VI.

Te Eisenach nemen wij plaats in den wagen van den spoortrein--de

Werrabaan--die ons door het schilderachtige Werradal naar Koburg zal

voeren. Deze spoorweg zelf, die het Thuringer-Wald doorsnijdt, is rijk

aan allerlei afwisselingen: nu eens gaat het over hooge viaducts, door

kloven en dalen; dan midden door de rotsen, wier loodrechte wanden ter

wederzijde omhoog rijzen; dan door lange tunnels dwars door de bergen

heen; straks weder door breede, welbebouwde valleien, waar welvarende

dorpen en pittoreske stadjes uwe aandacht trekken. Jammer slechts,

dat al deze rijke, telkens afwisselende beelden u in zoo vliegende

vaart voorbij ijlen, dat ge geen tijd hebt, een enkel daarvan in uw

geheugen, in uw gemoed te prenten, en in het eind u slechts verwarde,

onsamenhangende indrukken bijblijven. Inderdaad, juist een rit door

zoo prachtig schoon eene landstreek versterkt mij steeds meer in de

overtuiging, dat spoorwegen eigenlijk alleen in de woestijn behoorden

aangelegd te worden, waar aan het landschap niets te bederven valt,

en de vluchtige beschouwing u niets derven doet.

Nog een laatste blik op den Wartburg, die ons, van zijne hooge rots,

in kalme, rustige majesteit groet, en medelijdend schijnt neder te

zien op ons ademloos voortjagen. En dan--voort. Zij gaan ons voorbij,

de bergen en rotsen, de dalen en valleien, de dorpen en steden ook,

die zoo dikwerf tot blijven uitnoodigen, en voor ons nu niets meer zijn

dan stations, waarop we even, bij een vluchtig oponthoud, een blik

werpen. Zelfs de nederige hoofdstad Meiningen, die met haar nieuwe

wijken zoo statelijke vertooning maakt, en daar zoo schilderachtig

ligt in haar krans van kalkbergen, wier terrassen met tuinen en

boomgaarden zijn bedekt;--zelfs het hertogelijke Meiningen kan ons

niet tot blijven bewegen. Voort vliegt de trein, langs Themar en

Hildburghausen en het overoude Eisfeld, naar Koburg.

Koburg is de hoofd- en residentiestad van het hertogdom Saksen-Koburg,

dat zich, als _pépinière_ van vorsten, eene eigenaardige vermaardheid

verworven heeft. De dynastie van Saksen-Koburg heeft op meer dan een

europeeschen troon een harer leden plaats zien nemen: zij regeert

in Groot-Brittannië, in België, in Portugal. Komt er ergens een

troon vacant--geen zeldzaam verschijnsel in onze dagen!--dan is er

ook doorgaans een prins uit het saksisch-koburgsche huis, die als

kandidaat in aanmerking komt. Laat ons echter billijk zijn, en er

bijvoegen, dat deze vorstelijke familie zich zoowel in haar eigen land,

als in de vreemde landen, waar zij tot de regeering geroepen werd,

over het algemeen, zeer gunstig heeft onderscheiden.

Hare residentiestad is weder eene dier half-landelijke aangename,

behagelijke, kleine duitsche steden, die voor iederen beminnaar

van de natuur en van de kalme studie zooveel aantrekkelijks hebben;

zoo rustig en zoo stil, en toch aan de tegenwoordigheid van het hof

zekere levendigheid en veelzijdigheid dankende, die het bekrompene

kleinsteedsche wegneemt. Het is niet te zeggen, hoeveel Duitschland,

hoeveel de wetenschap en de kunst, juist aan deze kleine steden

te danken hebben; hoe gunstig deze verspreiding, deze verbrokkeling

zoo ge wilt, van krachten op de ontwikkeling van den duitschen geest

gewerkt heeft; hoeveel wij te danken hebben aan de zelfstandigheid,

de eigen werkzaamheid en het eigen leven van al deze middelpunten der

gedachte, door het gansche groote vaderland verspreid. Zal dit voortaan

alles anders worden? Zal ook in Duitschland zich een middelpunt

vormen, waarin zich langzamerhand alle leven samentrekt, waarin het

gansche land als verzwolgen wordt, alzoo dat de verschillende deelen,

afgesneden van dit hoofd, machteloos en levenloos zijn? Zal Berlijn

worden, wat--in menig opzicht Frankrijk ten vloek--Parijs geworden

is? Zal ook de edele, hoog-begaafde duitsche geest zich van zijn

eigenlijke bestemming laten afleiden, zijn heerlijk geestelijk

ideaal vergeten, om het toch altijd bloot materiëele feit eener

uitwendige, mechanische eenheid te verwezenlijken? Om de heerschappij

in het rijk des geestes en der gedachte te laten varen voor de

overmacht op stoffelijk gebied, voor politieken invloed en militaire

heerschappij? Wat al vragen! Maar die toch van zelve oprijzen, bij wien

op de teekenen der tijden let, en, ook met den besten wil, ook met de

hartelijkste sympathie, niet enkel juichensstof vinden kan in wat met

zoo groote geestdrift wordt opgehemeld en verheerlijkt. Dit jagen naar

uitwendige eenheid--heeft het niet zijne zeer bedenkelijke zijde, en

belooft het inderdaad zoo rijke vruchten af te werpen voor de hoogere

ontwikkeling des geestes? Ja, is dat streven niet op zichzelf wellicht

een teeken van afnemende levenskracht, van ouderdom en verval? Bij

jeugdige volken zijn ook de kleinste deelen krachtig genoeg om op

zichzelf te staan, en een eigen leven te leiden, dat voorwaar niet

arm aan daden is. Dat nieuwe duitsche rijk, op de slagvelden geboren

en met zoo schitterende militaire glorie omstraald, vertoont het

geen trekken, die twijfel en bezorgdheid wekken bij ieder, wien het

om den waarachtigen vooruitgang, om de waarachtige vrijheid en de

hoogere zedelijke belangen der menschheid te doen is? Herkent ge in

dat trotsche keizersbeeld niet de trekken van het moderne Cesarisme

met zijne bedenkelijkste eigenschappen: staatsalmacht en militaire

heerschappij? Voorwaar, voorwaar, daar is niet enkel juichensstof; daar

is reden tot ernstige bekommering. Wij, die Duitschland liefhebben,

die zijne zegepralen van harte hebben toegejuicht,--wij mogen wel vurig

bidden, dat dit edele, hoogbegaafde, goede volk bewaard blijve voor den

val in den afgrond, die zich onmiskenbaar voor zijne voeten opent, maar

die het, in de bedwelming der overwinningen, niet schijnt te zien. Dat

ware te wreed eene wrake, indien de kanker, die Frankrijk ten verderve

voerde, door de zegepraal zelf op Duitschland werd overgeplant! Daar is

in het duitsche volk nog een krachtige kern van eigen gezond leven,

van vrijheidsliefde en zelfstandigheid: geve God, dat deze goede

eigenschappen, ontwakende, en zich met allen ernst doende gelden,

den demon mogen overwinnen, die thans gansch Duitschland bedreigt,

den demon van het staatsabsolutisme, die onlijdelijkste van alle

tyrannieën. Zoo niet, dan zou de dag van zijn militaire zegepraal

voor Duitschland de aanvang worden van zijn geestelijken ondergang.

Wij zijn, dus peinzende, Koburg ingetreden. De vriendelijke stad

heeft weinig bezienswaardigs. Wij brengen een groet aan het bronzen

standbeeld van Prins Albert, den broeder van den regeerenden hertog;

en bewonderen, op het fraaie slotplein, den smaakvollen, in half

romaanschen, half gothischen stijl ontworpen voorgevel van het

hertogelijke residentieslot. Doch wie Koburg bezoekt, wordt in de

eerste plaats daarheen gelokt door de heerlijk schoone omstreken. En

onder de schoonheden der omgeving verdient wel bovenal genoemd te

worden de aloude, uitgestrekte burgt, de veste Koburg, die zich op

haar rotsigen berg ruim vijfhonderd voet boven de stad verheft, en

met haar drievoudige ringmuren, haar terrassen, torens en bolwerken,

een inderdaad ontzagwekkenden indruk maakt. Wij willen den alouden,

in den laatsten tijd weder gerestaureerden burgt bezoeken, niet

zoozeer om de verzamelingen van wapenen, rijtuigen, munten, gravures

en handschriften te bezichtigen, die hier bewaard worden, noch om het

kabinet van natuurlijke historie, noch zelfs om de vorstelijke gebouwen

met hunne kunstwerken en andere merkwaardigheden: maar om het heerlijk

panorama te genieten, dat zich bij eene wandeling langs de bolwerken

van de uitgestrekte vesting voor onze blikken ontvouwen zal. Zuidwaarts

dwaalt ons oog over het rijke, schilderachtig geschakeerde heuvelland

tot aan de bergen, die den loop van de Main teekenen; noordwaarts

stuit onze blik tegen de bergreeks van het Thuringer-Wald, dat zich

in zijne volle lengte voor ons uitstrekt. Wel, laat ons een laatsten

blik werpen op dat schoone gebergte, dat zijne golvende lijnen, zoo

stout en zoo bevallig tevens, in de blauwe lucht teekent, en dat wij

van deze hoogte voor het laatst aanschouwen. Het Thuringer-Wald--wij

hebben het niet meer dan vluchtig bezocht, slechts even zijne vele

schoonheden als met den vinger aangeduid; maar volkomen zouden wij ons

doel bereikt, onzen wensch vervuld achten, indien het ons gegeven ware,

de herinnering van gesmaakte weelde, van onvergetelijk schoone dagen

bij u weder in het leven te roepen, of wel het besluit tot rijpheid

te brengen, door eigen aanschouwing u schadeloos te stellen voor de

onvolkomenheid onzer teekening.

Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 7 / 8 题