Waarin men kennis maakt met het beroemde »Klaaglied van de
vijf waken des Honderdjarigen."
»Mijnheeren," sprak Kin-Fo tot zijne beide trouwe bewakers, toen de
kruiwagen stilhield in de voorstad van Tong-Tchéou, »wij zijn nog
slechts veertig _lis_ [9] van Peking af en ik ben van plan hier te
blijven totdat de termijn van de met Wang gemaakte afspraak verstreken
is. In deze stad van vierhonderd duizend zielen, zal ik gemakkelijk
onbekend kunnen blijven, als Soun althans gelieft te onthouden dat hij
in dienst is bij Ki-Nan, een eerzaam koopman uit de provincie Chen-Si."
Neen, dat zou Soun niet meer vergeten! Zijn onhandigheid had hem
de laatste acht dagen een paarden-baantje bezorgd en hij hoopte dat
mijnheer Kin-Fo...
»Ki".., begon Craig.
»Nan" vulde Fry aan.
... hem voortaan niet meer daarmede straffen zou. En nu had hij,
met het oog op de vele vermoeienissen die hij doorstaan had, slechts
één verzoek aan mijnheer Kin-Fo...
»Ki"... herhaalde Craig.
»Nan" voegde Fry er bij.
... en dat was of hij nu minstens eens tweemaal vier en twintig uur
onafgebroken slapen mocht.
»Acht dagen, als je wilt!" antwoordde Kin-Fo. »Als je slaapt dan zijn
wij althans zeker, dat je je niet verpraten kunt!"
Kin-Fo en zijn gevolg gingen toen een goed hotel opzoeken en daaraan
was in Tong-Tchéou geen gebrek. Deze groote stad is als het ware een
der voorsteden van Peking. De tegelweg die naar de hoofdstad leidt is
geheel bebouwd met villa's, woonhuizen, boerderijen, graven, kleine
pagoden en tuinen, en er is aanhoudend een zeer drukke passage van
rijtuigen, ruiters en voetgangers.
Kin-Fo was in de stad bekend en liet zich naar de Taè-Ouang-Miao,
»den Tempel der souvereine Vorsten", brengen. Het was eigenlijk een
klooster, tot hotel ingericht, waar de vreemdelingen een zeer goed
logies konden vinden.
Kin-Fo, Craig en Fry maakten het er zich dadelijk huiselijk, de
beide agenten in een kamer die onmiddellijk aan die van hun kostbaren
reisgenoot grensde. Soun verdween om aan zijn slaaplust bot te gaan
vieren en werd vooreerst niet teruggezien.
Een uur later verlieten Kin-Fo en zijne trawanten hunne kamers om te
ontbijten en te beraadslagen over hetgeen hun nu te doen stond.
»Eerst moeten wij", meenden Craig en Fry, »de courant inzien, of er
ook iets in staat dat ons raakt."
»Je hebt gelijk", sprak Kin-Fo, »misschien lezen wij er in wat er
van Wang geworden is."
Zij verlieten dus het hotel. Uit voorzorg liepen Craig en Fry aan
weerszijden van Kin-Fo, al de voorbijgangers nauwkeurig in het oog
houdende en zorgende dat niemand hem naderen kon. Zij gingen zoo door
de nauwe straten der stad en kwamen op de kade, waar een nommer der
Staatscourant gekocht en gretig doorgekeken werd.
Er stond niets in, dan de uitloving van 2000 dollars of 1300 taëls
aan hem, die William J. Bidulph wist te zeggen waar de heer Wang uit
Shang-Haï op dit oogenblik was.
»Hij is dus nog niet voor den dag gekomen", sprak Kin-Fo.
»Hij heeft dus de voor hem bestemde advertentie niet gelezen",
antwoordde Craig.
»Hij meent dus nog altijd dat hij verplicht is zijn u gegeven woord
te houden", voegde Fry er bij.
»Maar waar kan hij zijn?" riep Kin-Fo uit.
»Gelooft u dat uw leven gedurende den nog overigen tijd van den
termijn meer gevaar loopt dan vroeger?" vroegen Craig en Fry.
»Ongetwijfeld", antwoordde Kin-Fo. »Wang weet niet welke verandering
er in mijn omstandigheden gekomen is, hij kan zich dus niet van zijn
woord ontslagen rekenen. Morgen en overmorgen loopt mijn leven dus
meer gevaar dan heden en over zes dagen meer dan ooit."
»Maar als de termijn is verstreken?"
»Dan heb ik niets meer te vreezen."
»Welnu mijnheer", antwoordden Craig-Fry. »Er zijn maar drie middelen,
om u voor de volgende zes dagen aan elk gevaar te onttrekken."
»En welk is het eerste?" vroeg Kin-Fo.
»Naar uw hotel terug te gaan en uw kamer niet te verlaten voordat de
termijn verstreken is."
»En het tweede?"
»U als misdadiger in hechtenis te laten nemen, opdat u veiligheid
vindt achter de muren der gevangenis van Tong-Tchéou."
»En het derde?"
»Te veinzen dat u gestorven zijt en niet weder te herleven voor dat
alle gevaar voorbij is."
»Ge kent Wang niet, mijneheeren," riep Kin-Fo uit. »Wang zou wel een
middel vinden om in mijn hotel of mijn gevangenis binnen te dringen;
hij zou mij zelfs in mijn graf wel weten te vinden! Dat hij mij tot
nog toe niet gedood heeft is alleen te danken aan het feit, dat hij dit
niet heeft gewild, dat hij mij het genoegen der ontroering niet heeft
willen benemen! Wie weet welk motief hij gehad heeft? In elk geval
zal ik liever van de door u voorgeslagen middelen geen gebruik maken.
»Maar wacht eens.... misschien...." begon Craig.
»Zouden wij niet....?" ging Fry voort.
»Mijnheeren", viel Kin-Fo hen in de rede, »ik zal doen wat ik goed
vind. Al stierf ik vóór 25 dezer, wat beteekent dan nog het verlies
voor uw maatschappij?"
»Tweemaal honderdduizend dollars", antwoordden Craig-Fry.
»En ik verlies mijn geheele vermogen, om van mijn leven niet eens te
spreken. U ziet dus dat ik veel meer bij de zaak betrokken ben dan u!"
»Dat is zoo!"
»Gaat u dus voort met voor uw belangen te waken, dat moogt u; maar
ik ga mijn eigen weg."
Er was niets tegen in te brengen. Craig en Fry moesten dus hunne
waakzaamheid verdubbelen, want zij gevoelden dat de zaak elken dag
ernstiger werd.
Tong-Tchéou is een der oudste steden van het Hemelsche Rijk. Zij is
gelegen aan een gekanaliseerden arm van den Peiho en aan den mond van
een ander kanaal, dat tot verbinding strekt met Peking, waardoor het
een middelpunt is geworden van een zeer levendig handelsverkeer. De
voorsteden zijn dan ook buitengewoon druk.
Deze levendigheid troffen Kin-Fo en zijne beide reismakkers nog meer,
toen zij op de kade waren gekomen en daar de samenstrooming zagen
van tal van vaartuigen van allerlei aard.
Craig en Fry waren, alles goed overdenkende, tot de conclusie
gekomen, dat zij het veiligste waren in het midden eener drukke
bevolking. De dood van hun cliënt zou in elk geval aan een zelfmoord
worden toegeschreven. De brief, dien men bij hen moest vinden,
zou daaromtrent geen twijfel overlaten. Wang zou dus alleen onder
bepaalde omstandigheden tot den doodelijken stopt overgaan en deze
boden zich niet zoo gemakkelijk aan op de druk bezochte straten van
een stad. Daar behoefde men niet voor een onverwachten slag bevreesd
te zijn. Het kwam er voor alles op aan te weten of de Taï-ping er,
door eene zeldzame behendigheid, ook in geslaagd was hun spoor te
volgen, sinds hun vertrek van Shang-Haï. Zij gaven hunne bogen dan
ook weinig rust.
Eensklaps werd een naam uitgesproken, die wel in staat was hun aandacht
te trekken.
»Kin-Fo! Kin-Fo!" riepen onderscheidene kleine Chineezen, terwijl zij,
midden in al de drukte, springende in de handen klapten.
Was Kin-Fo herkend en had zijn naam de gewone uitwerking?
Onze held stond eensklaps stil.
Craig-Fry plaatsten zich naast hem, om hem, zoo noodig, met hun
lichaam tot beschutting te zijn.
Maar die kreten golden Kin-Fo niet. Niemand scheen te vermoeden dat
hij daar was. Hij bewoog zich dus niet en wachtte, nieuwsgierig waarom
men zijn naam had uitgesproken, den loop der zaken af.
Er had zich een groep mannen, vrouwen en kinderen rondom een reizend
zanger geschaard, die zeer in de goede gunsten van het straatpubliek
scheen te deelen. Men schreeuwde, klapte in de handen, en juichte
hem reeds bij voorbaat toe.
Toen de zanger een voldoend publiek om zich heen geschaard zag,
haalde hij uit zijn kleed een groote rol voor den dag, met allerlei
afbeeldingen beschilderd, en daarop klonk het op helderen toon:
»_De vijf Nachtwaken van den Honderdjarige!_"
Het was het beruchte treurdicht dat den tocht door China gemaakt had.
Craig-Fry wilden hun cliënt medevoeren; maar Kin-Fo bleef ditmaal
halsstarrig op de plaats waar hij stond. Niemand kende hem hier. Hij
had nooit het geheele verhaal van zijne jammeren gehoord en maakte
er zich een genoegen van dit nu eens te vernemen!
De zanger van »de vijf Waken van den Honderdjarige" begon op deze
wijze:
»Bij de eerste wake verlicht de maan het puntige dak van het huis te
Shang-Haï. Kin-Fo is nog jong. Hij is twintig jaar oud. Hij gelijkt
een wilg, welks eerste bladeren zich ontplooien!"
»Bij de tweede wake verlicht de maan den oostkant van de rijke
yamen. Kin-Fo is veertig jaar oud. Zijne tienduizenden zaken slagen
naar wensch. Zijne naburen verkondigen zijn lof."
Het gelaat van den zanger verduisterde bij iedere strophe. Hij
scheen ouder te worden onder het zingen. Van alle kanten weerklonken
toejuichingen.
Hij vervolgde:
»Bij de derde wake verlicht de maan de vlakte. Kin-Fo is zestig jaar
oud. Na de groene bladeren van den zomer komen de goudsbloemen van
den herfst!"
»Bij de vierde wake is de maan in het westen ondergegaan. Kin-Fo is
tachtig jaar oud! Zijn lichaam is saamgekrompen als de kreeft in het
kokende water! Hij vermindert, hij daalt met de ster van den nacht!"
»Bij de vijfde wake wordt de naderende morgenstond door hanengekraai
begroet. Kin-Fo is honderd jaar. Hij sterft, zijn levendigste wensch
is vervuld; maar vorst Ien weigert hem te ontvangen. Vorst Ien is niet
gesteld op zulke oude lieden, die zijn hof suf zouden maken! De oude
Kin-Fo kan nergens rust vinden en zwerft tot den jongsten dag rond."
De menigte juichte en de zanger verkocht honderden exemplaren van
het treurlied tegen drie sapeken het stuk.
Waarom zou Kin-Fo er zelf geen koopen? Hij haalde eenig geld uit den
zak en stak zijn hand door den kring heen, die dicht rondom den zanger
geschaard stond.
Eensklaps opende zich zijn hand. De geldstukjes vielen op den grond...
Vlak tegenover hem stond een man wiens blikken de zijne kruisten.
»Ah!" riep Kin-Fo; hij kon dezen uitroep, half een vraag, half een
kreet van verwondering niet smoren.
Fry-Craig hadden hem omringd, meenende dat hij herkend, bedreigd,
gewond, ja gedood was!
»Wang!" riep hij.
»Wang!" herhaalden Craig-Fry.
Het was Wang in eigen persoon! Hij had zijn ouden leerling herkend;
maar in plaats van zich op hem te werpen, duwde hij de personen
die achter hem stonden weg en vluchtte, zoo snel zijne beenen hem
dragen konden.
Kin-Fo aarzelde geen oogenblik. Hij wilde een eind maken aan zijn
ondragelijken toestand en vloog Wang achterna, op zijn beurt gevolgd
door Fry-Craig, die hem niet vooruit wilden loopen,maar evenmin
wilden achterblijven.
Ook zij hadden den spoorloozen philosoof herkend en uit zijne verbazing
afgeleid, dat hij evenmin verwachtte daar Kin-Fo te vinden als Kin-Fo
dacht hem er te zien.
Waarom nam Wang de vlucht? 't Was onverklaarbaar, maar het was zoo;
hij liep alsof geheel de politie van het Hemelsche Rijk hem op de
hielen zat.
Het was een dwaze vervolging.
»Ik ben niet geruïneerd! Wang, Wang! Niet geruïneerd!" schreeuwde
Kin-Fo.
»Hij is rijk, rijk!" herhaalden Fry-Craig.
Maar Wang was te ver verwijderd om de woorden te verstaan die hem
tot staan zouden gebracht hebben. Hij vloog de kade over, het kanaal
langs en bereikte de westelijke voorstad.
De drie vervolgers bleven hem nazetten, maar wonnen niet. Integendeel,
de afstand tusschen hen en den vluchteling nam voortdurend toe.
Een half dozijn Chineezen hadden zich bij Kin-Fo gevoegd, niet te
vergeten een zestal tipaos, die niet anders konden vermoeden of hij,
die zich zoo snel uit de voeten maakte, was een misdadiger.
't Was een vreemd schouwspel, die hijgende, schreeuwende, huilende
troep, onderweg door talrijke vrijwilligers vergroot! Men had
rondom den zanger duidelijk gehoord dat Kin-Fo den naam Wang had
uitgesproken. Gelukkig had de philosoof niet geantwoord met dien
van zijn leerling want dan zou geheel de stad de schreden van zulk
een beroemd man hebben gevolgd. Maar de naam van Wang had voldoende
werking uitgeoefend. Wang! dat was de geheimzinnige persoon, op
wiens ontdekking zulk eene belangrijke som was gesteld! Men wist
het. Zoo gebeurde het dat, terwijl Kin-Fo in den persoon van Wang
zijn geheele vermogen van acht honderdduizend dollars naliep en
Craig-Fry de twee honderdduizend dollars van de premie nazetten,
de overigen al het mogelijke deden om de tien duizend dollars, die
als premie was uitgeloofd, te verdienen; men zal toegeven dat hier
niet zonder reden geloopen werd.
»Wang! Wang! Ik ben rijker dan ooit!" schreeuwde Kin-Fo, zoo luidkeels
als zijn snelle loop het toeliet.
»Niet geruïneerd! niet geruïneerd!" herhaalden Fry-Craig.
»Houdt hem! houdt hem!" gilde het gros der vervolgers, dat als een
sneeuwbal voortdurend in omvang toenam.
Wang hoorde niets. Met den elleboog tegen de borst geklemd, wilde
hij geen kracht verliezen door te antwoorden, noch snelheid door het
hoofd om te wenden.
De voorstad was ten einde geloopen. Wang volgde den weg langs
het kanaal. Op dien bijkans geheel verlaten weg had hij een vrij
terrein. De snelheid van zijn loop nam nog toe; maar de inspanning
van zijne vervolgers verdubbelde natuurlijk eveneens.
Deze dolle wedloop duurde reeds omstreeks twintig minuten. Niemand kon
voorspellen hoe hij eindigen zou. Toch scheen het dat de vluchteling
een weinig verflauwde. De afstand, dien hij tusschen zich en zijne
vervolgers had weten te behouden, verminderde.
Wang gevoelde dat, nam een zijsprong en verdween achter een tempeltje,
dat zich rechts van den weg bevond.
»Tienduizend taëls voor wien hem in handen krijgt!" riep Kin-Fo.
»Tienduizend taëls!" herhaalden Craig-Fry.
»_Ya! ya! ya!_" gilden zij die in de voorhoede der vervolgers waren.
Allen hadden zich rechts gewend, evenals de philosoof, en omringden
den muur van den tempel.
Wang was verdwenen. Hij volgde een nauw pad, dat dwars langs een
bevloeiingskanaal liep en kwam, om zijne vervolgers het spoor nog
meer bijster te maken, door een bocht weder op den heerweg terug.
Maar daar bespeurde men hem weder en 't was duidelijk dat hij uitgeput
was. Kin-Fo, Craig en Fry waren nog onverzwakt. Zij vlogen, en geen
van hen die door de uitgeloofde taëls tot spoed werden aangespoord,
kon op hen slechts eenige schreden winnen.
De ontknooping naderde. Het was slechts een quaestie van tijd en van
een betrekkelijk korten tijd--hoogstens enkele minuten.
Allen, Wang, Kin-Fo, zijne reismakkers, waren op de plek gekomen, waar
de groote weg den stroom doorsnijdt bij de beroemde brug van Palikao.
Achttien jaar vroeger, 21 September 1860, zouden zij zich op dit
punt van de provincie Pé-Tché-Li niet zoo vrij bewogen hebben. Toen
was de groote weg met duizenden vluchtelingen, van alle soort als
bezaaid. Het leger van generaal San-Ko-Li-Tzin, oom van den keizer,
was door de Fransche bataljons teruggedreven en had halt gehouden op
de brug van Palikao, dat prachtige bouwwerk met marmeren leuningen en
aan beide zijden omgeven door een dubbele rij reusachtige leeuwen. Daar
was het dat de Mantsjoerijsche Tartaren, zoo onvergelijkelijk dapper
door hun fatalisme, door de Europeesche kanonnen werden weggemaaid.
Maar nu was de brug, die nog de sporen van het gevecht toonde door
de beschadigde standbeelden, toegankelijk.
Wang betrad de brug, maar Kin-Fo slaagde er in, door de heftigste
pogingen, hem nog meer te naderen. Slechts twintig stappen, vervolgens
vijftien, eindelijk tien scheidden hen.
Het was onnoodig meer woorden te verspillen om Wang tot staan te
brengen. Hij hoorde ze niet of wilde ze niet hooren. Men moest hem
grijpen, zoo noodig binden.... Daarna zou men tot verklaringen kunnen
overgaan.
Wang begreep dat men hem genaderd was; hij scheen met onverklaarbare
halsstarrigheid liever zijn leven te willen wagen, dan van aangezicht
tot aangezicht tegenover zijn leerling te staan. Met één sprong vloog
hij over de leuning van de brug en stortte zich in den Peï-ho.
Kin-Fo had een oogenblik halt gehouden en riep:
»Wang! Wang!"
Daarop nam hij op zijn beurt een sprong en:
»Ik zal hem levend hebben!" klonk het, en hij wierp zich in den stroom.
»Craig?" riep Fry.
»Fry", zei Craig.
»Tweehonderdduizend dollars in het water!"
En beiden klommen over de leuning en sprongen in den vloed, om den
ongelukkigen cliënt van de _Eeuw_ te helpen.
Eenige van de vrijwilligers volgden hun voorbeeld. Het had veel van
een rij clowns bij de oefening op de springplank.
Maar zooveel ijver moest vruchteloos blijven. Kin-Fo, Fry-Craig en
de overigen die door de premie waren uitgelokt, doken vruchteloos in
den Peï-ho. Wang werd niet gevonden. Ongetwijfeld was de ongelukkige
philosoof door den stroom medegevoerd.
Zou Wang, toen hij zich in den stroom stortte, alleen getracht
hebben te ontsnappen aan zijne vervolgers, of zou hij om een of
andere geheimzinnige reden, een einde aan zijn leven hebben willen
maken? Niemand kon het zeggen.
Twee uur later hadden Kin-Fo, Craig en Fry, in verdrietige stemming,
maar goed opgedroogd, verfrischt en opgeknapt, Soun wakker gemaakt
uit het diepst van zijn slaap, en waren den weg naar Peking ingeslagen.