Te Eisenach nemen wij plaats in den wagen van den spoortrein--de
Werrabaan--die ons door het schilderachtige Werradal naar Koburg zal
voeren. Deze spoorweg zelf, die het Thuringer-Wald doorsnijdt, is rijk
aan allerlei afwisselingen: nu eens gaat het over hooge viaducts, door
kloven en dalen; dan midden door de rotsen, wier loodrechte wanden ter
wederzijde omhoog rijzen; dan door lange tunnels dwars door de bergen
heen; straks weder door breede, welbebouwde valleien, waar welvarende
dorpen en pittoreske stadjes uwe aandacht trekken. Jammer slechts,
dat al deze rijke, telkens afwisselende beelden u in zoo vliegende
vaart voorbij ijlen, dat ge geen tijd hebt, een enkel daarvan in uw
geheugen, in uw gemoed te prenten, en in het eind u slechts verwarde,
onsamenhangende indrukken bijblijven. Inderdaad, juist een rit door
zoo prachtig schoon eene landstreek versterkt mij steeds meer in de
overtuiging, dat spoorwegen eigenlijk alleen in de woestijn behoorden
aangelegd te worden, waar aan het landschap niets te bederven valt,
en de vluchtige beschouwing u niets derven doet.
Nog een laatste blik op den Wartburg, die ons, van zijne hooge rots,
in kalme, rustige majesteit groet, en medelijdend schijnt neder te
zien op ons ademloos voortjagen. En dan--voort. Zij gaan ons voorbij,
de bergen en rotsen, de dalen en valleien, de dorpen en steden ook,
die zoo dikwerf tot blijven uitnoodigen, en voor ons nu niets meer zijn
dan stations, waarop we even, bij een vluchtig oponthoud, een blik
werpen. Zelfs de nederige hoofdstad Meiningen, die met haar nieuwe
wijken zoo statelijke vertooning maakt, en daar zoo schilderachtig
ligt in haar krans van kalkbergen, wier terrassen met tuinen en
boomgaarden zijn bedekt;--zelfs het hertogelijke Meiningen kan ons
niet tot blijven bewegen. Voort vliegt de trein, langs Themar en
Hildburghausen en het overoude Eisfeld, naar Koburg.
Koburg is de hoofd- en residentiestad van het hertogdom Saksen-Koburg,
dat zich, als _pépinière_ van vorsten, eene eigenaardige vermaardheid
verworven heeft. De dynastie van Saksen-Koburg heeft op meer dan een
europeeschen troon een harer leden plaats zien nemen: zij regeert
in Groot-Brittannië, in België, in Portugal. Komt er ergens een
troon vacant--geen zeldzaam verschijnsel in onze dagen!--dan is er
ook doorgaans een prins uit het saksisch-koburgsche huis, die als
kandidaat in aanmerking komt. Laat ons echter billijk zijn, en er
bijvoegen, dat deze vorstelijke familie zich zoowel in haar eigen land,
als in de vreemde landen, waar zij tot de regeering geroepen werd,
over het algemeen, zeer gunstig heeft onderscheiden.
Hare residentiestad is weder eene dier half-landelijke aangename,
behagelijke, kleine duitsche steden, die voor iederen beminnaar
van de natuur en van de kalme studie zooveel aantrekkelijks hebben;
zoo rustig en zoo stil, en toch aan de tegenwoordigheid van het hof
zekere levendigheid en veelzijdigheid dankende, die het bekrompene
kleinsteedsche wegneemt. Het is niet te zeggen, hoeveel Duitschland,
hoeveel de wetenschap en de kunst, juist aan deze kleine steden
te danken hebben; hoe gunstig deze verspreiding, deze verbrokkeling
zoo ge wilt, van krachten op de ontwikkeling van den duitschen geest
gewerkt heeft; hoeveel wij te danken hebben aan de zelfstandigheid,
de eigen werkzaamheid en het eigen leven van al deze middelpunten der
gedachte, door het gansche groote vaderland verspreid. Zal dit voortaan
alles anders worden? Zal ook in Duitschland zich een middelpunt
vormen, waarin zich langzamerhand alle leven samentrekt, waarin het
gansche land als verzwolgen wordt, alzoo dat de verschillende deelen,
afgesneden van dit hoofd, machteloos en levenloos zijn? Zal Berlijn
worden, wat--in menig opzicht Frankrijk ten vloek--Parijs geworden
is? Zal ook de edele, hoog-begaafde duitsche geest zich van zijn
eigenlijke bestemming laten afleiden, zijn heerlijk geestelijk
ideaal vergeten, om het toch altijd bloot materiëele feit eener
uitwendige, mechanische eenheid te verwezenlijken? Om de heerschappij
in het rijk des geestes en der gedachte te laten varen voor de
overmacht op stoffelijk gebied, voor politieken invloed en militaire
heerschappij? Wat al vragen! Maar die toch van zelve oprijzen, bij wien
op de teekenen der tijden let, en, ook met den besten wil, ook met de
hartelijkste sympathie, niet enkel juichensstof vinden kan in wat met
zoo groote geestdrift wordt opgehemeld en verheerlijkt. Dit jagen naar
uitwendige eenheid--heeft het niet zijne zeer bedenkelijke zijde, en
belooft het inderdaad zoo rijke vruchten af te werpen voor de hoogere
ontwikkeling des geestes? Ja, is dat streven niet op zichzelf wellicht
een teeken van afnemende levenskracht, van ouderdom en verval? Bij
jeugdige volken zijn ook de kleinste deelen krachtig genoeg om op
zichzelf te staan, en een eigen leven te leiden, dat voorwaar niet
arm aan daden is. Dat nieuwe duitsche rijk, op de slagvelden geboren
en met zoo schitterende militaire glorie omstraald, vertoont het
geen trekken, die twijfel en bezorgdheid wekken bij ieder, wien het
om den waarachtigen vooruitgang, om de waarachtige vrijheid en de
hoogere zedelijke belangen der menschheid te doen is? Herkent ge in
dat trotsche keizersbeeld niet de trekken van het moderne Cesarisme
met zijne bedenkelijkste eigenschappen: staatsalmacht en militaire
heerschappij? Voorwaar, voorwaar, daar is niet enkel juichensstof; daar
is reden tot ernstige bekommering. Wij, die Duitschland liefhebben,
die zijne zegepralen van harte hebben toegejuicht,--wij mogen wel vurig
bidden, dat dit edele, hoogbegaafde, goede volk bewaard blijve voor den
val in den afgrond, die zich onmiskenbaar voor zijne voeten opent, maar
die het, in de bedwelming der overwinningen, niet schijnt te zien. Dat
ware te wreed eene wrake, indien de kanker, die Frankrijk ten verderve
voerde, door de zegepraal zelf op Duitschland werd overgeplant! Daar is
in het duitsche volk nog een krachtige kern van eigen gezond leven,
van vrijheidsliefde en zelfstandigheid: geve God, dat deze goede
eigenschappen, ontwakende, en zich met allen ernst doende gelden,
den demon mogen overwinnen, die thans gansch Duitschland bedreigt,
den demon van het staatsabsolutisme, die onlijdelijkste van alle
tyrannieën. Zoo niet, dan zou de dag van zijn militaire zegepraal
voor Duitschland de aanvang worden van zijn geestelijken ondergang.
Wij zijn, dus peinzende, Koburg ingetreden. De vriendelijke stad
heeft weinig bezienswaardigs. Wij brengen een groet aan het bronzen
standbeeld van Prins Albert, den broeder van den regeerenden hertog;
en bewonderen, op het fraaie slotplein, den smaakvollen, in half
romaanschen, half gothischen stijl ontworpen voorgevel van het
hertogelijke residentieslot. Doch wie Koburg bezoekt, wordt in de
eerste plaats daarheen gelokt door de heerlijk schoone omstreken. En
onder de schoonheden der omgeving verdient wel bovenal genoemd te
worden de aloude, uitgestrekte burgt, de veste Koburg, die zich op
haar rotsigen berg ruim vijfhonderd voet boven de stad verheft, en
met haar drievoudige ringmuren, haar terrassen, torens en bolwerken,
een inderdaad ontzagwekkenden indruk maakt. Wij willen den alouden,
in den laatsten tijd weder gerestaureerden burgt bezoeken, niet
zoozeer om de verzamelingen van wapenen, rijtuigen, munten, gravures
en handschriften te bezichtigen, die hier bewaard worden, noch om het
kabinet van natuurlijke historie, noch zelfs om de vorstelijke gebouwen
met hunne kunstwerken en andere merkwaardigheden: maar om het heerlijk
panorama te genieten, dat zich bij eene wandeling langs de bolwerken
van de uitgestrekte vesting voor onze blikken ontvouwen zal. Zuidwaarts
dwaalt ons oog over het rijke, schilderachtig geschakeerde heuvelland
tot aan de bergen, die den loop van de Main teekenen; noordwaarts
stuit onze blik tegen de bergreeks van het Thuringer-Wald, dat zich
in zijne volle lengte voor ons uitstrekt. Wel, laat ons een laatsten
blik werpen op dat schoone gebergte, dat zijne golvende lijnen, zoo
stout en zoo bevallig tevens, in de blauwe lucht teekent, en dat wij
van deze hoogte voor het laatst aanschouwen. Het Thuringer-Wald--wij
hebben het niet meer dan vluchtig bezocht, slechts even zijne vele
schoonheden als met den vinger aangeduid; maar volkomen zouden wij ons
doel bereikt, onzen wensch vervuld achten, indien het ons gegeven ware,
de herinnering van gesmaakte weelde, van onvergetelijk schoone dagen
bij u weder in het leven te roepen, of wel het besluit tot rijpheid
te brengen, door eigen aanschouwing u schadeloos te stellen voor de
onvolkomenheid onzer teekening.