Waarin Kin-Fo een gewichtigen brief ontvangt, die al acht
dagen eerder had moeten bezorgd worden.
Een yamen bestaat uit een aantal verschillende gebouwen langs
evenwijdige lijnen gerangschikt en die door een andere lijn van kiosken
en paviljoenen loodrecht gesneden wordt. Meestal wordt de yamen bewoond
door mandarijnen van hoogen rang en behoort dan den keizer toe:
maar ook den rijken bewoners van het Hemelsche Rijk is het vergund
yamens in eigendom te bezitten, zoodat dan ook de vermogende Kin-Fo
een dezer weelderige hotels bewoonde.
Wang en zijn kweekeling bleven bij de hoofdpoort in de uitgestrekte
omheining, die de verschillende gebouwen van de yamen, hare tuinen
en binnenplaatsen omgaf, staan.
Ware zij, inplaats van de woning van een eenvoudigen particulier,
die van een mandarijn-magistraat geweest, dan zou onder de fraai
uitgesneden en beschilderde luifel der poort dadelijk een groote trom
in 't oog gevallen zijn. Op die trom zouden dan dag en nacht diegenen
zijner onderhoorigen hebben komen slaan, die recht hadden willen
inroepen. Maar inplaats van die »klachtentrom", versierden groote
porceleinen pullen den ingang der yamen, en bevatten koude thee, die
door de zorg van den hofmeester steeds vernieuwd werd. Deze pullen
stonden ter beschikking van de voorbijgangers, eene edelmoedigheid,
die Kin-Fo eer aandeed. Ook was hij zeer gezien, zooals men zeide,
bij »zijne buren uit het Oosten en het Westen."
Nauwelijks had de meester zich vertoond of al de huisvrienden snelden
naar de poort om hem te ontvangen. Al de lieden die tot eene deftige
Chineesche huishouding behooren, als kamerdienaars, voetknechten,
portiers, het personeel der draagstoelen, palfreniers, koetsiers,
bedienden, nachtwakers, koks, stonden in gelid geschaard onder de
bevelen van den hofmeester. Behalve deze waren er nog een tiental
koelies, die, voor het ruwe werk bij de maand gehuurd, zich wat
achteraf hielden.
De hofmeester verwelkomde den heer des huizes. Deze maakte nauwlijks
eene beweging met de hand en schreed snel voorbij.
»Soun?" zei hij alleen.
»Soun!" antwoordde Wang glimlachend. »Als Soun er was, zou 't Soun
niet meer zijn!"
»Waar is Soun?" zei Kin-Fo nogmaals.
De hofmeester moest bekennen, dat hij, noch iemand wist waar Soun was.
Nu was Soun niets meer of minder dan de eerste kamerdienaar, speciaal
aan den persoon van Kin-Fo verbonden en die volstrekt niet door hem
gemist kon worden.
Soun was dus zeker een voortreffelijke bediende? Neen, 't was
onmogelijk slechter zijn dienst te verrichten. Hij was verstrooid,
onsamenhangend, onhandig in zijn doen en spreken, een echte lekkerbek,
een beetje bang van aard, een ware tochtscherm-Chinees, maar getrouw
overigens en de eenige die bij zekere gelegenheden eenigen invloed
op zijn meester had. Kin-Fo kon zich twintig maal op een dag boos
maken op Soun en zoo hij hem slechts tien maal strafte, dan was het
eene overwinning behaald op zijne gewone lichtgeraaktheid. Men ziet,
die Soun was een hygieenische bediende.
En had Soun nu iets gedaan dat niet in den haak was, dan voorkwam
hij zijn meester en vroeg, evenals de meeste Chineesche bedienden,
uit eigen beweging om gestraft te worden, 't geen hem dan ook niet
bespaard werd, want als hagel vielen de rottingslagen dan op zijne
schouders, waarover Soun zich evenwel niet veel bekreunde. Doch,
waarover hij zich oneindig veel gevoeliger betoonde, dat waren de
telkens herhaalde verkortingen, die Kin-Fo den gevlochten staart die
hem op den rug hing, liet ondergaan, zoodra er sprake was van de een
of andere ernstige overtreding.
Niemand zal wel onbekend zijn met het groote gewicht dat de Chinees
aan dit zonderlinge aanhangsel hecht. De eerste straf die den
misdadiger wordt opgelegd, is het verlies van zijn staart! 't Is een
schande voor zijn gansche leven! De ongelukkige knecht vreesde dan
ook niets zoo zeer dan veroordeeld te worden er een stukje van te
verliezen. Voor vier jaren nog toen Soun in dienst bij Kin-Fo trad,
had zijn staart--een der schoonste van het Hemelsche Rijk,--eene lengte
van een meter vijf en twintig, terwijl er thans, helaas! niets meer
van overbleef dan zeven en vijftig centimeters.
Ging dat zoo voort, dan was Soun binnen twee jaar heelemaal kaal!
Wang en Kin-Fo gingen daarop, eerbiedig gevolgd door het bedienend
personeel, den tuin door, welks boomen meerendeels in aarden potten
geplant, en op verrassende, maar betreurenswaardige wijze besnoeid,
allerlei fantastische diergestalten te zien gaven. Vervolgens
liepen zij het bassin langs, dat met goudvisschen en roodvisschen
gevuld was en welks helder water bijna verborgen was onder de groote
bleekroode bloemen van de nelumbo, de schoonste waterlelie uit het
Bloemenrijk. Zij bogen het hoofd, toen zij een soort van hieroglyphisch
viervoetig dier voorbij kwamen, dat in harde kleuren op een daar
aanwezigen muur was geschilderd en een soort van symbolisch fresco
scheen te zijn, en naderden daarop de deur der voornaamste woning
van de yamen.
Het was een gebouw met eene verdieping, geplaatst op een terras,
't welk men langs een marmeren trap van zes treden bereikte. Er
waren bij wijze van luifels schermen van bamboes voor de deuren en
vensters aangebracht, waardoor de reeds buitengewone hitte dragelijk
werd gemaakt en de koelte in 't gebouw behouden. Het platte dak
vormde een contrast met de fantastische bedekking der paviljoens,
die hier en daar in de yamen verspreid lagen en welks kanteelen,
veelkleurige pannen en in fijne arabesken uitgesneden steenen een
aangenamen aanblik opleverden.
Binnen gekomen bespeurde men, behalve de vertrekken in 't bijzonder
bestemd voor Wang en Kin-Fo, niets anders dan salons, omgeven door
kabinetjes, welke afgescheiden waren door doorschijnende voorhangsels,
waarop guirlandes van bloemen waren aangebracht, of wel plaatjes met
zedekundige spreuken, waarop de bewoners van het Hemelsche rijk niet
zuinig zijn. Overal stonden zonderling versierde zetels van marmer,
porcelein of hout, en bovendien een dozijn kussens wier mollige
zachtheid meer tot zitten uitlokte dan de hardere zetels; overal
hingen lampen of wel lantaarns van verschillenden vorm met zacht
gekleurde glazen en versierd met eikels of wel met franjes en kwastjes
als aan het dekkleed van een Spaansch muildier gevonden worden;
overal vond men ook kleine thee-tafeltjes, »tcha-ki" geheeten, die
in een Chineesch huishouden niet mogen ontbreken. Men vond er voorts
allerlei ciseleer-werk van ivoor of schildpad, bronzen voorwerpen in
niello-werk, wierookschaaltjes, verlakte voorwerpen met gouddraad
en relief versierd, andere van melkwit of smaragd groen nephriet,
ronde of prisma-vormige vaasjes van de dynastie der Mings en der
Tsings, nog zeldzamer porceleinen beeldjes van de dynastie der Yens,
kopjes met doorschijnend rose en geel gekleurd email bedekt, van welke
bewerking het geheim verloren is gegaan; te veel om op te noemen. Deze
weelderig ingerichte woning bood alles aan wat Chineesche fantasie,
gepaard aan Europeesch confort, kon verschaffen.
Kin-Fo was dan ook--ieder zeide het en zijn smaak bewees het--een man
van den vooruitgang. Iedere nieuwere uitvinding van het westen was hij
bereid over te nemen. Hij behoorde tot die--nog te zeldzame--categorie
van zonen van het Hemelsche rijk, die dwepen met de physische en
chemische onderzoekingen.
Hij was dan ook niet een der barbaren die de eerste telegraafdraden
doorsneden, welke de firma Reynoldt tot Wousung wenschte te doen
loopen om spoedig de aankomst te vernemen van de Engelsche of
Amerikaansche mail, en hij moest evenmin gerekend worden onder die
achterlijke mandarijnen welke weigerden om den onderzeeschen kabel
van Shang-Haï naar Hong-Kong op het grondgebied der laatstgenoemde
eilanden te bevestigen, en de telegrafisten dwongen dien op een schip
dat op stroom lag, vast te maken.
Neen, Kin-Fo behoorde tot die Chineezen welke het met genoegen hadden
gezien dat de regeering, onder toezicht van Fransche ingenieurs,
arsenalen en werven te Fou-Chao had gesticht. Ook had hij, en dit uit
een zuiver nationaal oogpunt, aandeelen in de Chineesche stoombooten
die den dienst verrichten tusschen Tien-Sin en Shang-Haï en was hij
betrokken bij de snelvarende vaartuigen die op den tocht van Singapore
drie of vier dagen op de Engelsche mail winnen.
De vorderingen der wetenschap waren zelfs tot in zijne huiselijke
omgeving toegepast. De verschillende gebouwen van zijn yamen waren
door telefoons verbonden en electrische schellen vond men er in
onderscheiden kamers. In het koude seizoen legde hij vuur aan en
verwarmde zich, vrij wat verstandiger dan zijne landgenooten die
onder hunne vier- of vijfdubbele kleeding voor hunnen ledigen
haard bevroren. Zijn huis was met gas verlicht evenals dat van
den inspecteur-generaal der douanen te Peking, evenals dat van
den schatrijken Yang, bijna uitsluitend eigenaar van de banken van
leening in het Hemelsche Rijk! Eindelijk, het verouderde gebruik
van het schrift in zijne intieme correspondentie moede, had de
vooruitstrevende Kin-Fo--men zal het weldra zien--de phonograaf in
gebruik genomen, nauwelijks door Edison tot zijn laatsten graad van
volkomenheid gebracht.
Men bespeurt uit een en ander dat de leerling van den philosoof Wang,
zoowel wat het materieele leven betreft, als wat aangaat zucht naar
kennis en wetenschap, alles bezat wat noodig was om gelukkig te
wezen! En toch was hij het niet! Hij had Soun om zijne dagelijksche
apathie te verdrijven, en zelfs Soun was niet voldoende om hem gelukkig
te maken!
't Viel niet te loochenen dat Soun, die nooit daar was waar hij
wezen moest, zich ook thans nergens liet zien. Hij had zich zeker
een of ander zwaar vergrijp te verwijten, eenige onhandigheid, in
't afzijn van zijn meester gegaan, en al vreesde hij niet voor zijn
rug en schouders, die aan de rotting gewend waren, alles leidde er
toe om te doen gelooven dat hij thans bevreesd was voor zijn staart.
»Soun!" riep Kin-Fo, de vestibule binnentredende, waarop de salons ter
rechter- en linkerzijde uitkwamen, op een toon van kwalijk bedwongen
ongeduld.
»Soun!" herhaalde Wang, wiens goede raadgevingen en vermaningen altijd
zonder invloed op den voor verbetering onvatbaren knecht waren geweest.
»Zoek Soun op en breng hem hier!" zeide Kin-Fo tot den hofmeester,
die iedereen in 't werk stelde om den niettevinden bediende te zoeken.
Wang en Kin-Fo bleven alleen.
»Ons verstand zegt ons," sprak de philosoof, »dat een reiziger,
te huis teruggekeerd, eenige rust moet nemen."
»Laat ons dan verstandig zijn!" was het eenvoudig antwoord van den
leerling van Wang.
En na den philosoof de hand gedrukt te hebben, begaf hij zich naar
zijn vertrek, terwijl Wang zijne kamer binnentrad.
Toen Kin-Fo alleen was, strekte hij zich op een van die zachte, mollige
divans van Europeesch maaksel uit, van welks bewerking een Chineesch
kamerbehanger of tapijtwerker geen denkbeeld heeft. Daar ging hij
liggen droomen. Dacht hij aan zijn huwelijk met het beminnelijke en
lieve meisje dat spoedig zijne levensgezellin zou zijn? Ja, en dat
was niet te verwonderen als men bedenkt, dat hij haar den volgenden
dag weder zou ontmoeten. Het bevallige wezen woonde niet te Shang-Haï,
maar te Peking, en Kin-Fo overlegde bij zichzelf of het niet passend
zou zijn haar tegelijk met het bericht van zijn terugkeer te Shang-Haï,
te doen weten, dat hij spoedig in de hoofdstad van het Hemelsche rijk
zou verschijnen. Het zou zelfs niet ongepast zijn eene zekere begeerte,
eene lichte opwelling van ongeduld om haar weer te zien aan den dag
te leggen. Ja zeker, hij hield werkelijk veel van haar! Wang had het
hem volgens de meest onomstootelijke regels der logica aangetoond,
en dit nieuwe element in zijn bestaan zou hem misschien kunnen
helpen bij het zoeken naar het onbekende.... dat is te zeggen het
geluk.... die.... dat.... waarvan....
Kin-Fo droomde met gesloten oogen en hij zou geheel en al ingeslapen
zijn als hij niet eene zekere kriebeling in zijn rechterhand gevoeld
had.
Zijne vingers sloten zich instinctmatig en omklemden een
cylindervormig, knoestig voorwerp, van betamelijke dikte, dat zij
meer gewend waren te hanteeren.
Kin-Fo vergiste zich niet, het was een rotting dien men hem in de
rechterhand had gestoken; op hetzelfde oogenblik hoorde men, op
bedeesden toon, de volgende woorden:
»Als het mijnheer behaagt!"
Kin-Fo stond overeind en zwaaide, wat zeer natuurlijk was, den
straffenden rotting heen en weer.
Soun stond voor hem, half gebogen, in de houding van een patiënt die
eene bewerking moet ondergaan. Met de eene hand leunde hij op het
tapijt van de kamer, in de andere hield hij een brief.
»Zoo, ben je daar eindelijk," zei Kin-Fo.
»_Ai ai ya!_" antwoordde Soun. »Ik had gedacht dat mijnheer eerst de
derde wake zou terugkeeren! Als het mijnheer behaagt!"
Kin-Fo gooide den rotting tegen den grond en Soun, hoe geel hij ook
was, verbleekte!
»Als je me zonder eenige verontschuldiging je rug aanbiedt," sprak de
meester, »dan heb je zeker wel wat meer verdiend! Wat is er gebeurd?"
»Deze brief!..."
»Spreek op!" riep Kin-Fo en greep den brief dien Soun hem aanbood.
»Ik ben zoo onhandig geweest te vergeten hem u ter hand te stellen
vóór uw vertrek naar Canton!"
»Acht dagen te laat, schurk!"
»Het is mijn schuld, mijnheer!"
»Kom hier!"
»Ik ben gelijk aan een arme krab zonder pooten, die niet vooruit kan
komen! _Ai ai ya_"
Dat was een wanhoopskreet. Kin-Fo had Soun bij zijn staart gegrepen
en met eene snelle beweging van zijne scherpe schaar had hij er het
uiterste einde afgenomen.
De arme krab scheen weder spoedig zijne pooten terug te krijgen,
want hij was eensklaps opgevlogen, niet zonder eerst van het tapijt
het stukje van zijn kostbaar aanhangsel opgeraapt te hebben.
De staart van Soun was van zeven en vijftig tot vier en vijftig
centimeter teruggebracht.
Kin-Fo had zich na de strafoefening, die hij Soun had doen ondergaan,
weder op zijn divan neergevleid en bekeek doodkalm den brief, die
voor acht dagen was gekomen. Het hinderde hem minder dat de brief te
laat in zijne handen was gekomen, dan wel dat Soun zich weder aan
onachtzaamheid had schuldig gemaakt. Wat voor belang kon een brief
hem inboezemen? Een brief kon alleen welkom zijn als hij hem eene
ontroering bezorgde. Hij, Kin-Fo ontroerd!
Hij bekeek den brief toch, maar verstrooid.
De enveloppe van stevig linnen was aan de voor- en achterzijde van
wijn- en chocolaad-kleurige postzegels voorzien. Onder het beeld--een
manshoofd--bespeurde men de cijfers van twee en van »zes centen."
De brief kwam dus uit Amerika.
»Wat nu!" dacht Kin-Fo de schouders ophalende, »een brief van mijn
correspondent te San Francisco!"
En hij wierp den brief in een hoek van den divan.
Wat kan zijn correspondent hem voor gewichtigs hebben mee te
deelen? Dat de stukken, die bijna geheel zijn fortuin uitmaakten,
rustig sliepen in de kassen van de Centrale Californische bank, dat
zijne actiën vijftien of twintig pct. waren gerezen, dat de dividenden
die van het vorige jaar overschreden, enz. Eenige duizenden dollars
meer of minder maakten hem koud noch warm.
Toch nam Kin-Fo na eenige minuten den brief weer op en scheurde er
werktuiglijk de enveloppe af; maar in plaats van hem te lezen keek
hij naar de onderteekening.
»Hij is van mijn correspondent," zei hij, »het kan alleen over zaken
zijn! Die kunnen tot morgen wachten!"
En weder zou Kin-Fo den brief weggeworpen hebben als zijn oog niet
toevallig was blijven rusten op een woord onder aan de tweede pagina,
dat eenige malen onderschrapt was. Het was het woord PASSIEF, waarop
de correspondent te San-Francisco de aandacht van zijn cliënt te
Shang-Haï had willen vestigen.
Kin-Fo nam daarop den brief en las dien van het begin tot het einde
niet zonder eenige nieuwsgierigheid, iets wat van hem bepaald te
verwonderen was.
Zijne wenkbrauwen fronsten zich één oogenblik; maar een soort van
minachtenden glimlach plooide zijne lippen toen hij de lezing ten
einde had gebracht.
Kin-Fo stond op, deed eenige stappen door zijn kamer en greep de
spreekbuis, die hem in staat stelde zich met Wang te onderhouden zonder
zich te vermoeien. Hij bracht zelfs het uiteinde aan zijn mond, om
het waarschuwende fluitje te doen hooren, maar toen bedacht hij zich,
liet de buis vallen en strekte zich opnieuw op zijn divan uit.
»Poeh!" was al wat hij zeide, en zijne geheele persoonlijkheid sprak
uit dat woord.
»En zij!" mompelde hij. "Het gaat haar eigenlijk meer aan dan mij."
Hij ging naar eene kleine verlakte tafel, waarop een keurig bewerkt,
langwerpig doosje stond. Maar toen hij op het punt stond het te openen,
trok hij zijne hand terug.
»Wat zeide ze in haar laatsten brief?" mompelde hij.
En in plaats van het deksel der doos te openen, drukte hij op een
veer aan een der zijden.
Terstond hoorde men het geluid eener zachte stem:
»Mijn lieve oudste broeder, ben ik u niet als de Meihoua-bloem in
de eerste maan, als de abrikozen-bloesem in de tweede, als de bloem
der perzik in de derde! Mijn hart van juweel, ik zend u duizend,
tienduizend groeten!"...
Het was eene jeugdige vrouwenstem, wier teedere woorden door den
phonograaf herhaald werden.
»Arme kleine jongste zuster!" zeide Kin-Fo.
Daarna opende hij het doosje, nam er de papierstrook met streepjes
en deukjes uit, die het geluid der afwezige stem weergegeven had,
en plaatste er een ander stuk geprepareerd papier in.
De phonograaf was reeds zoo volmaakt dat men slechts hardop behoefde
te spreken om indrukken in het vlies te maken, terwijl de rol, die
door een horloge-veer in beweging gebracht werd, de woorden op het
geprepareerde papier aan het toestel aanteekende.
Kin-Fo sprak ongeveer eene minuut. Aan zijne stem, kalm als altijd,
kon men niet hooren onder welken indruk, van vreugde of van droefheid,
hij zijne gedachten in woorden bracht.
Drie of vier zinnen, meer niet, ziedaar alles wat Kin-Fo sprak. Daarop
deed hij den phonograaf stilstaan en nam er het papier uit, waarop
de naald, door het vlies in beweging gebracht, eenige strepen en
indrukken had gemaakt die de gesproken woorden konden weergeven. Hij
sloot dit papier in eene enveloppe die hij verzegelde en waarop hij
van rechts naar links het volgende adres schreef:
Mevrouw Lé-ou. Avenue Cha-Coua.
Peking.
Een druk op den knop der electrische schel deed spoedig den dienstbode
verschijnen, die met de zorg voor de correspondentie belast was,
en terstond werd de brief naar het postkantoor gebracht.
Een uur later lag Kin-Fo gerust te slapen met zijn »tchou-fou-jen"
in zijne armen, een soort van kussen van gevlochten bamboes, dat in
de Chineesche bedden eene gematigde temperatuur onderhoudt, volstrekt
niet te versmaden in die warme streken.