XII.

Waarin Kin-Fo, zijne beide satellieten en zijn knecht op

avontuur uitgaan.

Wie is de reiziger, die de groote rij- en waterwegen van het

Hemelsche Rijk met zooveel volharding aflegt? Hij gaat voorwaarts,

steeds voorwaarts, niet wetende waar hij gisteren was en waar hij

morgen zijn zal. Hij trekt de steden door zonder ze te zien, hij

gaat de herbergen en hotels alleen binnen om er eenige uren rust te

nemen, hij vertoeft in de restaurants niet langer dan noodig is om

voedsel te gebruiken. Geld schijnt geen waarde voor hem te hebben,

hij verkwist het, hij werpt het weg om zijn tocht te bespoedigen.

Het is geen koopman die voor zijne zaken reist. Het is geen mandarijn,

die door den minister met eene gewichtige zending is belast. Het is

geen kunstenaar die de schoonheden der natuur opspoort. Het is geen

geleerde, geen navorscher, die oude documenten zoekt, in tempels of

kloosters van het oude China verspreid. Het is geen student, die in

den tempel der examens moet opgaan om er een wetenschappelijken graad

te behalen, geen priester van Bouddha, die inspectie moet houden over

de kleine landelijke altaren, opgericht tusschen de wortels van den

heiligen vijgeboom, noch een priester, die ter vervulling van een

belofte een tocht maakt naar een der vijf heilige bergen van het

Hemelsche Rijk.

Het is de gewaande Ki-Nan, vergezeld door Fry-Craig, altijd vol ijver,

en gevolgd door Soun die hoe langer hoe vermoeider wordt. Het is Kin-Fo

die altijd nog verkeert in die zonderlinge gemoedsstemming, welke hem

er toe dreef te vluchten, en te gelijk den spoorloos verdwenen Wang

te zoeken. Het is de cliënt van _de Eeuw_ die van dit onophoudelijk

heen- en weertrekken afleiding verwacht, en misschien een waarborg

tegen de onbekende gevaren waardoor hij bedreigd wordt. Ook de beste

schutter loopt de kans, dat hij een zich steeds bewegend doel mist

en Kin-Fo wenschte zulk een doel te zijn.

De reizigers hadden te Nan-King weder plaats genomen op een, van

de vlugge Amerikaansche stoombooten, groote drijvende hotels die de

Blauwe Rivier bevaren. Zestig uur later stapten zij te Ran-Kéou aan

wal, niet voordat zij die grillige rots bewonderd hadden, de »Kleine

Wees", die zich midden in den stroom der Yang-tze-Kiang verheft,

en op welks top zich trotsch een tempel verheft, waarin de dienst

door Chineesche priesters verricht wordt.

Te Ran-Kéou, aan de samenvloeiing gelegen van de Blauwe Rivier en

zijne voornaamste bijrivier, de Ran-Kiang, [7] bleef onze zwerver

een halven dag stil.

Daar was men omringd door allerlei, niet te herstellen overblijfselen

uit den tijd der Taï-pings; maar noch in deze handelstad, die als 't

ware slechts een aanhangsel is van Rang-Yang-Fou, op den rechter-oever

van de zijrivier, noch te Ou-Tchang-Fou hoofdstad van de provincie van

Rou-Pé aan den rechteroever van den stroom zelf, was iets te bespeuren

van den spoorloos verdwenen Wang. Ook zag men er geen letters als

die, welke Kin-Fo te Nan-King op het graf van den gekroonden priester

had gevonden.

Als Craig en Fry zich hadden voorgesteld dat zij, op hunne reis door

China, eenige kennis op zouden doen van land en zeden, zouden zij zich

spoedig bedrogen gevonden hebben. Zelfs de tijd zou hun ontbroken

hebben om aanteekeningen te maken en hunne indrukken zouden zich

bepaald hebben tot eenige namen van steden en sterkten. Maar zij waren

niet nieuwsgierig en snapachtig evenmin. Zij spraken bijna nooit met

elkander. Waarvoor zou dat ook gediend hebben! Hetgeen Craig dacht,

was ook de meening van Fry. Het zou een soort van alleenspraak geworden

zijn. Zij letten dan ook, evenmin als hun cliënt, op het tweeslachtig

voorkomen van het grootste aantal der Chineesche steden--bijna

uitgestorven in het midden en druk in de voorsteden. Ternauwernood

bespeurden zij te Ran-Kéou het Europeesche gedeelte, kenbaar aan de

breede en rechte straten, de bevallige gebouwen en den schaduwrijken

wandelweg, die zich langs de oevers van de Blauwe Rivier uitstrekt. Zij

keken alleen uit naar één persoon en die persoon bleef onzichtbaar.

De stoomboot kon, dank zij den was dien de wateren van den Ran-Kiang

deed stijgen, deze zijrivier nog circa honderd dertig mijlen tot aan

Leo-Ro-Kéou opstoomen.

Kin-Fo was er de man niet naar om dit soort van vervoermiddel,

't welk hem zeer behaagde, te verlaten. Integendeel, hij stelde er

prijs op zoover te gaan als de Rang-Kiang bevaarbaar was. Eenmaal

daar gekomen, zou hij nader zien. Craig en Fry hadden er niets tegen

dat de tocht aldus voortgezet werd. De bewaking was aan boord zeer

gemakkelijk, de gevaren minder dreigend. Als zij verder kwamen, op

de minder veilige wegen van midden-China, zou het heel wat anders zijn.

Wat Soun betreft, het leven aan boord beviel hem uitstekend. Hij

behoefde niet te loopen, hij behoefde niets te doen, zijn meester

kon hij overlaten aan de goede zorgen van Craig-Fry, hij kon zich,

na flink gegeten en gedronken te hebben, rustig in zijn hoekje

uitstrekken om te slapen en het eten was uitmuntend.

Eene verandering in de voeding aan boord, die eenige dagen later

inviel, moest ieder ander dan dezen stoffel er opmerkzaam op gemaakt

hebben dat er eene wijziging gekomen was in de aardrijkskundige

gesteldheid der reizigers.

Bij den maaltijd werd de plaats van de rijst ingenomen door het koren,

in den vorm van ongerezen broodjes, die, als men ze versch gebruikte,

zeer aangenaam van smaak waren.

Soun betreurde, als een Chinees uit het zuiden, zijne gewone rijst. Hij

kon met zijne kleine stokjes zoo behendig manoeuvreeren, als hij de

korrels uit den schotel in zijn grooten mond bracht, en hij kon zulke

geduchte hoeveelheden naar binnen werken! Rijst en thee, wat heeft

een waar zoon van het Hemelsche Rijk meer noodig!

De stoomboot bleef de Rang-Kiang opvaren en was de grens van het koren

genaderd. Men bespeurde dat men in hooge streken gekomen was. Aan den

gezichteinder zag men eenige bergen met sterkten gekroond, gesticht

onder de oude dynastie der Mings. De dijken, die de wateren van de

rivier binnen hare bedding hielden, verdwenen, de oevers werden lager

en het bed der rivier werd breeder maar verminderde in diepte. Men

was het gebied van Guan-Lo-Fou genaderd.

Kin-Fo ging niet aan wal gedurende de weinige uren die noodig waren om

bij de gebouwen der douanen, nieuwe brandstof aan boord te nemen. Wat

had hij te maken in een stad, die hem geheel onverschillig was? Nu hij

er niet in kon slagen Wang op het spoor te komen, had hij slechts eene

begeerte: zich dieper in noordelijk China te begeven, waar hij wel

geen kans had Wang te vinden, maar waar deze hem ook niet treffen zou.

Na Guan-Lo-Fou deed men twee steden aan, tegenover elkander gelegen,

het eene de handelstad Fan Tcheng op den linkeroever; en de hoofdstad

Siang-Yang-Fou op den rechteroever; de eerste vol beweging en verkeer,

de laatste, de verblijfplaats van de autoriteiten, meer dood dan

levend.

En na Fan Tcheng bleef de Ran-Kiang, met een rechten hoek noordwaarts

buigende, nog tot Lao-Ro-Kéou bevaarbaar. Daar kon de stoomboot,

wegens gebrek aan water, niet verder.

Eenmaal te Lao-Ro-Kéou gekomen, moest er een groote verandering in

de reisplannen worden gemaakt. Men moest de stroomen »die loopende

wegen," verlaten en zichzelf voortbewegen of althans de zacht

schommelende beweging van de boot verwisselen met de schokken, het

gekraak en gestoot van de ellendige voertuigen, die in het Hemelsche

Rijk in gebruik zijn. Ongelukkige Soun! De tijd der beslommeringen,

vermoeienissen, berispingen was voor hem aangebroken!

En waarlijk, hij die Kin-Fo op dezen avontuurlijken zwerftocht, van

gewest tot gewest, van stad tot stad wilde volgen, zou een zwaar werk

ondernomen hebben! Den eenen dag reisde hij per wagen, maar welk een

wagen! Een bak, stevig bevestigd op twee wielen met groote ijzeren

spijkers voorzien en getrokken door twee weerbarstige muilezels,

terwijl men alleen door een linnen huif bedekt was voor de regenvlagen

en zonnestralen! Een anderen dag kon men hem zien uitgestrekt in een

soort van stoel, die tusschen twee lange bamboezen stokken hing en

aan zulk hevig slingeren en stampen was blootgesteld, dat het voor

een vaartuig in al zijne spanten en inhouten een vreeselijk gekraak

zou gegeven hebben.

Craig en Fry bevonden zich als aides-de-camp naast de portieren,

op een paar ezels gezeten, die zoo mogelijk nog meer schudden en

schommelden dan de stoel. Wat Soun betreft, hij ging te voet en als

de marsch wat snel ging, al brommende en vloekende, en zich, meer dan

goed voor hem was, verkwikkende aan den brandewijn van Kao-Liang. Ook

hij ging dan met zonderlinge slingeringen voorwaarts, maar dit was

niet te wijten aan de oneffenheden van het terrein! Kortom, de stoet

ware op een onstuimige zee niet meer geschud geworden.

Kin-Fo en zijne metgezellen deden te paard--dieren waarvan de wederga

in ellende nauwelijks te vinden was--hun intocht te Si-Gnan-Fou,

de oude hoofdstad van het Hemelsche Rijk, en waar de keizers uit de

dynastie der Tangs eertijds hun zetel hadden gevestigd.

Maar welke onafzienbare naakte en droge vlakten had men niet moeten

doortrekken, wat al vermoeienissen, ja zelfs gevaren, had men niet

doorworsteld eer deze afgelegen provincie van Chen-Li bereikt was!

De Meizon wierp, op een breedte, ongeveer overeenstemmende met 't

zuiden van Spanje, bijna onuitstaanbaar heete stralen op het aardrijk,

en dreef het fijne stof der wegen, die nooit met steenen hadden kennis

gemaakt, omhoog.

Als men door zulk een gelen wervelwind werd overdekt, die de lucht als

met een ongezonden damp verpestte, kon men er op rekenen van boven tot

beneden in het grijs gestoken te worden. Men was daar in de streek van

de "Loess," een zonderling soort van geologische formatie, eigen aan

't noorden van China; 't is geen aarde en ook geen rots, maar een

soort van steen, dat nog niet tot een vasten toestand gekomen is.

De gevaren die men te doorstaan had, waren niet van denkbeeldigen aard

in een land, waar de politiedienaars eene buitengewone vrees koesteren

voor de messen van de dieven. Als men bedenkt, dat de »tipaos" in

de steden aan de schurken vrij spel laten en de bewoners aldaar zich

des nachts zelfs niet op de drukst bewoonde gedeelten durven begeven,

kan men er over oordeelen hoe het op de wegen gesteld is! Meermalen

werden de reizigers door verdachte troepen aangehouden, als zij de

nauwe holen, diep tusschen de »loess"-lagen uitgegraven, doortrokken;

maar het zien van Craig-Fry met den revolver in den gordel, had de

straatroovers tot nog toe altijd eerbied ingeboezemd. Toch waren

de agenten van _de Eeuw_ herhaaldelijk in groote onrust, minder

voor zichzelf dan wel voor het millioen, dat aan hunne zorg was

toevertrouwd. Of Kin-Fo door het mes van een boosdoener of door den

dolk van Wang viel, was voor hen hetzelfde. De slag toch zou in ieder

geval de maatschappij treffen.

Kin-Fo was overigens niet minder goed gewapend en even vast besloten

zich te verdedigen. Hij hechtte meer dan ooit aan het leven en hij

zou, om de uitdrukking van Craig-Fry te bezigen, »zich hebben laten

dooden om het te behouden."

't Was niet waarschijnlijk dat men te Si-Gnan-Fou eenig spoor zou

vinden van den philosoof. Nooit zou een oude Taï-ping op de gedachte

gekomen zijn daar een schuilplaats te zoeken. 't Is een stad welker

wallen nooit door de opstandelingen zijn bemachtigd en die door een

talrijk garnizoen is bezet. Alleen iemand die een bijzonderen smaak

had voor archaeologische merkwaardigheden, in de plaats zeer talrijk,

of die ervaren was in het uitleggen van de meest geheimzinnige

spreuken--het museum aldaar »het bosch der tafelen" geheeten, was

er rijk aan--kon roeping gevoelen daarheen te gaan. 't Was niet

waarschijnlijk dat Wang er zou zijn.

Daarom verliet Kin-Fo dan ook, den dag na zijne aankomst, deze stad,

een gewichtig punt voor den handel tusschen midden-Azië, Thibet,

Mongolië en China, en zette den tocht verder noordwaarts voort.

Langs Kao-Lin-Sien, Sing-Tong-Sien, den weg door het dal van de

Quei-Ro, welker wateren met het gele stof van de »loess," door welks

bodem zij liep, bedekt waren, kwam de kleine troep te Roua-Tchéou

aan, het brandpunt van den geweldigen opstand der Muzelmannen

in 1860. Vandaar bereikte Kin-Fo en zijne gezellen, nu eens per

vaartuig, dan weder per wagen, niet zonder groote vermoeienissen,

de vesting Tong-Kouan, aan de samenvloeiing van de Quei-Ro en de

Rouang-Ro gelegen.

De Rouang-Ro is de vermaarde Gele rivier. Zij daalt van het noorden af

om zich, door de oostelijke provinciën, in de zee te storten die haren

naam draagt, zonder daarom geel te zijn, evenmin als de Roode zee rood,

de Witte zee wit of de Zwarte Zee zwart is. De stroom is beroemd, en

ongetwijfeld van Hemelschen oorsprong, wijl zijn kleur die is van den

keizer, Zoon van den Hemel; maar hij wordt ook »China's leed" geheeten,

een naam dien hij dankt aan de geduchte overstroomingen, waardoor voor

't oogenblik het Keizer-kanaal in ontredderden toestand verkeert.

Te Tong-Kouan zouden de reizigers, zelfs des nachts, veilig geweest

zijn. Het is geen handelstad, maar een militaire plaats, en bewoond,

niet tijdelijk maar als vaste verblijfplaats, door de Mantsjoersche

Tartaren, de keurtroepen van het Chineesche leger! Misschien was

Kin-Fo voornemens er eenige dagen rust te nemen. Misschien zou hij er

in een hotel eene goede kamer, eene goede tafel, een goed bed gezocht

hebben--'t geen zeker noch aan Craig-Fry, noch vooral aan Soun zou

hebben mishaagd.

Maar deze onhandige snaak, die bij deze gelegenheid een paar duim van

zijn staart moest missen, had de onvoorzichtigheid om bij de douanen

in plaats van den aangenomen naam, den waren naam zijns meesters te

noemen. Hij vergat dat hij de eer had niet Kin-Fo, maar Ki-Nan te

dienen. Welk een uitbarsting! De vergissing verplichtte den reiziger

onmiddellijk te plaats te verlaten. Zijn naam had reeds het noodige

effect gemaakt. De beroemde Kin-Fo was te Tong-Kouan aangekomen. Men

wilde dien man zien, »wiens eenigste wensch was honderd jaar oud

te worden!"

De getergde reiziger slaagde er ternauwernood in zich met zijne beide

bewakers en zijn knecht door de vlucht te onttrekken aan de massa

nieuwsgierigen, die als uit den grond oprezen. Te voet, ditmaal te

voet! beklom hij de steile oevers der Gele rivier, en hij liep door

totdat zijne metgezellen en hij zelf van vermoeienis neervielen in

een klein dorp, waar zijne volslagen onbekendheid hem wel eenige uren

van rust waarborgde.

Soun, thans geheel uit het veld geslagen, durfde zijn mond niet meer

opendoen. Thans was hij, met den belachelijken rattenstaart, die

hem nog slechts overbleef, het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid

en der onaangenaamste bespotting! De straatjongens wezen hem na en

vervolgden hem met allerlei zoutelooze grappen.

Hij verlangde dus wel naar het einde der reis. Doch waar was dat

einde? Had zijn meester niet zelf aan den heer William J. Bidulph

verklaard dat hij niet ophouden zou zoolang er nog een weg vóor

hem lag?

In het dorpje, op twintig _lis_ [8] van Tong-Kouan, waar Kin-Fo zich

verborgen had, was niets te krijgen; geen paarden, geen ezels, geen

wagens, geen draagstoelen. Er bleef niets anders over dan terug te

keeren of te voet verder te gaan. Dat was juist niet bevorderlijk om

den leerling van den philosoof Wang in een gelijkmatig humeur te houden

en hij bracht bij deze gelegenheid de lessen van zijn leermeester

dan ook slecht in practijk. Hij beschuldigde iedereen, terwijl hij

eigenlijk met zichzelf had moeten beginnen. Och, wat betreurde hij den

tijd toen zijn leven zoo kalm daarheen ging! Moest hij, om het geluk te

kunnen waardeeren, verdriet, ongeluk en kwelling gekend hebben, zooals

Wang zeide, thans had hij aan deze laatste zaken waarlijk geen gebrek.

En dan ook had hij op zijn tocht vele brave menschen ontmoet die geen

duit bezaten, maar toch gelukkig waren! Hij was in de gelegenheid

geweest de verschillende soorten van geluk op te merken, die verkregen

worden door den met vreugde verrichten arbeid.

Hier waren het landbouwers over hun arbeid gebukt; daar ambachtslieden,

die al zingende hunne gereedschappen hanteerden. Het was immers juist

aan het gebrek aan arbeid dat Kin-Fo het gebrek aan begeerten en

bij gevolg, het gebrek aan geluk hier beneden te danken had! O! 't

Was een goede les! Hij meende het althans!!... Neen! vriend Kin-Fo,

toch was het zoo niet!

Met veel moeite en na herhaalde mislukte pogingen slaagden Craig en

Fry er ten slotte in een voertuig te vinden, het eenige dat het dorp

bezat. Het was slechts geschikt voor een enkelen persoon en er was

niemand om het in beweging te brengen.

Het was een kruiwagen--Pascal's kruiwagen,--en misschien reeds vóór

hem uitgevonden door de vernuftige Chineezen, die ook het buskruit,

het schrift, het kompas en de vliegers uitvonden. Maar in China is het

groote wiel niet voor aan den wagen, doch midden er onder geplaatst,

evenals het rad bij zekere booten. De wagen is daardoor in twee

deelen verdeeld, één voor den reiziger om zelf plaats in te nemen,

het andere voor zijn bagage.

Dit voertuig kan alleen door een mensch in beweging gebracht worden,

die het voortduwt en niet voortsleept. Die dit doet staat dus achter

den reiziger, evenals de voerman van een Engelsche cab, en beneemt

hem het vrije uitzicht niet. Als de wind gunstig, dat wil zeggen

achter het rijtuig is, maakt hij, die den wagen duwt, gaarne van deze

kostelooze beweegkracht gebruik. Hij zet er een mast en een zeil op,

en als het goed waait, dan behoeft hij niet te duwen, dan wordt hij

integendeel zelf voortgetrokken--en somtijds sneller dan hem lief is.

Het voertuig werd gekocht met al wat er bij behoorde en Kin-Fo nam

er plaats in. De wind was gunstig en het zeil werd geheschen.

»Komaan Soun!" riep Kin-Fo.

Soun maakte zich gereed om plaats te nemen in de tweede afdeeling.

»Ben je mal! Achter den wagen en duwen", beval Kin-Fo op een toon,

die geen tegenspraak toeliet.

»Mijnheer.... wat.... ik!" riep Soun uit en hij voelde zijne knieën

reeds knikken, als een paard dat overwerkt is.

»'t Is je eigen schuld; 't is een gerechte straf voor je

onbescheidenheid en babbelzucht."

»Komaan Soun!" voegden Craig en Fry er bij.

»Achter den wagen en duwen!" herhaalde Kin-Fo, met een

veelbeteekenenden blik op het eindje staart dat den ongelukkige nog

over bleef. »En pas op dat je niet struikelt, of anders..."

Een gebaar met wijs- en middenvinger vulde den zin aan. Soun deed

den draagband over zijne schouders en greep de berrie met beide

handen. Craig en Fry namen hunne plaats aan weerszijden in en daar

er een frissche bries woei, ging de stoet op een sukkeldrafje vooruit.

Het is onmogelijk om de sprakelooze woede van Soun te beschrijven,

nu hij als paard dienst moest doen, en zelfs de omstandigheid dat

Craig of Fry somtijds zijne plaats innam, kon er hem niet mede

verzoenen. Zeer gelukkig bleef de zuidenwind hun bijna voortdurend

getrouw, 't geen hun drie-vierde van het werk uitwon. De kruiwagen

stond goed in evenwicht en de man die duwde behoefde eigenlijk alleen

te sturen en te zorgen dat men niet van den weg afdwaalde.

Op deze wijze trok Kin-Fo door de noordelijke provinciën van China,

loopende als hij wat stijf in zijne beenen geworden was, zich latende

rijden als hij behoefte gevoelde om weder te rusten.

Na langs de steden Houan-Fou en Ca-Fong gegaan te zijn, kwam hij aan

de steile overs van het Groote Keizers-kanaal, dat nauwelijks twintig

jaar geleden, voordat de Gele Rivier weder in haar oude bedding

teruggekeerd was, een schoonen waterweg vormde van een paar honderd

uur ver, die van Sou-Tchéou, het land der thee, tot Peking liep.

Hij kwam zoo door Tsinan en Ho-Kien in de provincie Té-Tché-li,

waarin Peking ligt, de viervoudige hoofdstad van het Hemelsche Rijk.

Zoo trok hij door Tien-Tsin, dat door een ringmuur en twee forten

beschermd wordt, eene groote stad van vierhonderdduizend inwoners

met een schoone haven die door de Peï-Ho en het Keizerskanaal

gevormd wordt en waar jaarlijks een zeventig millioen omgezet

wordt door den invoer van katoen uit Manchester, wollen goederen,

koper- en ijzerwerk, Duitsche lucifers, sandelhout enz. enz. en den

uitvoer van jujubes, bladeren van waterlelies, Tartaarsche tabak en

dergelijke artikelen. Kin-Fo dacht er echter zelfs niet aan om in dit

zonderlinge Tien-Tsin de beroemde pagode der helsche straffen te gaan

bezoeken; hij deed geen wandeling in de oostelijke voorstad door de

vermakelijke Lantaarnstraat en die der Oude-kleeren; hij ontbeet niet

in de restauratie »de Harmonie en de Vriendschap" van den muzelman

Léou-Lao-Ki, wiens wijnen beroemd zijn in spijt van Mahomets verbod;

hij onthield zich natuurlijk een zijner groote roode naamkaarten af

te geven op het paleis van Li-Tchong-Tang, onderkoning der provincie

sedert 1870, lid van den geheimen raad en den raad van 't keizerrijk,

die het recht heeft om een geel vest te dragen en den titel voert

van Fei-Tzé-Chao-Pao.

Neen, Kin-Fo steeds in zijn kruiwagen en Soun er achter, trokken

langs de kaden waar bergen van zoutzakken lagen; zij gingen door de

voorsteden, de Engelsche en Amerikaansche nederzettingen, het renperk,

de velden met sorgho, rogge, Turksch koren, met wijngaarden en groenten

van allerlei aard; door de vlakten waar men talrijke hazen, patrijzen

en kwartels zag, aanhoudend vervolgd door steen- en andere valken. Het

viertal vervolgde den klinkerweg naar Peking, die vier en twintig

uur lang en met boomen beplant is en zoo kwamen zij gezond en wel te

Tong-Tchéou aan, Kin-Fo altijd nog tweehonderdduizend dollars waard,

Craig en Fry zoo frisch als bij het begin der reis, Soun aamborstig,

kreupel en met een staart die nauwelijks nog op dien naam aanspraak

mocht maken.

Het was 19 Juni. De aan Wang toegestane termijn verliep eerst over

zeven dagen!

Waar was Wang?

Wonderlijke avonturen van een Chinees, gevolgd door Muiterij aan boord der 'Bounty' · 第 17 / 36 题