Waarin de lezer op zijn gemak vier steden voor een kan
doorwandelen.
Pé-Tché-Li, de noordelijkste van China's achttien provinciën,
is in negen departementen verdeeld. Een dezer departementen heeft
Chun-Kin-Fo tot hoofdplaats, »de stad van den eersten rang die den
hemel gehoorzaamt",--met andere woorden Péking.
Als de lezer zich een Chineesche doos voorstelt, die een oppervlakte
heeft van zesduizend hectaren en een omtrek van acht uren gaans,
waarvan de onregelmatige brokken te zamen juist een rechthoek vormen,
dan heeft men eenig denkbeeld van dat geheimzinnige Kambalu, van
de hoofdstad van het Hemelsche Rijk, waarvan Marco Polo tegen het
einde van de dertiende eeuw zulk eene vreemdsoortige beschrijving
naar Europa overbracht.
Péking bevat inderdaad twee afzonderlijke steden, die van elkander
gescheiden zijn door een breeden boulevard en een versterkten muur;
de eerste in den vorm van een rechthoekig parallellogram, is de
Chineesche, de andere, bijna vierkant, is de Tartaarsche stad; deze
bevat twee andere steden, de Gele stad, Hoang Tchin, en de Roode of
Verboden stad, Tsen-Kin-Tching.
Voorheen telde alles bij elkander meer dan twee millioen inwoners. Maar
landverhuizing op groote schaal, een gevolg van vreeselijke ellende
heeft dit cijfer tot hoogstens één millioen teruggebracht. Dit zijn
namelijk de Tartaren en de Chineezen; voor de Muzelmannen kan men
er nog tienduizend bijvoegen, terwijl er verder nog eene vlottende
bevolking is die uit inboorlingen van Mongolië en Thibet bestaat.
Het plan van de beide aan elkander sluitende steden gelijkt wel
eenigszins op een reiskoffer, waarvan het eene deel de Chineesche en
het andere de Tartaarsche stad kan voorstellen.
Eene versterkte omheining van zes uur gaans in omtrek, veertig à
vijftig voet hoog en breed, uitwendig met steenen bekleed, telkens om
de tweehonderd meter door uitspringende torens verdedigd, omgeeft de
Tartaarsche stad met eene prachtige met steenen bevloerde wandeling,
en loopt uit in vier enorme hoekige bolwerken, waarvan het plat met
wachten bezet is.
Men ziet dat de Zoon des Hemels, de keizer, wel op zijne veiligheid
bedacht is.
In het midden der Tartaarsche stad, in de Gele stad met een
oppervlakte van zeshonderd en zestig hectaren, afgesloten door
acht poorten, ligt een zwarte berg, driehonderd voet hoog, een punt
waarvan men de geheele stad kan overzien; voorts is er een prachtig
kanaal, de Middenzee genaamd, waarover een marmeren brug ligt;
twee Chineesche kloosters, de »pagode der Examens", de Pei-tha-sse,
een klooster op een schiereiland gebouwd dat boven het heldere water
van het kanaal schijnt te zweven, de Peh-Tang, een inrichting voor
katholieke zendelingen, de keizerlijke pagode met haar prachtig dak
van lazuurblauwe pannen, welluidende klokken en de groote tempel aan
de voorouders der regeerende dynastie gewijd, de tempel der Geesten,
die van den geest der Winden, die van den geest van den Bliksem, de
tempel van den uitvinder van het zijdeweven, de tempel van den Heer
des Hemels, de vijf Draken-paviljoenen, het klooster der Eeuwige Rust,
en zooveel meer.
Welnu, in het midden van dat vierkant ligt de Roode of Verboden stad,
met een oppervlakte van tachtig hectaren en omringd door een gracht
waarover zeven marmeren bruggen liggen. Het spreekt van zelf dat, daar
de regeerende dynastie Mantsjoerijsch is, de eerste dezer drie steden
voornamelijk bewoond wordt door eene bevolking van dezelfde afkomst;
de tweede stad, die aan de buitenzijde, is meer door Chineezen bewoond.
Men komt in het binnenste der Verboden stad, die omgeven is door een
roodsteenen muur, bekroond met gele kapiteelen, door de poort der
»Groote Zuiverheid", die alleen voor den Keizer en de Keizerinnen
geopend wordt. Daar verheffen zich de tempels van de voorouders der
Tartaarsche dynastie, beschermd door een veelkleurig dak; de tempels
Che en Tsi, aan de aardsche en hemelsche geesten gewijd; het paleis der
»Souvereine Overeenstemming", voor staatsieplechtigheden en officieele
feesten bestemd; het paleis der »Gemiddelde Overeenstemming", waar
de afbeeldsels hangen van de voorzaten des Keizers; het paleis der
»Beschermende Overeenstemming", waarvan de middenzaal den keizerlijken
troon bevat, het paviljoen van den Nei-Ko, waar de groote raad van
het keizerrijk vergadert, onder voorzitterschap van prins Kong [10],
minister van buitenlandsche zaken, oom van den vorigen Keizer; het
paviljoen der letterkundige Bloemen, waar de keizer eenmaal 's jaars de
heilige boeken komt verklaren; het paviljoen van Tchouane-Sine-Tiène,
waar offerhanden aan de nagedachtenis van Confucius gebracht worden;
de Keizerlijke bibliotheek; het bureau der Geschiedschrijvers;
de Vou-Igne-Tiène, waar de koperen en houten platen bewaard worden
die voor de keizerlijke drukkerij dienen; de werkplaatsen waar de
hofkleederen worden vervaardigd; het paleis der »Hemelsche Zuiverheid"
waar de familiezaken behandeld worden; het paleis van het »Hoogste
Aardsche Element", waar de jonge Keizerin gehuldigd werd; het paleis
der »Overpeinzing", waarin de souverein zich afzondert als hij ziek is;
de drie paleizen waarin de kinderen des Keizers opgevoed worden; de
tempel der overleden bloedverwanten; de vier paleizen die tot verblijf
strekken aan de weduwen en vrouwen van Hien-Fong, die in 1861 overleed;
de Tchou-Siéou-Kong, de woonplaats van 's Keizers echtgenooten;
het paleis der »Uitverkoren Goedheid"; de officieele receptie-zaal
der hofdames; het paleis der »Algemeene Stilte", een zonderlinge naam
voor een school, bestemd voor kinderen van hooggeplaatste officieren;
het paleis van »de Zuivering en het Vasten"; het »Gitzuivere Paleis",
bewoond door prinsen van den bloede; de tempel van den Stedelijken
Beschermgod; het paviljoen van de kroon en de intendance van het Hof,
de Lao-Kong-Tchou, de woning der gesnedenen, waarvan er zich niet
minder dan vijf duizend in de Roode stad bevinden. Daarenboven nog
verschillende andere paleizen, met de genoemden samen acht en veertig
in getal, om niet te spreken van het Tzen-Kouang-Ko, het paviljoen van
het Purperen Licht, aan den oever van het meer der Gele stad, waar 19
Juni 1873 de gezanten van de Vereenigde Staten, Rusland, Nederland,
Engeland en Pruisen bij den Keizer ten gehoore ontvangen werden.
Waar vond men ooit elders zulks een reeks schitterende gebouwen,
zoo verschillend van vorm en zoo rijk aan kostbaarheden, bij
elkander? Welke andere stad uit de oude of nieuwe wereld kan op zoo
iets bogen?
En nog moet men bij het genoemde de Ouane-Chéou-Chane voegen, het
zomerpaleis, twee uur buiten Peking. Het werd in 1860 verwoest en
ternauwernood vindt men onder de puinhoopen nog de tuinen weder der
»Volmaakte klaarheid en der Kalme klaarheid", de heuvel der »Gitbron"
en den berg der »Tienduizend Onsterflijkheden!"
Rondom de Gele stad ligt de Tartaarsche stad. Daar vindt men de
Fransche, de Engelsche en de Russische legatie; het Engelsche
zendingshuis, de katholieke zendingsgestichten van het Oosten en
het Noorden, de oude stallen der olifanten, waarin nog slechts een
enkel, honderdjarig exemplaar geherbergd wordt. Daar verheft zich de
klokkentoren met het roode door groene pannen omlijste dak, de tempel
van Confucius, het klooster der Duizend Lamas, de tempel van Fa-qua,
het oude observatorium met zijn grooten vierkanten toren, de yamen der
Jezuïeten, de yamen der Geletterden, waar de letterkundige examens
worden afgenomen. Daar verheffen zich de triomfbogen van het Westen
en van het Oosten, daar is het Noorder- en het Rozelaarskanaal met
hunne witte en blauwe waterleliën. Daar vindt men ook de paleizen,
waar de prinsen van den bloede wonen, en de ministers van financiën,
van eeredienst, van oorlog, van openbare werken, buitenlandsche zaken;
daar is de Rekenkamer, het Astrologisch tribunaal en de Academie voor
de geneeskunde. Alles vindt men daar door elkander, in nauwe straten,
die 's zomers zeer stoffig en 's winters zeer nat zijn; in straten
aan weerskanten meestal gevormd door tal van lage, onaanzienlijke
huizen, slechts nu en dan afgewisseld door een hotel van een of ander
hooggeplaatst ambtenaar, door schoone boomen beschaduwd. Voorts worden
de drukke straten ingenomen door omzwervende honden, Mongoolsche
kameelen met houtskolen beladen, palankijns, die door vier of acht
bedienden gedragen worden, naar den rang van den ambtenaar die er in
zit, rijtuigen en wagens met paarden of muilezels bespannen en een
groot aantal armen, die volgens de beschrijving van Ghoutzé eene
onafhankelijke kolonie van zestigduizend schooiers vormen. En in
die straten »vol zwart en stinkend vuil,--zegt P. Arène--die hier
en daar doorsneden worden door goten, waar men tot de knieën inzakt,
is het volstrekt geen zeldzaamheid, dat nu en dan een blinde bedelaar
verdrinkt."
De Chineesche stad van Peking, die Vaï-Tcheng heet, gelijkt in zeer
veel opzichten op de Tartaarsche, maar in enkele verschilt zij er
toch ook weder van.
In het zuidelijk gedeelte vindt men twee beroemde tempels, die
des Hemels en die van den Landbouw; voorts die der godin Koanine,
van den Geest der aarde, van de Zuivering, van den Zwarten Draak,
van de Geesten des hemels, de vijver der Goudvisschen, het klooster
van Fayouan-sse, markten, schouwburgen enz.
Het rechthoekig parallellogram wordt van het noorden naar het zuiden
doorsneden door eene breede straat, de Groote Avenue, die van de
zuidelijke Houng-Ting-poort naar de noordelijke Tien-poort loopt. Dwars
loopt een nog langere straat, die de eerstgenoemde rechthoekig snijdt
en die van de Cha-Coua-poort ten oosten naar de Couan-Tsu-poort ten
westen loopt. Zij heet de Avenue Cha-Coua en op honderd passen van
de plaats, waar zij de Groote Avenue snijdt, woonde de toekomstige
mevrouw Kin-Fo.
De lezer herinnert zich dat de jonge weduwe, eenige dagen nadat zij
den brief ontving die het bericht van Kin-Fo's ondergang bevatte,
een anderen kreeg, waarin de ongelukstijding tegengesproken werd en
die haar meedeelde, dat de zevende maan haren loop niet zou volbracht
hebben of haar »jongste broeder" zou weder bij haar zijn. Dat Lé-ou
sedert dien datum van 17 Mei de dagen en de uren telde, zullen wij wel
niet behoeven te zeggen. Kin-Fo liet toch niets van zich hooren op die
dwaze reis, waarvan hij niemand het plan had medegedeeld. Lé-ou had
naar Shang-Haï geschreven, doch hare brieven bleven onbeantwoord. Men
begrijpt hoe ongerust zij werd nu er, 19 Juni, nog geen bericht van
hem gekomen was.
De jonge vrouw had al die lange dagen haar woning in de avenue Cha-Coua
niet verlaten. Zij wachtte, zeer ongerust. De onaangename Nan deed
ook niets om haar te vermaken. Deze »oude moeder" was onverdraaglijker
dan ooit en verdiende zeker honderd keer per maan de deur uitgejaagd
te worden.
Maar wat had Lé-ou nog een aantal lange en angstige uren te doorleven,
voordat het oogenblik van Kin-Fo's terugkomst zou aanbreken! Zij
telde ze en ze vond dat zij moeite had het getal uit te spreken!
De godsdienst van Lao-Tsé is de oudste van China. De leer van
Confucius, door hem omstreeks 500 jaar voor Christus verkondigd, wordt
beleden door den Keizer, de geleerden en de hooge mandarijnen, maar
het bouddhisme of de godsdienst van Fo telt op deze aarde de meeste
aanhangers en wel ten getale van driehonderd millioen. Het bouddhisme
heeft twee van elkander onderscheiden sekten; de priesters der eerste,
bonzen genaamd, dragen grijze kleederen en roode hoofddeksels; die
der andere heeten lamas en zijn geheel in het geel gekleed.
Lé-ou was eene bouddhist van de eerste secte. De bonzen zagen haar
dikwijls opgaan naar den tempel van Koan-Ti-Miao, aan den dienst van
Koanine gewijd. Daar deed zij geloften voor haren vriend en offerde
zij geurige stokjes terwijl zij voorover geknield in den voorhof van
den tempel lag.
Dien dag gevoelde zij behoefte de godin Koanine op nieuw aan te roepen
en haar nog vuriger te bidden dan anders. Een voorgevoel zeide haar
dat hij, dien zij zoo angstig verbeidde, door een groot gevaar werd
bedreigd.
Lé-ou riep dus Nan, haar »oude moeder" en beval haar een draagstoel
te gaan halen op den hoek der Groote Avenue.
Nan haalde de schouders op, op haar gewone onaangename wijze, en ging
het haar gegeven bevel uitvoeren. De jonge weduwe beschouwde onderwijl
in haar eenzaamheid het stomme werktuig, dat in lang de stem van den
afwezige niet meer tot haar overgebracht had.
»Ach!" zeide zij, »hij moet ten minste weten dat ik niet opgehouden
heb aan hem te denken en ik wil dat mijne stem het hem bij zijn
terugkeer herhale!"
En Lé-ou bracht de phonografische rol in beweging en sprak in het
werktuigje met luide stem de woorden waarin zij de gevoelens van haar
hart wist te vertolken.
Nan brak, door haar onverwacht binnentreden, deze teedere alleenspraak
af.
»De draagstoel is voor, mevrouw", klonk het en dan, ook vrij goed
verstaanbaar: »ik begrijp niet wat zij nu uit doet!"
Lé-ou luisterde niet naar die laatste ontboezeming. Zij stapte
dadelijk naar buiten, liet de »oude moeder" brommen en zette zich in
den stoel, na bevel gegeven te hebben, dat men haar naar Koan-Ti-Miao
moest brengen.
Het was een korte afstand. Men behoefde slechts de avenue van Cha-Coua
te volgen tot aan de dwarsstraat en door de groote avenue tot aan de
poort van Tien.
Maar de stoel kwam niet dan langzaam vooruit. De zaken waren nog
in vollen gang en de samenstrooming van menschen was altijd in dat
kwartier, een der volkrijkste van de hoofdstad, aanzienlijk. De
uitstallingen der vreemde kooplieden langs den weg, gaven aan de
avenue het voorkomen van een kermis met haar duizendvoud geschreeuw en
geraas. Voorts zag men er volksredenaars, voorlezers, liedjeszangers,
photografen, hansworsten, die niet zeer vleiend waren voor de
gezaghebbende mandarijnen; ieder van hen bracht het zijne toe in het
algemeen gedruisch. Nu eens ging er een plechtige begrafenisstoet
voorbij en belemmerde de passage, dan weder was het een trouwpartij,
minder vroolijk misschien dan de begrafenis, maar even lastig voor
het verkeer op straat. Voor de yamen van een der magistraten was
een oploop. Een ontevredene had op de klachtentrom geslagen en
vroeg de tusschenkomst van de politie. Op den steen »Lé-ou-Ping"
lag een misdadiger in zwijm; hij had de bastonnade ondergaan en
werd bewaakt door politie-agenten in hun Mantsjoerijnschen mantel
met roode eikels, met korte piek en twee sabels in één scheede. Wat
verder werden een paar weerspannige Chineezen, die met de staarten
aan elkaar waren gebonden, naar de gevangenis gebracht. Op eene andere
plaats weder zag men een armen duivel, wiens linkerhand en rechtervoet
in de twee gaten van een plank waren gebonden, en die zich als een
vreemd soort dier al hinkende door de straten bewoog. Hier bespeurde
men een dief die in een houten kast was gestopt waaruit alleen het
hoofd te voorschijn kwam en die aan de openbare barmhartigheid was
overgelaten; daar droegen er een paar het schandebord en gingen als
ossen onder het juk gebukt. Deze ongelukkigen bewogen zich het liefst
op de drukste plaatsen, in de hoop dan wat meer te zullen ontvangen,
ten spijt van de vele bedelaars van alle soort, menschen met één arm,
manken, lammen, geheele scharen van blinden door éénoogigen geleid en
die duizenden werkelijk of voorgewende verminkten, waarvan de steden
in het Bloemenrijk wemelen.
De draagstoel met de schoone Lé-ou ging slechts langzaam voorwaarts. De
drukte nam, naarmate zij den buitensten boulevard bereikte, voortdurend
toe. Toch kwam zij er eindelijk en hield stil binnen het bastion,
't welk de poort, vlak bij den tempel van de godin Koanine, verdedigt.
Lé-ou verliet den stoel, trad den tempel binnen, boog eerst het hoofd
en knielde daarop voor het standbeeld van de godin. Vervolgens begaf
zij zich naar een kerkelijk toestel, 't welk den naam ven »molen der
gebeden" draagt.
Het was een soort van haspel, aan het uiteinde van welks acht takken
kleine vlaggetjes bevestigd waren, die met gewijde spreuken waren
bedekt.
Een priester wachtte, in ernstige houding bij het toestel staande,
op de geloovigen, en vooral op 't geld voor de plechtigheid.
Lé-ou gaf den dienaar van Bouddha eenige taëls, bestemd om te
voorzien in de behoefte van den eeredienst; daarop greep zij met haar
rechterhand de kruk van den haspel en gaf er eene lichte, draaiende
beweging aan, na de linkerhand op het hart te hebben gelegd. Het scheen
dat de haspel niet snel genoeg draaide om het gebed te doen verhooren.
»Sneller!" zeide haar de priester, eene aanmoedigende beweging met
de hand makende.
En de jonge vrouw draaide vlugger.
Nadat dit ongeveer een kwartier geduurd had, verklaarde de priester,
dat de wenschen van de smeekende verhoord zouden worden.
Lé-ou boog zich op nieuw voor het standbeeld van de godin Koanine,
verliet den tempel en nam weder plaats in den draagstoel, om huiswaarts
te keeren.
Maar toen zij de groote avenue zou ingaan, moesten de dragers zich
onmiddellijk ter zijde begeven. Soldaten dreven de bevolking ruw
uiteen. De winkels werden gesloten. De dwarsstraten werden onder de
hoede der tipaos met blauwe kleeden afgesloten. Een talrijke stoet
nam een deel van de avenue in en naderde met groot getier.
Het was de keizer Koang-Sin, dat wil zeggen »Voortduring van Roem",
die zijn goede Tartaarsche stad binnentrad en voor wien de middenpoort
geopend was.
Na de beide ruiters die den stoet openden, volgde een peloton
verkenners en daarna een peloton rijknechten, in twee gelederen
opgesteld, en met den stok in den draagband.
Zij werden op hunne beurt gevolgd door een groep officieren van hoogen
rang, die de gele parasol met den draak ontplooiden, het zinnebeeld
van den keizer, even als de phenix het zinnebeeld is van de keizerin.
De palankijn, de Indische draagzetel, waarvan het dekkleed van
gele zijde naar boven was geslagen, verscheen vervolgens. Zij werd
getorscht door zestien dragers, allen in rood onderkleed, dat met
witte rozetten bezaaid was, terwijl een vest van gele zijde hun borst
omsloot. De prinsen van den bloede, de hooge waardigheidsbekleeders
op paarden met gele zijden tuigen--teeken van hoogen adel--gezeten,
vergezelden het keizerlijk voertuig.
In den palankijn bevond zich half uitgestrekt de zoon des Hemels,
de neef van keizer Tong-Tebe en de neef van prins Kong.
Na den palankijn kwamen palfreniers en bedienden.
De stoet ging daarop de poort van Tien door, tot groote voldoening
van de voorbijgangers, kooplieden, bedelaars, die nu hunne zaken
konden hervatten.
Ook de draagstoel van Lé-ou vervolgde zijn weg en bracht haar na eene
afwezigheid van twee uren weder voor haar woning.
De goede godin Koanine had in dien tijd de jonge vrouw eene heerlijke
verrassing bereid.
Juist toen de draagstoel stilhield, naderde een van onderen tot
boven met stof bedekt rijtuig, door twee muilezels getrokken, de
deur. Daaruit stapte Kin-Fo, gevolgd door Craig-Fry en Soun!....
»Gij hier! Gij!" riep Lé-ou, die hare oogen nauwelijks dorst gelooven.
»Allerliefste jongste zuster!" antwoordde Kin-Fo, »je hebt toch niet
aan mijn terugkomst getwijfeld!..."
Lé-ou antwoordde niet. Zij nam haren vriend bij de hand, geleidde hem
in haar boudoir voor het kleine phonografische toestel, den bescheiden
deelgenoot van haar verdriet!
»Er is geen oogenblik voorbijgegaan waarop ik u niet verwachtte; o,
gij met zijden bloemen versierd hart!" zeide zij.
En de rol verplaatsende, drukte zij op de veer die haar weder in
beweging bracht.
Kin-Fo kon toen met eene zachte stem de woorden hooren herhalen,
die de teedere Lé-ou eenige uren geleden gesproken had:
»Keer terug, liefste broeder! Keer bij mij terug! Dat onze harten
niet langer gescheiden blijven! Uw terugkomst houdt al mijn gedachten
bezig..."
Het toestel hield eene seconde op... niet langer dan eene seconde. Toen
hernam het, maar nu met een krijschende stem:
»'t Is niet genoeg dat er een meesteres in huis is, er moet
noodzakelijk nog een meester bijkomen! Moge vorst Ien hen beiden
verderven!"
Deze tweede stem was maar al te goed te onderscheiden. Het was die
van Nan. De nare »oude moeder" was voortgegaan met spreken na het
vertrek van Lé-ou, terwijl het toestel nog werkte en dit had, geheel
tegen haar bedoeling, hare onvoorzichtige woorden opgevangen!
Dienstmeisjes en knechts, past op de phonografen!
Nog op dien dag kreeg Nan haar afscheid en men wachtte zelfs de laatste
dagen der zevende maan niet af, om haar buiten de deur te zetten.