V.

Eisenach, de tweede stad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach,

heeft, behalve zijne verrukkelijk schoone omstreken, weinig

merkwaardigs. Het is een net, vriendelijk stedeke, schilderachtig

gelegen, beroemd in de sage--koning Gunther, wel bekend uit het

Nibelungenlied, hield te Ysenac hof, en ontving daar den geduchten

hunnenkoning Etzel (Attila), die zijne schoone dochter Chriemhilde

huwde;--maar dat toch niet bijzonder uwe belangstelling wekken zou,

ware het niet dat, in zijne onmiddellijke nabijheid, op den top van

een zijner bergen, die aloude vorstelijke burgt troonde, wiens naam

alleen reeds eene gansche wereld van herinneringen voor uwen geest

roept, en die, vooral na de voortreffelijke restauratie, onder de

vele vorstelijke burgten en sloten, niet alleen van Duitschland,

maar van geheel Europa, geen wedergade vindt. De Wartburg, de kroon,

de roem, het palladium van Thuringen, dat aloude bergkasteel, niet

enkel in de liefelijke sage, maar ook in de geschiedenis wijdberoemd

en gevierd boven menige groote stad: zoudt ge het u kunnen vergeven,

Thuringen te hebben bezocht, zonder uwe schreden naar den Wartburg

te hebben gericht? Derwaarts zij onze eerste gang.

Laat ons den weg door het Georgenthal nemen: het is niet de kortste,

maar zeker wel de fraaiste der vele wegen, die van Eisenach naar den

Wartburg voeren. Vooral wanneer ge mijn voorstel inwilligt, om het

voetpad in te slaan, dat u langs den Teufelskanzel en den Hollunder

brengt en u eene afwisseling van woud- en rotspartijen en heerlijke

panorama's biedt, als ge wellicht op geen ander vinden zult, zal de

meerdere lengte van den weg u niet verdrieten. Mocht het stijgen u

vermoeien, zet u dan even neder op die steenen bank aan den Hollunder,

en geniet daar, te midden der diepe stilte en eenzaamheid van het

woud, den aangrijpend romantischen aanblik van den Wartburg, hoog

boven u, als een arendsnest, op de steile rotsen troonende. Zoo ge

wilt, vertel ik u, terwijl ge hier toeft, in slechts enkele woorden,

de geschiedenis van den burgt.

Graaf Lodewijk de Saliër, de Springer bijgenaamd, met wien wij reeds

te Reinhardsbrunn kennis maakten, dwaalde, op een zijner jachttochten,

over berg en dal, tot hij den top bereikte van den fieren rotskegel,

waarop nu de Wartburg troont. Getroffen door de schoonheid van het

landschap en het wijde vergezicht, riep hij in geestvervoering uit:

"_Warte_ Berg, du sollst mir eine _Burg_ werden!"--De plek, waarop

hij stond, was echter in het bezit van den heer van Frankenstein:

maar graaf Lodewijk wist raad. Op zijn slot den Schauenburg, liet hij

twee houten torens en een woonhuis timmeren, die nu op zekeren dag

naar den uitverkoren berg werden overgebracht en daar opgeslagen. De

Frankensteiner beklaagde zich bij den keizer over deze schending van

zijn eigendomsrecht; graaf Lodewijk verweerde zich zoogoed hij kon;

en als de zaak den keizer te duister werd, vorderde hij, dat Lodewijk,

met twaalf zijner ridders, onder eede zou verklaren, dat hij de beide

torens en het huis op zijn eigen grond en bodem had gebouwd. De

Graaf, een middeleeuwsch edelman, deinsde terug voor een meineed:

maar zijn vernuft liet hem ook nu niet in den steek. In allerijl

liet hij des nachts eenige honderde korven, met aarde van zijn eigen

erfgrond gevuld, naar den berg dragen: nu deed hij met zijne ridders,

terwijl zij hunne zwaarden in dien grond staken, den eed, dat hij op

eigen bodem stond. Daartegen viel niet in te brengen: en 's keizers

uitspraak wees den berg aan graaf Lodewijk toe. Welhaast verrees

daar nu de burgt, die, in den loop des tijds, deels vernieuwd, deels

vergroot en bijgebouwd, langer dan drie eeuwen de zetel der landgraven

van Thuringen zou zijn, en gedurende dien tijd het middeleeuwsche

leven, in zijn rijksten glans, in al zijne wonderbare heerlijkheid,

zich binnen zijne muren zou zien ontplooien. Landgraaf Balthasar (†

1406) was de laatste vorst, die op den Wartburg woonde; zijn zoon,

met wien het oude geslacht ten grave zonk, bracht zijne hofhouding

naar Weissensee over. Sinds dezen tijd stond de oude vorstelijke burgt

eenzaam en verlaten, aan verval en vergetelheid ten prooi. Luther

toefde hier, na den Rijksdag te Worms, tien maanden lang, onder

den naam van Jonker George; na zijn vertrek van dit zijn "Pathmos",

scheen zich niemand over den steeds meer tot bouwval zinkenden burgt te

bekommeren, tot eindelijk het zooveel gerucht makende studentenfeest

van 1817 de aandacht weder op het aloude slot vestigde. Maar eerst

nadat in 1847 de groothertog Karel-Alexander van Weimar het loffelijke

besluit genomen had, den stamburgt der Saksische vorsten in zijne

aloude heerlijkheid te herstellen, werd de Wartburg als tot een nieuw

leven herboren. Het moeilijke en omvangrijke werk der restauratie

werd, naar het plan en onder het oppertoezicht van den hofbouwraad

Dr. Von Ritgen uit Giessen, onder leiding van den architekt Dittmar,

en met medewerking van verschillende uitnemende kunstenaars, met de

uiterste zorgvuldigheid ter hand genomen en voortgezet. Het nadert

thans zijne voltooiing. De oude burgt vertoont zich weder, voor

verreweg het grootste gedeelte, in nagenoeg dezelfde gedaante, als in

de dagen van zijne bloeiende heerlijkheid. Maar het was niet enkel te

doen om eene zoo getrouw mogelijke restauratie van de grijze veste:

eene hoogere gedachte lag aan den arbeid ten grondslag. De Wartburg

moest zóó hersteld worden, dat hij een getrouw beeld te aanschouwen

gaf van het schitterende tijdvak, toen, in de twaalfde en de dertiende

eeuw, Thuringens machtige landgraven hier hun prachtig hof hielden,

en het slot de kampplaats was der grootste duitsche dichters in de

middeleeuwen; en dan later, van het begin der zestiende eeuw, als

wijkplaats van Luther, en als uitgangspunt van den grooten strijd der

Hervorming. Vier groote momenten in de ontwikkelingshistorie van den

germaanschen geest moesten hier, in beeld, worden veraanschouwelijkt:

de romantiek der riddertijden, de epische poëzie der middeleeuwen,

de katholieke mystiek, en de zegepraal van het Protestantisme. Met de

uiterste zorgvuldigheid, met zeldzaam talent en degelijke, ernstige,

veelomvattende geleerdheid, aan fijnen kunstsmaak gepaard, is dat

groote en moeilijke werk jaren achtereen voortgezet en bijkans

voltooid. De eigenlijke Hofburg staat, althans in de hoofdtrekken,

weder geheel daar, zooals hij zich tijdens de regeering van landgraaf

Herman I (1191 tot 1216) vertoonde; de restauratie van den Voorburg of

het Ridderhuis nadert hare voltooiing. Daarmede zal het groote werk

geheel zijn volbracht, en zal Thuringen mogen roemen op het bezit

van een monument, dat, in meer dan een opzicht, zonder wedergade is.

Sla na nog eens de blik op dien eerwaardigen burcht daar boven u, door

zoovele en zoo groote herinneringen gewijd: de woning van de heilige

Elisabeth en de wijkplaats van Luther! En dan onze wandeling vervolgd,

tot wij den top der rots hebben bereikt, en voor de ophaalbrug staan,

die toegang geeft tot den Wartburg. Wij treden over die brug en

door het zware, sombere poortgebouw, en staan nu op een voorplein,

aan alle zijden door gebouwen omringd, en op de achtergrond, door

eene tweede poort, gemeenschap hebbende met een grooteren binnenhof,

die de eigenlijke vorstelijke woning bevat. Ge ziet, hier is nog

geheel de oude bouwtrant der heerlijke burchten bewaard: de voorburg,

met de gebouwen voor het dienstpersoneel, het hofgezin en de gasten;

en de eigenlijke hofburg, waar de heer zelf met zijne naaste omgeving

woonde. Deze laatste vormt eene sterkte op zich zelve, die, ook nadat

de voorburg reeds in 's vijands handen gevallen was, nog geruimen

tijd kon worden verdedigd.

Hoe ik het betreur, dat het mij niet gegund is, u door den ganschen

burcht rond te voeren, om u al de schoonheden van dit zoo uitnemend

merkwaardige gebouw te toonen. Het mag wederom slechts een vluchtig

bezoek zijn, waartoe ik u uitnoodig; wij moeten veel overslaan, wat

der bezichtiging, der bestudeering zoozeer waard zou zijn. Bepalen wij

ons dan tot het voornaamste; en laat dit eerste bezoek u prikkelen tot

herhaalden wederkeer. De Wartburg verdient het wel, dat ge hem ten

volle leert kennen en begrijpen; en dat is bij een eerste, ja zelfs

bij een tweede bezoek nog niet wel mogelijk. Wat de Duitschers zoo

eigenaardig eene Wartburgstemming noemen, komt eerst langzamerhand

over u: maar dan ook verstaat ge hem en krijgt ge hem lief, dien

weergaloozen burgt, met zijn prachtig verleden.

Wij staan op het binnenplein, het middenpunt van den eigenlijken

hofburg. Aan onze rechterhand verrijst de hooge, vierkante, geheel

nieuw opgetrokken wachttoren, de _Bergfried_, op welks spits

het gouden kruis straalt. Aan den voet van dezen toren staat de

_Kemenade_, het vrouwenverblijf, waar de landgravinne met hare

vrouwen en jonkvrouwen woonde. Ook dit gebouw is, geheel in den

oorspronkelijken byzantijnschen stijl, zoogoed als geheel vernieuwd,

het bevat een aantal kostbare meubelen, op den burgt zelf door den

beeldhouwer Hrdina, in den stijl der twaalfde eeuw vervaardigd; voorts

muurschilderingen, beeldwerken en vele andere zeldzaamheden. Gaarne

zoudt ge ook het prachtige panorama willen genieten, dat zich hier

vooral uit de vensters van den zoogenaamden _Erker_ (een uitstek in

den muur) in de Landgravinne-kamer, voor uwen blik ontplooit; maar

de Kemenade is in den regel gesloten; en daar onze tijd ons dringt,

moet ge een poging om dit heiligdom voor u te doen ontsluiten, maar

tot later uitstellen.

Aan de Kemenade grenst het hoofdgebouw van den ganschen burgt, dat,

zoodra ge den binnenhof betreedt, in de eerste plaats uwe aandacht

trekt: het _Landgravenhuis_--_Palas_, _Mushaus_, Hooge-huis--de

residentie der thuringsche vorsten. Hier vooral heeft de begaafde

kunstenaar, aan wien het groote werk der restauratie was opgedragen,

al zijn talent getoond om, met gebruikmaking van hetgeen nog van de

oorspronkelijke stichting was overgebleven of te onderkennen viel,

een monument te stichten, dat niet enkel in de hoofdtrekken, maar

ook in de bijzonderheden; getrouw het karakter draagt van den tijd,

waarin het den aanschouwer verplaatsen moet. Als ge dit heerlijke

paleis hebt bezocht en bestudeerd, durf ik mij vleien, dat ge al uwe,

in vele gevallen maar al te gegronde, bedenkingen tegen de kunstmatige

restauratie van dergelijke antieke gedenkteekenen, althans wat den

Wartburg betreft, zult hebben laten varen. Wij kunnen niet alle

vertrekken van dit ruime, drie verdiepingen hooge gebouw bezoeken;

maar de voornaamste moogt ge toch niet voorbijgaan.

Wij gaan de steenen trap op, het met schilderwerk versierde voorvertrek

door, en treden de groote, ruime zaal in, waar weleer de landgraven

gehoor verleenden, gezanten ontvingen en ten gerichte zaten: de

_Landgravenkamer_. De platte, op balken rustende zoldering wordt in het

midden gedragen door eene uitnemend fraaie zuil, waarvan alleen enkele

ornamenten vernieuwd zijn. Treft u niet de aanblik van dit prachtige

vertrek, met zijne gebeeldhouwde meubelen in den stijl der twaalfde

eeuw; met zijne statige rondboog-vensters, die zoo heerlijk een

panorama omlijsten, met zijne eigenaardige dekoratie? Zie, de wanden

zijn tot ruim eene manshoogte met regelmatige figuren beschilderd:

bij feestelijke gelegenheden wordt dit gedeelte van den wand met

tapijten bekleed; daar boven is de geheele ruimte ingenomen door

zeven groote freskoschilderijen van de hand van Moritz Von Schwind,

voorstellingen uit de geschiedenis der eerste landgraven. Ge waardeert

toch den fijnen tact van den meester, dat hij in deze voorstellingen

der legende ruimer plaatse schonk dan der strenge kritiek? Is niet

deze gansche Wartburg één groot, in steen gehouwen gedicht? Schenk

mij de beschrijving der schilderijen, die ons te ver voeren zou;

vergun mij liever, er u op te wijzen, hoe de meester ook in dit

opzicht getoond heeft, den geest des ouden tijds te begrijpen, dat het

schilderwerk in deze zaal niet iets bijkomstigs is, een sieraad, dat

ge evengoed overal elders zoudt kunnen aanbrengen; maar veelmeer een

onmisbaar bestanddeel van het geheel, met architektuur en ornamentiek

in overeenstemming, en alzoo het gansche vertrek tot één harmonisch

kunstgewrocht stempelende. Zoo begrepen zij inderdaad de kunst,

die meesters der "duistere, barbaarsche" middeleeuwen, op wie wij,

immers met volle recht, zoo laag neerzien!

Uit de landgravenkamer treden wij in de _Zangerzaal_, waar, naar de

legende wil, ten jare 1208, die wijdberoemde wedstrijd tusschen de

zes grootste epische en lyrische dichters van het middeleeuwsche

Duitschland zou gehouden zijn, waaraan ook de geheimzinnige

meesterzanger en magiër Klingsor uit Hongarije deel nam. Is deze

"_Sängerkrieg_" een feit? Wat doet er dat toe: ons resten de zangen

zelven dezer eerste helden der duitsche letterkunde; en dat reeds het

zeer oude gedicht, waarin deze krijg geschilderd wordt, het tooneel

juist op den Wartburg plaatst, bewijst het niet dat het paleis van

Thuringens landgraven van oudsher eene kweekplaats was van kunst

en poëzie? Hoe gaarne zouden wij hier toeven, en ons nog eens de

gansche dichterlijke legende laten verhalen, waartoe de uitnemende

fresko-schilderij van Schwind zoo gereede aanleiding en welkomen

leiddraad geven zou! Bewonderen we slechts de prachtige, zinrijke

dekoratie dezer heerlijke zaal, met haar wonderschoone _Laube_--een

soort van tooneel, waarop de zangers stonden--uitgedost en versierd

als een bloemenprieel, en dubbel aantrekkelijk door den rijkdom van

dichterwoorden en spreuken, aan de werken der zangers zelf ontleend.

Treed eerbiedig voort, ge staat op heiligen grond. De

_Elisabeth-galerij_, aldus genoemd omdat de vorstin, na het

vernemen der doodsmare haars gemaals, hier machteloos nederzonk,

en ook omdat de wanden der galerij met voorstellingen uit haar

leven zijn versierd. Voorzeker, de geheele Wartburg is vervuld van

hare herinnering: maar deze plek is toch meer bijzonder aan hare

nagedachtenis gewijd. In zes groote tafereelen heeft Moritz Von

Schwind de belangrijkste oogenblikken uit het leven der heilige

veraanschouwelijkt; de zeven medaillons daartusschen stellen de

zeven werken der barmhartigheid voor. Ik mag het u niet verhalen,

het veelbewogen leven dezer engelreine lijderesse, die reeds

op haar vier-en-twintigste jaar de kroon der heerlijkheid mocht

beërven. Maar laten anderen die taak voor mij overnemen, en u dat

heerlijke beeld teekenen, gewis een der liefelijkste en verhevenste,

waarop de middeleeuwen hebben te wijzen. De heilige Elisabeth--zeker,

zoo eene, worde zij met volle recht heilig genoemd; zij, ideaal

van christelijken ootmoed en nederigheid, ideaal van christelijke

liefde en toewijding bovenal; eene dier van God uitverkoren zielen,

wier enkele verschijning aan den hemel herinnert, die als engelen des

lichts voor een poos over deze duistere aarde zweven, en een spoor

achterlaten, dat nog na eeuwen het harte van den moeden, worstelenden

twijfelaar verkwikt. Ja, wel de heilige Elisabeth, wier naam ook door

hen, die zich het recht aanmatigen de vormen te bedillen, waarin de

godsvrucht dezer zoo hoog verhevene, engelreine ziel zich uitsprak,

niet dan met den diepsten eerbied, met schaamte en verootmoediging,

mag worden genoemd. Wat zijn wij toch, vergeleken bij deze?

Aan de Elisabeth-galerij grenst de kleine rijkversierde burgtkapel,

waar Luther, tijdens zijn verblijf op den Wartburg, meermalen

gepredikt heeft. Wij kunnen ons bij de beschouwing van al wat zij

bezienswaardigs bevat, niet ophouden, en spoeden ons naar boven,

naar de derde verdieping, die in haar geheele lengte en breedte

door de monumentale _Ridderzaal_ wordt ingenomen. Vooral hier is

een meer dan vluchtig bezoek gewenscht: de gansche rijke ornamentiek

dezer vorstelijke zaal heeft, tot in de kleinste bijzonderheden, een

diepen symbolischen zin: zij moet zoowel de zegepraal des Christendoms

over het heidendom, als, in verband daarmede, den triomf des lichts

over de duisternis in elke menschenziel, veraanschouwelijken. Maar

wij mogen hier niet toeven, om u de echt middeleeuwsche, rijke,

veelzijdige opvatting en uitwerking dezer grootsche idee, waarbij de

kunstenaar al den rijkdom zijner fantazie heeft ten toon gespreid,

te toonen. Nergens misschien in den ganschen burgt, gevoelt ge u zoo

zeer en volkomen in den ouden tijd verplaatst, als in deze heerlijke

zaal, wier voortreffelijke restauratie in den zuiversten romaanschen

stijl, alleen voldoende zou zijn om uwe ingenomenheid met deze moderne

wedergeboorte van het oude monument te wettigen.

Wij zullen de zoogenaamde _Dirnitz_ met hare wapenzaal maar onbezocht

laten, en keeren door de poort naar het voorhof terug. Daar staat

het _Ridderhuis_, waarvan de restauratie nog niet geheel voltooid

is, en dat tot woning dient voor den kommandant of kastelein, zooals

zijn eigenlijke titel is. In dat Ridderhuis bezoeken wij alleen een

klein vertrek, op de tweede verdieping van den westelijken vleugel:

_de kamer van Luther_, waar de hervormer tien maanden heeft gewoond,

en zijne Bijbelvertaling begonnen. Het eenvoudige vertrek bevindt

zich nog in dezelfden toestand, als toen Luther hier vertoefde;

slechts bevat het, behalve het gewone ameublement, eenige voorwerpen,

die van Luther afkomstig zijn of tot hem in betrekking staan, zooals:

een tafel uit het huis zijner familie te Möhra; eene bedstede, waarin

hij op het kasteel Gleichen geslapen heeft; een fraaie gothische

boekenkast; een lamp, die zijn vader in de mijnen gebruikte;

de portretten van Luther en van zijne ouders door Cranach, en nog

eenige andere merkwaardigheden. Maar het zijn niet deze voorwerpen,

die in de eerste plaats uwe aandacht trekken: bij het binnentreden dier

kamer is het de gedachte aan dezen machtigen geest zelf, die u geheel

vervult; en onwillekeurig denkt ge u hem, daar op die houten stoel,

voor die zwaren tafel gezeten, peinzende over zijn Bijbelvertaling

of een dier bezielde brieven schrijvende, die zoo krachtig van zijne

voortdurende werkzaamheid, zijne deelneming aan hetgeen daarbuiten

voorviel getuigden. Toch, hoezeer het hem niet aan afleiding en

beweging ontbrak, moet het hem in zijne eenzaamheid meermalen bang

zijn gevallen: kon en mocht hij zich verbergen, nu in de wereld aan

alle zijden de beweging zich voortplantte; waartoe hij den eersten

stoot gegeven had, en heftiger steeds de strijd ontbrandde, door hem

verwekt? Geen wonder, dat hij het eindelijk op den Wartburg niet

meer harden kon, en weder zelf op de kampplaats verscheen, om het

aangevangen werk te voltooien. Het is hier niet de plaats, om over het

werk van dezen man, waarover thans een zoo scherp gerichte gaat, dat

in onze dagen aan zoo felle vuurproef onderworpen wordt, te spreken:

voor een eindoordeel is wellicht de tijd nog niet gekomen. Maar welk

ons oordeel ook moge zijn over het Protestantisme; als wereldhistorisch

verschijnsel: niets behoeft ons te weerhouden onze eerbiedige hulde te

betuigen aan den man, die, wel ongetwijfeld door zijn geweten gedrongen

en niet om verstandelijke overleggingen of kritische bezwaren,

den strijd aanvaardde tegen de hoogste machten der wereld; den man,

die--echt kenmerk zijner waarachtige grootheid--aan dien reusachtigen

heldenmoed eene naïeveteit, eene kinderlijke eenvoudigheid, eene zoo

argelooze oprechtheid paarde, die noch voor inconsequentiën, noch voor

halfheden terugdeinsde, en niets wist van die tyrannie der logika,

die het merk en de vloek is van kleine, zelfzuchtige geesten. Een

koninklijke geest, deze Luther, een echte zoon der hooghartige, vrije,

koninklijke middeleeuwen, en tevens de baanbreker voor den nieuwen

tijd; een heros, wiens werk niet ijdel zal zijn geweest, ook al mocht

zijne hervorming in het eind eene vergissing blijken.... Ge ziet naar

die zwarte vlek op den muur? Ik vertrouw dat ge te hoog staat, om met

een medelijdenden glimlach de schouders op te halen, als ge verneemt

dat Luther zijn inktkoker greep en dien naar het hoofd van den duivel

slingerde. Laat ons eerst dezen man leeren begrijpen, eer wij over hem

oordeelen; ja zelfs ware het niet kwaad, dat we eerst ons zelven in

onze weinigbeduidendheid plaatsten tegenover zijn heldhaftige figuur,

om ons te stemmen tot ootmoed en waardeering. Genoeg hiervan: wat

deze vlek ook moge bewijzen, zeer zeker wel dit, dat er in den geest

van den grooten hervormer een strijd moet hebben gewoed, van welks

hevigheid en ontzaglijken ernst wij, alledaagsche menschen, ons in de

verte geen denkbeeld kunnen vormen. Wij, kinderen der negentiende eeuw,

weten nog maar ternauwernood wat eene overtuiging is, en verwisselen

die bij de geringste aanleiding; deze man durfde eene overtuiging te

hebben en te belijden, waarmede hij alleen stond tegenover de gansche

wereld, alleen tegenover de duizendjarige geschiedenis van zijn volk

en zijne kerk. Kunt ge u eenigszins denken wat dit zeggen wil?

Wij scheiden, hoe noode ook, van deze eenige plek, waaraan zoovele

en zoo heerlijke herinneringen zich hechten, die ons, voor zoover

we gemeenschap des geestes voelen met hen, die hier gewerkt en

geleden, gestreden en gedacht hebben, dierbaar en gewijd is boven

vele andere. De Wartburg aanschouwde de hoogste uitingen van het

christelijk-germaansche leven in zijne twee hoofdrichtingen: de heilige

Elisabeth en Luther; zal de eerwaardige veste ook eenmaal getuige

zijn van de heeling der noodlottige breuke die deze twee gescheiden

houdt, en zoo groote oorzaak is van veelvuldigen jammer, van de

machteloosheid ook der tot zegepraal en heerschappij geroepen kerk

van Christus? Luther en de heilige Elisabeth! zoo gansch verschillend

en toch, in het wezen der zaak, aan elkander verwant, op denzelfden

levensbodem staande. Of het beeld der middeleeuwsche koningsdochter,

in hare roerende aantrekkelijkheid, wel eens verrezen is voor den blik

van den worstelenden kluizenaar op den Wartburg? Doch, de gedachten

verdringen zich in ons: wij moeten voort. Nog een laatste blik,

nog een laatste groet, zij het tot wederzien!

Nu wij den Wartburg hebben gezien, heeft Eisenach niets meer, dat

ons boeien kan. Nog een zeer vluchtig uitstapje wacht ons: naar Koburg.

Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 8 题