Waarin Kin-Fo en de philosoof Wang nog wat duidelijker worden
geschetst.
Dat Kin-Fo het afscheidsdiner aan zijne vrienden te Kanton had gegeven,
vond zijn reden in de omstandigheid dat hij in deze hoofdstad van
de provincie Kouang-Tong een deel van zijne jongelingsjaren had
doorgebracht. Van de vele vrienden, die een rijk en mild persoon
altijd bezit, waren de vier die aan het feest op het bloemenschip
hadden deelgenomen, de eenige die hem uit dit tijdperk van zijn leven
waren overgebleven. Te vergeefs had hij getracht de overige, die naar
alle vier hoeken van den wind waren verstoven, bijeen te verzamelen.
Kin-Fo woonde te Shang-Haï en hij had eenige dagen te Kanton vertoefd,
eigenlijk alleen om zich eens op een andere plaats te vervelen. Maar
dienzelfden avond moest hij weer vertrekken met de stoomboot die
de verschillende hoofdpunten der kust aandoet, en kalm naar zijne
huisgoden terugkeeren.
Wang had Kin-Fo vergezeld, omdat de philosoof zijn leerling nooit
verliet, wien de lessen dientengevolge niet ontbraken. Om de waarheid
te zeggen sloeg deze er in het geheel geen acht op. 't Was boter aan
de galg; maar de »theorieën-fabrikant"--zooals onze bon-vivant Tim hem
genoemd had--hield niet op met steeds wijze spreuken en deugdelijke
grondbeginselen te verkondigen.
Kin-Fo was de type van de Chineezen uit het noorden, waarvan het
ras dreigt te verdwijnen en die zich nooit met de Tartaren hebben
vereenigd. Men ontmoet ze niet in de zuidelijke provinciën, waar
de hoogere en lagere klassen zich nauw met het Mantsjoerisch ras
hebben vermengd. Kin-Fo had, noch van vaders- noch van moederszijde,
wier familiën zich, sedert de overheersching hadden afgezonderd,
een droppel Tartaarsch bloed in de aderen. Groot, goed gebouwd, meer
blank dan geel, de wenkbrauwen in de rechte lijn, de oogen horizontaal
en zich nauwelijks naar de slapen verheffende, rechte neus en goed
rondgevormd gelaat, zou hij zelfs onder de schoonste exemplaren van
de bevolking van het westen gerangschikt zijn geworden.
En waarlijk, dat Kin-Fo Chinees was, toonde alleen zijn zorgvuldig
geschoren schedel, zijn voorhoofd en nek zonder één haartje, zijn
prachtige staart die, hoog aan den schedel beginnende, als een
zwarte slang over zijn rug kronkelde. Hij was keurig op zijn persoon,
droeg een fijnen knevel, die een halven cirkel rondom zijn bovenlip
vormde en een sik die volkomen op een point-d'orgue bij muziekschrift
geleek. Zijne met de meeste zorg onderhouden nagels waren meer dan
een centimeter lang en toonden dat hij tot die lieden behoorde welke
niet behoeven te werken om den kost te verdienen. Ook voegde zijn
nonchalante gang, zijne hooghartige houding nog iets bij het »comme
il faut" dat uit geheel zijn voorkomen sprak.
Bovendien was Kin-Fo te Peking geboren, een voorrecht waarop de
Chineezen zeer trotsch zijn. Hij kon met recht zeggen: »Ik kom van
de Hoogte!"
Zijn vader Tchoung-Héou woonde te Peking, toen Kin-Fo geboren werd
en eerst toen de knaap zes jaar was, trok zijn vader naar Shang-Haï.
Deze waardige Chinees, uit een der eerste familiën uit 't noorden
van 't rijk gesproten, bezat, evenals vele zijne landgenooten, een
bijzonderen aanleg voor den handel. Gedurende de eerste jaren van zijn
loopbaan was alles, wat het dicht bevolkte rijke grondgebied opleverde:
papier van Swatow, zijden stoffen van Sou-Tchéou, kandij van Formosa,
thee van Hankow en Foochow, ijzer van Honan, rood of geel koper uit
de provincie Yunanne, alles was voor hem een voorwerp van handel. De
eigenlijke zetel van zijn zaak, zijn »hong", was te Shang-Haï,
maar hij had ook kantoren te Nan-King, te Tien-Tsin, te Macao, te
Hong-Kong. Hij was druk betrokken in het verkeer met Europa en het
waren Engelsche booten, die zijne koopwaren vervoerden, het was de
telegrafische kabel, die hem den koers der zijde te Lyon en van het
opium te Calcutta bracht. Hij maakte gretig gebruik van de elementen
van den vooruitgang, stoom en electriciteit, in tegenstelling met de
meeste Chineezen, die te veel onder den invloed zijn van mandarijnen en
van de regeering, wier invloed door de vorderingen van den vooruitgang
langzamerhand vermindert.
Kortom, Tchoung Héou ging met zooveel beleid te werk, zoowel bij zijn
handel in het binnenland als bij zijne betrekking met Portugeesche,
Fransche, Engelsche of Amerikaansche huizen te Shang-Haï, Macao en
Hong-Kong, dat hij op 't oogenblik, toen Kin-Fo ter wereld kwam, reeds
over een vermogen van viermaal honderd duizend dollars kon beschikken.
Gedurende de jaren, die na de geboorte van Kin-Fo verliepen, namen
de winsten in de zaak van Tchoung Héou nog steeds toe, dank zij een
nieuwe soort van handel, dien men »den koelie-handel met de Nieuwe
wereld" zou kunnen noemen.
Het is bekend, dat er overbevolking in China bestaat en het aantal
bewoners niet in verhouding is tot de uitgestrektheid van het groote
gebied, dat de dichterlijke namen draagt van het Hemelsche Rijk,
Rijk van het Midden en Bloemenrijk. Het telt niet minder dan drie
honderd zestig millioen bewoners. Dit is bijna het derde gedeelte van
de bevolking der geheele aarde. Nu eet een arme Chinees wel niet veel,
maar hij eet toch, en China is niet in staat, niettegenstaande zijn
rijkdom aan rijstvelden en zijn gierstcultuur, allen te voeden. Van
daar een te-veel, dat niets liever verlangt dan te ontwijken door
de gaten, die de Fransche en Engelsche kanonnen gemaakt hebben in de
werkelijke en figuurlijke muren, die het Hemelsche Rijk afsluiten.
't Is naar Noord-Amerika en vooral naar Californië dat het te-veel zich
gericht heeft. Maar dat is met zulk een geweldigen aandrang geschied,
dat het congres der Vereenigde Staten zich verplicht heeft gezien om
maatregelen te nemen tegen dezen inval, vrij onheusch »de gele pest"
geheeten. Men begrijpt dat vijftig millioen Chineesche landverhuizers
in China nauwelijks gemist zouden worden, terwijl zij in Amerika
konden leiden tot totale verdringing van het Angel-Saksische door
het Mongoolsche ras.
Hoe dit zij, de landverhuizing had op groote schaal plaats. Deze
koelies, die het leven hielden bij een handvol rijst, een kop thee
en een pijp tabak, en die voor alle werk geschikt waren, deden in
Salt-Lake, Virginië en Oregon, maar vooral in Californië de werkloonen
geducht dalen.
Er vormden zich maatschappijen om deze goedkoope landverhuizers
over te brengen. Vijf werden er gevonden in het Hemelsche Rijk,
waar zij in vijf verschillende gewesten werkzaam waren, en een zesde
was gevestigd te San-Francisco. De eerste zonden de handelswaar uit,
de laatste ontving haar. Een daaraan verbonden agentschap, dat van
Ting-Tong, zorgde voor den terugtocht.
Dit laatste eischt eenige toelichting.
De Chineezen hebben er niets tegen om hun vaderland te verlaten en
fortuin te gaan zoeken bij de »Melikanen," zooals zij de bewoners der
Vereenigde Staten betitelen, maar slechts op één voorwaarde, namelijk
dat hun lijk in hun geboorteland ter ruste zal worden gebracht. Dat
is eene der voornaamste voorwaarden van het contract, eene clausule
_sine qua non_, die de maatschappijen tegenover de landverhuizers op
zich moeten nemen en waarvan zij niet mogen afwijken.
Het agentschap van Ting-Tong, anders gezegd dat der Dooden,
beschikt over bijzondere fondsen en is belast met het bevrachten
der »lijkenschepen", die steeds met volle lading van San-Francisco
naar Shang-Haï, Hong-Kong of Tien-Tsin terugkeeren. Nieuwe handel,
nieuwe bron van voordeelen.
De bekwame en ondernemende Tchoung Héou had hierop gelet. Toen hij
stierf, in 1866, was hij directeur der Compagnie van Kouang-Than,
in de provincie van dien naam, en onder-directeur van het Doodenfonds
te San-Francisco.
Op dien dag erfde Kin-Fo, die nu vader noch moeder meer had, een
fortuin, dat gelijk stond met twintig millioen gulden en geplaatst was
in actiën van de Centrale Californische Bank; hij was zoo verstandig
zich er niet van te ontdoen.
Bij zijns vaders dood zou onze jeugdige negentienjarige erfgenaam zich
geheel alleen op de aarde bevonden hebben als hij Wang niet gehad
had, den onafscheidelijken Wang, die voor hem leidsman en vriend te
gelijk was.
Wie was die Wang? Sedert zeventien jaar maakte hij deel uit van het
gezin te Shang-Haï. Hij had bij den vader gewoond voor hij bij den
zoon kwam. Maar van waar kwam hij? Hoe kwam hij dus aan de familie
gehecht? Ziedaar vrij duistere vragen waarop Tchoung Héou en Kin-Fo
alleen konden antwoorden.
En als zij dit voegzaam geoordeeld hadden--'t geen niet waarschijnlijk
was--zou men 't volgende vernomen hebben:
't Is iedereen bekend dat China bij uitnemendheid het rijk is, waar
opstanden vele jaren kunnen duren en honderd duizenden menschen op
de been kunnen brengen. In de zeventiende eeuw heerschte de beroemde
dynastie van Ming, van Chineeschen oorsprong, sedert driehonderd jaren
over China. Het hoofd dier dynastie gevoelde zich echter in 1644 te
zwak tegenover de opstandelingen die zijn hoofdstad bedreigden en
riep de hulp in van een Tartaarsch vorst.
Die vorst liet zich niet lang bidden, kwam, joeg de rebellen uit
elkander, nam de gelegenheid waar om hem die zijne hulp had ingeroepen
van den troon te stooten en liet zijn eigen zoon Chun-Tché tot keizer
uitroepen.
Van dit tijdperk af, nam de Tartaarsche heerschappij de plaats in
der Chineesche, en de troon werd bekleed door Mantjoerijsche keizers.
Allengs vermengden zich, vooral in de lagere klassen, de rassen
met elkander; maar bij de rijkere familiën in het noorden bleef de
afscheiding tusschen Chineezen en Tartaren bestaan. Ook nu nog is het
type van elkander onderscheiden, vooral in de noordelijke provinciën
van het rijk. Daar zijn de »onverzoenlijken" gevestigd, zij die aan
de onttroonde dynastie getrouw blijven.
De vader van Kin-Fo behoorde tot deze laatsten en hij verloochende de
traditiën niet van zijn geslacht, dat geweigerd had vrede te sluiten
met de Tartaren. Als er, zelfs driehonderd jaar na de onttroning,
een opstand was uitgebarsten tegen de vreemde overheersching, zou
hij gereed geweest zijn.
Dat zijn zoon Kin-Fo geheel en al zijne staatkundige overtuiging
deelde, behoeft niet gezegd.
In 1860 regeerde keizer S' Hiène-Fong, die den oorlog aan Frankrijk en
Engeland verklaarde--den oorlog geëindigd met het tractaat van Peking,
25 Oct. van dat jaar gesloten.
Maar reeds voor dat tijdstip werd de regeerende dynastie door
een geweldigen opstand bedreigd. De Tchang-Mao of Taï-ping, de
»oproerlingen met de lange haren" hadden zich in 1853 van Nan-King en
in 1855 van Shang-Haï meester gemaakt. Na den dood van S' Hiène-Fong
had zijn jeugdige zoon al zijne krachten noodig om de Taï-ping te
verdrijven. Zonder den onderkoning Li, zonder vorst Kong en vooral
zonder den Engelschen kolonel Gordon zou hij er waarschijnlijk niet
in geslaagd zijn zijn troon te behouden.
De Taï-ping, de verklaarde vijanden van de Tartaren, goed ten opstand
toegerust, wilden de dynastie der Tsing vervangen door die van de
Wang. Zij vormden vier verschillende benden; de eerste, die met den
zwarten standaard, had ten last gekregen te dooden; de tweede, met
den rooden standaard, te branden; de derde, met den gelen standaard,
te plunderen; de vierde, met den witten standaard, was belast om de
drie anderen van voedsel enz. te voorzien.
Er hadden gewichtige militaire bewegingen in Kian-Sou plaats. Twee
plaatsen, op vijf mijlen afstands van Shang-Haï, Sou-Tchéou en
Kia-Hing, vielen in de macht der opstandelingen en werden niet
zonder moeite door de keizerlijke troepen hernomen. Shang-Haï was
sterk bedreigd en werd zelfs den 18n Augustus 1860 aangetast, op
't zelfde oogenblik dat de generaals Grant en Montauban, de hoofden
van het Anglo-Frankische leger, de forten van Peï-Ho bombardeerden.
Tchoung Héou, de vader van Kin-Fo, bewoonde toen eene plaats dicht bij
Shang-Haï, niet ver verwijderd van de prachtige brug die de Chineesche
ingenieurs over de rivier van Sou-Tchéou hebben gelegd. Hij sloeg den
opstand der Taï-ping met zeker welgevallen gade, wijl hij hoofdzakelijk
tegen de Tartaarsche dynastie gericht was.
Eens nu, in den avond van den 18n Augustus, gebeurde het, nadat de
opstandelingen voor Shang-Haï waren afgeslagen, dat de deur van de
woning van Tchoung Héou plotseling geopend werd.
Een vluchteling, die er in geslaagd was zijne vervolgers van het
spoor te brengen, wierp zich aan de voeten van Tchoung Héou. De
ongelukkige had geen wapen meer om zich te verdedigen. Als hij,
bij wien hij eene schuilplaats kwam vragen, hem aan de keizerlijke
troepen wilde overleveren, was hij verloren.
De vader van Kin-Fo was er de man niet naar om een Taï-ping, die een
schuilplaats had gezocht in zijn huis, te verraden.
Hij sloot de deur en zeide:
»Ik wil niet weten, ik zal nimmer weten wie je bent, wat je gedaan
hebt of van waar je komt. Je bent mijn gast, en, daarom alleen,
bij mij in veiligheid."
De vluchteling wilde spreken om zijne dankbaarheid te uiten.... Hij
had er de kracht niet toe.
»Je naam?" vroeg Tchoung Héou.
»Wang."
Op deze wijze was Wang gered door de edelmoedigheid van Tchoung
Héou--eene edelmoedigheid die den laatste het leven zou gekost hebben
als men vermoed had dat hij een opstandeling beschermde. Maar Tchoung
Héou was een van die ouderwetsche mannen, wien een gast heilig is.
Eenige jaren later werd de opstand geheel onderdrukt. In 1864 nam
keizer Taï-ping, in Nan-King belegerd, vergif in, om niet in de handen
der keizerlijken te vallen.
Wang was sedert dien dag in het huis van zijn weldoener gebleven. Nooit
behoefde hij inlichtingen omtrent zijn verleden te geven. Niemand
ondervroeg hem daaromtrent. Misschien vreesde men te veel te
vernemen! De wreedheden, door de opstandelingen begaan, moesten,
naar men zeide, verschrikkelijk zijn geweest. Onder welke banier
zou Wang gediend hebben, onder de gele, de roode, de zwarte of de
witte? Het was maar beter de zaak te laten rusten; men behield dan
althans nog de illusie dat hij waarschijnlijk behoord had tot de
proviandeerende colonne.
Wang had niets tegen deze schikking van het lot, en bleef in de
gastvrije woning. Na den dood van Tchoung Héou hield Kin-Fo hem bij
zich, wijl hij zijn aangenaam gezelschap te veel op prijs stelde om
hem te kunnen missen.
En, waarlijk, wie zou op het tijdstip, waarop deze geschiedenis een
aanvang neemt, ooit een vroegeren Taï-ping, een moordenaar, plunderaar
of brandstichter--wat men maar wil--herkend hebben in den 55jarigen
philosoof, dien gebrilden zedemeester, dien Chineeschen Chinees met den
traditioneelen knevel en de aan de slapen iets naar boven gerichte
oogen? Met zijn lang kleed van weinig in 't oog loopende kleur,
zijn wegens een begin van gezetheid iets naar boven geschoven gordel,
zijn hoofdtooi geheel volgens 't keizerlijk voorschrift, d. w. z. een
hoed van bont, welks rand is omgebogen langs een kalotje, waaronder
kwastjes van roode strikken voor den dag kwamen, had Wang geheel
en al het voorkomen van een eerzaam professor in de wijsbegeerte,
van een van die geleerden, welke de tachtig duizend letters van het
Chineesche schrift met 't meeste gemak gebruiken, van een kenner
van het Mandarijnen schrift, van een van die, welke het recht hebben
onder de groote poort van Peking door te gaan, een voorrecht alleen
den zonen des hemels gegeven.
't Is ook mogelijk dat de opstandeling, een verleden vol verschrikking
vergetende, met het voorbeeld van den braven Tchoung Héou zijn
voordeel had gedaan en zich allengs aan de bespiegelende wijsbegeerte
had gewijd.
Hoe dit zij, op denzelfden avond van het feestmaal bevonden zich
Kin-Fo en Wang, de onafscheidelijke gezellen, op de kade, om zich
naar de stoomboot te begeven, die hen in snelle vaart naar Shang-Haï
moest terugvoeren.
Kin-Fo liep zwijgend, zelfs min of meer in nadenken verzonken,
voort. Wang keek links en rechts, philosofeerde over de maan en de
sterren, ging glimlachend onder de poort der »Eeuwige Reinheid" door,
die hij niet te hoog voor zichzelf vond, passeerde daarop de poort
der »Eeuwige Vreugde" en zag ten slotte hoe de torens van de pagode
der »Vijfhonderd Godheden" zich in de schaduw des nachts verloren.
De stoomboot _Perma_ lag gereed om te vertrekken. Kin-Fo en Wang
begaven zich naar de beide hutten die men voor hen open gehouden
had. De krachtige stroom van de Parelrivier, die dagelijks tegelijk
met het slijk van den oever, de lijken van de ter dood verwezenen
met zich voert, versnelde den gang der boot nog. Het vaartuig bewoog
zich als een pijl langs de ruïnes, hier en daar overgebleven van de
verwoesting, door de Fransche kanonnen aangericht, langs den tempel
met negen verdiepingen van Haf-Way, voorbij de landtong Jardyne
nabij Whampoa, waar de grootste vaartuigen hunne ligplaats hebben,
en tusschen de eilandjes en het bamboezen paalwerk door, dat aan
weerskanten der oevers gevonden wordt.
In den nacht werden de vijfhonderd kilometers, dat wil zeggen,
de drie honderd vijf en zestig »lis" die Canton van de monding der
rivier scheiden, afgelegd.
Bij het opgaan der zon passeerde de _Perma_ den »Tijgermuil" en
vervolgens de beide hoofden van den inham. De Victoria-Peak op 't
eiland Hong-Kong, ter hoogte van achttienhonderd vijf en twintig
voet, verscheen één oogenblik door den morgennevel, en na een zeer
voorspoedigen overtocht voeren Kin-Fo en Wang de gele wateren van
de Blauwe rivier weder op en zetten voet aan wal te Shang-Haï op het
kustland van de provincie Kiang-Nan.