Eisenach, de tweede stad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach,
heeft, behalve zijne verrukkelijk schoone omstreken, weinig
merkwaardigs. Het is een net, vriendelijk stedeke, schilderachtig
gelegen, beroemd in de sage--koning Gunther, wel bekend uit het
Nibelungenlied, hield te Ysenac hof, en ontving daar den geduchten
hunnenkoning Etzel (Attila), die zijne schoone dochter Chriemhilde
huwde;--maar dat toch niet bijzonder uwe belangstelling wekken zou,
ware het niet dat, in zijne onmiddellijke nabijheid, op den top van
een zijner bergen, die aloude vorstelijke burgt troonde, wiens naam
alleen reeds eene gansche wereld van herinneringen voor uwen geest
roept, en die, vooral na de voortreffelijke restauratie, onder de
vele vorstelijke burgten en sloten, niet alleen van Duitschland,
maar van geheel Europa, geen wedergade vindt. De Wartburg, de kroon,
de roem, het palladium van Thuringen, dat aloude bergkasteel, niet
enkel in de liefelijke sage, maar ook in de geschiedenis wijdberoemd
en gevierd boven menige groote stad: zoudt ge het u kunnen vergeven,
Thuringen te hebben bezocht, zonder uwe schreden naar den Wartburg
te hebben gericht? Derwaarts zij onze eerste gang.
Laat ons den weg door het Georgenthal nemen: het is niet de kortste,
maar zeker wel de fraaiste der vele wegen, die van Eisenach naar den
Wartburg voeren. Vooral wanneer ge mijn voorstel inwilligt, om het
voetpad in te slaan, dat u langs den Teufelskanzel en den Hollunder
brengt en u eene afwisseling van woud- en rotspartijen en heerlijke
panorama's biedt, als ge wellicht op geen ander vinden zult, zal de
meerdere lengte van den weg u niet verdrieten. Mocht het stijgen u
vermoeien, zet u dan even neder op die steenen bank aan den Hollunder,
en geniet daar, te midden der diepe stilte en eenzaamheid van het
woud, den aangrijpend romantischen aanblik van den Wartburg, hoog
boven u, als een arendsnest, op de steile rotsen troonende. Zoo ge
wilt, vertel ik u, terwijl ge hier toeft, in slechts enkele woorden,
de geschiedenis van den burgt.
Graaf Lodewijk de Saliër, de Springer bijgenaamd, met wien wij reeds
te Reinhardsbrunn kennis maakten, dwaalde, op een zijner jachttochten,
over berg en dal, tot hij den top bereikte van den fieren rotskegel,
waarop nu de Wartburg troont. Getroffen door de schoonheid van het
landschap en het wijde vergezicht, riep hij in geestvervoering uit:
"_Warte_ Berg, du sollst mir eine _Burg_ werden!"--De plek, waarop
hij stond, was echter in het bezit van den heer van Frankenstein:
maar graaf Lodewijk wist raad. Op zijn slot den Schauenburg, liet hij
twee houten torens en een woonhuis timmeren, die nu op zekeren dag
naar den uitverkoren berg werden overgebracht en daar opgeslagen. De
Frankensteiner beklaagde zich bij den keizer over deze schending van
zijn eigendomsrecht; graaf Lodewijk verweerde zich zoogoed hij kon;
en als de zaak den keizer te duister werd, vorderde hij, dat Lodewijk,
met twaalf zijner ridders, onder eede zou verklaren, dat hij de beide
torens en het huis op zijn eigen grond en bodem had gebouwd. De
Graaf, een middeleeuwsch edelman, deinsde terug voor een meineed:
maar zijn vernuft liet hem ook nu niet in den steek. In allerijl
liet hij des nachts eenige honderde korven, met aarde van zijn eigen
erfgrond gevuld, naar den berg dragen: nu deed hij met zijne ridders,
terwijl zij hunne zwaarden in dien grond staken, den eed, dat hij op
eigen bodem stond. Daartegen viel niet in te brengen: en 's keizers
uitspraak wees den berg aan graaf Lodewijk toe. Welhaast verrees
daar nu de burgt, die, in den loop des tijds, deels vernieuwd, deels
vergroot en bijgebouwd, langer dan drie eeuwen de zetel der landgraven
van Thuringen zou zijn, en gedurende dien tijd het middeleeuwsche
leven, in zijn rijksten glans, in al zijne wonderbare heerlijkheid,
zich binnen zijne muren zou zien ontplooien. Landgraaf Balthasar (
1406) was de laatste vorst, die op den Wartburg woonde; zijn zoon,
met wien het oude geslacht ten grave zonk, bracht zijne hofhouding
naar Weissensee over. Sinds dezen tijd stond de oude vorstelijke burgt
eenzaam en verlaten, aan verval en vergetelheid ten prooi. Luther
toefde hier, na den Rijksdag te Worms, tien maanden lang, onder
den naam van Jonker George; na zijn vertrek van dit zijn "Pathmos",
scheen zich niemand over den steeds meer tot bouwval zinkenden burgt te
bekommeren, tot eindelijk het zooveel gerucht makende studentenfeest
van 1817 de aandacht weder op het aloude slot vestigde. Maar eerst
nadat in 1847 de groothertog Karel-Alexander van Weimar het loffelijke
besluit genomen had, den stamburgt der Saksische vorsten in zijne
aloude heerlijkheid te herstellen, werd de Wartburg als tot een nieuw
leven herboren. Het moeilijke en omvangrijke werk der restauratie
werd, naar het plan en onder het oppertoezicht van den hofbouwraad
Dr. Von Ritgen uit Giessen, onder leiding van den architekt Dittmar,
en met medewerking van verschillende uitnemende kunstenaars, met de
uiterste zorgvuldigheid ter hand genomen en voortgezet. Het nadert
thans zijne voltooiing. De oude burgt vertoont zich weder, voor
verreweg het grootste gedeelte, in nagenoeg dezelfde gedaante, als in
de dagen van zijne bloeiende heerlijkheid. Maar het was niet enkel te
doen om eene zoo getrouw mogelijke restauratie van de grijze veste:
eene hoogere gedachte lag aan den arbeid ten grondslag. De Wartburg
moest zóó hersteld worden, dat hij een getrouw beeld te aanschouwen
gaf van het schitterende tijdvak, toen, in de twaalfde en de dertiende
eeuw, Thuringens machtige landgraven hier hun prachtig hof hielden,
en het slot de kampplaats was der grootste duitsche dichters in de
middeleeuwen; en dan later, van het begin der zestiende eeuw, als
wijkplaats van Luther, en als uitgangspunt van den grooten strijd der
Hervorming. Vier groote momenten in de ontwikkelingshistorie van den
germaanschen geest moesten hier, in beeld, worden veraanschouwelijkt:
de romantiek der riddertijden, de epische poëzie der middeleeuwen,
de katholieke mystiek, en de zegepraal van het Protestantisme. Met de
uiterste zorgvuldigheid, met zeldzaam talent en degelijke, ernstige,
veelomvattende geleerdheid, aan fijnen kunstsmaak gepaard, is dat
groote en moeilijke werk jaren achtereen voortgezet en bijkans
voltooid. De eigenlijke Hofburg staat, althans in de hoofdtrekken,
weder geheel daar, zooals hij zich tijdens de regeering van landgraaf
Herman I (1191 tot 1216) vertoonde; de restauratie van den Voorburg of
het Ridderhuis nadert hare voltooiing. Daarmede zal het groote werk
geheel zijn volbracht, en zal Thuringen mogen roemen op het bezit
van een monument, dat, in meer dan een opzicht, zonder wedergade is.
Sla na nog eens de blik op dien eerwaardigen burcht daar boven u, door
zoovele en zoo groote herinneringen gewijd: de woning van de heilige
Elisabeth en de wijkplaats van Luther! En dan onze wandeling vervolgd,
tot wij den top der rots hebben bereikt, en voor de ophaalbrug staan,
die toegang geeft tot den Wartburg. Wij treden over die brug en
door het zware, sombere poortgebouw, en staan nu op een voorplein,
aan alle zijden door gebouwen omringd, en op de achtergrond, door
eene tweede poort, gemeenschap hebbende met een grooteren binnenhof,
die de eigenlijke vorstelijke woning bevat. Ge ziet, hier is nog
geheel de oude bouwtrant der heerlijke burchten bewaard: de voorburg,
met de gebouwen voor het dienstpersoneel, het hofgezin en de gasten;
en de eigenlijke hofburg, waar de heer zelf met zijne naaste omgeving
woonde. Deze laatste vormt eene sterkte op zich zelve, die, ook nadat
de voorburg reeds in 's vijands handen gevallen was, nog geruimen
tijd kon worden verdedigd.
Hoe ik het betreur, dat het mij niet gegund is, u door den ganschen
burcht rond te voeren, om u al de schoonheden van dit zoo uitnemend
merkwaardige gebouw te toonen. Het mag wederom slechts een vluchtig
bezoek zijn, waartoe ik u uitnoodig; wij moeten veel overslaan, wat
der bezichtiging, der bestudeering zoozeer waard zou zijn. Bepalen wij
ons dan tot het voornaamste; en laat dit eerste bezoek u prikkelen tot
herhaalden wederkeer. De Wartburg verdient het wel, dat ge hem ten
volle leert kennen en begrijpen; en dat is bij een eerste, ja zelfs
bij een tweede bezoek nog niet wel mogelijk. Wat de Duitschers zoo
eigenaardig eene Wartburgstemming noemen, komt eerst langzamerhand
over u: maar dan ook verstaat ge hem en krijgt ge hem lief, dien
weergaloozen burgt, met zijn prachtig verleden.
Wij staan op het binnenplein, het middenpunt van den eigenlijken
hofburg. Aan onze rechterhand verrijst de hooge, vierkante, geheel
nieuw opgetrokken wachttoren, de _Bergfried_, op welks spits
het gouden kruis straalt. Aan den voet van dezen toren staat de
_Kemenade_, het vrouwenverblijf, waar de landgravinne met hare
vrouwen en jonkvrouwen woonde. Ook dit gebouw is, geheel in den
oorspronkelijken byzantijnschen stijl, zoogoed als geheel vernieuwd,
het bevat een aantal kostbare meubelen, op den burgt zelf door den
beeldhouwer Hrdina, in den stijl der twaalfde eeuw vervaardigd; voorts
muurschilderingen, beeldwerken en vele andere zeldzaamheden. Gaarne
zoudt ge ook het prachtige panorama willen genieten, dat zich hier
vooral uit de vensters van den zoogenaamden _Erker_ (een uitstek in
den muur) in de Landgravinne-kamer, voor uwen blik ontplooit; maar
de Kemenade is in den regel gesloten; en daar onze tijd ons dringt,
moet ge een poging om dit heiligdom voor u te doen ontsluiten, maar
tot later uitstellen.
Aan de Kemenade grenst het hoofdgebouw van den ganschen burgt, dat,
zoodra ge den binnenhof betreedt, in de eerste plaats uwe aandacht
trekt: het _Landgravenhuis_--_Palas_, _Mushaus_, Hooge-huis--de
residentie der thuringsche vorsten. Hier vooral heeft de begaafde
kunstenaar, aan wien het groote werk der restauratie was opgedragen,
al zijn talent getoond om, met gebruikmaking van hetgeen nog van de
oorspronkelijke stichting was overgebleven of te onderkennen viel,
een monument te stichten, dat niet enkel in de hoofdtrekken, maar
ook in de bijzonderheden; getrouw het karakter draagt van den tijd,
waarin het den aanschouwer verplaatsen moet. Als ge dit heerlijke
paleis hebt bezocht en bestudeerd, durf ik mij vleien, dat ge al uwe,
in vele gevallen maar al te gegronde, bedenkingen tegen de kunstmatige
restauratie van dergelijke antieke gedenkteekenen, althans wat den
Wartburg betreft, zult hebben laten varen. Wij kunnen niet alle
vertrekken van dit ruime, drie verdiepingen hooge gebouw bezoeken;
maar de voornaamste moogt ge toch niet voorbijgaan.
Wij gaan de steenen trap op, het met schilderwerk versierde voorvertrek
door, en treden de groote, ruime zaal in, waar weleer de landgraven
gehoor verleenden, gezanten ontvingen en ten gerichte zaten: de
_Landgravenkamer_. De platte, op balken rustende zoldering wordt in het
midden gedragen door eene uitnemend fraaie zuil, waarvan alleen enkele
ornamenten vernieuwd zijn. Treft u niet de aanblik van dit prachtige
vertrek, met zijne gebeeldhouwde meubelen in den stijl der twaalfde
eeuw; met zijne statige rondboog-vensters, die zoo heerlijk een
panorama omlijsten, met zijne eigenaardige dekoratie? Zie, de wanden
zijn tot ruim eene manshoogte met regelmatige figuren beschilderd:
bij feestelijke gelegenheden wordt dit gedeelte van den wand met
tapijten bekleed; daar boven is de geheele ruimte ingenomen door
zeven groote freskoschilderijen van de hand van Moritz Von Schwind,
voorstellingen uit de geschiedenis der eerste landgraven. Ge waardeert
toch den fijnen tact van den meester, dat hij in deze voorstellingen
der legende ruimer plaatse schonk dan der strenge kritiek? Is niet
deze gansche Wartburg één groot, in steen gehouwen gedicht? Schenk
mij de beschrijving der schilderijen, die ons te ver voeren zou;
vergun mij liever, er u op te wijzen, hoe de meester ook in dit
opzicht getoond heeft, den geest des ouden tijds te begrijpen, dat het
schilderwerk in deze zaal niet iets bijkomstigs is, een sieraad, dat
ge evengoed overal elders zoudt kunnen aanbrengen; maar veelmeer een
onmisbaar bestanddeel van het geheel, met architektuur en ornamentiek
in overeenstemming, en alzoo het gansche vertrek tot één harmonisch
kunstgewrocht stempelende. Zoo begrepen zij inderdaad de kunst,
die meesters der "duistere, barbaarsche" middeleeuwen, op wie wij,
immers met volle recht, zoo laag neerzien!
Uit de landgravenkamer treden wij in de _Zangerzaal_, waar, naar de
legende wil, ten jare 1208, die wijdberoemde wedstrijd tusschen de
zes grootste epische en lyrische dichters van het middeleeuwsche
Duitschland zou gehouden zijn, waaraan ook de geheimzinnige
meesterzanger en magiër Klingsor uit Hongarije deel nam. Is deze
"_Sängerkrieg_" een feit? Wat doet er dat toe: ons resten de zangen
zelven dezer eerste helden der duitsche letterkunde; en dat reeds het
zeer oude gedicht, waarin deze krijg geschilderd wordt, het tooneel
juist op den Wartburg plaatst, bewijst het niet dat het paleis van
Thuringens landgraven van oudsher eene kweekplaats was van kunst
en poëzie? Hoe gaarne zouden wij hier toeven, en ons nog eens de
gansche dichterlijke legende laten verhalen, waartoe de uitnemende
fresko-schilderij van Schwind zoo gereede aanleiding en welkomen
leiddraad geven zou! Bewonderen we slechts de prachtige, zinrijke
dekoratie dezer heerlijke zaal, met haar wonderschoone _Laube_--een
soort van tooneel, waarop de zangers stonden--uitgedost en versierd
als een bloemenprieel, en dubbel aantrekkelijk door den rijkdom van
dichterwoorden en spreuken, aan de werken der zangers zelf ontleend.
Treed eerbiedig voort, ge staat op heiligen grond. De
_Elisabeth-galerij_, aldus genoemd omdat de vorstin, na het
vernemen der doodsmare haars gemaals, hier machteloos nederzonk,
en ook omdat de wanden der galerij met voorstellingen uit haar
leven zijn versierd. Voorzeker, de geheele Wartburg is vervuld van
hare herinnering: maar deze plek is toch meer bijzonder aan hare
nagedachtenis gewijd. In zes groote tafereelen heeft Moritz Von
Schwind de belangrijkste oogenblikken uit het leven der heilige
veraanschouwelijkt; de zeven medaillons daartusschen stellen de
zeven werken der barmhartigheid voor. Ik mag het u niet verhalen,
het veelbewogen leven dezer engelreine lijderesse, die reeds
op haar vier-en-twintigste jaar de kroon der heerlijkheid mocht
beërven. Maar laten anderen die taak voor mij overnemen, en u dat
heerlijke beeld teekenen, gewis een der liefelijkste en verhevenste,
waarop de middeleeuwen hebben te wijzen. De heilige Elisabeth--zeker,
zoo eene, worde zij met volle recht heilig genoemd; zij, ideaal
van christelijken ootmoed en nederigheid, ideaal van christelijke
liefde en toewijding bovenal; eene dier van God uitverkoren zielen,
wier enkele verschijning aan den hemel herinnert, die als engelen des
lichts voor een poos over deze duistere aarde zweven, en een spoor
achterlaten, dat nog na eeuwen het harte van den moeden, worstelenden
twijfelaar verkwikt. Ja, wel de heilige Elisabeth, wier naam ook door
hen, die zich het recht aanmatigen de vormen te bedillen, waarin de
godsvrucht dezer zoo hoog verhevene, engelreine ziel zich uitsprak,
niet dan met den diepsten eerbied, met schaamte en verootmoediging,
mag worden genoemd. Wat zijn wij toch, vergeleken bij deze?
Aan de Elisabeth-galerij grenst de kleine rijkversierde burgtkapel,
waar Luther, tijdens zijn verblijf op den Wartburg, meermalen
gepredikt heeft. Wij kunnen ons bij de beschouwing van al wat zij
bezienswaardigs bevat, niet ophouden, en spoeden ons naar boven,
naar de derde verdieping, die in haar geheele lengte en breedte
door de monumentale _Ridderzaal_ wordt ingenomen. Vooral hier is
een meer dan vluchtig bezoek gewenscht: de gansche rijke ornamentiek
dezer vorstelijke zaal heeft, tot in de kleinste bijzonderheden, een
diepen symbolischen zin: zij moet zoowel de zegepraal des Christendoms
over het heidendom, als, in verband daarmede, den triomf des lichts
over de duisternis in elke menschenziel, veraanschouwelijken. Maar
wij mogen hier niet toeven, om u de echt middeleeuwsche, rijke,
veelzijdige opvatting en uitwerking dezer grootsche idee, waarbij de
kunstenaar al den rijkdom zijner fantazie heeft ten toon gespreid,
te toonen. Nergens misschien in den ganschen burgt, gevoelt ge u zoo
zeer en volkomen in den ouden tijd verplaatst, als in deze heerlijke
zaal, wier voortreffelijke restauratie in den zuiversten romaanschen
stijl, alleen voldoende zou zijn om uwe ingenomenheid met deze moderne
wedergeboorte van het oude monument te wettigen.
Wij zullen de zoogenaamde _Dirnitz_ met hare wapenzaal maar onbezocht
laten, en keeren door de poort naar het voorhof terug. Daar staat
het _Ridderhuis_, waarvan de restauratie nog niet geheel voltooid
is, en dat tot woning dient voor den kommandant of kastelein, zooals
zijn eigenlijke titel is. In dat Ridderhuis bezoeken wij alleen een
klein vertrek, op de tweede verdieping van den westelijken vleugel:
_de kamer van Luther_, waar de hervormer tien maanden heeft gewoond,
en zijne Bijbelvertaling begonnen. Het eenvoudige vertrek bevindt
zich nog in dezelfden toestand, als toen Luther hier vertoefde;
slechts bevat het, behalve het gewone ameublement, eenige voorwerpen,
die van Luther afkomstig zijn of tot hem in betrekking staan, zooals:
een tafel uit het huis zijner familie te Möhra; eene bedstede, waarin
hij op het kasteel Gleichen geslapen heeft; een fraaie gothische
boekenkast; een lamp, die zijn vader in de mijnen gebruikte;
de portretten van Luther en van zijne ouders door Cranach, en nog
eenige andere merkwaardigheden. Maar het zijn niet deze voorwerpen,
die in de eerste plaats uwe aandacht trekken: bij het binnentreden dier
kamer is het de gedachte aan dezen machtigen geest zelf, die u geheel
vervult; en onwillekeurig denkt ge u hem, daar op die houten stoel,
voor die zwaren tafel gezeten, peinzende over zijn Bijbelvertaling
of een dier bezielde brieven schrijvende, die zoo krachtig van zijne
voortdurende werkzaamheid, zijne deelneming aan hetgeen daarbuiten
voorviel getuigden. Toch, hoezeer het hem niet aan afleiding en
beweging ontbrak, moet het hem in zijne eenzaamheid meermalen bang
zijn gevallen: kon en mocht hij zich verbergen, nu in de wereld aan
alle zijden de beweging zich voortplantte; waartoe hij den eersten
stoot gegeven had, en heftiger steeds de strijd ontbrandde, door hem
verwekt? Geen wonder, dat hij het eindelijk op den Wartburg niet
meer harden kon, en weder zelf op de kampplaats verscheen, om het
aangevangen werk te voltooien. Het is hier niet de plaats, om over het
werk van dezen man, waarover thans een zoo scherp gerichte gaat, dat
in onze dagen aan zoo felle vuurproef onderworpen wordt, te spreken:
voor een eindoordeel is wellicht de tijd nog niet gekomen. Maar welk
ons oordeel ook moge zijn over het Protestantisme; als wereldhistorisch
verschijnsel: niets behoeft ons te weerhouden onze eerbiedige hulde te
betuigen aan den man, die, wel ongetwijfeld door zijn geweten gedrongen
en niet om verstandelijke overleggingen of kritische bezwaren,
den strijd aanvaardde tegen de hoogste machten der wereld; den man,
die--echt kenmerk zijner waarachtige grootheid--aan dien reusachtigen
heldenmoed eene naïeveteit, eene kinderlijke eenvoudigheid, eene zoo
argelooze oprechtheid paarde, die noch voor inconsequentiën, noch voor
halfheden terugdeinsde, en niets wist van die tyrannie der logika,
die het merk en de vloek is van kleine, zelfzuchtige geesten. Een
koninklijke geest, deze Luther, een echte zoon der hooghartige, vrije,
koninklijke middeleeuwen, en tevens de baanbreker voor den nieuwen
tijd; een heros, wiens werk niet ijdel zal zijn geweest, ook al mocht
zijne hervorming in het eind eene vergissing blijken.... Ge ziet naar
die zwarte vlek op den muur? Ik vertrouw dat ge te hoog staat, om met
een medelijdenden glimlach de schouders op te halen, als ge verneemt
dat Luther zijn inktkoker greep en dien naar het hoofd van den duivel
slingerde. Laat ons eerst dezen man leeren begrijpen, eer wij over hem
oordeelen; ja zelfs ware het niet kwaad, dat we eerst ons zelven in
onze weinigbeduidendheid plaatsten tegenover zijn heldhaftige figuur,
om ons te stemmen tot ootmoed en waardeering. Genoeg hiervan: wat
deze vlek ook moge bewijzen, zeer zeker wel dit, dat er in den geest
van den grooten hervormer een strijd moet hebben gewoed, van welks
hevigheid en ontzaglijken ernst wij, alledaagsche menschen, ons in de
verte geen denkbeeld kunnen vormen. Wij, kinderen der negentiende eeuw,
weten nog maar ternauwernood wat eene overtuiging is, en verwisselen
die bij de geringste aanleiding; deze man durfde eene overtuiging te
hebben en te belijden, waarmede hij alleen stond tegenover de gansche
wereld, alleen tegenover de duizendjarige geschiedenis van zijn volk
en zijne kerk. Kunt ge u eenigszins denken wat dit zeggen wil?
Wij scheiden, hoe noode ook, van deze eenige plek, waaraan zoovele
en zoo heerlijke herinneringen zich hechten, die ons, voor zoover
we gemeenschap des geestes voelen met hen, die hier gewerkt en
geleden, gestreden en gedacht hebben, dierbaar en gewijd is boven
vele andere. De Wartburg aanschouwde de hoogste uitingen van het
christelijk-germaansche leven in zijne twee hoofdrichtingen: de heilige
Elisabeth en Luther; zal de eerwaardige veste ook eenmaal getuige
zijn van de heeling der noodlottige breuke die deze twee gescheiden
houdt, en zoo groote oorzaak is van veelvuldigen jammer, van de
machteloosheid ook der tot zegepraal en heerschappij geroepen kerk
van Christus? Luther en de heilige Elisabeth! zoo gansch verschillend
en toch, in het wezen der zaak, aan elkander verwant, op denzelfden
levensbodem staande. Of het beeld der middeleeuwsche koningsdochter,
in hare roerende aantrekkelijkheid, wel eens verrezen is voor den blik
van den worstelenden kluizenaar op den Wartburg? Doch, de gedachten
verdringen zich in ons: wij moeten voort. Nog een laatste blik,
nog een laatste groet, zij het tot wederzien!
Nu wij den Wartburg hebben gezien, heeft Eisenach niets meer, dat
ons boeien kan. Nog een zeer vluchtig uitstapje wacht ons: naar Koburg.