Waarin de lezer, zonder zich te vermoeien, een blik kan werpen
op de stad Shang-Haï.
Een Chineesch spreekwoord zegt:
»Als de sabels verroest zijn en de spaden glinsteren,
Als de trappen der tempels afgesleten worden door de voeten
der geloovigen en er gras groeit op de binnenplaats der
gerechtshoven,
Als de gevangenissen ledig en de graanzolders vol zijn,
Als de dokters loopen en de bakkers rijden,
Dan wordt het rijk goed bestuurd."
Het spreekwoord is hier een waar woord en kon zeer goed op al de staten
der oude en der nieuwe wereld toegepast worden. Maar, is er één land
waar men nog ver van dezen idealen toestand af is, dan is het juist
het Hemelsche rijk. Daar juist glinsteren de sabels terwijl de spaden
roesten, daar is weinig plaats in de gevangenissen en veel ruimte op
de graanzolders. De bakkers hebben er minder te doen dan de dokters, en
lokken de pagoden ook vele geloovigen tot zich, de gerechtshoven hebben
waarlijk niet te klagen over gebrek aan beschuldigden of aan pleiters!
Overigens is het geen wonder dat de administratie te wenschen
overlaat in een rijk van honderd en tachtigduizend vierkante mijlen,
dat van het noorden naar het zuiden meer dan achthonderd uur gaans
en van het westen naar het oosten er ruim negenhonderd lang is,
dat achttien uitgestrekte provinciën telt, zonder de schatplichtige
landen te rekenen als Mongolië, Mantchourije, Thibet, Tonking, Corea,
de Liou-Tchou eilanden etc. Mogen de Chineezen zelve dit al niet
gereedelijk erkennen, onder de vreemdelingen is er niemand die het
betwijfelt. Misschien de Keizer alleen, opgesloten in zijn paleis,
buiten welks poorten hij slechts hoogst zelden komt, beschermd door
de muren van een driedubbele stad, die Zoon des Hemels, de vader
en de moeder zijner onderdanen, die wetten geeft of vernietigt naar
zijn welgevallen, die het recht van leven en dood heeft over allen
en wien door zijne geboorte alle inkomsten van het rijk rechtmatig
toekomen;--deze souverein, voor wien alles in het stof buigt, is
zeker overtuigd dat er in zijn rijk niets is wat iets te wenschen
zou kunnen overlaten. Het zou dan ook niemand geraden zijn, hem te
willen overtuigen, dat hij zich bedroog. Een Zoon des Hemels bedriegt
zich nooit.
Was Kin-Fo misschien van oordeel dat eene Europeesche regeeringsvorm
boven den Chineeschen te verkiezen is? Men zou bijna geneigd zijn het
te gelooven. Hij woonde bijvoorbeeld niet in Shang-Haï, maar buiten,
op een gedeelte der Engelsche concessie, die de onafhankelijkheid,
waarin zij zich eenigermate verheugen mag, op zeer hoogen prijs stelt.
Shang-Haï, de eigenlijke stad, ligt op den linkeroever van het
riviertje Houan-Pou, die met de Wousung vereenigd in de Yang-Tsze-Kiang
of Blauwe rivier valt en ten slotte in de Gele zee uitloopt.
Het is een ovaal, dat van het noorden naar het zuiden loopt, omringd
door hooge muren met vijf poorten, die toegang tot de voorsteden
geven. Een verward net van met tegels bestrate steegjes, die zelfs
met geen mechanisch reinigingstoestel schoon te maken zouden zijn;
sombere winkels zonder eenige uitstalling waarin de winkeliers, naakt
tot den gordel, rondscharrelen; geen rijtuigen, geen draagstoelen,
ter nauwernood nu en dan een ruiter; eenige nationale tempels of
vreemde kapellen; voor eenige wandeling een »theetuin" en een moerassig
exercitieveld waaruit allerlei ongezonde dampen opstijgen; en op de
straten en in de huizen eene bevolking van tweemaal honderdduizend
inwoners, ziedaar de stad die als woonplaats weinig aanlokkelijks
heeft, maar die evenwel uit een handelsoogpunt van groot belang is.
Daar toch mochten, na het tractaat van Nan-King, de vreemdelingen
voor het eerst hunne kantoren openen. Het was de groote deur van
China, die voor den Europeeschen handel opengezet werd. Ook heeft de
regeering buiten Shang-Haï en zijne voorsteden, tegen eene jaarlijksche
uitkeering bij concessie, drie groote stukken grond afgestaan aan
de Franschen, de Engelschen en de Amerikanen, die er ten getale van
omstreeks tweeduizend wonen.
Van de Fransche concessie--het aan de vreemdelingen uit
Frankrijk afgestane terrein--is weinig te zeggen. Het is de minst
belangrijke. Zij grenst ongeveer aan de noordelijke zijde der stad
en strekt zich uit tot de beek van Yang-King-Pang, die haar van
het Engelsche grondgebied scheidt. Daar verheffen zich de kerken
der Lazaristen en der Jezuïeten, die ook op vier mijlen afstand van
Shang-Haï het seminarie Tiskavé opgericht hebben, waar zij Chineesche
kweekelingen vormen. Maar deze kleine kolonie haalt niet bij de beide
anderen. Van de tien handelshuizen die er in 1861 opgericht werden
zijn er nog slechts drie over, en zelfs het wisselkantoor is thans
op de Engelsche concessie gevestigd.
Het buiten Shang-Haï aan de Amerikanen afgestane gebied is van de
Engelsche concessie door den Sou-Tchéou-Creek afgescheiden, en over
deze rivier ligt een houten brug. Op de Amerikaansche concessie ligt
het Astor-Hotel en de Zendingskerk; daar bevinden zich ook de dokken,
ten gebruike der Europeesche schepen.
Van de drie concessies is echter ontegenzeglijk de Engelsche de
bloeiendste. Prachtige gebouwen op de kaden, huizen met veranda's
en tuinen, paleizen van handelsvorsten, de Oriental Bank, de »hong"
van de beroemde firma Dent, de kantoren van Jardyne, Russel en andere
groete kooplieden, de Engelsche club, de schouwburg, het cricketveld,
het park, de renbaan, de bibliotheek, ziedaar wat er onder anderen
te vinden is in deze rijke schepping der Angelsaksers, die terecht
op den naam van model-kolonie boogt.
Daarom zal het ook niemand verwonderen dat op dit bevoorrecht gebied,
onder bescherming van een vrijzinnigen regeeringsvorm, een Chineesche
stad verrezen is van een geheel bijzonder karakter, zooals er nergens
anders een te vinden is.
De vreemdeling, die langs de schilderachtige Blauwe rivier dit plekje
naderde, zag er dan ook vier vlaggen wapperen. Nevens de Fransche,
de Engelsche en de Amerikaansche kleuren, woei er ook de Chineesche
vlag, het gele St. Andries-kruis op een groen veld.
Wat de omstreken van Shang-Haï aangaat, deze zijn vlak land, zonder
boomen, doorsneden door smalle steenen wegen en in rechte hoeken
zich kruisende voetpaden, met regenputten voorzien en »arroyo's" die
onmetelijke rijstvelden met hun water besproeien, waardoor kanalen
loopen, bedekt met jonken die te midden der velden hunne vrachten
vervoeren, evenals de tjalken door de Hollandsche weilanden; het was
eene uitgestrekte schilderij, zeer groen van toon, waaraan alleen de
lijst ontbrak.
De _Perma_ was bij haar aankomst aan de kade van de binnenhaven van
Shang-Haï komen te liggen, voor de oostelijke voorstad. Daar stapten
Wang en Kin-Fo dien middag aan wal.
Zoowel op de kaden als op de rivier heerschte eene onbeschrijfelijke
drukte. Honderden jonken, bloemenschepen, sampans, een soort van
gondels met wrikriemen bestuurd, gigs en andere bootjes van allerlei
grootte, vormde eene drijvende stad, waar eene bevolking woonde, die
men minstens op veertigduizend zielen schatten kan,--eene bevolking
die tot den minderen stand behoort en waarvan de rijksten zich zelfs
niet tot den rang der geletterden of mandarijnen kunnen verheffen.
De beide vrienden flaneerden langs de kade te midden der gemengde
schare, kooplieden van allerlei aard, venters van noten, oranjeappelen
of pompoenen, zeelieden van allerlei natiën, waarzeggers, Chineesche
en Mongoolsche priesters, Roomsch-Katholieke priesters in Chineesche
kleederdracht en met staart en waaier, inlandsche soldaten,
»tipaos", plaatselijke politie-agenten en »compradores", een soort
van commissionairs, die de zaken der Europeesche kooplieden behartigen.
Kin-Fo met den waaier in de hand, liet zijn onverschilligen blik over
de menigte dwalen en stelde volstrekt geen belang in hetgeen er om
hem heen voorviel. Noch de metaalklank der Mexicaansche piasters,
noch die der zilveren taëls of der koperen sapeken, [1] die gedurig
uit de handen der koopers naar die der verkoopers overgingen, konden
zijne gedachten afleiden. Hij bezat genoeg om de geheele voorstad te
koopen en contant te betalen.
Wang had zijne groote gele parapluie opgezet, die met zwarte monsters
prijkte, en terwijl hij als een echte Chinees steeds rondkeek,
zocht hij overal naar voorwerpen, die hem aanleiding tot opmerkingen
konden geven.
Voorbij de Oostpoort gaande viel zijn blik bij toeval op een dozijn
kooien van bamboes, waarin de akelige hoofden van een gelijk aantal
misdadigers te zien waren, eerst den vorigen avond ter dood gebracht.
»Misschien was er wel iets beters te doen", zeide hij, »dan hoofden
af te hakken. 't Was wel zoo wijs ze met nuttige kennis te vullen."
Kin-Fo hoorde ongetwijfeld deze opmerking van Wang niet, anders zou
die hem uit den mond van een ex-Taï-ping zeker wel verwonderd hebben.
Beiden gingen voort langs de kaai en volgden de muren der Chineesche
stad.
Aan het einde der voorstad waar de Fransche concessie begint, werd
de aandacht der menigte getrokken door een inboorling in een lang
blauw kleed, die met een kleinen stok op een grooten buffelhoorn sloeg.
»Een sieng cheng", sprak de wijsgeer.
»Waar raakt ons dat?" antwoordde Kin-Fo.
»Laat u eens waarzeggen", hernam Wang. »Als men gaat trouwen is dat
wel eens aardig."
Kin-Fo wilde, zonder hierop te letten, verder gaan, doch Wang hield
hem tegen.
De »sien-cheng" is een soort van populair profeet, die voor een paar
sapeken de toekomst voorspelt. Al wat hij voor zijn beroep noodig
heeft is een kooi met een kleinen vogel, die aan een der knoopen
van zijn kleed hangt, en een spel van vier-en-zestig kaarten waarop
afbeeldingen van goden, menschen en dieren voorkomen. Alle Chineezen
zijn min of meer bijgeloovig en dus vinden ook de voorspellingen van
den sien-cheng veel aftrek, ofschoon deze zelf natuurlijk wel weet
hoe het daarmede gesteld is.
Op een teeken van Wang spreidde hij een wolligen doek op den grond uit,
plaatste er de kooi op, nam zijne kaarten, schudde ze door en legde ze
zoo op den doek dat de plaatjes niet te zien waren. De deur der kooi
werd toen geopend, de kleine vogel wipte er uit, zocht schijnbaar
tusschen de kaarten en pikte er vervolgens een op, die hij aan den
waarzegger bracht, ontving een paar rijstkorrels tot belooning en
verdween toen weder in zijn kooi.
De sien-cheng keerde de kaart om. Er stond een afbeeldsel van een
man op en een spreuk in Kunarunaschrift, de Mandarijnentaal van het
noorden, die de officieele taal der geleerden is.
Toen keerde de waarzegger zich tot Kin-Fo en voorspelde hem, wat zijne
collega's over de geheele wereld altijd aan hunne klanten voorspellen,
zonder dat zij gevaar loopen zich te vergissen, namelijk dat hij, na
door eenigen geheimzinnigen tegenspoed getroffen te zijn, duizenden
jaren gelukkig zou leven.
»Eén slechts", antwoordde Kin-Fo, »éen slechts en ik schenk u gaarne
de rest."
Daarop wierp hij hem een zilveren taël toe, waarop de profeet aanviel
als een hond op een lekker been. Zulke belooningen kreeg hij niet
dikwijls.
Wang en zijn leerling richtten toen hunne schreden naar de Fransche
nederzetting, de eerste peinzend over deze voorspelling, die zoo
volkomen strookte met zijne eigene theorieën ten opzichte van het
geluk, de tweede wel overtuigd dat er voor hem geen tegenspoed
zijn kon.
Zij gingen het Fransche consulaat voorbij, over het brugje dat de
Fransche concessie met het Engelsche verbindt, staken deze laatste
nederzetting dwars over en bereikten zoo de kade van de Europeesche
haven.
Het sloeg juist twaalf uur. De drukte die des ochtends buitengewoon
groot geweest was, hield als met een tooverslag op. De handelsdag
was om zoo te zeggen afgeloopen en op de beweging volgde de kalmte,
zelfs in het Engelsche gedeelte der stad, dat zich in dit opzicht
naar de gebruiken des lands voegde.
Op dit oogenblik kwamen eenige vreemde schepen de haven binnen, de
meeste onder de vlag van het Vereenigde Koningrijk. Negen van de tien
waren, helaas, met opium bevracht. Deze verstompende zelfstandigheid,
dit vergift waarmede Engeland China overlaadt, wordt ingevoerd
tot eene jaarlijksche waarde van meer dan honderdveertig millioen
gulden en levert driehonderd pct. winst op. Te vergeefs heeft de
Chineesche regeering den invoer van opium in het Hemelsche Rijk willen
beletten. De oorlog van 1841 en het verdrag van Nan-King hebben het
land voor de Engelsche koopwaar geopend en den handelsvorsten vrij
spel gegeven. Overigens moeten wij er bijvoegen dat, al bedreigt de
regeering van Peking ieder Chinees die opium verkoopt zelfs met den
dood, het gezag zich ook wel laat vinden, als men slechts den rechten
toon weet aan te slaan. Men meent zelfs te kunnen verzekeren, dat de
mandarijn, die gouverneur van Shang-Haï is, jaarlijks een millioen
verdient alleen door somtijds niet te nauwkeurig toe te zien op de
handelingen zijner ondergeschikten.
Het spreekt van zelf dat Kin-Fo noch Wang opium gebruikten; dit
vergif toch verwoest het geheele organisme en heeft onvermijdelijk
een vroegen dood ten gevolge.
Ook was er nooit een ons opium over den drempel gekomen der rijke
woning waar de twee vrienden binnenstapten, juist een uur nadat zij
op de kade van Shang-Haï geland waren.
Wang had--vreemd genoeg uit den mond van een ex-Taï-ping!--eerst nog
de opmerking gemaakt:
»Misschien kon er wel iets beters gedaan worden dan een zelfstandigheid
in te voeren die een geheel volk verstompt! Handel is goed, maar
wijsbegeerte is beter! Laat ons de wijsbegeerte beoefenen en daarin
ons geluk zoeken!"