan men

er nog tienduizend bijvoegen, terwijl er verder nog eene vlottende

bevolking is die uit inboorlingen van Mongolië en Thibet bestaat.

Het plan van de beide aan elkander sluitende steden gelijkt wel

eenigszins op een reiskoffer, waarvan het eene deel de Chineesche en

het andere de Tartaarsche stad kan voorstellen.

Eene versterkte omheining van zes uur gaans in omtrek, veertig à

vijftig voet hoog en breed, uitwendig met steenen bekleed, telkens om

de tweehonderd meter door uitspringende torens verdedigd, omgeeft de

Tartaarsche stad met eene prachtige met steenen bevloerde wandeling,

en loopt uit in vier enorme hoekige bolwerken, waarvan het plat met

wachten bezet is.

Men ziet dat de Zoon des Hemels, de keizer, wel op zijne veiligheid

bedacht is.

In het midden der Tartaarsche stad, in de Gele stad met een

oppervlakte van zeshonderd en zestig hectaren, afgesloten door

acht poorten, ligt een zwarte berg, driehonderd voet hoog, een punt

waarvan men de geheele stad kan overzien; voorts is er een prachtig

kanaal, de Middenzee genaamd, waarover een marmeren brug ligt;

twee Chineesche kloosters, de »pagode der Examens", de Pei-tha-sse,

een klooster op een schiereiland gebouwd dat boven het heldere water

van het kanaal schijnt te zweven, de Peh-Tang, een inrichting voor

katholieke zendelingen, de keizerlijke pagode met haar prachtig dak

van lazuurblauwe pannen, welluidende klokken en de groote tempel aan

de voorouders der regeerende dynastie gewijd, de tempel der Geesten,

die van den geest der Winden, die van den geest van den Bliksem, de

tempel van den uitvinder van het zijdeweven, de tempel van den Heer

des Hemels, de vijf Draken-paviljoenen, het klooster der Eeuwige Rust,

en zooveel meer.

Welnu, in het midden van dat vierkant ligt de Roode of Verboden stad,

met een oppervlakte van tachtig hectaren en omringd door een gracht

waarover zeven marmeren bruggen liggen. Het spreekt van zelf dat, daar

de regeerende dynastie Mantsjoerijsch is, de eerste dezer drie steden

voornamelijk bewoond wordt door eene bevolking van dezelfde afkomst;

de tweede stad, die aan de buitenzijde, is meer door Chineezen bewoond.

Men komt in het binnenste der Verboden stad, die omgeven is door een

roodsteenen muur, bekroond met gele kapiteelen, door de poort der

»Groote Zuiverheid", die alleen voor den Keizer en de Keizerinnen

geopend wordt. Daar verheffen zich de tempels van de voorouders der

Tartaarsche dynastie, beschermd door een veelkleurig dak; de tempels

Che en Tsi, aan de aardsche en hemelsche geesten gewijd; het paleis der

»Souvereine Overeenstemming", voor staatsieplechtigheden en officieele

feesten bestemd; het paleis der »Gemiddelde Overeenstemming", waar

de afbeeldsels hangen van de voorzaten des Keizers; het paleis der

»Beschermende Overeenstemming", waarvan de middenzaal den keizerlijken

troon bevat, het paviljoen van den Nei-Ko, waar de groote raad van

het keizerrijk vergadert, onder voorzitterschap van prins Kong [10],

minister van buitenlandsche zaken, oom van den vorigen Keizer; het

paviljoen der letterkundige Bloemen, waar de keizer eenmaal 's jaars de

heilige boeken komt verklaren; het paviljoen van Tchouane-Sine-Tiène,

waar offerhanden aan de nagedachtenis van Confucius gebracht worden;

de Keizerlijke bibliotheek; het bureau der Geschiedschrijvers;

de Vou-Igne-Tiène, waar de koperen en houten platen bewaard worden

die voor de keizerlijke drukkerij dienen; de werkplaatsen waar de

hofkleederen worden vervaardigd; het paleis der »Hemelsche Zuiverheid"

waar de familiezaken behandeld worden; het paleis van het »Hoogste

Aardsche Element", waar de jonge Keizerin gehuldigd werd; het paleis

der »Overpeinzing", waarin de souverein zich afzondert als hij ziek is;

de drie paleizen waarin de kinderen des Keizers opgevoed worden; de

tempel der overleden bloedverwanten; de vier paleizen die tot verblijf

strekken aan de weduwen en vrouwen van Hien-Fong, die in 1861 overleed;

de Tchou-Siéou-Kong, de woonplaats van 's Keizers echtgenooten;

het paleis der »Uitverkoren Goedheid"; de officieele receptie-zaal

der hofdames; het paleis der »Algemeene Stilte", een zonderlinge naam

voor een school, bestemd voor kinderen van hooggeplaatste officieren;

het paleis van »de Zuivering en het Vasten"; het »Gitzuivere Paleis",

bewoond door prinsen van den bloede; de tempel van den Stedelijken

Beschermgod; het paviljoen van de kroon en de intendance van het Hof,

de Lao-Kong-Tchou, de woning der gesnedenen, waarvan er zich niet

minder dan vijf duizend in de Roode stad bevinden. Daarenboven nog

verschillende andere paleizen, met de genoemden samen acht en veertig

in getal, om niet te spreken van het Tzen-Kouang-Ko, het paviljoen van

het Purperen Licht, aan den oever van het meer der Gele stad, waar 19

Juni 1873 de gezanten van de Vereenigde Staten, Rusland, Nederland,

Engeland en Pruisen bij den Keizer ten gehoore ontvangen werden.

Waar vond men ooit elders zulks een reeks schitterende gebouwen,

zoo verschillend van vorm en zoo rijk aan kostbaarheden, bij

elkander? Welke andere stad uit de oude of nieuwe wereld kan op zoo

iets bogen?

En nog moet men bij het genoemde de Ouane-Chéou-Chane voegen, het

zomerpaleis, twee uur buiten Peking. Het werd in 1860 verwoest en

ternauwernood vindt men onder de puinhoopen nog de tuinen weder der

»Volmaakte klaarheid en der Kalme klaarheid", de heuvel der »Gitbron"

en den berg der »Tienduizend Onsterflijkheden!"

Rondom de Gele stad ligt de Tartaarsche stad. Daar vindt men de

Fransche, de Engelsche en de Russische legatie; het Engelsche

zendingshuis, de katholieke zendingsgestichten van het Oosten en

het Noorden, de oude stallen der olifanten, waarin nog slechts een

enkel, honderdjarig exemplaar geherbergd wordt. Daar verheft zich de

klokkentoren met het roode door groene pannen omlijste dak, de tempel

van Confucius, het klooster der Duizend Lamas, de tempel van Fa-qua,

het oude observatorium met zijn grooten vierkanten toren, de yamen der

Jezuïeten, de yamen der Geletterden, waar de letterkundige examens

worden afgenomen. Daar verheffen zich de triomfbogen van het Westen

en van het Oosten, daar is het Noorder- en het Rozelaarskanaal met

hunne witte en blauwe waterleliën. Daar vindt men ook de paleizen,

waar de prinsen van den bloede wonen, en de ministers van financiën,

van eeredienst, van oorlog, van openbare werken, buitenlandsche zaken;

daar is de Rekenkamer, het Astrologisch tribunaal en de Academie voor

de geneeskunde. Alles vindt men daar door elkander, in nauwe straten,

die 's zomers zeer stoffig en 's winters zeer nat zijn; in straten

aan weerskanten meestal gevormd door tal van lage, onaanzienlijke

huizen, slechts nu en dan afgewisseld door een hotel van een of ander

hooggeplaatst ambtenaar, door schoone boomen beschaduwd. Voorts worden

de drukke straten ingenomen door omzwervende honden, Mongoolsche

kameelen met houtskolen beladen, palankijns, die door vier of acht

bedienden gedragen worden, naar den rang van den ambtenaar die er in

zit, rijtuigen en wagens met paarden of muilezels bespannen en een

groot aantal armen, die volgens de beschrijving van Ghoutzé eene

onafhankelijke kolonie van zestigduizend schooiers vormen. En in

die straten »vol zwart en stinkend vuil,--zegt P. Arène--die hier

en daar doorsneden worden door goten, waar men tot de knieën inzakt,

is het volstrekt geen zeldzaamheid, dat nu en dan een blinde bedelaar

verdrinkt."

De Chineesche stad van Peking, die Vaï-Tcheng heet, gelijkt in zeer

veel opzichten op de Tartaarsche, maar in enkele verschilt zij er

toch ook weder van.

In het zuidelijk gedeelte vindt men twee beroemde tempels, die

des Hemels en die van den Landbouw; voorts die der godin Koanine,

van den Geest der aarde, van de Zuivering, van den Zwarten Draak,

van de Geesten des hemels, de vijver der Goudvisschen, het klooster

van Fayouan-sse, markten, schouwburgen enz.

Het rechthoekig parallellogram wordt van het noorden naar het zuiden

doorsneden door eene breede straat, de Groote Avenue, die van de

zuidelijke Houng-Ting-poort naar de noordelijke Tien-poort loopt. Dwars

loopt een nog langere straat, die de eerstgenoemde rechthoekig snijdt

en die van de Cha-Coua-poort ten oosten naar de Couan-Tsu-poort ten

westen loopt. Zij heet de Avenue Cha-Coua en op honderd passen van

de plaats, waar zij de Groote Avenue snijdt, woonde de toekomstige

mevrouw Kin-Fo.

De lezer herinnert zich dat de jonge weduwe, eenige dagen nadat zij

den brief ontving die het bericht van Kin-Fo's ondergang bevatte,

een anderen kreeg, waarin de ongelukstijding tegengesproken werd en

die haar meedeelde, dat de zevende maan haren loop niet zou volbracht

hebben of haar »jongste broeder" zou weder bij haar zijn. Dat Lé-ou

sedert dien datum van 17 Mei de dagen en de uren telde, zullen wij wel

niet behoeven te zeggen. Kin-Fo liet toch niets van zich hooren op die

dwaze reis, waarvan hij niemand het plan had medegedeeld. Lé-ou had

naar Shang-Haï geschreven, doch hare brieven bleven onbeantwoord. Men

begrijpt hoe ongerust zij werd nu er, 19 Juni, nog geen bericht van

hem gekomen was.

De jonge vrouw had al die lange dagen haar woning in de avenue Cha-Coua

niet verlaten. Zij wachtte, zeer ongerust. De onaangename Nan deed

ook niets om haar te vermaken. Deze »oude moeder" was onverdraaglijker

dan ooit en verdiende zeker honderd keer per maan de deur uitgejaagd

te worden.

Maar wat had Lé-ou nog een aantal lange en angstige uren te doorleven,

voordat het oogenblik van Kin-Fo's terugkomst zou aanbreken! Zij

telde ze en ze vond dat zij moeite had het getal uit te spreken!

De godsdienst van Lao-Tsé is de oudste van China. De leer van

Confucius, door hem omstreeks 500 jaar voor Christus verkondigd, wordt

beleden door den Keizer, de geleerden en de hooge mandarijnen, maar

het bouddhisme of de godsdienst van Fo telt op deze aarde de meeste

aanhangers en wel ten getale van driehonderd millioen. Het bouddhisme

heeft twee van elkander onderscheiden sekten; de priesters der eerste,

bonzen genaamd, dragen grijze kleederen en roode hoofddeksels; die

der andere heeten lamas en zijn geheel in het geel gekleed.

Lé-ou was eene bouddhist van de eerste secte. De bonzen zagen haar

dikwijls opgaan naar den tempel van Koan-Ti-Miao, aan den dienst van

Koanine gewijd. Daar deed zij geloften voor haren vriend en offerde

zij geurige stokjes terwijl zij voorover geknield in den voorhof van

den tempel lag.

Dien dag gevoelde zij behoefte de godin Koanine op nieuw aan te roepen

en haar nog vuriger te bidden dan anders. Een voorgevoel zeide haar

dat hij, dien zij zoo angstig verbeidde, door een groot gevaar werd

bedreigd.

Lé-ou riep dus Nan, haar »oude moeder" en beval haar een draagstoel

te gaan halen op den hoek der Groote Avenue.

Nan haalde de schouders op, op haar gewone onaangename wijze, en ging

het haar gegeven bevel uitvoeren. De jonge weduwe beschouwde onderwijl

in haar eenzaamheid het stomme werktuig, dat in lang de stem van den

afwezige niet meer tot haar overgebracht had.

»Ach!" zeide zij, »hij moet ten minste weten dat ik niet opgehouden

heb aan hem te denken en ik wil dat mijne stem het hem bij zijn

terugkeer herhale!"

En Lé-ou bracht de phonografische rol in beweging en sprak in het

werktuigje met luide stem de woorden waarin zij de gevoelens van haar

hart wist te vertolken.

Nan brak, door haar onverwacht binnentreden, deze teedere alleenspraak

af.

»De draagstoel is voor, mevrouw", klonk het en dan, ook vrij goed

verstaanbaar: »ik begrijp niet wat zij nu uit doet!"

Lé-ou luisterde niet naar die laatste ontboezeming. Zij stapte

dadelijk naar buiten, liet de »oude moeder" brommen en zette zich in

den stoel, na bevel gegeven te hebben, dat men haar naar Koan-Ti-Miao

moest brengen.

Het was een korte afstand. Men behoefde slechts de avenue van Cha-Coua

te volgen tot aan de dwarsstraat en door de groote avenue tot aan de

poort van Tien.

Maar de stoel kwam niet dan langzaam vooruit. De zaken waren nog

in vollen gang en de samenstrooming van menschen was altijd in dat

kwartier, een der volkrijkste van de hoofdstad, aanzienlijk. De

uitstallingen der vreemde kooplieden langs den weg, gaven aan de

avenue het voorkomen van een kermis met haar duizendvoud geschreeuw en

geraas. Voorts zag men er volksredenaars, voorlezers, liedjeszangers,

photografen, hansworsten, die niet zeer vleiend waren voor de

gezaghebbende mandarijnen; ieder van hen bracht het zijne toe in het

algemeen gedruisch. Nu eens ging er een plechtige begrafenisstoet

voorbij en belemmerde de passage, dan weder was het een trouwpartij,

minder vroolijk misschien dan de begrafenis, maar even lastig voor

het verkeer op straat. Voor de yamen van een der magistraten was

een oploop. Een ontevredene had op de klachtentrom geslagen en

vroeg de tusschenkomst van de politie. Op den steen »Lé-ou-Ping"

lag een misdadiger in zwijm; hij had de bastonnade ondergaan en

werd bewaakt door politie-agenten in hun Mantsjoerijnschen mantel

met roode eikels, met korte piek en twee sabels in één scheede. Wat

verder werden een paar weerspannige Chineezen, die met de staarten

aan elkaar waren gebonden, naar de gevangenis gebracht. Op eene andere

plaats weder zag men een armen duivel, wiens linkerhand en rechtervoet

in de twee gaten van een plank waren gebonden, en die zich als een

vreemd soort dier al hinkende door de straten bewoog. Hier bespeurde

men een dief die in een houten kast was gestopt waaruit alleen het

hoofd te voorschijn kwam en die aan de openbare barmhartigheid was

overgelaten; daar droegen er een paar het schandebord en gingen als

ossen onder het juk gebukt. Deze ongelukkigen bewogen zich het liefst

op de drukste plaatsen, in de hoop dan wat meer te zullen ontvangen,

ten spijt van de vele bedelaars van alle soort, menschen met één arm,

manken, lammen, geheele scharen van blinden door éénoogigen geleid en

die duizenden werkelijk of voorgewende verminkten, waarvan de steden

in het Bloemenrijk wemelen.

De draagstoel met de schoone Lé-ou ging slechts langzaam voorwaarts. De

drukte nam, naarmate zij den buitensten boulevard bereikte, voortdurend

toe. Toch kwam zij er eindelijk en hield stil binnen het bastion,

't welk de poort, vlak bij den tempel van de godin Koanine, verdedigt.

Lé-ou verliet den stoel, trad den tempel binnen, boog eerst het hoofd

en knielde daarop voor het standbeeld van de godin. Vervolgens begaf

zij zich naar een kerkelijk toestel, 't welk den naam ven »molen der

gebeden" draagt.

Het was een soort van haspel, aan het uiteinde van welks acht takken

kleine vlaggetjes bevestigd waren, die met gewijde spreuken waren

bedekt.

Een priester wachtte, in ernstige houding bij het toestel staande,

op de geloovigen, en vooral op 't geld voor de plechtigheid.

Lé-ou gaf den dienaar van Bouddha eenige taëls, bestemd om te

voorzien in de behoefte van den eeredienst; daarop greep zij met haar

rechterhand de kruk van den haspel en gaf er eene lichte, draaiende

beweging aan, na de linkerhand op het hart te hebben gelegd. Het scheen

dat de haspel niet snel genoeg draaide om het gebed te doen verhooren.

»Sneller!" zeide haar de priester, eene aanmoedigende beweging met

de hand makende.

En de jonge vrouw draaide vlugger.

Nadat dit ongeveer een kwartier geduurd had, verklaarde de priester,

dat de wenschen van de smeekende verhoord zouden worden.

Lé-ou boog zich op nieuw voor het standbeeld van de godin Koanine,

verliet den tempel en nam weder plaats in den draagstoel, om huiswaarts

te keeren.

Maar toen zij de groote avenue zou ingaan, moesten de dragers zich

onmiddellijk ter zijde begeven. Soldaten dreven de bevolking ruw

uiteen. De winkels werden gesloten. De dwarsstraten werden onder de

hoede der tipaos met blauwe kleeden afgesloten. Een talrijke stoet

nam een deel van de avenue in en naderde met groot getier.

Het was de keizer Koang-Sin, dat wil zeggen »Voortduring van Roem",

die zijn goede Tartaarsche stad binnentrad en voor wien de middenpoort

geopend was.

Na de beide ruiters die den stoet openden, volgde een peloton

verkenners en daarna een peloton rijknechten, in twee gelederen

opgesteld, en met den stok in den draagband.

Zij werden op hunne beurt gevolgd door een groep officieren van hoogen

rang, die de gele parasol met den draak ontplooiden, het zinnebeeld

van den keizer, even als de phenix het zinnebeeld is van de keizerin.

De palankijn, de Indische draagzetel, waarvan het dekkleed van

gele zijde naar boven was geslagen, verscheen vervolgens. Zij werd

getorscht door zestien dragers, allen in rood onderkleed, dat met

witte rozetten bezaaid was, terwijl een vest van gele zijde hun borst

omsloot. De prinsen van den bloede, de hooge waardigheidsbekleeders

op paarden met gele zijden tuigen--teeken van hoogen adel--gezeten,

vergezelden het keizerlijk voertuig.

In den palankijn bevond zich half uitgestrekt de zoon des Hemels,

de neef van keizer Tong-Tebe en de neef van prins Kong.

Na den palankijn kwamen palfreniers en bedienden.

De stoet ging daarop de poort van Tien door, tot groote voldoening

van de voorbijgangers, kooplieden, bedelaars, die nu hunne zaken

konden hervatten.

Ook de draagstoel van Lé-ou vervolgde zijn weg en bracht haar na eene

afwezigheid van twee uren weder voor haar woning.

De goede godin Koanine had in dien tijd de jonge vrouw eene heerlijke

verrassing bereid.

Juist toen de draagstoel stilhield, naderde een van onderen tot

boven met stof bedekt rijtuig, door twee muilezels getrokken, de

deur. Daaruit stapte Kin-Fo, gevolgd door Craig-Fry en Soun!....

»Gij hier! Gij!" riep Lé-ou, die hare oogen nauwelijks dorst gelooven.

»Allerliefste jongste zuster!" antwoordde Kin-Fo, »je hebt toch niet

aan mijn terugkomst getwijfeld!..."

Lé-ou antwoordde niet. Zij nam haren vriend bij de hand, geleidde hem

in haar boudoir voor het kleine phonografische toestel, den bescheiden

deelgenoot van haar verdriet!

»Er is geen oogenblik voorbijgegaan waarop ik u niet verwachtte; o,

gij met zijden bloemen versierd hart!" zeide zij.

En de rol verplaatsende, drukte zij op de veer die haar weder in

beweging bracht.

Kin-Fo kon toen met eene zachte stem de woorden hooren herhalen,

die de teedere Lé-ou eenige uren geleden gesproken had:

»Keer terug, liefste broeder! Keer bij mij terug! Dat onze harten

niet langer gescheiden blijven! Uw terugkomst houdt al mijn gedachten

bezig..."

Het toestel hield eene seconde op... niet langer dan eene seconde. Toen

hernam het, maar nu met een krijschende stem:

»'t Is niet genoeg dat er een meesteres in huis is, er moet

noodzakelijk nog een meester bijkomen! Moge vorst Ien hen beiden

verderven!"

Deze tweede stem was maar al te goed te onderscheiden. Het was die

van Nan. De nare »oude moeder" was voortgegaan met spreken na het

vertrek van Lé-ou, terwijl het toestel nog werkte en dit had, geheel

tegen haar bedoeling, hare onvoorzichtige woorden opgevangen!

Dienstmeisjes en knechts, past op de phonografen!

Nog op dien dag kreeg Nan haar afscheid en men wachtte zelfs de laatste

dagen der zevende maan niet af, om haar buiten de deur te zetten.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 19 / 36 题