IV.

Mij dunkt, wij hebben nu vooreerst genoeg van den spoortrein. Ook

hebben wij meer behoefte aan de vrije natuur, dan aan nieuwe

stadsgezichten. Welnu: ge ziet niet op tegen eene fiksche wandeling,

niet waar, die bijkans eene voetreis heeten mag? Laat ik u dan

nogmaals ten gids mogen verstrekken: wij gaan over Reinhardsbrunn naar

den Inselsberg, en verder over Liebenstein en Ruhla naar Eisenach

wandelen. Zoo ge er niet tegen hebt, zullen wij in den Inselsberg

overnachten: wellicht gunt de hemel ons een fraaien zonsondergang of

opgang. Aan heerlijke natuurtooneelen zal het ons op de wandeling in

geen geval ontbreken.

Vroeg in den morgen verlaten wij Gotha, en volgen den straatweg,

die over Schnepfenthal naar Reinhardsbrunn voert. Rijk aan schoone

gezichten is deze weg, door de bergachtige, romantische streek: voor

u uit verheffen zich de hooge, met donker bosch begroeide heuvelen

en bergen, die van de hoofdketen van het Thuringer-Wald uitgaan. De

nog laag aan de kim staande zon hindert u niet; de frischheid

van den morgen waait u tegen: met vroolijken moed stapt ge voort,

door de ontwakende dorpjes Sundhausen, Leina en Wahlwinkel. Na eene

verfrisschende wandeling van ruim twee uren, zijn wij te Rödichen,

waar wij even toeven zullen. Ziet ge die statige groep gebouwen op dien

heuvel met zijne fraaie boomgroepen? Dat is het opvoedingsgesticht,

in het laatst der vorige eeuw door den beminnelijken en eerwaardigen

Salzmann gesticht, en nog heden door zijn kleinzoon bestuurd. Moesten

wij niet spaarzaam zijn met onzen tijd, dan zou ik u uitnoodigen

dit uitmuntend gesticht, dat zoowel onder zijne leeraars als onder

zijne kweekelingen menigen beroemden naam heeft geteld, te bezoeken:

het is uwe belangstelling alleszins waard.

Doch nu, na ons even verfrischt te hebben, verder door het

liefelijke dal, ter wederzijde door donkere dennen en sparren

ingesloten, en waarin telkens zilveren waterplassen de omringende

heuvelen weerspiegelen. Daar valt u reeds het logement in het oog:

ge zijt weldra ter plaatse uwer eerste bestemming. Doch ja, hier

moogt ge wel even stilstaan. Een panorama van zeldzame schoonheid

breidt zich uit voor uwen blik. Dáár, in zijn heerlijken krans van

donkergroene, met eeuwenheugend bosch bedekte bergen, te midden der

met zoo onberispelijken smaak geschakeerde bosschages, boomgroepen,

grasperken, tuinen, vijvers--in deze paradijsachtig schoone omgeving,

ligt Reinhardsbrunn, het lustslot van den hertog van Koburg-Gotha, dat

door zijn oud-duitschen bouwstijl eene ongemeen treffende uitwerking

doet. Dat plekje is inderdaad zoo wonderschoon, dat we onmogelijk den

lust kunnen weerstaan ons hier neder te zetten, en met volle teugen

de heerlijkheid in te drinken van dit verrukkelijke landschap, dat

de majesteit eener vrije bergnatuur paart aan de liefelijkheid van

een idyllisch dal, door de kunst in een heerlijk park herschapen.

Terwijl wij hier rusten, gunt gij me wel een oogenblik gehoor, om u

de sage van Reinhardsbrunn te verhalen. In de tweede helft der elfde

eeuw regeerde als graaf van Thuringen, Lodewijk de Saliër, de stichter

van den Wartburg en van het slot Neuenburg bij Freiburg. Vooral dit

laatste slot werd des graven lievelingsverblijf. In de nabijheid toch

lag de Weissenburg, waar paltsgraaf Frederik van Saksen met zijne

bevallige gemalin Adelheide woonde. Het harte van graaf Lodewijk werd,

haar ziende, door zonderling sterke minne bewogen, alzoo dat hij zich

voornam haar te bezitten. En de paltsgravinne bleef niet ongevoelig

voor de hartstochtelijke hulde van den dapperen ridder. Het geschiedde

dan op zekeren dag, dat de jonge Frederik van Saksen ter jacht toog,

en niet weder huiswaarts keerde: de hand eens vuigen moorders had den

jeugdigen vorst getroffen. Had Lodewijk zelf zich met het bloed van

den wreed misleiden echtgenoot bezoedeld? Of had hij een booswicht

omgekocht, die voor hem het gruwelstuk volbracht? Wat hiervan zij:

toen de voorgeschreven rouwtijd verstreken was, liet de jonge weduwe

zich door graaf Lodewijk, nadat deze zijne eigene gemalin verstooten

had, als zijne wettige echtgenoote op den Wartburg voeren, en leefde

daar met hem in lust en vreugd. Maar mochten beiden dus de geboden

Gods en der kerk met voeten hebben getreden: een duurzaam geluk

was hun niet weggelegd. Te midden van zijn woelig leven, in bijkans

voortdurende oorlogen gesleten, vervolgde graaf Lodewijk de gedachte

aan zijne dubbele echtbreuk en moord. En naarmate de jaren klommen,

en ernstiger overwegingen den overmoed der wilde jeugd deden wijken,

pijnde en kwelde hem het berouw over zijne ergerlijke zonde, en werd

de dringende begeerte steeds levendiger om door eene openlijke daad

van boete en berouw zijne groote schuld te verzoenen. Hij scheidde

zich van de zoo vurig beminde Adelheide, die zelve in het klooster te

Scheiplitz den sluier aannam; daarna verdeelde hij zijne goederen onder

zijne twee zonen, gordde het haren kleed eens boetelings om de leden,

en stierf als benediktijner-monnik in het klooster Reinhardsbrunn,

door hem zelf gesticht op de plek, waar de houthakker Reinhard,

vele nachten achtereen, drie vuurtongen had gezien, zwevende over

eene bron.--Dit verhaalt de kroniek omtrent de stichting van de in

later eeuw zoo machtige abdij Reinhardsbrunn, de nekropolis der

landgraven van Thuringen. En wat zij verhaalt mag volkomen waar

zijn, want het draagt geheel en al den stempel des tijds, waarin het

zou zijn geschied.--Bij den wilden boerenkrijg ging het prachtige

klooster te gronde; de plek waar het gestaan had, bleef tamelijk

vergeten, tot hertog Ernst I van Koburg, in 1835, op de grondslagen

en met aanwending van de weinige overblijfselen der oude abdij,

het schilderachtig schoone, romantische slot liet bouwen, dat nu

door zijn antiek-moderne pracht, en nog meer door zijne omgeving,

zoo onwederstaanbaar uwe blikken boeit.

Het logement te Reinhardsbrunn en de hotels en particuliere woningen

in het vlak nabij gelegen Friedrichroda zijn des zomers, in den

regel, vol gasten: want deze streek is in de laatste jaren een

bedevaartsplaats voor duizende toeristen geworden. Hoe gaarne zou

ik hier met u eenige dagen toeven, om u door den heerlijk schoonen

omtrek rond te voeren, en u naar zoo menige plek te brengen, die,

eens gezien, voor altijd onvergetelijk zou blijven. De Gottlob, de

Schauenburg, de Abtsberg, de Tanzbuche, de Spiessberg, de Uebelberg,

de Ungeheuerngrund: hoe lokken ze allen tot een bezoek, hoe rijk, zij

het ook op verschillende wijze, loonen zij de moeite, die trouwens

een genot is, der wandeling. Maar wij mogen aan die begeerte niet

toegeven; slechts even zij u de tijd gelaten voor eene wandeling

door het heerlijke park van Reinhardsbrunn, en een vluchtig bezoek

aan het in oud-duitschen stijl prachtig versierde en gemeubelde slot.

Wij moeten even van den naasten weg afwijken om de dusgenaamde

_Marienglashöhle_ te bezichtigen: eene steengroeve, waar het

zoogenaamde Mariaglas, eene soort van gips vol kristallen, en ook

albast gedolven wordt. Eigenaardig is de indruk, wanneer ge, door den

bergwerker met zijn fakkel vergezeld, de grot betreedt, die bij het

duizendvoudig weerkaatste licht, een onderaardsch feeënslot gelijkt.

En nu voort, naar den Inselsberg. De gansche streek tusschen

Reinhardsbrunn en den berg is als het ware een groot, door de

natuur zelf aangelegd park, waarvan ge de wedergade waarschijnlijk

te vergeefs in geheel Duitschland zoeken zoudt. De prachtigste

landschappen wisselen hier, in de rijkste verscheidenheid, elkander

af: wouden en rotsen en dalen, wijde panorama's en eng omsloten

valleien: al de heerlijkheid der bergnatuur, in wier midden gij u

thans bevindt. Het gaat nu eens, op steile paden, naar omhoog; dan,

verloren in de schaduwen van het woud, omlaag naar een vreedzaam dal,

waar een zilveren beek klatert, en te midden der donkere bosschen,

wier statige mantel om de hellingen is geplooid, grillig gevormde

rotsgevaarten u tegenblikken. Ziehier, bij voorbeeld, een der

zonderlingste onder al deze vreemde rotsformatiën--den _Thorstein_,

eene door de natuur gevormde poort, die u, zoo ge in de Saksische

Schweiz bekend zijt, aanstonds aan den zoogenaamden Koestal denken

doet. Maar wat bijna nog meer dan deze vreemde rotsgevaarten,

nog meer dan de verrukkelijk schoone panorama's, die zich telkens

ontplooien, uwe aandacht trekt en uwe ziel vervult, dat is het woud,

het onafzienbare dennen- en beukenwoud, dat bijna al deze bergen

en valleien bekleedt. Hoe onuitsprekelijk schoon en heerlijk is het

hier, in de stille lommer dezer eeuwenheugende bosschen, die u van

alle zijden omringen. In onafzienbare rijen verheffen zij zich, deze

schoone, krachtige pijnboomen, als slanke zuilen ten hemel stijgende,

hunne donkere bladerkroon torschende, en geheel de lucht vervullende

met hunne welriekende geuren. Wie schildert de weelde van zulk eene

wandeling, al valt het stijgen soms wat moeilijk? Wie teekent ons al

de schakeeringen, al de wondervolle spelingen van licht en bruin, als

de zonnestralen door het dichte looverdak dringen, langs de purperen

stammen glijden en breede strepen teekenen over den rossigen, met

fluweelig mos begroeiden grond? Met volle teugen ademt ge de frissche,

versterkende berglucht in: en voorwaarts gaat het, met korte poozen van

rust op een rotsblok of aan den zoom des wegs; voorwaarts, door en over

rotsen en klippen, altijd door het heerlijke woud, hooger en hooger

steeds. Ge hebt hem reeds een en andermaal gezien, den Inselsberg,

stralende in het zonlicht, zijne kruin opheffende boven de groep van

lagere bergen, rondom hem gelegerd. Nu hebt ge zijne helling betreden,

en al hooger en hooger voert uw pad, dat al steiler wordt. Zie, hoe

het geboomte rondom u krimpt en slinkt: de fiere, krachtige beuken

zijn verdwenen; de slanke dennen zijn tot dwergen gekrompen; welhaast

ziet ge weinig meer dan laag kreupelhout en struikgewas. Een frissche

windstroom waait u tegen: nog eenige oogenblikken, en daar ziet ge,

op het hooge bergvlak, de beide logementen, en vlak daarbij den top

des bergs, waarop een kleine toren is gebouwd.

Zijt ge moede van den langen tocht? Dan eerst uitgerust in het

groote goed ingerichte hotel Gotha, en gewacht tot vermoeienis en

verhitting geweken zijn, eer ge den top en den toren beklimt. Bedenk

dat ge hier op een hoogte van 2815 voet boven de zee staat; bovendien

waait hier in den regel een tamelijk sterke en koude wind. Zoo ge nu

uitgerust zijt en u wat door spijs en drank hebt verkwikt, maak dan

van den heerlijken avond gebruik om den toren te beklimmen, en het

prachtige uitzicht te genieten, dat zich hier naar alle zijden voor

u uitbreidt. Want de Inselsberg, schoon op verre na niet de hoogste

berg van het Thuringer-Wald, bezit toch, naar het oordeel der meeste

reizigers, het schoonste en bekoorlijkste panorama. Ge overziet van

het platte dak des torens niet alleen gansch Thuringen, maar ook de

omliggende landstreken: in het noorden stuit uw blik tegen den Brocken,

in het zuiden tegen den Kreutzberg in het Rhöngebergte. Vraag nu

geene beschrijving van dit wondervolle panorama, dat daar in al zijne

afwisseling van bergen en dalen en vlakten, van bosschen en velden met

dorpen en steden bezaaid, eindeloos, onafzienbaar voor u ligt. Laat u

ook niet storen door eene optelling van al de verschillende toppen,

door een catalogus van alle steden en vlekken, wier wegsmeltende

huizengroepen, wier schemerende torens ge van hier ontdekken kunt: niet

in deze dorre wetenschap schuilt de betoovering van dit tafereel. Neen,

zet u liever neder, en aanschouw dit matelooze landschap, waarop nu de

vast ter kimmen dalende zon hare laatste stralen schiet, en waarover

de avond zijn fantastischen kleurengloed heenwerpt. Aanschouw dit,

en prent dit beeld in uw hart.

En wanneer ge straks, na den verkwikkenden avondmaaltijd, waarbij

het u zelden aan gezelligen kout en goed gezelschap ontbreken zal,

niet al te vermoeid zijt, ga dan nog eens naar buiten, en laat uwe

blikken weiden over dit onmetelijk panorama, badende in het zilveren

schijnsel der volle maan. Doch is u deze betooverende aanblik

gegund, weet dat het u dan moeite zal kosten van dit geheel eenig,

onbeschrijfelijk aangrijpend tafereel te scheiden, en niet, als

buiten u zelven, door eene onwederstaanbare bekoring overmeesterd,

op den bergtop te blijven staren en mijmeren, tot de oosterhemel zich

kleurt met goudgeel en purper en de rozige gloed van den dageraad

de bergtoppen tint.--Een zonsopgang op den Inselsberg--ja, die is

schoon en heerlijk, vooral wanneer de lagere streken aanvankelijk in

nevelen zijn gehuld, die allengs wijken; en ik wensch u toe, dat ge

tot de bevoorrechten moogt behooren, die in hunne verwachting van

een onbewolkten zonsopgang niet worden teleurgesteld. Want ook de

Inselsberg heeft zijne nukken, en hult zich vaak dagen lang in wolken

en donkerheid. Maar boven een zonsopgang geef ik de voorkeur aan een

helderen nacht, als de volle maan langs den donkerblauwen hemel drijft,

en haar fantatisch, mystisch licht over het weergalooze, onafzienbare

landschap uitgiet. Van dit tooneel kunt ge u geen denkbeeld vormen; een

zonsopgang daarentegen--kan die, heb ik mij zelf wel eens afgevraagd,

ergens schooner zijn dan op een fraaien herfstmorgen in onze duinen?

De zon is opgegaan, en heeft de nevelen, die langs de bergtoppen

dreven en in de dalen legerden, verjaagd en opgelost. Nu voort;

want een lange en heerlijke tocht wacht ons.

Naarmate wij van den top des bergs afdalen, omgeeft ons weder van

alle zijden het hooge prachtige woud, eerst voornamelijk dennen,

straks ook breedgetakte beuken. Weldra bereiken wij de zoogenaamden

Dreiherrnstein, waar de grenzen van Pruisen, Meiningen en Gotha

samenloopen, en zes verschillende wegen elkander ontmoeten. Wij gaan

nog steeds rechtdoor, nu eens rijzende dan dalende, en staan straks

aan den voet van den Gerberstein, een der merkwaardigste rotsformatiën

van het Thuringer-Wald. Eene reusachtige granietruïne: ziedaar de

indruk, die deze ontzaglijke steenmassa op u maakt; als zaagt ge de

bouwvallen van een of ander rotspaleis, in voorhistorische tijden

door giganten of cyclopen gebouwd, zoo staan daar die zuilen van

graniet, vijftig tot zestig voet hoog, of liggen, in wilde wanorde,

over en op en door elkander. Uit de spleten en gaten wuiven groene

beukentwijgen, en boven de dreigende rotsmassa's wiegelt de sierlijke

varen. Laat u, door het ongenaakbare voorkomen der rots, niet van

eene bestijging afhouden: het gaat gemakkelijker dan gij dacht. Nu

even het schilderachtige panorama genoten: een blik in het bloeiende

Werrathal; op den Inselsberg, op de heerlijke, dichtbebouwde vlakte

van noordelijk Thuringen, op den Brocken, die aan den verren, verren

horizont flauwelijk zijne omtrekken in de lucht teekent:--dan naar

beneden, langs een tamelijk steil rotspad, en voorts het koele,

schaduwrijke woudpad aan uwe linkerhand in.

Dalwaarts voert ons dat pad, in eene dier vredige, liefelijke valleien,

waaraan Thuringen zoo rijk is. Daar opent zich het statige, heerlijke

woud: midden op een open plek verrijst een steenen gedenknaald,

in gedaante een gothisch torentje gelijk. Wij staan voor het

_Luther-Denkmal_, het eenvoudige monument, op de plek opgericht, waar

de hervormer, van den Rijksdag te Worms terugkeerende, den 14den Mei

1521, op last van zijn beschermer, keurvorst Frederik den Wijze van

Saksen, werd opgelicht, om naar den Wartburg te worden gebracht. Luther

had zich, met zijn broeder Jakob en zijn vriend Amskorff, hier in

het bosch onder een beuk nedergezet, om zich aan de voorbijvlietende

beek te laven, toen eene kleine gewapende benden verscheen, en hem

als gevangene medevoerde. De beuk, waaronder hij gerust had, werd,

op den 18den Juli 1841, door een storm ter aarde geworpen; slechts een

brok van den stam bleef staan, waaruit een nieuwe twijg is ontsproten,

die nu door staketsels wordt gestut.

Nadat wij hier even gerust hebben, vervolgen wij onzen weg door

het liefelijke dal, en komen, na eene wandeling van bijna een

uur, te Altenstein. Hier zijt ge nu weder op een der glanspunten

van het Thuringer-Wald, waar ge best zoudt doen eenige dagen te

vertoeven. Niet slechts is het stedeke allerschilderachtigst gelegen,

maar de gansche omtrek tot het naburige druk bezochte Bad Liebenstein,

is één groot park, door natuur en kunst beiden met de bekoorlijkste

schoonheden kwistig getooid. Verrassende afwisseling van berg en dal,

heerlijke woudpartijen, prachtige aangelegde parken en lusthoven,

schoone vergezichten, en bovendien nog eene der merkwaardigste

grotten van geheel Duitschland: ziedaar genoeg, om ons tot blijven te

verlokken. Maar wij mogen ons hier niet ophouden. Laat ons een dier

fraaie rijtuigjes nemen, die zoo uitlokkend schijnen te wachten.--Voort

dan nu, even door deze verrukkelijke streek rondgereden: een blik

geworpen op Liebenstein met zijn Kurhaus en al den weelderigen

toestel, die tot eene badplaats in de mode behoort; maar vooral

ons oog en hart verkwikt aan het wonderschoone landschap, dat ons

aan alle zijden omringt. Dan even naar boven geklommen, langs een

fraaien, aan heerlijke vergezichten rijken weg, naar de burgtruïne

van Oud-Liebenstein, waar ons een verrukkelijk panorama wacht. En dan,

weder in ons rijtuig plaats genomen, en den weg ingeslagen naar Ruhla.

Nogmaals door het woud, dat telkens nieuwe schoonheden biedt. Werp

even van deze hoogte een blik in die diepe kom, waar, aan de

samenvloeiing van drie dalen, het vlek Steinbach ligt; en ik laat

u voorts ongestoord over aan de verkwikkende indrukken, die het

heerlijke bosch op u maakt. Straks wacht u eene verrassing, die zelfs

in deze aan verrassingen zoo rijke streek, al de bekoring van het

geheel onverwachte voor u hebben zal. Daar ligt Ruhla--zoo iets hadt

ge u niet voorgesteld, niet waar? Links en rechts verrijzen steile,

ongeveer twee duizend voet hooge bergen, tot de kruin met dichte wouden

bewassen, en in het smalle dal daartusschen strekt zich, in bijkans

onafzienbare verte, eene enkele lange, lange straat uit: ziedaar

het vlek Ruhla, dat, meer dan eenig ander in Thuringen, aan sommige

zwitsersche stadjes herinnert. Ruhla is een badplaats, en tegelijk een

zeer nijver stedeke, beroemd, ook ver buiten de grenzen van Duitschland

niet slechts maar zelfs van Europa, door zijn meerschuimen pijpekoppen,

die hier in ongeloofelijke menigte vervaardigd worden. Wij zullen hier

ons rijtuig verlaten, dat naar Liebenstein terugkeert, en terwijl men

ons in het fraaie _Kurhaus-hotel_, op de met statige linden beplante

_Kurplatz_, het middagmaal gereed maakt, den Ringberg beklimmen,

om van de hoogte van den Karel-Alexanderstoren den schilderachtigen

omtrek en een groot deel van Thuringen te overzien. Een panorama wel

de moeite der beklimming van den somtijds steilen berg waard.

En nu, ons aangegord voor het laatste gedeelte onzer wandeling. Naar

Eisenach, waar wij nog voor den avond zullen aankomen. Al weder

bergopwaarts, gelukkig meerendeels langs lommerrijke paden,

waar ge menigmalen stil zult staan om een blik te werpen in het

achter u zinkende dal. Grootsche bergnatuur om ons heen: rotsen en

klippen en gapende afgronden, afgewisseld door grazige vlakten, met

schilderachtige boomgroepen gegroepeerd. Altijd hooger, tot ge een

zonderling gevormd rotsgevaarte bereikt, den Wachstein, dat dreigend

boven een diepen afgrond zweeft, waaruit het dichte beukenwoud zich

verheft. Zetten wij ons neder op eene dezer steenen banken. Welk een

panorama wederom! Diep, aan uwe voeten, in het lommerlijke dal het

dorp Mossbach, door bloeiende akkers: als een mozaïek, omgeven; en

daarachter het Hörselgebergte, waar, volgens de sage, Vrouw Venus,

in de onderaardsche spelonk, haar hof houdt; voorts het idyllische

Hainbachsthad, begrensd door de steile rotswanden van den Hangstein;

en nog verder, kenbaar te midden van vele andere bergtoppen, de

Wartburg;--en geheel dit betooverend schoone landschap gevat in een

lijst van verre bergen, waarboven de Brocken nog even kenbaar is.--Nu

terug naar den grooten weg, en te midden van heerlijke dennen-

en beukenwouden voortgewandeld naar de Hohe-Sonne, een eenvoudig

jachthuis, tevens herberg, op den kam van het gebergte. Wij zullen

hier even rusten en een kop koffie gebruiken; maar volg mij, eer

wij verder gaan, naar gindsch prieel in den tuin, waar ge, door eene

opening in het woud, eensklaps, in een verrassend perspectief, den

Wartburg voor u ziet.

Van de Hohe-Sonne dalen wij, aanvankelijk langs een aantal in de rots

gehouwen trappen, neder in het Anna-Thal. Hier zoudt ge u te midden

der zwitsersche of tyroler Alpen verplaatst wanen. Ter wederzijde

stijgen hooge, wonderlijk gevormde, met mos en varens en slingerplanten

begroeide rotswanden omhoog, die eene zoo smalle opening tusschen

zich laten, dat de kabbelende beek nauw ruimte voor haar schuimende

wateren vindt, en eene over haar geslagen brug tot pad dient. Zoo

eng is de kloof, dat ge op sommige punten ternauwernood door kunt

gaan: waren de rotsen hooger, dan zou dit dal kunnen wedijveren

met de beroemdste _gorges_ der Alpen. Straks echter verwijdt het

zich; de rotswanden treden terug; heerlijke beuken overschaduwen

den weg, waarlangs de nu vrijer geworden beek, vroolijk murmelend,

voorthuppelt. Nog meer verbreedt zich het heerlijke dal, van karakter

veranderende, zonder aan schoonheid te verliezen. Reeds hebt ge het

Anna-Thal verlaten, en bevindt ge u in het Marien-Thal, met zijne

schilderachtige rotspartijen en zijne reeks van prachtige villa's en

hotels, die u de nabijheid eener drukbezochte stad verkondigen. In een

dezer villa's woont de u immers welbekende Fritz Reuter, de schrijver

van Olle Kamelle.--Waardige inleiding voor Eisenach, dat ge dus langs

dezen heerlijken weg, zoo rijk aan schoonheden van allerlei aard,

nadert. Waardige bekroning ook van onze tweedaagsche voetreis, die ons

enkele der uitnemendste punten van het Thuringer-Wald te aanschouwen

gaf. Is het mij ook maar eenigermate gelukt, u een denkbeeld te

geven van het velerlei genot dat zulk eene wandeling van Gotha over

Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en vandaar over Altenstein,

Liebenstein en Ruhla naar Eisenach, u bieden kan, dan zult ge mij

gewis toestemmen, dat het Thuringer-Wald niet ten onrechte den naam

draagt van "parel der duitsche bergen."

En nu--welkom te Eisenach, waar voor het oogenblik u wel niets welkomer

zal zijn dan een avondmaaltijd en een bed. Tot morgen alzoo!

Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 5 / 8 题