XIII.

Waarin men kennis maakt met het beroemde »Klaaglied van de

vijf waken des Honderdjarigen."

»Mijnheeren," sprak Kin-Fo tot zijne beide trouwe bewakers, toen de

kruiwagen stilhield in de voorstad van Tong-Tchéou, »wij zijn nog

slechts veertig _lis_ [9] van Peking af en ik ben van plan hier te

blijven totdat de termijn van de met Wang gemaakte afspraak verstreken

is. In deze stad van vierhonderd duizend zielen, zal ik gemakkelijk

onbekend kunnen blijven, als Soun althans gelieft te onthouden dat hij

in dienst is bij Ki-Nan, een eerzaam koopman uit de provincie Chen-Si."

Neen, dat zou Soun niet meer vergeten! Zijn onhandigheid had hem

de laatste acht dagen een paarden-baantje bezorgd en hij hoopte dat

mijnheer Kin-Fo...

»Ki".., begon Craig.

»Nan" vulde Fry aan.

... hem voortaan niet meer daarmede straffen zou. En nu had hij,

met het oog op de vele vermoeienissen die hij doorstaan had, slechts

één verzoek aan mijnheer Kin-Fo...

»Ki"... herhaalde Craig.

»Nan" voegde Fry er bij.

... en dat was of hij nu minstens eens tweemaal vier en twintig uur

onafgebroken slapen mocht.

»Acht dagen, als je wilt!" antwoordde Kin-Fo. »Als je slaapt dan zijn

wij althans zeker, dat je je niet verpraten kunt!"

Kin-Fo en zijn gevolg gingen toen een goed hotel opzoeken en daaraan

was in Tong-Tchéou geen gebrek. Deze groote stad is als het ware een

der voorsteden van Peking. De tegelweg die naar de hoofdstad leidt is

geheel bebouwd met villa's, woonhuizen, boerderijen, graven, kleine

pagoden en tuinen, en er is aanhoudend een zeer drukke passage van

rijtuigen, ruiters en voetgangers.

Kin-Fo was in de stad bekend en liet zich naar de Taè-Ouang-Miao,

»den Tempel der souvereine Vorsten", brengen. Het was eigenlijk een

klooster, tot hotel ingericht, waar de vreemdelingen een zeer goed

logies konden vinden.

Kin-Fo, Craig en Fry maakten het er zich dadelijk huiselijk, de

beide agenten in een kamer die onmiddellijk aan die van hun kostbaren

reisgenoot grensde. Soun verdween om aan zijn slaaplust bot te gaan

vieren en werd vooreerst niet teruggezien.

Een uur later verlieten Kin-Fo en zijne trawanten hunne kamers om te

ontbijten en te beraadslagen over hetgeen hun nu te doen stond.

»Eerst moeten wij", meenden Craig en Fry, »de courant inzien, of er

ook iets in staat dat ons raakt."

»Je hebt gelijk", sprak Kin-Fo, »misschien lezen wij er in wat er

van Wang geworden is."

Zij verlieten dus het hotel. Uit voorzorg liepen Craig en Fry aan

weerszijden van Kin-Fo, al de voorbijgangers nauwkeurig in het oog

houdende en zorgende dat niemand hem naderen kon. Zij gingen zoo door

de nauwe straten der stad en kwamen op de kade, waar een nommer der

Staatscourant gekocht en gretig doorgekeken werd.

Er stond niets in, dan de uitloving van 2000 dollars of 1300 taëls

aan hem, die William J. Bidulph wist te zeggen waar de heer Wang uit

Shang-Haï op dit oogenblik was.

»Hij is dus nog niet voor den dag gekomen", sprak Kin-Fo.

»Hij heeft dus de voor hem bestemde advertentie niet gelezen",

antwoordde Craig.

»Hij meent dus nog altijd dat hij verplicht is zijn u gegeven woord

te houden", voegde Fry er bij.

»Maar waar kan hij zijn?" riep Kin-Fo uit.

»Gelooft u dat uw leven gedurende den nog overigen tijd van den

termijn meer gevaar loopt dan vroeger?" vroegen Craig en Fry.

»Ongetwijfeld", antwoordde Kin-Fo. »Wang weet niet welke verandering

er in mijn omstandigheden gekomen is, hij kan zich dus niet van zijn

woord ontslagen rekenen. Morgen en overmorgen loopt mijn leven dus

meer gevaar dan heden en over zes dagen meer dan ooit."

»Maar als de termijn is verstreken?"

»Dan heb ik niets meer te vreezen."

»Welnu mijnheer", antwoordden Craig-Fry. »Er zijn maar drie middelen,

om u voor de volgende zes dagen aan elk gevaar te onttrekken."

»En welk is het eerste?" vroeg Kin-Fo.

»Naar uw hotel terug te gaan en uw kamer niet te verlaten voordat de

termijn verstreken is."

»En het tweede?"

»U als misdadiger in hechtenis te laten nemen, opdat u veiligheid

vindt achter de muren der gevangenis van Tong-Tchéou."

»En het derde?"

»Te veinzen dat u gestorven zijt en niet weder te herleven voor dat

alle gevaar voorbij is."

»Ge kent Wang niet, mijneheeren," riep Kin-Fo uit. »Wang zou wel een

middel vinden om in mijn hotel of mijn gevangenis binnen te dringen;

hij zou mij zelfs in mijn graf wel weten te vinden! Dat hij mij tot

nog toe niet gedood heeft is alleen te danken aan het feit, dat hij dit

niet heeft gewild, dat hij mij het genoegen der ontroering niet heeft

willen benemen! Wie weet welk motief hij gehad heeft? In elk geval

zal ik liever van de door u voorgeslagen middelen geen gebruik maken.

»Maar wacht eens.... misschien...." begon Craig.

»Zouden wij niet....?" ging Fry voort.

»Mijnheeren", viel Kin-Fo hen in de rede, »ik zal doen wat ik goed

vind. Al stierf ik vóór 25 dezer, wat beteekent dan nog het verlies

voor uw maatschappij?"

»Tweemaal honderdduizend dollars", antwoordden Craig-Fry.

»En ik verlies mijn geheele vermogen, om van mijn leven niet eens te

spreken. U ziet dus dat ik veel meer bij de zaak betrokken ben dan u!"

»Dat is zoo!"

»Gaat u dus voort met voor uw belangen te waken, dat moogt u; maar

ik ga mijn eigen weg."

Er was niets tegen in te brengen. Craig en Fry moesten dus hunne

waakzaamheid verdubbelen, want zij gevoelden dat de zaak elken dag

ernstiger werd.

Tong-Tchéou is een der oudste steden van het Hemelsche Rijk. Zij is

gelegen aan een gekanaliseerden arm van den Peiho en aan den mond van

een ander kanaal, dat tot verbinding strekt met Peking, waardoor het

een middelpunt is geworden van een zeer levendig handelsverkeer. De

voorsteden zijn dan ook buitengewoon druk.

Deze levendigheid troffen Kin-Fo en zijne beide reismakkers nog meer,

toen zij op de kade waren gekomen en daar de samenstrooming zagen

van tal van vaartuigen van allerlei aard.

Craig en Fry waren, alles goed overdenkende, tot de conclusie

gekomen, dat zij het veiligste waren in het midden eener drukke

bevolking. De dood van hun cliënt zou in elk geval aan een zelfmoord

worden toegeschreven. De brief, dien men bij hen moest vinden,

zou daaromtrent geen twijfel overlaten. Wang zou dus alleen onder

bepaalde omstandigheden tot den doodelijken stopt overgaan en deze

boden zich niet zoo gemakkelijk aan op de druk bezochte straten van

een stad. Daar behoefde men niet voor een onverwachten slag bevreesd

te zijn. Het kwam er voor alles op aan te weten of de Taï-ping er,

door eene zeldzame behendigheid, ook in geslaagd was hun spoor te

volgen, sinds hun vertrek van Shang-Haï. Zij gaven hunne bogen dan

ook weinig rust.

Eensklaps werd een naam uitgesproken, die wel in staat was hun aandacht

te trekken.

»Kin-Fo! Kin-Fo!" riepen onderscheidene kleine Chineezen, terwijl zij,

midden in al de drukte, springende in de handen klapten.

Was Kin-Fo herkend en had zijn naam de gewone uitwerking?

Onze held stond eensklaps stil.

Craig-Fry plaatsten zich naast hem, om hem, zoo noodig, met hun

lichaam tot beschutting te zijn.

Maar die kreten golden Kin-Fo niet. Niemand scheen te vermoeden dat

hij daar was. Hij bewoog zich dus niet en wachtte, nieuwsgierig waarom

men zijn naam had uitgesproken, den loop der zaken af.

Er had zich een groep mannen, vrouwen en kinderen rondom een reizend

zanger geschaard, die zeer in de goede gunsten van het straatpubliek

scheen te deelen. Men schreeuwde, klapte in de handen, en juichte

hem reeds bij voorbaat toe.

Toen de zanger een voldoend publiek om zich heen geschaard zag,

haalde hij uit zijn kleed een groote rol voor den dag, met allerlei

afbeeldingen beschilderd, en daarop klonk het op helderen toon:

»_De vijf Nachtwaken van den Honderdjarige!_"

Het was het beruchte treurdicht dat den tocht door China gemaakt had.

Craig-Fry wilden hun cliënt medevoeren; maar Kin-Fo bleef ditmaal

halsstarrig op de plaats waar hij stond. Niemand kende hem hier. Hij

had nooit het geheele verhaal van zijne jammeren gehoord en maakte

er zich een genoegen van dit nu eens te vernemen!

De zanger van »de vijf Waken van den Honderdjarige" begon op deze

wijze:

»Bij de eerste wake verlicht de maan het puntige dak van het huis te

Shang-Haï. Kin-Fo is nog jong. Hij is twintig jaar oud. Hij gelijkt

een wilg, welks eerste bladeren zich ontplooien!"

»Bij de tweede wake verlicht de maan den oostkant van de rijke

yamen. Kin-Fo is veertig jaar oud. Zijne tienduizenden zaken slagen

naar wensch. Zijne naburen verkondigen zijn lof."

Het gelaat van den zanger verduisterde bij iedere strophe. Hij

scheen ouder te worden onder het zingen. Van alle kanten weerklonken

toejuichingen.

Hij vervolgde:

»Bij de derde wake verlicht de maan de vlakte. Kin-Fo is zestig jaar

oud. Na de groene bladeren van den zomer komen de goudsbloemen van

den herfst!"

»Bij de vierde wake is de maan in het westen ondergegaan. Kin-Fo is

tachtig jaar oud! Zijn lichaam is saamgekrompen als de kreeft in het

kokende water! Hij vermindert, hij daalt met de ster van den nacht!"

»Bij de vijfde wake wordt de naderende morgenstond door hanengekraai

begroet. Kin-Fo is honderd jaar. Hij sterft, zijn levendigste wensch

is vervuld; maar vorst Ien weigert hem te ontvangen. Vorst Ien is niet

gesteld op zulke oude lieden, die zijn hof suf zouden maken! De oude

Kin-Fo kan nergens rust vinden en zwerft tot den jongsten dag rond."

De menigte juichte en de zanger verkocht honderden exemplaren van

het treurlied tegen drie sapeken het stuk.

Waarom zou Kin-Fo er zelf geen koopen? Hij haalde eenig geld uit den

zak en stak zijn hand door den kring heen, die dicht rondom den zanger

geschaard stond.

Eensklaps opende zich zijn hand. De geldstukjes vielen op den grond...

Vlak tegenover hem stond een man wiens blikken de zijne kruisten.

»Ah!" riep Kin-Fo; hij kon dezen uitroep, half een vraag, half een

kreet van verwondering niet smoren.

Fry-Craig hadden hem omringd, meenende dat hij herkend, bedreigd,

gewond, ja gedood was!

»Wang!" riep hij.

»Wang!" herhaalden Craig-Fry.

Het was Wang in eigen persoon! Hij had zijn ouden leerling herkend;

maar in plaats van zich op hem te werpen, duwde hij de personen

die achter hem stonden weg en vluchtte, zoo snel zijne beenen hem

dragen konden.

Kin-Fo aarzelde geen oogenblik. Hij wilde een eind maken aan zijn

ondragelijken toestand en vloog Wang achterna, op zijn beurt gevolgd

door Fry-Craig, die hem niet vooruit wilden loopen,maar evenmin

wilden achterblijven.

Ook zij hadden den spoorloozen philosoof herkend en uit zijne verbazing

afgeleid, dat hij evenmin verwachtte daar Kin-Fo te vinden als Kin-Fo

dacht hem er te zien.

Waarom nam Wang de vlucht? 't Was onverklaarbaar, maar het was zoo;

hij liep alsof geheel de politie van het Hemelsche Rijk hem op de

hielen zat.

Het was een dwaze vervolging.

»Ik ben niet geruïneerd! Wang, Wang! Niet geruïneerd!" schreeuwde

Kin-Fo.

»Hij is rijk, rijk!" herhaalden Fry-Craig.

Maar Wang was te ver verwijderd om de woorden te verstaan die hem

tot staan zouden gebracht hebben. Hij vloog de kade over, het kanaal

langs en bereikte de westelijke voorstad.

De drie vervolgers bleven hem nazetten, maar wonnen niet. Integendeel,

de afstand tusschen hen en den vluchteling nam voortdurend toe.

Een half dozijn Chineezen hadden zich bij Kin-Fo gevoegd, niet te

vergeten een zestal tipaos, die niet anders konden vermoeden of hij,

die zich zoo snel uit de voeten maakte, was een misdadiger.

't Was een vreemd schouwspel, die hijgende, schreeuwende, huilende

troep, onderweg door talrijke vrijwilligers vergroot! Men had

rondom den zanger duidelijk gehoord dat Kin-Fo den naam Wang had

uitgesproken. Gelukkig had de philosoof niet geantwoord met dien

van zijn leerling want dan zou geheel de stad de schreden van zulk

een beroemd man hebben gevolgd. Maar de naam van Wang had voldoende

werking uitgeoefend. Wang! dat was de geheimzinnige persoon, op

wiens ontdekking zulk eene belangrijke som was gesteld! Men wist

het. Zoo gebeurde het dat, terwijl Kin-Fo in den persoon van Wang

zijn geheele vermogen van acht honderdduizend dollars naliep en

Craig-Fry de twee honderdduizend dollars van de premie nazetten,

de overigen al het mogelijke deden om de tien duizend dollars, die

als premie was uitgeloofd, te verdienen; men zal toegeven dat hier

niet zonder reden geloopen werd.

»Wang! Wang! Ik ben rijker dan ooit!" schreeuwde Kin-Fo, zoo luidkeels

als zijn snelle loop het toeliet.

»Niet geruïneerd! niet geruïneerd!" herhaalden Fry-Craig.

»Houdt hem! houdt hem!" gilde het gros der vervolgers, dat als een

sneeuwbal voortdurend in omvang toenam.

Wang hoorde niets. Met den elleboog tegen de borst geklemd, wilde

hij geen kracht verliezen door te antwoorden, noch snelheid door het

hoofd om te wenden.

De voorstad was ten einde geloopen. Wang volgde den weg langs

het kanaal. Op dien bijkans geheel verlaten weg had hij een vrij

terrein. De snelheid van zijn loop nam nog toe; maar de inspanning

van zijne vervolgers verdubbelde natuurlijk eveneens.

Deze dolle wedloop duurde reeds omstreeks twintig minuten. Niemand kon

voorspellen hoe hij eindigen zou. Toch scheen het dat de vluchteling

een weinig verflauwde. De afstand, dien hij tusschen zich en zijne

vervolgers had weten te behouden, verminderde.

Wang gevoelde dat, nam een zijsprong en verdween achter een tempeltje,

dat zich rechts van den weg bevond.

»Tienduizend taëls voor wien hem in handen krijgt!" riep Kin-Fo.

»Tienduizend taëls!" herhaalden Craig-Fry.

»_Ya! ya! ya!_" gilden zij die in de voorhoede der vervolgers waren.

Allen hadden zich rechts gewend, evenals de philosoof, en omringden

den muur van den tempel.

Wang was verdwenen. Hij volgde een nauw pad, dat dwars langs een

bevloeiingskanaal liep en kwam, om zijne vervolgers het spoor nog

meer bijster te maken, door een bocht weder op den heerweg terug.

Maar daar bespeurde men hem weder en 't was duidelijk dat hij uitgeput

was. Kin-Fo, Craig en Fry waren nog onverzwakt. Zij vlogen, en geen

van hen die door de uitgeloofde taëls tot spoed werden aangespoord,

kon op hen slechts eenige schreden winnen.

De ontknooping naderde. Het was slechts een quaestie van tijd en van

een betrekkelijk korten tijd--hoogstens enkele minuten.

Allen, Wang, Kin-Fo, zijne reismakkers, waren op de plek gekomen, waar

de groote weg den stroom doorsnijdt bij de beroemde brug van Palikao.

Achttien jaar vroeger, 21 September 1860, zouden zij zich op dit

punt van de provincie Pé-Tché-Li niet zoo vrij bewogen hebben. Toen

was de groote weg met duizenden vluchtelingen, van alle soort als

bezaaid. Het leger van generaal San-Ko-Li-Tzin, oom van den keizer,

was door de Fransche bataljons teruggedreven en had halt gehouden op

de brug van Palikao, dat prachtige bouwwerk met marmeren leuningen en

aan beide zijden omgeven door een dubbele rij reusachtige leeuwen. Daar

was het dat de Mantsjoerijsche Tartaren, zoo onvergelijkelijk dapper

door hun fatalisme, door de Europeesche kanonnen werden weggemaaid.

Maar nu was de brug, die nog de sporen van het gevecht toonde door

de beschadigde standbeelden, toegankelijk.

Wang betrad de brug, maar Kin-Fo slaagde er in, door de heftigste

pogingen, hem nog meer te naderen. Slechts twintig stappen, vervolgens

vijftien, eindelijk tien scheidden hen.

Het was onnoodig meer woorden te verspillen om Wang tot staan te

brengen. Hij hoorde ze niet of wilde ze niet hooren. Men moest hem

grijpen, zoo noodig binden.... Daarna zou men tot verklaringen kunnen

overgaan.

Wang begreep dat men hem genaderd was; hij scheen met onverklaarbare

halsstarrigheid liever zijn leven te willen wagen, dan van aangezicht

tot aangezicht tegenover zijn leerling te staan. Met één sprong vloog

hij over de leuning van de brug en stortte zich in den Peï-ho.

Kin-Fo had een oogenblik halt gehouden en riep:

»Wang! Wang!"

Daarop nam hij op zijn beurt een sprong en:

»Ik zal hem levend hebben!" klonk het, en hij wierp zich in den stroom.

»Craig?" riep Fry.

»Fry", zei Craig.

»Tweehonderdduizend dollars in het water!"

En beiden klommen over de leuning en sprongen in den vloed, om den

ongelukkigen cliënt van de _Eeuw_ te helpen.

Eenige van de vrijwilligers volgden hun voorbeeld. Het had veel van

een rij clowns bij de oefening op de springplank.

Maar zooveel ijver moest vruchteloos blijven. Kin-Fo, Fry-Craig en

de overigen die door de premie waren uitgelokt, doken vruchteloos in

den Peï-ho. Wang werd niet gevonden. Ongetwijfeld was de ongelukkige

philosoof door den stroom medegevoerd.

Zou Wang, toen hij zich in den stroom stortte, alleen getracht

hebben te ontsnappen aan zijne vervolgers, of zou hij om een of

andere geheimzinnige reden, een einde aan zijn leven hebben willen

maken? Niemand kon het zeggen.

Twee uur later hadden Kin-Fo, Craig en Fry, in verdrietige stemming,

maar goed opgedroogd, verfrischt en opgeknapt, Soun wakker gemaakt

uit het diepst van zijn slaap, en waren den weg naar Peking ingeslagen.

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 18 / 36 题