Waarin Kin-Fo, zijne beide satellieten en zijn knecht op
avontuur uitgaan.
Wie is de reiziger, die de groote rij- en waterwegen van het
Hemelsche Rijk met zooveel volharding aflegt? Hij gaat voorwaarts,
steeds voorwaarts, niet wetende waar hij gisteren was en waar hij
morgen zijn zal. Hij trekt de steden door zonder ze te zien, hij
gaat de herbergen en hotels alleen binnen om er eenige uren rust te
nemen, hij vertoeft in de restaurants niet langer dan noodig is om
voedsel te gebruiken. Geld schijnt geen waarde voor hem te hebben,
hij verkwist het, hij werpt het weg om zijn tocht te bespoedigen.
Het is geen koopman die voor zijne zaken reist. Het is geen mandarijn,
die door den minister met eene gewichtige zending is belast. Het is
geen kunstenaar die de schoonheden der natuur opspoort. Het is geen
geleerde, geen navorscher, die oude documenten zoekt, in tempels of
kloosters van het oude China verspreid. Het is geen student, die in
den tempel der examens moet opgaan om er een wetenschappelijken graad
te behalen, geen priester van Bouddha, die inspectie moet houden over
de kleine landelijke altaren, opgericht tusschen de wortels van den
heiligen vijgeboom, noch een priester, die ter vervulling van een
belofte een tocht maakt naar een der vijf heilige bergen van het
Hemelsche Rijk.
Het is de gewaande Ki-Nan, vergezeld door Fry-Craig, altijd vol ijver,
en gevolgd door Soun die hoe langer hoe vermoeider wordt. Het is Kin-Fo
die altijd nog verkeert in die zonderlinge gemoedsstemming, welke hem
er toe dreef te vluchten, en te gelijk den spoorloos verdwenen Wang
te zoeken. Het is de cliënt van _de Eeuw_ die van dit onophoudelijk
heen- en weertrekken afleiding verwacht, en misschien een waarborg
tegen de onbekende gevaren waardoor hij bedreigd wordt. Ook de beste
schutter loopt de kans, dat hij een zich steeds bewegend doel mist
en Kin-Fo wenschte zulk een doel te zijn.
De reizigers hadden te Nan-King weder plaats genomen op een, van
de vlugge Amerikaansche stoombooten, groote drijvende hotels die de
Blauwe Rivier bevaren. Zestig uur later stapten zij te Ran-Kéou aan
wal, niet voordat zij die grillige rots bewonderd hadden, de »Kleine
Wees", die zich midden in den stroom der Yang-tze-Kiang verheft,
en op welks top zich trotsch een tempel verheft, waarin de dienst
door Chineesche priesters verricht wordt.
Te Ran-Kéou, aan de samenvloeiing gelegen van de Blauwe Rivier en
zijne voornaamste bijrivier, de Ran-Kiang, [7] bleef onze zwerver
een halven dag stil.
Daar was men omringd door allerlei, niet te herstellen overblijfselen
uit den tijd der Taï-pings; maar noch in deze handelstad, die als 't
ware slechts een aanhangsel is van Rang-Yang-Fou, op den rechter-oever
van de zijrivier, noch te Ou-Tchang-Fou hoofdstad van de provincie van
Rou-Pé aan den rechteroever van den stroom zelf, was iets te bespeuren
van den spoorloos verdwenen Wang. Ook zag men er geen letters als
die, welke Kin-Fo te Nan-King op het graf van den gekroonden priester
had gevonden.
Als Craig en Fry zich hadden voorgesteld dat zij, op hunne reis door
China, eenige kennis op zouden doen van land en zeden, zouden zij zich
spoedig bedrogen gevonden hebben. Zelfs de tijd zou hun ontbroken
hebben om aanteekeningen te maken en hunne indrukken zouden zich
bepaald hebben tot eenige namen van steden en sterkten. Maar zij waren
niet nieuwsgierig en snapachtig evenmin. Zij spraken bijna nooit met
elkander. Waarvoor zou dat ook gediend hebben! Hetgeen Craig dacht,
was ook de meening van Fry. Het zou een soort van alleenspraak geworden
zijn. Zij letten dan ook, evenmin als hun cliënt, op het tweeslachtig
voorkomen van het grootste aantal der Chineesche steden--bijna
uitgestorven in het midden en druk in de voorsteden. Ternauwernood
bespeurden zij te Ran-Kéou het Europeesche gedeelte, kenbaar aan de
breede en rechte straten, de bevallige gebouwen en den schaduwrijken
wandelweg, die zich langs de oevers van de Blauwe Rivier uitstrekt. Zij
keken alleen uit naar één persoon en die persoon bleef onzichtbaar.
De stoomboot kon, dank zij den was dien de wateren van den Ran-Kiang
deed stijgen, deze zijrivier nog circa honderd dertig mijlen tot aan
Leo-Ro-Kéou opstoomen.
Kin-Fo was er de man niet naar om dit soort van vervoermiddel,
't welk hem zeer behaagde, te verlaten. Integendeel, hij stelde er
prijs op zoover te gaan als de Rang-Kiang bevaarbaar was. Eenmaal
daar gekomen, zou hij nader zien. Craig en Fry hadden er niets tegen
dat de tocht aldus voortgezet werd. De bewaking was aan boord zeer
gemakkelijk, de gevaren minder dreigend. Als zij verder kwamen, op
de minder veilige wegen van midden-China, zou het heel wat anders zijn.
Wat Soun betreft, het leven aan boord beviel hem uitstekend. Hij
behoefde niet te loopen, hij behoefde niets te doen, zijn meester
kon hij overlaten aan de goede zorgen van Craig-Fry, hij kon zich,
na flink gegeten en gedronken te hebben, rustig in zijn hoekje
uitstrekken om te slapen en het eten was uitmuntend.
Eene verandering in de voeding aan boord, die eenige dagen later
inviel, moest ieder ander dan dezen stoffel er opmerkzaam op gemaakt
hebben dat er eene wijziging gekomen was in de aardrijkskundige
gesteldheid der reizigers.
Bij den maaltijd werd de plaats van de rijst ingenomen door het koren,
in den vorm van ongerezen broodjes, die, als men ze versch gebruikte,
zeer aangenaam van smaak waren.
Soun betreurde, als een Chinees uit het zuiden, zijne gewone rijst. Hij
kon met zijne kleine stokjes zoo behendig manoeuvreeren, als hij de
korrels uit den schotel in zijn grooten mond bracht, en hij kon zulke
geduchte hoeveelheden naar binnen werken! Rijst en thee, wat heeft
een waar zoon van het Hemelsche Rijk meer noodig!
De stoomboot bleef de Rang-Kiang opvaren en was de grens van het koren
genaderd. Men bespeurde dat men in hooge streken gekomen was. Aan den
gezichteinder zag men eenige bergen met sterkten gekroond, gesticht
onder de oude dynastie der Mings. De dijken, die de wateren van de
rivier binnen hare bedding hielden, verdwenen, de oevers werden lager
en het bed der rivier werd breeder maar verminderde in diepte. Men
was het gebied van Guan-Lo-Fou genaderd.
Kin-Fo ging niet aan wal gedurende de weinige uren die noodig waren om
bij de gebouwen der douanen, nieuwe brandstof aan boord te nemen. Wat
had hij te maken in een stad, die hem geheel onverschillig was? Nu hij
er niet in kon slagen Wang op het spoor te komen, had hij slechts eene
begeerte: zich dieper in noordelijk China te begeven, waar hij wel
geen kans had Wang te vinden, maar waar deze hem ook niet treffen zou.
Na Guan-Lo-Fou deed men twee steden aan, tegenover elkander gelegen,
het eene de handelstad Fan Tcheng op den linkeroever; en de hoofdstad
Siang-Yang-Fou op den rechteroever; de eerste vol beweging en verkeer,
de laatste, de verblijfplaats van de autoriteiten, meer dood dan
levend.
En na Fan Tcheng bleef de Ran-Kiang, met een rechten hoek noordwaarts
buigende, nog tot Lao-Ro-Kéou bevaarbaar. Daar kon de stoomboot,
wegens gebrek aan water, niet verder.
Eenmaal te Lao-Ro-Kéou gekomen, moest er een groote verandering in
de reisplannen worden gemaakt. Men moest de stroomen »die loopende
wegen," verlaten en zichzelf voortbewegen of althans de zacht
schommelende beweging van de boot verwisselen met de schokken, het
gekraak en gestoot van de ellendige voertuigen, die in het Hemelsche
Rijk in gebruik zijn. Ongelukkige Soun! De tijd der beslommeringen,
vermoeienissen, berispingen was voor hem aangebroken!
En waarlijk, hij die Kin-Fo op dezen avontuurlijken zwerftocht, van
gewest tot gewest, van stad tot stad wilde volgen, zou een zwaar werk
ondernomen hebben! Den eenen dag reisde hij per wagen, maar welk een
wagen! Een bak, stevig bevestigd op twee wielen met groote ijzeren
spijkers voorzien en getrokken door twee weerbarstige muilezels,
terwijl men alleen door een linnen huif bedekt was voor de regenvlagen
en zonnestralen! Een anderen dag kon men hem zien uitgestrekt in een
soort van stoel, die tusschen twee lange bamboezen stokken hing en
aan zulk hevig slingeren en stampen was blootgesteld, dat het voor
een vaartuig in al zijne spanten en inhouten een vreeselijk gekraak
zou gegeven hebben.
Craig en Fry bevonden zich als aides-de-camp naast de portieren,
op een paar ezels gezeten, die zoo mogelijk nog meer schudden en
schommelden dan de stoel. Wat Soun betreft, hij ging te voet en als
de marsch wat snel ging, al brommende en vloekende, en zich, meer dan
goed voor hem was, verkwikkende aan den brandewijn van Kao-Liang. Ook
hij ging dan met zonderlinge slingeringen voorwaarts, maar dit was
niet te wijten aan de oneffenheden van het terrein! Kortom, de stoet
ware op een onstuimige zee niet meer geschud geworden.
Kin-Fo en zijne metgezellen deden te paard--dieren waarvan de wederga
in ellende nauwelijks te vinden was--hun intocht te Si-Gnan-Fou,
de oude hoofdstad van het Hemelsche Rijk, en waar de keizers uit de
dynastie der Tangs eertijds hun zetel hadden gevestigd.
Maar welke onafzienbare naakte en droge vlakten had men niet moeten
doortrekken, wat al vermoeienissen, ja zelfs gevaren, had men niet
doorworsteld eer deze afgelegen provincie van Chen-Li bereikt was!
De Meizon wierp, op een breedte, ongeveer overeenstemmende met 't
zuiden van Spanje, bijna onuitstaanbaar heete stralen op het aardrijk,
en dreef het fijne stof der wegen, die nooit met steenen hadden kennis
gemaakt, omhoog.
Als men door zulk een gelen wervelwind werd overdekt, die de lucht als
met een ongezonden damp verpestte, kon men er op rekenen van boven tot
beneden in het grijs gestoken te worden. Men was daar in de streek van
de "Loess," een zonderling soort van geologische formatie, eigen aan
't noorden van China; 't is geen aarde en ook geen rots, maar een
soort van steen, dat nog niet tot een vasten toestand gekomen is.
De gevaren die men te doorstaan had, waren niet van denkbeeldigen aard
in een land, waar de politiedienaars eene buitengewone vrees koesteren
voor de messen van de dieven. Als men bedenkt, dat de »tipaos" in
de steden aan de schurken vrij spel laten en de bewoners aldaar zich
des nachts zelfs niet op de drukst bewoonde gedeelten durven begeven,
kan men er over oordeelen hoe het op de wegen gesteld is! Meermalen
werden de reizigers door verdachte troepen aangehouden, als zij de
nauwe holen, diep tusschen de »loess"-lagen uitgegraven, doortrokken;
maar het zien van Craig-Fry met den revolver in den gordel, had de
straatroovers tot nog toe altijd eerbied ingeboezemd. Toch waren
de agenten van _de Eeuw_ herhaaldelijk in groote onrust, minder
voor zichzelf dan wel voor het millioen, dat aan hunne zorg was
toevertrouwd. Of Kin-Fo door het mes van een boosdoener of door den
dolk van Wang viel, was voor hen hetzelfde. De slag toch zou in ieder
geval de maatschappij treffen.
Kin-Fo was overigens niet minder goed gewapend en even vast besloten
zich te verdedigen. Hij hechtte meer dan ooit aan het leven en hij
zou, om de uitdrukking van Craig-Fry te bezigen, »zich hebben laten
dooden om het te behouden."
't Was niet waarschijnlijk dat men te Si-Gnan-Fou eenig spoor zou
vinden van den philosoof. Nooit zou een oude Taï-ping op de gedachte
gekomen zijn daar een schuilplaats te zoeken. 't Is een stad welker
wallen nooit door de opstandelingen zijn bemachtigd en die door een
talrijk garnizoen is bezet. Alleen iemand die een bijzonderen smaak
had voor archaeologische merkwaardigheden, in de plaats zeer talrijk,
of die ervaren was in het uitleggen van de meest geheimzinnige
spreuken--het museum aldaar »het bosch der tafelen" geheeten, was
er rijk aan--kon roeping gevoelen daarheen te gaan. 't Was niet
waarschijnlijk dat Wang er zou zijn.
Daarom verliet Kin-Fo dan ook, den dag na zijne aankomst, deze stad,
een gewichtig punt voor den handel tusschen midden-Azië, Thibet,
Mongolië en China, en zette den tocht verder noordwaarts voort.
Langs Kao-Lin-Sien, Sing-Tong-Sien, den weg door het dal van de
Quei-Ro, welker wateren met het gele stof van de »loess," door welks
bodem zij liep, bedekt waren, kwam de kleine troep te Roua-Tchéou
aan, het brandpunt van den geweldigen opstand der Muzelmannen
in 1860. Vandaar bereikte Kin-Fo en zijne gezellen, nu eens per
vaartuig, dan weder per wagen, niet zonder groote vermoeienissen,
de vesting Tong-Kouan, aan de samenvloeiing van de Quei-Ro en de
Rouang-Ro gelegen.
De Rouang-Ro is de vermaarde Gele rivier. Zij daalt van het noorden af
om zich, door de oostelijke provinciën, in de zee te storten die haren
naam draagt, zonder daarom geel te zijn, evenmin als de Roode zee rood,
de Witte zee wit of de Zwarte Zee zwart is. De stroom is beroemd, en
ongetwijfeld van Hemelschen oorsprong, wijl zijn kleur die is van den
keizer, Zoon van den Hemel; maar hij wordt ook »China's leed" geheeten,
een naam dien hij dankt aan de geduchte overstroomingen, waardoor voor
't oogenblik het Keizer-kanaal in ontredderden toestand verkeert.
Te Tong-Kouan zouden de reizigers, zelfs des nachts, veilig geweest
zijn. Het is geen handelstad, maar een militaire plaats, en bewoond,
niet tijdelijk maar als vaste verblijfplaats, door de Mantsjoersche
Tartaren, de keurtroepen van het Chineesche leger! Misschien was
Kin-Fo voornemens er eenige dagen rust te nemen. Misschien zou hij er
in een hotel eene goede kamer, eene goede tafel, een goed bed gezocht
hebben--'t geen zeker noch aan Craig-Fry, noch vooral aan Soun zou
hebben mishaagd.
Maar deze onhandige snaak, die bij deze gelegenheid een paar duim van
zijn staart moest missen, had de onvoorzichtigheid om bij de douanen
in plaats van den aangenomen naam, den waren naam zijns meesters te
noemen. Hij vergat dat hij de eer had niet Kin-Fo, maar Ki-Nan te
dienen. Welk een uitbarsting! De vergissing verplichtte den reiziger
onmiddellijk te plaats te verlaten. Zijn naam had reeds het noodige
effect gemaakt. De beroemde Kin-Fo was te Tong-Kouan aangekomen. Men
wilde dien man zien, »wiens eenigste wensch was honderd jaar oud
te worden!"
De getergde reiziger slaagde er ternauwernood in zich met zijne beide
bewakers en zijn knecht door de vlucht te onttrekken aan de massa
nieuwsgierigen, die als uit den grond oprezen. Te voet, ditmaal te
voet! beklom hij de steile oevers der Gele rivier, en hij liep door
totdat zijne metgezellen en hij zelf van vermoeienis neervielen in
een klein dorp, waar zijne volslagen onbekendheid hem wel eenige uren
van rust waarborgde.
Soun, thans geheel uit het veld geslagen, durfde zijn mond niet meer
opendoen. Thans was hij, met den belachelijken rattenstaart, die
hem nog slechts overbleef, het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid
en der onaangenaamste bespotting! De straatjongens wezen hem na en
vervolgden hem met allerlei zoutelooze grappen.
Hij verlangde dus wel naar het einde der reis. Doch waar was dat
einde? Had zijn meester niet zelf aan den heer William J. Bidulph
verklaard dat hij niet ophouden zou zoolang er nog een weg vóor
hem lag?
In het dorpje, op twintig _lis_ [8] van Tong-Kouan, waar Kin-Fo zich
verborgen had, was niets te krijgen; geen paarden, geen ezels, geen
wagens, geen draagstoelen. Er bleef niets anders over dan terug te
keeren of te voet verder te gaan. Dat was juist niet bevorderlijk om
den leerling van den philosoof Wang in een gelijkmatig humeur te houden
en hij bracht bij deze gelegenheid de lessen van zijn leermeester
dan ook slecht in practijk. Hij beschuldigde iedereen, terwijl hij
eigenlijk met zichzelf had moeten beginnen. Och, wat betreurde hij den
tijd toen zijn leven zoo kalm daarheen ging! Moest hij, om het geluk te
kunnen waardeeren, verdriet, ongeluk en kwelling gekend hebben, zooals
Wang zeide, thans had hij aan deze laatste zaken waarlijk geen gebrek.
En dan ook had hij op zijn tocht vele brave menschen ontmoet die geen
duit bezaten, maar toch gelukkig waren! Hij was in de gelegenheid
geweest de verschillende soorten van geluk op te merken, die verkregen
worden door den met vreugde verrichten arbeid.
Hier waren het landbouwers over hun arbeid gebukt; daar ambachtslieden,
die al zingende hunne gereedschappen hanteerden. Het was immers juist
aan het gebrek aan arbeid dat Kin-Fo het gebrek aan begeerten en
bij gevolg, het gebrek aan geluk hier beneden te danken had! O! 't
Was een goede les! Hij meende het althans!!... Neen! vriend Kin-Fo,
toch was het zoo niet!
Met veel moeite en na herhaalde mislukte pogingen slaagden Craig en
Fry er ten slotte in een voertuig te vinden, het eenige dat het dorp
bezat. Het was slechts geschikt voor een enkelen persoon en er was
niemand om het in beweging te brengen.
Het was een kruiwagen--Pascal's kruiwagen,--en misschien reeds vóór
hem uitgevonden door de vernuftige Chineezen, die ook het buskruit,
het schrift, het kompas en de vliegers uitvonden. Maar in China is het
groote wiel niet voor aan den wagen, doch midden er onder geplaatst,
evenals het rad bij zekere booten. De wagen is daardoor in twee
deelen verdeeld, één voor den reiziger om zelf plaats in te nemen,
het andere voor zijn bagage.
Dit voertuig kan alleen door een mensch in beweging gebracht worden,
die het voortduwt en niet voortsleept. Die dit doet staat dus achter
den reiziger, evenals de voerman van een Engelsche cab, en beneemt
hem het vrije uitzicht niet. Als de wind gunstig, dat wil zeggen
achter het rijtuig is, maakt hij, die den wagen duwt, gaarne van deze
kostelooze beweegkracht gebruik. Hij zet er een mast en een zeil op,
en als het goed waait, dan behoeft hij niet te duwen, dan wordt hij
integendeel zelf voortgetrokken--en somtijds sneller dan hem lief is.
Het voertuig werd gekocht met al wat er bij behoorde en Kin-Fo nam
er plaats in. De wind was gunstig en het zeil werd geheschen.
»Komaan Soun!" riep Kin-Fo.
Soun maakte zich gereed om plaats te nemen in de tweede afdeeling.
»Ben je mal! Achter den wagen en duwen", beval Kin-Fo op een toon,
die geen tegenspraak toeliet.
»Mijnheer.... wat.... ik!" riep Soun uit en hij voelde zijne knieën
reeds knikken, als een paard dat overwerkt is.
»'t Is je eigen schuld; 't is een gerechte straf voor je
onbescheidenheid en babbelzucht."
»Komaan Soun!" voegden Craig en Fry er bij.
»Achter den wagen en duwen!" herhaalde Kin-Fo, met een
veelbeteekenenden blik op het eindje staart dat den ongelukkige nog
over bleef. »En pas op dat je niet struikelt, of anders..."
Een gebaar met wijs- en middenvinger vulde den zin aan. Soun deed
den draagband over zijne schouders en greep de berrie met beide
handen. Craig en Fry namen hunne plaats aan weerszijden in en daar
er een frissche bries woei, ging de stoet op een sukkeldrafje vooruit.
Het is onmogelijk om de sprakelooze woede van Soun te beschrijven,
nu hij als paard dienst moest doen, en zelfs de omstandigheid dat
Craig of Fry somtijds zijne plaats innam, kon er hem niet mede
verzoenen. Zeer gelukkig bleef de zuidenwind hun bijna voortdurend
getrouw, 't geen hun drie-vierde van het werk uitwon. De kruiwagen
stond goed in evenwicht en de man die duwde behoefde eigenlijk alleen
te sturen en te zorgen dat men niet van den weg afdwaalde.
Op deze wijze trok Kin-Fo door de noordelijke provinciën van China,
loopende als hij wat stijf in zijne beenen geworden was, zich latende
rijden als hij behoefte gevoelde om weder te rusten.
Na langs de steden Houan-Fou en Ca-Fong gegaan te zijn, kwam hij aan
de steile overs van het Groote Keizers-kanaal, dat nauwelijks twintig
jaar geleden, voordat de Gele Rivier weder in haar oude bedding
teruggekeerd was, een schoonen waterweg vormde van een paar honderd
uur ver, die van Sou-Tchéou, het land der thee, tot Peking liep.
Hij kwam zoo door Tsinan en Ho-Kien in de provincie Té-Tché-li,
waarin Peking ligt, de viervoudige hoofdstad van het Hemelsche Rijk.
Zoo trok hij door Tien-Tsin, dat door een ringmuur en twee forten
beschermd wordt, eene groote stad van vierhonderdduizend inwoners
met een schoone haven die door de Peï-Ho en het Keizerskanaal
gevormd wordt en waar jaarlijks een zeventig millioen omgezet
wordt door den invoer van katoen uit Manchester, wollen goederen,
koper- en ijzerwerk, Duitsche lucifers, sandelhout enz. enz. en den
uitvoer van jujubes, bladeren van waterlelies, Tartaarsche tabak en
dergelijke artikelen. Kin-Fo dacht er echter zelfs niet aan om in dit
zonderlinge Tien-Tsin de beroemde pagode der helsche straffen te gaan
bezoeken; hij deed geen wandeling in de oostelijke voorstad door de
vermakelijke Lantaarnstraat en die der Oude-kleeren; hij ontbeet niet
in de restauratie »de Harmonie en de Vriendschap" van den muzelman
Léou-Lao-Ki, wiens wijnen beroemd zijn in spijt van Mahomets verbod;
hij onthield zich natuurlijk een zijner groote roode naamkaarten af
te geven op het paleis van Li-Tchong-Tang, onderkoning der provincie
sedert 1870, lid van den geheimen raad en den raad van 't keizerrijk,
die het recht heeft om een geel vest te dragen en den titel voert
van Fei-Tzé-Chao-Pao.
Neen, Kin-Fo steeds in zijn kruiwagen en Soun er achter, trokken
langs de kaden waar bergen van zoutzakken lagen; zij gingen door de
voorsteden, de Engelsche en Amerikaansche nederzettingen, het renperk,
de velden met sorgho, rogge, Turksch koren, met wijngaarden en groenten
van allerlei aard; door de vlakten waar men talrijke hazen, patrijzen
en kwartels zag, aanhoudend vervolgd door steen- en andere valken. Het
viertal vervolgde den klinkerweg naar Peking, die vier en twintig
uur lang en met boomen beplant is en zoo kwamen zij gezond en wel te
Tong-Tchéou aan, Kin-Fo altijd nog tweehonderdduizend dollars waard,
Craig en Fry zoo frisch als bij het begin der reis, Soun aamborstig,
kreupel en met een staart die nauwelijks nog op dien naam aanspraak
mocht maken.
Het was 19 Juni. De aan Wang toegestane termijn verliep eerst over
zeven dagen!
Waar was Wang?