Waarin Lé-ou een brief ontvangt, dien ze veel liever niet
zou gekregen hebben.
»Heb je nog geen brief voor mij?"
»Wel neen, mevrouw!"
»Wat valt de tijd mij van daag lang, moedertje!" Dit zeide
de bekoorlijke Lé-ou dien dag reeds voor den tienden keer in
het boudoir van hare in de avenue Cha-Coua te Peking gelegen
woning. Het »moedertje" dat haar antwoordde en waaraan zij dien naam
gaf overeenkomstig het Chineesche gebruik waar het dienstboden van
zekeren leeftijd geldt, was de knorrige en onaangename juffrouw Nan.
Lé-ou was op achttienjarigen leeftijd gehuwd met een letterkundige
van den eersten rang, die aan het beroemde _Sse-Khou-Tsuane-Chou_
medewerkte [2]. Deze geleerde heer was meer dan dubbel zoo oud als
zij en stierf drie jaar na de voltrekking van het huwelijk.
De jonge weduwe stond dus, nog geen een-en-twintig jaar oud, alleen
op de wereld. Kin-Fo zag haar op een reis die hem omstreeks dezen
tijd te Peking bracht. Wang kende haar van vroeger en had de aandacht
van zijn onverschilligen leerling op deze bekoorlijke verschijning
gevestigd. Toen was langzamerhand bij Kin-Fo het denkbeeld gerijpt om
eene afwisseling in zijne tot nog toe gevolgde levenswijze te brengen
door een huwelijk aan te gaan met de schoone weduwe en Lé-ou was niet
onverschillig voor het voorstel dat haar gedaan werd. En thans zou
het huwelijk, zeer tot genoegen van Wang, gesloten worden, zoodra
Kin-Fo, na te Shang-Haï de noodige beschikkingen gemaakt te hebben,
te Peking teruggekeerd was.
In den regel hertrouwen weduwen niet in het Hemelsche rijk. Niet dat
zij daar zelf iets tegen zouden hebben--evenmin als hare lotgenooten
in westersche landen--maar omdat niemand haar vraagt. Als Kin-Fo eene
uitzondering maakte op dezen regel, dan bewees dit alleen dat Kin-Fo
een zonderling was. Lé-ou zou door haar tweede huwelijk wel het recht
verbeuren om onder de »paé-lous" door te gaan, de eerebogen die de
Keizer somtijds doet oprichten voor vrouwen die zich onderscheiden
hebben door getrouwheid aan haren overleden gemaal; zooals bijvoorbeeld
de weduwe Soung, die het graf van haren echtgenoot niet wilde verlaten,
de weduwe Koung Kiang, die zich een arm afhakte, de schoone weduwe
Yen-Tchiang, die haar gelaat verminkte ten teeken van rouw. Maar
Lé-ou was twintig jaar en niet zoo eerzuchtig. Zij zou dus weder dat
leven van gehoorzaamheid gaan leiden, dat de vrouw in eene Chineesche
huishouding beschoren is, niet meer over dingen spreken die buiten
het huis voorvallen, de voorschriften van het boek _Le-nun_ over de
huiselijke deugden, en van het boek _Nei-tse-pien_ over de plichten
van het huwelijk opvolgen en weder die achting genieten, welke men in
de hoogere Chineesche kringen voor de vrouwen koestert; want daar is
de vrouw volstrekt geen slavin, zooals men gewoonlijk gelooft. Lé-ou
was dus zeer ingenomen met het denkbeeld; zij was verstandig en goed
onderwezen, zij wist welke plaats haar wachtte in het huis van den
schatrijken maar zich steeds vervelenden Kin-Fo en voelde zich tot hem
aangetrokken, ook door het denkbeeld dat zij hem zou kunnen bewijzen
dat men op de wereld wel degelijk gelukkig kan zijn.
De geleerde had zijne jonge weduwe goed verzorgd achtergelaten,
doch meer ook niet. Haar woning in de avenue Cha-Coua was dus zeer
gewoon. De onhebbelijke Nan was de eenige dienstbode die zij hield,
doch Lé-ou was aan hare slechte manieren gewend en stoorde er zich
niet aan, ofschoon als regel de Chineesche dienstboden niet met de
gebreken van Nan behept zijn.
De schoone Lé-ou vertoefde bij voorkeur in haar boudoir, dat zeer
eenvoudig gemeubeld was, als men de kostbare geschenken uitzondert,
die Kin-Fo haar in de beide laatste maanden had gezonden. Aan den
muur hingen eenige schilderijen, waaronder een meesterstuk van den
ouden schilder Huan-Tse Nen [3], dat de aandacht van kenners zou
getrokken hebben, te midden van ettelijke echt chineesche aquarellen
met groene paarden, violetkleurige honden en blauwe boomen van
den een of anderen modernen kladschilder. Op eene verlakte tafel
lagen, als groote kapellen met uitgespreide vleugels, de waaiers,
die afkomstig waren van de beroemde school van Swatow. Porceleinen
hangers prijkten met elegante festoenen van kunstbloemen, die zoo
keurig gemaakt worden uit het merg der »Arabia papyritera" van
het eiland Formosa en die in frischheid wedijverden met de witte
waterleliën, de gele goudsbloemen en de roode Japansche lelies, die in
fraai gesneden houten bakken stonden. Over het geheel wierp de zon,
door de gevlochten bamboezen jalousieën voor de vensters, die als
een zeef de grove stralen er buiten sloten, slechts een getemperd
licht. De eigenaardige pronk van het boudoir werd voltooid door een
prachtig vuurscherm, kunstig samengesteld uit sperwerveeren, die zoo
geschikt waren dat de vlekken eene groote pioenroos vormden--zooals
men weet het zinnebeeld der schoonheid in het Hemelsche Rijk;--door
twee volières in den vorm van pagoden, waarin de veelkleurige vogels
van het oosten hetzelfde verrassende effect deden als de gekleurde
glaasjes in een kaleidoscoop;--door eenige aeolische »tié-maols",
waarvan de glazen balletjes door hunne onderlinge aanraking, als
zij door den wind bewogen werden, steeds afwisselende harmonische
accoorden aangaven;--kortom door allerlei kostbare kleinigheden,
waaraan eene vriendelijke gedachte aan den afwezigen vriend verbonden
was, die sedert eenigen tijd Shang-Haï als het ware geplunderd had
om de jonge vrouw verrassingen te kunnen bezorgen.
»Nog geen brief, Nan?"
»Wel neen, mevrouw, nog niet!"
't Was een schoone vrouw, die jonge Lé-ou, zelfs voor oogen die aan
Europeesche schoonheden gewoon zijn. Haar teint was niet geel maar
blank, hare oogen liepen bij de slapen slechts nauw merkbaar iets
naar de hoogte, in hare zwarte haren waren met groene gitten eenige
perzikkenbloesems vastgestoken, hare tanden waren klein en blank, hare
wenkbrauwen slechts even met wat Oost-Indischen inkt aangestreken. Zij
gebruikte geen blanketsel of poudre-de-riz voor hare wangen of karmijn
voor haar bovenlip of een der andere kunstmiddelen bij Chineesche
schoonen in gebruik en waarvoor het keizerlijke hof jaarlijks alleen
tien millioen sapeken uitgeeft. De jonge vrouw kon die kunstmiddelen
ontberen. Zij verliet hare woning in Cha-Coua slechts hoogst zelden
en had dus dat masker niet noodig waar de andere vrouwen niet buiten
kunnen, zoodra zij zich in het openbaar vertoonen.
Wat het toilet van Lé-ou betreft, men kan zich niets eenvoudigers
of eleganters voorstellen. Een lang overkleed met vier openingen
met breed galon geboord; daaronder een geplooide rok; op haar borst
de vierkante borstlap, omzet met soutache, waardoor zich gouddraad
slingerde; een wijde pantalon om de enkels sluitende en daar nog iets
van de nankin zijden kousjes zichtbaar latende, terwijl hare voeten
in fraaie pantoffels staken. Meer had de jeugdige weduwe niet noodig
om zeer bekoorlijk te zijn; alleen moet er nog bijgevoegd worden,
dat hare handen fijn en blank waren en dat zij hare lange rose nagels
beschermde door platte zilveren ringen, welke zij om de vingertoppen
droeg en die zeer fijn bewerkt waren.
En hare voeten? Wel, hare voeten waren klein, doch niet als een gevolg
van die barbaarsche gewoonte om ze te verminken, eene gewoonte die meer
en meer verloren gaat, maar omdat de natuur ze haar klein geschonken
had. Het bedoelde gebruik is omstreeks zeven eeuwen geleden in zwang
gekomen en dankt waarschijnlijk zijn ontstaan aan eene prinses
die zelve een lichaamsgebrek had. De eenvoudigste bewerking is,
dat op zeer jeugdigen leeftijd de teenen onder den bal der voet
vastgebonden worden, terwijl de hiel vrij blijft; zoodoende wordt de
voet een soort van kegel en het loopen zeer bemoeilijkt. Gelukkig
gaat dit meer en meer uit de mode sedert den inval der Tartaren en
van de tien Chineesche vrouwen zijn er tegenwoordig geen drie meer,
die tengevolge van de in hare jeugd ondergane bewerking thans aan de
voeten verminkt zijn.
»Er _moet_ van daag een brief komen!" herhaalde Lé-ou. »Ga nog eens
kijken, moedertje!"
»Er is er geen, er valt niets te kijken!" antwoordde juffrouw Nan
zeer oneerbiedig, terwijl zij brommende de kamer uitging.
Lé-ou wilde nu door aan het werk te gaan haren gedachten een anderen
loop geven. Zij waren echter weer dadelijk met Kin-Fo vervuld, want het
werk dat zij opnam bestond uit een paar voor hem bestemde pantoffels,
die in China altijd door de vrouw des huizes gemaakt worden. Zij
stond weder op, nam een paar meloenpitten uit een bonbondoosje,
kraakte die tusschen hare fijne tanden en nam een boek, de _Nushun_,
een boek vol goede lessen waarvan elke brave vrouw hare dagelijksche
lectuur behoort te maken.
»Even als de lente het beste jaargetijde is voor den veldarbeid,
is de ochtendstond het beste gedeelte van den dag.
Sta vroeg op en geef niet toe aan de verlokkingen van den slaap.
Zie uwe moerbeziënboomen na en uw vlas.
Spin uwe zijde en uw katoen.
De deugd der vrouw bestaat in arbeidzaamheid en zuinigheid.