Het boek viel weder dicht. Lé-ou dacht zelfs niet aan hetgeen zij las.
»Waar is hij?" vroeg zij zichzelve af. »Hij is zeker naar Canton
gegaan! Is hij al uit Shang-Haï terug? Wanneer komt hij te Peking
aan? Heeft hij eene goede reis gehad? Moge de godin Koanine hem
nabij zijn!"
Aldus peinsde de jeugdige weduwe in haar onrust. Vervolgens dwaalden
hare oogen naar een tafelkleed, zeer kunstig samengesteld uit duizenden
kleine stukjes, een soort van mozaïek van doek naar Portugeeschen trant
bewerkt, een eend met hare jongen voorstellende als het zinnebeeld
der trouw. Daarna trad zij op een der bloembakjes toe en plukte er
in het wilde een bloem uit.
»Ach!" sprak zij, »'t is geen bloem van den groenen wilg, het
zinnebeeld der lente en der vreugde! 't Is een goudsbloem, het beeld
van den herfst en de droefheid."
Zij wilde zich verzetten tegen den angst die zich thans meer en meer
van haar meester maakte. Daar was haar luit; hare vingers gleden
over de snaren, hare stem neuriede de eerste woorden van het lied
der »Ineen gesloten handen", maar zij kon niet voortgaan.
»Vroeger kwamen zijn brieven altijd geregeld," dacht zij, »en toch was
ik toen reeds ongeduldig! Hoe verslond ik ze altijd met de oogen! Of
in plaats van zijn schrift ontving ik zijn eigen stem, die mij door
het instrument daar ginds overgebracht werd!"
Lé-ou zag naar den phonograaf, die op een verlakt dientafeltje stond
en volkomen gelijk was aan dien van Kin-Fo te Shang-Haï. Beiden
konden daardoor dus met elkander spreken, of liever elkanders stem
hooren, hoe groot ook de afstand was die hen scheidde... Maar heden,
evenals gisteren en eergisteren, zweeg het instrument en bracht het
de gedachten van den afwezigen vriend niet over.
Op dit oogenblik trad haar dienstbode binnen. »Daar hebt u nu uw
brief!" zeide zij, en vertrok weder, na Lé-ou eene gefrankeerde
enveloppe ter hand gesteld te hebben.
Op de lippen der jonge vrouw verscheen een glimlach en hare oogen
werden verlevendigd. Zij scheurde snel het couvert open, zonder het
eerst te bezien, zooals zij anders altijd deed....
Er was geen brief in de enveloppe, maar een van die papiertjes met
langwerpige strepen en indrukken, die, als zij in het phonografische
toestel geplaatst worden, al de buigingen der menschelijke stem
weergeven.
»O, dat is mij nog aangenamer!" riep Lé-ou verheugd uit. »Ik zal hem
nu ten minste ook hooren spreken."
Het papier werd op de daarvoor bestemde plaats gelegd en het instrument
in beweging gebracht. Lé-ou, naderbij komende, hoorde eene bekende
stem, die deze woorden tot haar sprak:
»Liefste jongste zuster, het verderf heeft mijne rijkdommen vernietigd,
even als de herfstwind de bladeren der boomen verspreidt! Ik wil u
niet ongelukkig maken door u in mijn ongeluk te doen deelen! Vergeet
hem die door tienduizend rampen getroffen is!
»Uw troostelooze Kin-Fo."
Welk een slag voor de jonge vrouw! Een leven nog bitterder
dan de bittere gentiaan zou nu haar deel worden. Ja, de wind
veegde haar laatste hoop weg met de fortuin van hem dien zij
beminde! Was de liefde, die Kin-Fo voor haar koesterde, dan voor
altijd verdwenen? Geloofde haar vriend dan alleen aan het geluk dat
men voor geld koopen kan? Arme Lé-ou, zij geleek nu op een vlieger
waarvan het touw gebroken is en die hulpeloos ter aarde stort.
Nan werd geroepen en kwam binnen. Zij haalde hare schouders op en
legde hare meesteres op haar »hang" neder. Maar ofschoon dit een van
die eigenaardige kunstmatig verwarmde bedden was, hoe koud voelde zich
de ongelukkige Lé-ou. Wat duurden de vijf waken van dezen slapeloozen
nacht haar lang!