De toebereidselen voor het feest, waaraan Kin-Fo den grootst mogelijken
luister wenschte bij te zetten, werden inmiddels voortgezet.
Reeds stonden de dertig paar geborduurde schoenen, die tot het uitzet
eener Chineesche behooren, gerangschikt in de woning van de avenue
Cha-Coua. Het boudoir van Lé-ou prijkte met keur van suikergebak,
confituren, gedroogde vruchten, suikeramandelen, pruimensiroop,
oranjeappels, gember en pampelmoes, prachtige zijden stoffen, kostbare
en rijk gezette edelgesteenten, ringen, armbanden, nagelkokertjes,
haarnaalden, en al wat de Pekingsche juweliers slechts aan fijne en
elegante kostbaarheden voorhanden hadden.
Bij het huwelijk eener jonge dochter in dat zonderlinge Chineesche
rijk brengt zij nooit zelve eenig uitzet of huwelijksgift mede. Zij
wordt steeds gekocht door de ouders van haren toekomstigen man of
door dien man zelf. Zij krijgt ook nooit eenig deel van hetgeen
haar vader nalaat, tenzij deze zulks vooraf uitdrukkelijk bepaald
hebbe. Deze voorwaarden worden gewoonlijk vóór het huwelijk geregeld
door tusschenpersonen of wederzijdsche kennissen, die men »mei-jin"
noemt, en het huwelijk heeft niet plaats voordat alles behoorlijk en
nauwkeurig is bepaald.
De jonge bruid wordt dan aan de ouders van den bruidegom
voorgesteld. Deze zelf krijgt haar niet te zien. Dat gebeurt eerst
als zij uit den draagstoel stapt, waarin men haar naar de echtelijke
woning heeft gebracht. De man doet dan zelf de deur open. Als zijne
bruid hem aanstaat reikt hij haar de hand; in het tegenovergestelde
geval slaat hij de deur weder voor haar dicht en alles is uit, mits
hij aan de ouders van het meisje de gemaakte onkosten slechts vergoedt.
Bij het huwelijk van Kin-Fo kon iets dergelijks niet voorkomen. Hij
kende de jonge vrouw en hij behoefde haar van niemand te koopen. Dit
maakte de zaak voor hem heel wat eenvoudiger.
Eindelijk brak de dag van 25 Juni aan en alles was gereed.
Sedert drie dagen was, volgens het gebruik, het huis van Lé-ou dag
en nacht verlicht gebleven; sedert drie dagen had mevr. Luhalou,
die de familie der jonge vrouw vertegenwoordigde, zich van slaap
moeten onthouden--een voorschrift dat tot uitwerking hebben moet dat
men er zeer treurig uitziet als de verloofde haar woning voor goed
verlaat. Als Kin-Fo ouders gehad had zou zijn eigen huis eveneens drie
dagen verlicht moeten geworden zijn, als een teeken van rouw, »omdat
men het huwelijk van den zoon moet beschouwen als een zinnebeeld van
den dood des vaders en omdat de zoon hem dan schijnt op te volgen",
zegt de Hao-Khiéou-Tchouen.
Maar, behoefden deze voorvaderlijke gebruiken al niet toegepast te
worden bij het huwelijk van twee personen die beiden volkomen vrij
waren, dan waren er nog andere waarmede men wel degelijk rekenschap
moest houden.
Zoo was bij voorbeeld geen der astrologische ceremoniën verzuimd. De
horoscopen waren getrokken naar alle regelen der kunst en hadden
prachtige uitkomsten opgeleverd: inborst, humeur, alles stemde met
elkander overeen. De tijd van het jaar en de ouderdom der maan waren
zeer gunstig. Nooit was er een huwelijk onder zulke geruststellende
voorteekenen beraamd.
De bruid zou des avonds te acht uur in het hotel van het »Hemelsche
Geluk" ontvangen worden; dat wil zeggen, dan zou zij in groote statie
de woning van haren echtgenoot binnentreden. In China verschijnt men
bij zulke gelegenheden noch voor een overheidspersoon noch voor eenig
geestelijke, van welken aard ook.
Om zeven uur ontving Kin-Fo zijne vrienden op den drempel van zijne
woning. Craig en Fry waren bij hem en prijkten in een fonkelnieuw
gewaad even als de getuigen op een Europeesche bruiloft.
Welk een wedstrijd van beleefdheden! Al deze aanzienlijke gasten
waren uitgenoodigd door roode kaarten, waarop men in mikroskopisch
schrift las:
»De heer Kin-Fo, van Shang-Haï, brengt zijn nederigen groet aan den
heer ..... en smeekt hem nog nederiger ..... met zijn tegenwoordigheid
de nederige plechtigheid te willen vereeren ....." enz.
Al de door Kin-Fo genoodigden waren gekomen om de bruid en den
bruidegom eer te bewijzen en om deel te nemen aan het prachtige
feestmaal dat voor de heeren toebereid was, terwijl de dames zich aan
eene voor haar afzonderlijk gereed gemaakte tafel zouden vereenigen.
Daar waren de koopman Yin-Pang en Houal, de letterkundige. Voorts
waren er eenige mandarijnen, die aan hun officieel hoofddeksel de
roode bal droegen, ter grootte van een ei, als teeken dat zij tot
de drie hoogste rangen behoorden. Andere, van minderen rang, hadden
slechts ondoorschijnende blauwe of witte knoopen. De meeste waren
burgerlijke overheidspersonen of ambtenaren van Chineesche afkomst,
die reeds daardoor bevriend waren met een Shang-Haïer, afkeerig van
het Tartaarsche ras. Allen, in prachtige scharlaken kleederen gehuld,
vormden een waarlijk schitterenden stoet.
Kin-Fo wachtte hen, zooals de beleefdheid het eischte, op den
drempel van zijn hotel af. Zoodra zij aangekomen waren, geleidde
hij hen naar de receptiezaal, nadat hij hun tweemaal verzocht had
hem vóór te gaan bij elk der deuren, die bedienden in groot livrei
voor hen openden. Hij noemde ze bij hun »edelen naam", vroeg hoe het
met hunne »edele gezondheid" was, en informeerde naar hunne »edele
betrekkingen." Kortom, de meest nauwgezette waarnemer van deze
kinderachtige beleefdheidsvormen zou niets op zijne houding hebben
kunnen afdingen.
Craig en Fry bewonderden al wat zij zagen, maar wijdden toch in
de allereerste plaats hun aandacht aan Kin-Fo zelf, wien zij geen
oogenblik uit het oog verloren.
Een zelfde denkbeeld was plotseling bij hen opgekomen. Indien het
onmogelijke eens waar mocht zijn en Wang den dood eens niet gevonden
had in de rivier, zooals men algemeen aannam?... Als hij onder deze
schaar van genoodigden rondsloop?... Het vier en twintigste uur van
den vijf en twintigsten dag van Juni--het uiterste uur--was nog niet
geslagen. De hand van den Taï-ping was nog niet ontwapend. Als hij
eens op het laatste oogenblik...?
Neen, het was wel niet waarschijnlijk, maar het was toch ook niet
geheel onmogelijk. Uit overmaat van voorzichtigheid zagen Craig en
Fry dus zorgvuldig al de leden van het gezelschap aan.... Zij zagen
er echter volstrekt niemand onder, die hun verdacht voorkwam.
Onderwijl verliet de aanstaande van Kin-Fo haar huis in de avenue
van Cha-Coua en nam zij plaats in een gesloten palankijn.
Had Kin-Fo al het mandarijnen kleed niet willen aandoen, dat elke
bruidegom het recht heeft te dragen,--uit eer voor de instelling
des huwelijks, dat bij de oude wetgevers in hooge achting gehouden
werd,--Lé-ou was in alle opzichten de voorschriften der groote wereld
nagekomen. Zij schitterde in haar toilet van een bewonderenswaardig
fraai weefsel van roodgeborduurde zijde. Haar gestalte verdween
als het ware onder een sluier van fijne paarlen, die als druppels
schenen te vallen van een kostbaren diadeem, welks gouden band
haar voorhoofd omsloot. Edelgesteenten en kunstbloemen, die van
fijnen smaak getuigden, waren door haar kapsel en hare lange, zwarte
vlechten geslingerd. Kin-Fo zou haar ongetwijfeld bekoorlijker vinden
dan ooit als zij straks uit den palankijn zou stappen, door zijne
hand ontsloten.
De stoet ging op weg. Hij ging het plein over om in de Groote Avenue
te komen en langs den boulevard van Tiène-Man te gaan. Ongetwijfeld
zou hij prachtiger geweest zijn als het eene begrafenis had gegolden,
maar ook nu verdiende hij dat de voorbijgangers stilhielden om hem
eenige oogenblikken na te staren.
Vriendinnen en kennissen van Lé-ou volgden den palankijn en droegen
in groote staatsie de verschillende kostbare stukken uit haar
bruidskorf. Een twintigtal muzikanten ging voorop, veel geraas makende
op hunne koperen instrumenten en begeleid door het helderklinkende
geluid van den gong. Om den palankijn zag men een aantal bedienden
met toortsen en gekleurde lampions. De bruid bleef voor de oogen
der menigte verborgen, want de etiquette eischte dat de eerste blik,
die op haar geslagen werd, die van haar gemaal wezen zou.
Zoo kwam dan de stoet te midden van het gejuich der aanwezigen tegen
acht uur des avonds voor de deuren van het »hotel van het Hemelsche
Geluk."
Kin-Fo stond aan den rijk versierden ingang. Hij wachtte op de aankomst
van den palankijn, om de deur er van onmiddellijk te kunnen openen. Als
dat gedaan was zou hij zijne aanstaande helpen uitstijgen en naar een
afzonderlijk vertrek voeren, waar beiden den hemel viermaal zouden
groeten. Daarna zouden zij zich naar den bruiloftsdisch begeven. De
bruid zou viermaal hare knieën buigen voor haren bruidegom, deze zou
het dan tweemaal doen voor zijn bruid. Zij zouden eenige droppels wijn
plengen en eenige spijs strooien voor de geesten, die hun huwelijk
gelukkig moesten maken. Dan zou men hun twee volle bekers brengen. Elk
zou den zijne half leeg drinken; dan zouden zij het overblijvende
dooreen mengen en dit te zamen opdrinken. Dat zou het zinnebeeld van
het voltrokken huwelijk zijn.
De palankijn was aangekomen en Kin-Fo trad vooruit. Een
ceremoniemeester reikte hem den sleutel over. Hij nam dien aan, deed
de deur van de draagkoets open en reikte de schoone Lé-ou bewogen
de hand. De bruid trad er schuchter uit en volgde Kin-Fo tusschen
de genoodigden door, die zich eerbiedig bogen en de hand aan de
borst brachten.
Op het oogenblik dat de schoone Lé-ou aan de hand van Kin-Fo, haren
toekomstigen gemaal, den drempel van zijne woning zou overschrijden,
werd er een signaal gegeven. Groote verlichte vliegers verhieven
zich in de lucht en men zag hoe veelkleurige draken, feniksen en
andere zinnebeelden van het huwelijk op den adem van den wind het
jonge paar omzweefden. Kunstduiven, aan den staart van æolische
snaren voorzien, stegen omhoog en deden harmonische tonen in de lucht
weergalmen. Vuurpijlen stegen op en van om hoog daalden de gekleurde
ballen na eenigen tijd als een vurigen regen weder naar de aarde.
Plotseling, te midden van deze feestelijke welkomst vernam men een
verwijderd gerucht op den boulevard van Tiène-Man. Men hoorde kreten
waaraan zich de schelle toonen van een trompet paarden. Dan trad er een
oogenblik van stilte in en daarna herhaalde zich het eerste gerucht.
Het kwam nader en weldra bereikte het de straat waar de bruiloftsstoet
stilgehouden had.
Kin-Fo luisterde. Zijne vrienden stonden besluiteloos te wachten
totdat de jonge vrouw het huis binnentrad.
Maar op datzelfde oogenblik schetterden de trompetten met verdubbeld
geweld en eene vreemde ontroering maakte zich van iedereen meester.
»Wat is er toch?" vroeg Kin-Fo.
De trekken van Lé-ou namen eene zonderlinge uitdrukking aan, terwijl
een vreemd voorgevoel haar hevige hartkloppingen veroorzaakte.
Daar bereikte de oploop onze vrienden. Het volk verdrong zich om
een heraut, die de keizerlijke kleuren droeg en die door verscheiden
tipaos vergezeld was.
En te midden van een plotseling ingetreden stilte verkondigde hij
deze woorden:
»Dood van de Keizerin-weduwe!
»Groote rouw voor allen!"
Kin-Fo begreep het. Het was een slag die hem in de eerste plaats
trof. Hij kon eene beweging van ongeduld niet weerhouden.
De keizerlijke rouw werd afgekondigd voor de weduwe van den laatsten
keizer. Gedurende een termijn, die nader zou opgegeven worden,
mocht niemand zich het hoofd scheren, mochten er geen openbare
vermakelijkheden of tooneelvoorstellingen gegeven worden, hielden
de rechtbanken geen zitting, was ten slotte het sluiten van alle
huwelijken verboden!
Lé-ou was wanhopig, doch hield zich goed; zij begreep dat zij de
teleurstelling van haren echtgenoot niet mocht vergrooten. Zij nam
Kin-Fo's hand en sprak met een stem, die slechts met moeite haar
eigen ontroering verborg:
»Welnu, wij kunnen immers wachten!"
En de palankijn vertrok weder met de bruid naar hare woning in de
avenue van Cha-Coua; het feest werd geschorst, de tafel afgenomen,
het orkest naar huis gezonden en de vrienden van Kin-Fo gingen heen na
hem eerst hunne hartelijke deelneming in deze teleurstelling betuigd
te hebben.
Het was dan ook geen zaak om het algemeen verbod te overtreden en
het huwelijk toch te doen doorgaan.
Het liep Kin-Fo niet mede; de eene ramp volgde op de andere en
hij had wel gelegenheid om de lessen van zijnen ouden leermeester,
den philosoof Wang, in praktijk te brengen. Hij bleef alleen met
Craig en Fry in het hotel van het »Hemelsch Geluk", welke naam hem
nu bijkans als een bespotting in de ooren klonk. De rouwtijd kon bij
keizerlijk besluit zoo lang verlengd worden als de Zoon des Hemels
slechts verkoos en Kin-Fo had reeds den volgenden dag naar Shang-Haï
willen terugkeeren om zijne jonge vrouw in zijn prachtige yamen te
installeeren en daar met haar een nieuw leven te beginnen!....
Een uur later trad een dienstbode zijne kamer binnen om hem een brief
ter hand te stellen, die zooeven aan zijn adres bezorgd was.
Zoodra Kin-Fo het adres zag, kon hij een kreet van verrassing niet
bedwingen.
De brief was van Wang en luidde aldus:
»Vriend, ik ben niet dood; als ge evenwel deze letteren
ontvangt, heb ik opgehouden te leven.
»Ik sterf omdat ik den moed niet heb mijne belofte te houden
maar wees gerust, ik heb alles goed geregeld.
»Lao-Shen, een opperhoofd der Taï-pings, mijn oude vriend,
heeft uw brief! Hij zal een vaster hand en een moediger hart
hebben dan ik om de vreeselijke taak te volbrengen die ge mij
opgelegd hebt. Hij zal dan ook van het kapitaal profiteeren
dat ge mij hadt toebedacht; aan hem komt dus het geld toe,
op uw hoofd verzekerd en hij zal het gaan opeischen, als gij
opgehouden hebt te leven.
»Vaarwel! Ik ga u voor in den dood! Tot straks mijn vriend,
tot straks!