Dat zeer treurig zijn zou als het geen eigenaardige Chineesche
zeden en gewoonten gold.
Wat de heer William J. Bidulph ook zeggen en denken mocht, de kas van
de verzekeringsmaatschappij _de Eeuw_ werd werkelijk ernstig bedreigd;
een plan als dat van Kin-Fo toch wordt, als men het eens in vollen
ernst heeft opgevat, niet onbepaald uitgesteld. Nu hij volkomen ten
gronde gericht was, had de leerling van Wang stellig besloten een
einde te maken aan een leven dat hem, zelfs in de dagen van zijn
enormen rijkdom, slechts verveling en verdriet opleverde.
De brief, dien Soun acht dagen te laat bezorgd had, kwam uit
San-Francisco en meldde dat de centrale bank van Californië hare
betalingen had gestaakt. Het vermogen van Kin-Fo nu was, zooals
wij reeds gezegd hebben, nagenoeg geheel belegd in aandeelen dezer
beroemde en tot nog toe zoo solide bank. Maar er was geen twijfel
meer mogelijk. Hoe onwaarschijnlijk het bericht ook eerst geklonken
mocht hebben, 't was, helaas, slechts al te waar. Het werd bevestigd
door al de Amerikaansche dagbladen die te Shang-Haï aankwamen. De
bank was failliet verklaard en Kin-Fo volkomen geruïneerd.
Wat bleef hem toch, behalve de nu waardelooze aandeelen, nog
over? Niets of zoo goed als niets. Zijne woning te Shang-Haï. Maar al
kon hij die al verkoopen, dan nog zou de opbrengst niet genoeg zijn om
van te leven. De achtduizend dollars door hem als premie aan _de Eeuw_
betaald, eenige aandeelen in de maatschappij der Tien-Tsin-booten,
die hij dienzelfden dag verkocht had en die nauwelijks voldoende waren
om eene deftige begrafenis te betalen, ziedaar zijn geheele vermogen.
Een Westerling, een Franschman of een Engelschman zou zich misschien
als een wijsgeer in dit lot geschikt en getracht hebben door hoofd
en handen zich opnieuw een bestaan te verzekeren. Een zoon van
het Hemelsche Rijk meende het recht te hebben om de zaken anders
op te vatten. Als een echte Chinees nam Kin-Fo, zonder eenige
gewetenswroeging en met die kalme onverschilligheid, welke het
Mongoolsche ras kenmerkt, zijne toevlucht tot zelfmoord, als het
beste middel om tot eene oplossing te komen.
De Chinees bezit alleen een lijdelijken moed, doch bezit dien dan
ook in hooge mate. 't Is waarlijk verbazend hoe weinig zij den dood
vreezen. Als zij ziek zijn, zien zij hem onverschillig tegemoet. Als
zij ter dood veroordeeld worden en de beul hen reeds onderhanden
heeft, toonen zij geen zweem van angst. De zoo veelvuldig voorkomende
doodvonnissen en het zien der vreeselijke pijnigingen, die in het
openbaar voor allerlei misdrijven toegepast worden, schijnen de zonen
van het Hemelsche Rijk reeds op jeugdigen leeftijd gemeenzaam te maken
met het denkbeeld, de wereldsche zaken zonder berouw vaarwel te zeggen.
Het zal dan ook wel niemand verwonderen dat men in ieder gezin
vertrouwd is met het denkbeeld van den dood en dat het dikwijls een
onderwerp van het gesprek uitmaakt. Men houdt het voor oogen tot
zelfs bij de meest gewone handelingen van het dagelijksch leven en
de vereering der afgestorvenen vindt men tot in de armste kringen. In
elke woning der meer welgestelden is een soort van huiselijk heiligdom,
in de armzaligste hut wordt een hoekje afgezonderd voor de reliquieën
der voorvaderen, wier gedenkdag in de tweede maand des jaars gevierd
wordt. Daarom vindt men in dezelfde magazijnen waar men wieg en
luiermand koopt en waar men zich zijn uitzet kan aanschaffen, ook
steeds eenen rijken voorraad doodkisten van allerlei soort, een zeer
gezocht handelsartikel bij de Chineezen.
Ieder zorgt dan ook bij tijds zich van eene doodkist te voorzien en
een ameublement zou niet compleet zijn als de baar in het ouderlijk
huis ontbrak. De zoon zou in zijne plichten te kort schieten als
hij verzuimde zijn vader er bij zijn leven een aan te bieden; zulks
wordt integendeel beschouwd als een treffend bewijs van kinderlijke
genegenheid. De baar wordt in eene daarvoor afzonderlijk bestemde
kamer geplaatst. Men versiert haar, houdt haar keurig in orde en
meestal wordt zij, nadat zij eens aan hare bestemming voldaan heeft,
nog jaren lang zorgvuldig bewaard. De eerbied voor de dooden is
eigenlijk de grondslag van den godsdienst der Chineezen en is zeer
bevorderlijk aan het in stand houden van den band die de leden van
hetzelfde gezin verbindt.
Kin-Fo moest, dank zij zijn temperament, wel zeer kalm blijven bij
het denkbeeld, dat hij weldra uit het leven zou scheiden. Hij had het
lot verzekerd der beide wezens die hem na aan het hart lagen. Wat zou
hem dan nog aan het leven binden? Niets. De zelfmoord veroorzaakte
hem zelfs niet de minste wroeging, want wat in beschaafde landen
vaak als een misdaad beschouwd wordt, is als het ware een wettig en
geoorloofd iets te midden dier zonderlinge beschaving van Oost-Azië.
Kin-Fo's besluit stond dus vast en niets kon hem weerhouden; zelfs
de invloed van den wijsgeerigen Wang zou daartoe niet in staat zijn
geweest.
Daarenboven wist Wang niets van het voornemen van zijnen leerling
af. Soun evenmin en deze had alleen opgemerkt dat zijn meester sedert
zijne terugkomst zijne dagelijksche dwaasheden beter kon verdragen dan
vroeger. Soun leefde werkelijk op en verzekerde zichzelf herhaaldelijk,
dat hij nooit een beteren meester zou kunnen krijgen; zijn kostbare
staart verheugde zich thans in eene sedert lang ongekende veiligheid.
Een Chineesch spreekwoord zegt: »Om op deze wereld gelukkig te zijn,
moet men te Kanton leven en te Liao-Tchéou sterven."
Te Kanton vindt men namelijk alles wat het leven aangenaam kan maken
en te Liao-Tchéou worden de beste doodkisten vervaardigd.
Kin-Fo bestelde natuurlijk de zijne bij de beste firma en kon dus
verzekerd zijn dat zijne laatste woning volmaakt zou zijn en bij tijds
afgeleverd worden. Behoorlijk toegerust zijn voor den eeuwigen slaap
is een der eerste vereischten voor iemand die weet hoe het behoort.
Terzelfder tijd liet Kin-Fo een witten haan koopen, waarin, zooals
men weet, de geesten het liefst gaan wonen als zij bij het sterven
een der zeven elementen opgevangen hebben waaruit de Chineesche ziel
samengesteld is.
Men ziet het, was Kin-Fo al onverschillig omtrent al wat zijn leven
betrof, voor wat met den dood in verband stond was de leerling van
Wang het volstrekt niet.
Nu al deze beschikkingen genomen waren, behoefde hij nog slechts
het programma voor zijne begrafenis op te stellen. Op een fraai
blad rijstpapier--dat echter volstrekt niet van rijst vervaardigd
wordt--schreef hij nog dienzelfden dag zijn laatsten wil.
Na aan de jonge weduwe zijn huis te Shang-Haï vermaakt te hebben
en aan Wang een portret van den keizer Taï-ping, dat de wijsgeer
altijd met bijzondere voorliefde beschouwd had,--alles natuurlijk
buiten de kapitalen op zijn leven bij de maatschappij de _Eeuw_
verzekerd--beschreef Kin-Fo nauwkeurig de volgorde en den marsch der
personen die aan zijne begrafenis zouden deelnemen.
Eerst, bij gebrek aan bloedverwanten, zou een deel der vrienden, die
hem overgebleven waren, aan het hoofd van den stoet gaan, in witte
kleederen, de rouwdracht der Chineezen. Langs de straten tot aan het
graf, reeds lang buiten Shang-Haï gereed gemaakt, zou eene dubbele
rij groefdienaars geschaard staan met verschillende attributen,
blauwe zonneschermen, hellebaarden, zinnebeelden der gerechtigheid,
zijden schermen en schrijfborden met het programma der plechtigheid;
deze dienaars moesten gekleed zijn in een zwart overkleed met witten
gordel en een vilten hoed met rooden vederbos op het hoofd. Op den
eersten vriendengroep volgde een man, van het hoofd tot de voeten in
scharlaken, den gong slaande en gevolgd door iemand die het portret
van den overledene droeg in eene rijk versierde lijst gevat. Daarop
kwam dan een tweede groep vrienden, die op bepaalde afstanden in zwijm
moesten vallen op de daarvoor vooraf gereedgemaakte kussens. Eindelijk
moest een derde groep jongelieden, onder een draaghemel van blauw
met goud, langs den weg voortdurend kleine stukjes wit papier werpen
evenals de sapeken met een gat in het midden, om de kwade geesten
te verstrooien, die zich opgewekt mochten gevoelen om den stoet
te vergezellen.
Dan zou de katafalk volgen, een enorme palankijn met violet-kleurige
zijde overspannen en geborduurd met gouden draken, door vijftig
knechten op de schouders gedragen en omringd door eene dubbele rij
Chineesche priesters. In grijze, roode en gele kasuifels gekleed
zouden deze de laatste gebeden opzeggen, tot afwisseling van het
gedonder der gongs, het geschetter der fluiten en de fanfares der
zes voet lange bazuinen.
Achter het lijk volgden eindelijk de met wit bekleede rouwkoetsen
als een waardig slot van den prachtigen stoet, waarvan de kosten
ter nauwernood zouden kunnen bestreden worden door hetgeen er nog
van Kin-Fo's vermogen over was. Dit programma was op zichzelf niets
buitengewoons. Vele begrafenisstoeten van deze »klasse" ziet men in
de straten van Kanton, Shang-Haï of Peking; en de Chineezen zien er
niets anders in dan eene rechtmatige hulde aan de nagedachtenis van
den afgestorvene.
Op 22 October kwam een groote koffer uit Liao-Tchéou aan het adres
van Kin-Fo te Shang-Haï aan. Hij bevatte de zorgvuldig ingepakte
doodkist. Noch Wang, noch Soun, noch een der dienaren van de yamen
zag daarin iets om zich over te verwonderen. Wij zeiden reeds dat
ieder Chinees er aan hecht om bij zijn leven zelf het bed in orde te
maken waarop hij den eeuwigen slaap slapen zal.
De kist, een meesterstuk in zijn soort, werd in de »zaal der
voorouders" geplaatst. Daar zou zij goed onderhouden, gewreven en
gepoetst, zeker lang kunnen wachten voordat haar eigenaar hem in
bezit nam, zoo dachten de bedienden met het oog op het gestel en de
levenswijze van hunnen meester.... Maar het zou niet alzoo zijn, had
Kin-Fo besloten. Zijne dagen waren geteld en het uur naderde waarop
hij met zijne voorouders vereenigd zou worden.
Hij had namelijk besloten nog denzelfden avond een einde aan zijn
leven te maken.
Hij ontving dien dag een brief van de troostelooze Lé-ou. De jonge
weduwe bood hem alles aan wat zij bezat. Het was haar niet om geld
of goed te doen; daar kon zij buiten. Zij beminde hem; wat begeerde
hij meer? Konden zij niet in eenvoudiger kring even gelukkig zijn?
Deze brief ademde de innigste teederheid, doch was niet in staat
Kin-Fo tot andere gedachten te brengen.
»Alleen mijn dood kan haar rijk maken," dacht hij.
Nu bleef hem nog over te bepalen hoe en waar hij de laatste daad
zou plegen. Het verschafte Kin-Fo een eigenaardig genot, zich met
de regeling van al deze bijzonderheden te kunnen bezig houden. Hij
hoopte toch dat op het laatste oogenblik, voor hoe korten tijd dan ook,
eens eene sterke ontroering zijn hart sneller zou doen kloppen!
Op de binnenplaats der yamen verhieven zich vier schoone kiosken,
versierd met al de fantasie waardoor het talent der Chineesche
decoratieschilders zich kenmerkt. Zij droegen zinnebeeldige namen: het
paviljoen van het Geluk, waar Kin-Fo nooit binnentrad; het paviljoen
der Fortuin, dat hij steeds met de grootste minachting beschouwde;
het paviljoen van het Genot, waarvan de poorten reeds lang voor hem
gesloten waren; het paviljoen van het Leven, waarvan hij niet langer
gebruik verkoos te maken.
Dit paviljoen was het dat zijn instinct hem deed kiezen. Hij besloot
er zich bij het vallen van den avond in op te sluiten. Daar zou men
hem den volgenden ochtend vinden, reeds gelukkig in den dood.
En hoe zou hij sterven? Zich den buik opensnijden als een Japanner,
zich wurgen met zijn zijden koord als een mandarijn, zijne polsaderen
openen in een geparfumeerd bad, als een epicurist uit het oude
Rome? Neen, iets dergelijks zoude in de eerste plaats iets zeer
onaangenaams en lastigs hebben voor zijne vrienden en bedienden. Een
paar grein opium, vermengd met een snel werkend vergif, zouden
voldoende zijn om hem naar de andere wereld over te brengen, zonder dat
hij er zelfs iets van bespeurde, of waarschijnlijk in een liefelijken
droom zijnen tijdelijken slaap in een eeuwigen doen overgaan.
De zon begon reeds ter kimme te neigen en Kin-Fo had dus niet lang
meer te leven. Hij wilde op eene laatste wandeling nog eenmaal
een blik werpen op de omstreken van Shang-Haï en de oevers van den
Houang-Pou, waar hij zich zoo dikwijls had loopen vervelen. Alleen,
zonder zelfs Wang dien dag gezien te hebben, verliet hij dus zijn
yamen voor de laatste maal. Als hij haar weder betrad zou hij er niet
levend weder uitgaan.
Hij doorliep de Engelsche concessie, ging over de brug en stapte
langs het Fransche terrein op zijne gewone indolente manier en zonder
door iets te verraden wat er bij hem omging. Zoo bereikte hij ten
slotte den weg die naar de pagode van Loung-Hao voert. Hij was nu in
het vlakke en uitgestrekte veld, dat eerst aan den horizon begrensd
wordt door de bosschen van de Min-vallei, onmetelijke moerasvlakten,
slechts met moeite in rijstvelden herschapen. Hier en daar zag hij
het kanalennet, dat met de zee in verbinding staat, eenige ellendige
dorpen, waarvan de rieten hutten met eene geelachtige klei bestreken
waren, en een paar hooggelegen velden met koren begroeid. Langs de
smalle paden nam een groot aantal honden, witte geiten, eenden en
ganzen de vlucht als eenig voorbijganger hen in hunne rust kwam storen.
Dit rijkbebouwde veld, dat voor de inboorlingen niets bijzonders had,
was echter wel in staat om bij een vreemdeling verbazing en misschien
weerzin te wekken. Overal zag men er namelijk doodkisten en wel bij
honderdtallen. Zonder te spreken van de grafheuvels, die aanwezen waar
reeds definitieve begrafenissen hadden plaats gehad, zag men geheele
stapels langwerpige kisten op elkander staan, en pyramiden van baren,
uitgestald als enorme planken op een scheepstimmerwerf. De vlakte
rondom de Chineesche steden is slechts een groot kerkhof. De dooden
vinden er evenmin ruimte genoeg om te rusten als de levenden om zich
te bewegen. Men zegt dat het verboden is de lijkkisten te begraven
zoolang eenzelfde dynastie op den troon van het Hemelsche Rijk zit,
en deze dynastiën tellen haar bestaan somtijds bij eeuwen! Of dit
verbod bestaat of niet, zeker is het, dat de lijken in hunne kisten,
sommige met levendige kleuren beschilderd, andere eenvoudig of somber,
eenige nieuw en opgesierd, de meeste reeds in elkander gezakt,
gedurende tal van jaren op ter aardebestelling wachten.
Kin-Fo was hiermede te goed bekend om er zich een oogenblik over te
verwonderen; daarenboven zag hij ook niet om zich heen. Hij bespeurde
niet eens dat hij sedert hij zijn yamen verlaten had, gevolgd werd door
twee personen in Europeesche kleederdracht, die hem steeds in het oog
hielden. Zij wisselden nu en dan een blik of enkele woorden en waren
blijkbaar uitgezonden om hem te bespieden. Hij zag ze niet, ofschoon
zij hem niet uit het gezicht schenen te willen verliezen. Ze hielden
zich op eenigen afstand, volgden Kin-Fo als hij liep, maar hielden op,
zoodra hij bleef staan. Zij waren van middelbare grootte, nog geen
dertig jaar oud, vlug in hunne bewegingen en scherp in hun blik; men
zou hen gemakkelijk met een paar speurhonden hebben kunnen verwarren.
Nadat Kin-Fo ongeveer een uur buiten de stad gedwaald had, keerde hij
weder naar de oevers van de Houang-Pou terug. Ook op zijn terugtocht
verloren zijne bespieders hem niet uit het oog.
Kin-Fo ontmoette op zijn terugweg twee of drie bedelaars, die er
allerellendigst uitzagen, en gaf hun een aalmoes.
Iets verder kwam hij een paar Chineesche Christinnen tegen, die,--tot
hun liefdewerk opgewekt door Fransche zusters van liefdadigheid--met
een mand op den rug rondloopen om de arme verlaten kinderen die zij
vinden naar de crèches te brengen. Men heeft ze »voddenraapsters van
kinderen" betiteld. En werkelijk, die kleine ongelukkigen zijn niet
veel anders dan vodden, hier en daar in een hoek neergeworpen!
Kin-Fo schudde zijne beurs in de hand van een dezer liefdezusters leeg.
De beide vreemdelingen schenen zeer verbaasd over deze daad van den
zoon uit het Hemelsche Rijk.
De avond was gevallen en Kin-Fo, binnen Shang-Haï teruggekomen,
liep langs de kade huiswaarts.
De stad was nog niet in rust. Van alle kanten kon men nog geschreeuw,
gejoel of gezang hooren.
Kin-Fo luisterde. Hij wilde gaarne weten welke de laatste woorden
zouden zijn die het hem vergund was te hooren.
Eene jeugdige Tankadere, die haar platboomd vaartuig door de sombere
wateren van de Houang-Pou voortdreef, zong een droefgeestig minnelied:
»Mijn bootje met frissche kleuren--is versierd met duizenden
bloemen.--Ik wacht hem met een van verlangen brandend hart!--Hij moet
morgen terugkeeren!--Dat God hem bewake!--Dat uwe hand hem bij zijn
terugkomst bescherme!--Verkort hem zijn langen weg!"--
»Hij zal morgen terugkeeren! En ik, waar zal ik morgen zijn?" dacht
Kin-Fo, het hoofd schuddende.
De jonge Tankadere hernam:
»Hij is ver van ons gegaan--naar het land der Mantsjoerijnen--tot de
muren van ons China!--Ach, wat heeft mijn hart dikwijls gesidderd--als
de stormwind loeide--en hij den storm trotseerende--voorwaarts ging."--
Kin-Fo luisterde, maar zeide niets.
De Tankadere vervolgde:
»Waarom gaat ge toch altijd op avontuur uit?--Waarom wilt gij ver van
mij sterven?--Zie het is reeds de derde maan!--Kom, de priester wacht
ons om de beide phenixen, ons zinnebeeld [4], te vereenigen!--Kom! keer
terug, ik bemin u en gij bemint mij!
»Ja, misschien!" mompelde Kin-Fo. »Zonder rijkdom is de wereld niets
waard! Het leven loont de moeite niet om daarvan de proef te nemen!"
Een half uur later was Kin-Fo in zijn huis teruggekeerd. De beide
vreemdelingen, die hem steeds gevolgd waren, moesten hier achter
blijven.
Kin-Fo begaf zich rustig naar de kiosk van het »Leven", opende
de deur, sloot ze weder en bevond zich alleen in een klein salon,
't welk zacht verlicht was door een lantaarn van mat glas.
Op een tafel, van nephriet vervaardigd, bevond zich een koffertje dat
eenige pillen opium bevatte, die vermengd waren met een doodelijk
vergif, een »middel", dat de rijke onverschillige altijd bij de
hand had.
Kin-Fo nam een van deze pillen, bracht ze in een pijp van roode klei,
waarvan zich in den regel de opiumschuivers bedienen en maakte zich
gereed ze aan te steken.
»Wat nu!" zeide hij, »zelfs geen ontroering op het oogenblik dat ik
op het punt ben in te slapen om nooit weer te ontwaken!"
Hij aarzelde een oogenblik.
"Neen!" riep hij uit, de pijp wegwerpende, die op den grond in stukken
brak. »Ik _wil_ ze gevoelen, die laatste ontroering! al zou het dan
alleen zijn de spanning, die met de onzekerheid van het oogenblik
des doods gepaard gaat.... ik wil ze, en ik zal ze hebben!"
En de kiosk verlatende, begaf Kin-Fo zich met bijna even kalmen stap
als altijd naar de kamer van Wang.