Waarin Kin-Fo aan Wang een ernstig voorstel doet, dat deze
niet minder ernstig aanneemt.
De philosoof had zich nog niet ter ruste begeven. Op een divan
uitgestrekt las hij het laatste nommer van de _Pekingsche Courant_. Als
zich zijne wenkbrauwen fronsten kon men er verzekerd van zijn, dat
het blad de een of andere loftuiting toezwaaide aan de regeerende
dynastie der Tsings.
Kin-Fo opende de deur, trad de kamer binnen, wierp zich in een
leuningstoel en sprak zonder eenige inleiding:
»Wang"--zeide hij--»wil je me een dienst bewijzen."
»Tienduizend voor een!" antwoordde de philosoof, het blad latende
zakken. »Spreek, beste jongen, spreek zonder vrees en welke dienst
het ook zij, ik zal hem je bewijzen!"
»De dienst dien ik je vraag, behoort tot dezulken", sprak Kin-Fo,
»die een vriend slechts eenmaal kan bewijzen. Na deze, Wang, schenk
ik je de overige negenduizend negenhonderd negen en negentig kwijt
en ik voeg er bij, dat je niet eens op een dankbetuiging mijnerzijds
behoeft te rekenen."
»Ook de meest bekwame uitlegger van de onbegrijpelijkste zaken zou
er niets van kunnen maken. Wat is je bedoeling?"
»Wang," zeide Kin-Fo, »ik ben geruïneerd."
»Ah, ah!" liet de philosoof hooren op den toon van iemand, die eerder
een goed dan een slecht nieuwtje verneemt.
»De brief dien ik bij mijn terugkomst van Kanton heb gevonden",
hernam Kin-Fo, »strekte om mij te doen weten, dat de Centrale Bank
van Californië failliet was. Behalve mijn yamen en eenige duizenden
dollars, waarvan ik nog een of twee maanden kan leven, heb ik niets
meer."
»Dus", vroeg Wang, na zijn leerling een poos aangestaard te hebben,
»is het niet meer de rijke Kin-Fo, die tot mij spreekt."
»Het is de arme Kin-Fo, wien de armoede trouwens in 't minst geen
schrik aanjaagt."
»Goed gesproken, mijn zoon," zeide de philosoof, van zijn zetel
rijzende. »De tijd en de moeite, besteed om je de lessen der wijsheid
te leeren, zijn dus niet verloren gegaan! Tot nu toe heb je geleefd
zonder hartstocht, zonder strijd! Nu eerst zal je gaan leven! De
toekomst is veranderd! Wat komt er dat op aan! Terecht heeft Confucius
gezegd, er gebeuren altijd minder ongelukken dan men vreest! Wij
zullen dus in het vervolg onze rijst gaan verdienen. De _Nun Schum_
leert ons: »In het leven zijn hoogten en laagten. Het rad der fortuin
draait zonder ophouden en de wind kan veranderen! Rijk of arm, ieder
moet zijn plicht vervullen!" Laat ons gaan."
En waarlijk, Wang was gereed om als een practisch philosoof,
onmiddellijk het heerlijke gebouw te verlaten.
Kin-Fo hield hem tegen.
»Ik heb gezegd," hernam hij, »dat de armoede mij geen schrik aanjoeg,
maar ik voeg er bij: omdat ik besloten heb die niet te verdragen."
»Wat!" zeide Wang, »gij wilt dus...."
»Sterven!"
»Sterven!" herhaalde de philosoof bedaard. »De man die een einde aan
zijn leven wil maken, spreekt er met niemand over."
»Het zou reeds geschied zijn," hernam Kin-Fo met een kalmte, die
niet voor die van den philosoof onderdeed, »als ik niet had gewild
dat de dood mij voor het minst een eerste en laatste ontroering
bezorgde. Maar op het oogenblik dat ik een der opiumpillen wilde
gebruiken, je weet welke, klopte mij het hart zoo weinig, dat ik het
vergif heb weggeworpen en bij u ben gekomen!"
»Wil je dan dat we samen sterven," vroeg Wang met een glimlach.
»Neen", zei Kin-Fo, »het is noodig dat je blijft leven!"
»Waarom?"
»Om mij met uw eigen hand te dooden!"
Zelfs toen Kin-Fo aan zijn leermeester het voorstel deed hem met eigen
hand te dooden, sidderde Wang niet. Maar Kin-Fo die hem aanstaarde, zag
dat zijne oogen flikkerden. Werd de oude Taï-ping in hem wakker? Zou
hij zonder aarzelen het werk doen dat zijn leerling hem opdroeg? Zouden
er dus achttien jaren over zijn hoofd voorbij gegaan zijn zonder dat
de bloeddorstige neiging van zijne jeugd was uitgedoofd! Zou hij zelfs
geen tegenwerping maken, waar het den zoon gold van hem die hem het
leven had gered en opgenomen! Zou hij zonder aarzelen aannemen hem
te bevrijden van een bestaan, waarvan hij niet meer beliefde gediend
te zijn! Zou hij dat doen, hij, Wang, de philosoof!
Maar die flikkering in zijn blik verdoofde bijna onmiddellijk. Wang
hernam zijn gewoon voorkomen en zag er alleen zoo mogelijk nog deftiger
uit dan altijd.
En daarop klonk het:
»Is dat de dienst dien je van me verlangt?"
»Ja", hernam Kin-Fo, »en deze dienst zal opwegen tegen alles wat je
meenen mocht verschuldigd te zijn aan Tschoung-Héou en zijn zoon."
»Wat wenscht je dat ik doe?" vroeg de philosoof eenvoudig.
»Ik moet vóór 25 Juni, je hoort het Wang, den acht en twintigsten
dag van de zesde maand, den dag waarop mijn een en dertigste jaar ten
einde is gebracht, opgehouden hebben te leven! Ik moet door u gedood
worden, 't zij onverwachts, 't zij met duidelijk opzet, 's nachts of
over dag; het is hetzelfde waar of hoe, staande, zittende, liggende,
wakende, slapende, met het mes of met vergif! Ik moet gedurende ieder
der tachtigduizend minuten waaruit mijn leven nog gedurende vijf en
vijftig dagen bestaat, in de meening en ik hoop in de vrees verkeeren
dat mijn leven eensklaps eindigen kan! Ik wil die tachtig duizend
kansen loopen en ik wil dat ik op het oogenblik waarop de zeven
elementen van mijn leven gescheiden worden, zal kunnen uitroepen:
Welnu, ik heb dan toch geleefd!"
Kin-Fo had, tegen zijne gewoonte, met zekere opgewondenheid
gesproken. Men zal ook bespeurd hebben dat hij den laatsten dag
van zijn leven had gesteld op zes dagen voor het verloopen van zijn
polis. Dit was gehandeld zooals het een verstandig man betaamt, want,
als de storting van de nieuwe premie achterwege bleef, zou hij zijn
recht op de uitkeering verloren hebben.
De philosoof had hem met een ernstig gelaat aangehoord, alleen nu en
dan een snellen blik werpende op het portret van den koning Taï-ping,
dat de kamer versierde, een portret dat hem--hij was er nog niet mee
bekend--ten erfdeel beschoren was.
»Je schrikt dus niet terug voor de verplichting, die je op je neemt
om mij te dooden?" vroeg Kin-Fo.
Wang gaf met eene beweging van den arm te kennen, dat hij daar niet
voor vreesde. Hij had wel andere dingen gedaan, toen hij onder de
banieren van den Taï-ping streed! Maar als een verstandig man, die
alle kansen wil beproeven eer hij zich verbindt, sprak hij:
»Je ziet dus af van het vooruitzicht, u door den Waren Meester
beschoren om een hoogen ouderdom te bereiken?"
»Ik zie er van af."
»Zonder spijt?"
»Zonder spijt!" antwoordde Kin-Fo. »Oud worden! Gaan gelijken op een
of ander stuk hout, dat niet meer voor bewerking dienen kan! Toen ik
rijk was begeerde ik het niet! Nu ik arm ben, nog veel minder!"
»En de jeugdige weduwe te Peking?" vroeg Wang. »Vergeet je het
spreekwoord: de bloem met de bloem, de wilg met den wilg! De
overeenstemming tusschen twee harten is te vergelijken met een
honderdjarige lente!...."
»Tegenover drie honderd jaar herfst, zomer en winter!" antwoordde
Kin-Fo, de schouders ophalende. »Neen Lé-ou zou, als ik arm was,
ongelukkig met mij zijn! Daarentegen zal mijn dood haar rijk maken!"
»Heb je daarvoor gezorgd?"
»Ja en ook voor u, Wang; gij ontvangt vijftig duizend dollars bij
mijn dood."
»Zoo!" liet de philosoof hooren, »je schijnt overal aan gedacht
te hebben."
»Aan alles, zelfs aan een opmerking die je mij nog niet gemaakt hebt."
»Welke?"
»Wel... het gevaar dat je kondt loopen, na mijn dood, beschuldigd te
worden van moord."
»Dat beteekent niets!" sprak Wang, »alleen stoffels of lafaards laten
zich gevangen nemen! En daarbij komt nog, waarin zou de verdienste
gelegen zijn van den dienst, dien ik je bewijzen zal, als ik er niets
bij waag!"
»Neen Wang! ik wil je alle mogelijke zekerheid geven! Niemand mag je
daarover lastig vallen."
En dat zeggende, naderde Kin-Fo de tafel, nam een blad papier en
schreef met zijne gewone vaste hand, de volgende regels:
»Ik heb mij zelf gedood, wijl ik het leven moede was en er van walgde.