Mij dunkt, wij hebben nu vooreerst genoeg van den spoortrein. Ook
hebben wij meer behoefte aan de vrije natuur, dan aan nieuwe
stadsgezichten. Welnu: ge ziet niet op tegen eene fiksche wandeling,
niet waar, die bijkans eene voetreis heeten mag? Laat ik u dan
nogmaals ten gids mogen verstrekken: wij gaan over Reinhardsbrunn naar
den Inselsberg, en verder over Liebenstein en Ruhla naar Eisenach
wandelen. Zoo ge er niet tegen hebt, zullen wij in den Inselsberg
overnachten: wellicht gunt de hemel ons een fraaien zonsondergang of
opgang. Aan heerlijke natuurtooneelen zal het ons op de wandeling in
geen geval ontbreken.
Vroeg in den morgen verlaten wij Gotha, en volgen den straatweg,
die over Schnepfenthal naar Reinhardsbrunn voert. Rijk aan schoone
gezichten is deze weg, door de bergachtige, romantische streek: voor
u uit verheffen zich de hooge, met donker bosch begroeide heuvelen
en bergen, die van de hoofdketen van het Thuringer-Wald uitgaan. De
nog laag aan de kim staande zon hindert u niet; de frischheid
van den morgen waait u tegen: met vroolijken moed stapt ge voort,
door de ontwakende dorpjes Sundhausen, Leina en Wahlwinkel. Na eene
verfrisschende wandeling van ruim twee uren, zijn wij te Rödichen,
waar wij even toeven zullen. Ziet ge die statige groep gebouwen op dien
heuvel met zijne fraaie boomgroepen? Dat is het opvoedingsgesticht,
in het laatst der vorige eeuw door den beminnelijken en eerwaardigen
Salzmann gesticht, en nog heden door zijn kleinzoon bestuurd. Moesten
wij niet spaarzaam zijn met onzen tijd, dan zou ik u uitnoodigen
dit uitmuntend gesticht, dat zoowel onder zijne leeraars als onder
zijne kweekelingen menigen beroemden naam heeft geteld, te bezoeken:
het is uwe belangstelling alleszins waard.
Doch nu, na ons even verfrischt te hebben, verder door het
liefelijke dal, ter wederzijde door donkere dennen en sparren
ingesloten, en waarin telkens zilveren waterplassen de omringende
heuvelen weerspiegelen. Daar valt u reeds het logement in het oog:
ge zijt weldra ter plaatse uwer eerste bestemming. Doch ja, hier
moogt ge wel even stilstaan. Een panorama van zeldzame schoonheid
breidt zich uit voor uwen blik. Dáár, in zijn heerlijken krans van
donkergroene, met eeuwenheugend bosch bedekte bergen, te midden der
met zoo onberispelijken smaak geschakeerde bosschages, boomgroepen,
grasperken, tuinen, vijvers--in deze paradijsachtig schoone omgeving,
ligt Reinhardsbrunn, het lustslot van den hertog van Koburg-Gotha, dat
door zijn oud-duitschen bouwstijl eene ongemeen treffende uitwerking
doet. Dat plekje is inderdaad zoo wonderschoon, dat we onmogelijk den
lust kunnen weerstaan ons hier neder te zetten, en met volle teugen
de heerlijkheid in te drinken van dit verrukkelijke landschap, dat
de majesteit eener vrije bergnatuur paart aan de liefelijkheid van
een idyllisch dal, door de kunst in een heerlijk park herschapen.
Terwijl wij hier rusten, gunt gij me wel een oogenblik gehoor, om u
de sage van Reinhardsbrunn te verhalen. In de tweede helft der elfde
eeuw regeerde als graaf van Thuringen, Lodewijk de Saliër, de stichter
van den Wartburg en van het slot Neuenburg bij Freiburg. Vooral dit
laatste slot werd des graven lievelingsverblijf. In de nabijheid toch
lag de Weissenburg, waar paltsgraaf Frederik van Saksen met zijne
bevallige gemalin Adelheide woonde. Het harte van graaf Lodewijk werd,
haar ziende, door zonderling sterke minne bewogen, alzoo dat hij zich
voornam haar te bezitten. En de paltsgravinne bleef niet ongevoelig
voor de hartstochtelijke hulde van den dapperen ridder. Het geschiedde
dan op zekeren dag, dat de jonge Frederik van Saksen ter jacht toog,
en niet weder huiswaarts keerde: de hand eens vuigen moorders had den
jeugdigen vorst getroffen. Had Lodewijk zelf zich met het bloed van
den wreed misleiden echtgenoot bezoedeld? Of had hij een booswicht
omgekocht, die voor hem het gruwelstuk volbracht? Wat hiervan zij:
toen de voorgeschreven rouwtijd verstreken was, liet de jonge weduwe
zich door graaf Lodewijk, nadat deze zijne eigene gemalin verstooten
had, als zijne wettige echtgenoote op den Wartburg voeren, en leefde
daar met hem in lust en vreugd. Maar mochten beiden dus de geboden
Gods en der kerk met voeten hebben getreden: een duurzaam geluk
was hun niet weggelegd. Te midden van zijn woelig leven, in bijkans
voortdurende oorlogen gesleten, vervolgde graaf Lodewijk de gedachte
aan zijne dubbele echtbreuk en moord. En naarmate de jaren klommen,
en ernstiger overwegingen den overmoed der wilde jeugd deden wijken,
pijnde en kwelde hem het berouw over zijne ergerlijke zonde, en werd
de dringende begeerte steeds levendiger om door eene openlijke daad
van boete en berouw zijne groote schuld te verzoenen. Hij scheidde
zich van de zoo vurig beminde Adelheide, die zelve in het klooster te
Scheiplitz den sluier aannam; daarna verdeelde hij zijne goederen onder
zijne twee zonen, gordde het haren kleed eens boetelings om de leden,
en stierf als benediktijner-monnik in het klooster Reinhardsbrunn,
door hem zelf gesticht op de plek, waar de houthakker Reinhard,
vele nachten achtereen, drie vuurtongen had gezien, zwevende over
eene bron.--Dit verhaalt de kroniek omtrent de stichting van de in
later eeuw zoo machtige abdij Reinhardsbrunn, de nekropolis der
landgraven van Thuringen. En wat zij verhaalt mag volkomen waar
zijn, want het draagt geheel en al den stempel des tijds, waarin het
zou zijn geschied.--Bij den wilden boerenkrijg ging het prachtige
klooster te gronde; de plek waar het gestaan had, bleef tamelijk
vergeten, tot hertog Ernst I van Koburg, in 1835, op de grondslagen
en met aanwending van de weinige overblijfselen der oude abdij,
het schilderachtig schoone, romantische slot liet bouwen, dat nu
door zijn antiek-moderne pracht, en nog meer door zijne omgeving,
zoo onwederstaanbaar uwe blikken boeit.
Het logement te Reinhardsbrunn en de hotels en particuliere woningen
in het vlak nabij gelegen Friedrichroda zijn des zomers, in den
regel, vol gasten: want deze streek is in de laatste jaren een
bedevaartsplaats voor duizende toeristen geworden. Hoe gaarne zou
ik hier met u eenige dagen toeven, om u door den heerlijk schoonen
omtrek rond te voeren, en u naar zoo menige plek te brengen, die,
eens gezien, voor altijd onvergetelijk zou blijven. De Gottlob, de
Schauenburg, de Abtsberg, de Tanzbuche, de Spiessberg, de Uebelberg,
de Ungeheuerngrund: hoe lokken ze allen tot een bezoek, hoe rijk, zij
het ook op verschillende wijze, loonen zij de moeite, die trouwens
een genot is, der wandeling. Maar wij mogen aan die begeerte niet
toegeven; slechts even zij u de tijd gelaten voor eene wandeling
door het heerlijke park van Reinhardsbrunn, en een vluchtig bezoek
aan het in oud-duitschen stijl prachtig versierde en gemeubelde slot.
Wij moeten even van den naasten weg afwijken om de dusgenaamde
_Marienglashöhle_ te bezichtigen: eene steengroeve, waar het
zoogenaamde Mariaglas, eene soort van gips vol kristallen, en ook
albast gedolven wordt. Eigenaardig is de indruk, wanneer ge, door den
bergwerker met zijn fakkel vergezeld, de grot betreedt, die bij het
duizendvoudig weerkaatste licht, een onderaardsch feeënslot gelijkt.
En nu voort, naar den Inselsberg. De gansche streek tusschen
Reinhardsbrunn en den berg is als het ware een groot, door de
natuur zelf aangelegd park, waarvan ge de wedergade waarschijnlijk
te vergeefs in geheel Duitschland zoeken zoudt. De prachtigste
landschappen wisselen hier, in de rijkste verscheidenheid, elkander
af: wouden en rotsen en dalen, wijde panorama's en eng omsloten
valleien: al de heerlijkheid der bergnatuur, in wier midden gij u
thans bevindt. Het gaat nu eens, op steile paden, naar omhoog; dan,
verloren in de schaduwen van het woud, omlaag naar een vreedzaam dal,
waar een zilveren beek klatert, en te midden der donkere bosschen,
wier statige mantel om de hellingen is geplooid, grillig gevormde
rotsgevaarten u tegenblikken. Ziehier, bij voorbeeld, een der
zonderlingste onder al deze vreemde rotsformatiën--den _Thorstein_,
eene door de natuur gevormde poort, die u, zoo ge in de Saksische
Schweiz bekend zijt, aanstonds aan den zoogenaamden Koestal denken
doet. Maar wat bijna nog meer dan deze vreemde rotsgevaarten,
nog meer dan de verrukkelijk schoone panorama's, die zich telkens
ontplooien, uwe aandacht trekt en uwe ziel vervult, dat is het woud,
het onafzienbare dennen- en beukenwoud, dat bijna al deze bergen
en valleien bekleedt. Hoe onuitsprekelijk schoon en heerlijk is het
hier, in de stille lommer dezer eeuwenheugende bosschen, die u van
alle zijden omringen. In onafzienbare rijen verheffen zij zich, deze
schoone, krachtige pijnboomen, als slanke zuilen ten hemel stijgende,
hunne donkere bladerkroon torschende, en geheel de lucht vervullende
met hunne welriekende geuren. Wie schildert de weelde van zulk eene
wandeling, al valt het stijgen soms wat moeilijk? Wie teekent ons al
de schakeeringen, al de wondervolle spelingen van licht en bruin, als
de zonnestralen door het dichte looverdak dringen, langs de purperen
stammen glijden en breede strepen teekenen over den rossigen, met
fluweelig mos begroeiden grond? Met volle teugen ademt ge de frissche,
versterkende berglucht in: en voorwaarts gaat het, met korte poozen van
rust op een rotsblok of aan den zoom des wegs; voorwaarts, door en over
rotsen en klippen, altijd door het heerlijke woud, hooger en hooger
steeds. Ge hebt hem reeds een en andermaal gezien, den Inselsberg,
stralende in het zonlicht, zijne kruin opheffende boven de groep van
lagere bergen, rondom hem gelegerd. Nu hebt ge zijne helling betreden,
en al hooger en hooger voert uw pad, dat al steiler wordt. Zie, hoe
het geboomte rondom u krimpt en slinkt: de fiere, krachtige beuken
zijn verdwenen; de slanke dennen zijn tot dwergen gekrompen; welhaast
ziet ge weinig meer dan laag kreupelhout en struikgewas. Een frissche
windstroom waait u tegen: nog eenige oogenblikken, en daar ziet ge,
op het hooge bergvlak, de beide logementen, en vlak daarbij den top
des bergs, waarop een kleine toren is gebouwd.
Zijt ge moede van den langen tocht? Dan eerst uitgerust in het
groote goed ingerichte hotel Gotha, en gewacht tot vermoeienis en
verhitting geweken zijn, eer ge den top en den toren beklimt. Bedenk
dat ge hier op een hoogte van 2815 voet boven de zee staat; bovendien
waait hier in den regel een tamelijk sterke en koude wind. Zoo ge nu
uitgerust zijt en u wat door spijs en drank hebt verkwikt, maak dan
van den heerlijken avond gebruik om den toren te beklimmen, en het
prachtige uitzicht te genieten, dat zich hier naar alle zijden voor
u uitbreidt. Want de Inselsberg, schoon op verre na niet de hoogste
berg van het Thuringer-Wald, bezit toch, naar het oordeel der meeste
reizigers, het schoonste en bekoorlijkste panorama. Ge overziet van
het platte dak des torens niet alleen gansch Thuringen, maar ook de
omliggende landstreken: in het noorden stuit uw blik tegen den Brocken,
in het zuiden tegen den Kreutzberg in het Rhöngebergte. Vraag nu
geene beschrijving van dit wondervolle panorama, dat daar in al zijne
afwisseling van bergen en dalen en vlakten, van bosschen en velden met
dorpen en steden bezaaid, eindeloos, onafzienbaar voor u ligt. Laat u
ook niet storen door eene optelling van al de verschillende toppen,
door een catalogus van alle steden en vlekken, wier wegsmeltende
huizengroepen, wier schemerende torens ge van hier ontdekken kunt: niet
in deze dorre wetenschap schuilt de betoovering van dit tafereel. Neen,
zet u liever neder, en aanschouw dit matelooze landschap, waarop nu de
vast ter kimmen dalende zon hare laatste stralen schiet, en waarover
de avond zijn fantastischen kleurengloed heenwerpt. Aanschouw dit,
en prent dit beeld in uw hart.
En wanneer ge straks, na den verkwikkenden avondmaaltijd, waarbij
het u zelden aan gezelligen kout en goed gezelschap ontbreken zal,
niet al te vermoeid zijt, ga dan nog eens naar buiten, en laat uwe
blikken weiden over dit onmetelijk panorama, badende in het zilveren
schijnsel der volle maan. Doch is u deze betooverende aanblik
gegund, weet dat het u dan moeite zal kosten van dit geheel eenig,
onbeschrijfelijk aangrijpend tafereel te scheiden, en niet, als
buiten u zelven, door eene onwederstaanbare bekoring overmeesterd,
op den bergtop te blijven staren en mijmeren, tot de oosterhemel zich
kleurt met goudgeel en purper en de rozige gloed van den dageraad
de bergtoppen tint.--Een zonsopgang op den Inselsberg--ja, die is
schoon en heerlijk, vooral wanneer de lagere streken aanvankelijk in
nevelen zijn gehuld, die allengs wijken; en ik wensch u toe, dat ge
tot de bevoorrechten moogt behooren, die in hunne verwachting van
een onbewolkten zonsopgang niet worden teleurgesteld. Want ook de
Inselsberg heeft zijne nukken, en hult zich vaak dagen lang in wolken
en donkerheid. Maar boven een zonsopgang geef ik de voorkeur aan een
helderen nacht, als de volle maan langs den donkerblauwen hemel drijft,
en haar fantatisch, mystisch licht over het weergalooze, onafzienbare
landschap uitgiet. Van dit tooneel kunt ge u geen denkbeeld vormen; een
zonsopgang daarentegen--kan die, heb ik mij zelf wel eens afgevraagd,
ergens schooner zijn dan op een fraaien herfstmorgen in onze duinen?
De zon is opgegaan, en heeft de nevelen, die langs de bergtoppen
dreven en in de dalen legerden, verjaagd en opgelost. Nu voort;
want een lange en heerlijke tocht wacht ons.
Naarmate wij van den top des bergs afdalen, omgeeft ons weder van
alle zijden het hooge prachtige woud, eerst voornamelijk dennen,
straks ook breedgetakte beuken. Weldra bereiken wij de zoogenaamden
Dreiherrnstein, waar de grenzen van Pruisen, Meiningen en Gotha
samenloopen, en zes verschillende wegen elkander ontmoeten. Wij gaan
nog steeds rechtdoor, nu eens rijzende dan dalende, en staan straks
aan den voet van den Gerberstein, een der merkwaardigste rotsformatiën
van het Thuringer-Wald. Eene reusachtige granietruïne: ziedaar de
indruk, die deze ontzaglijke steenmassa op u maakt; als zaagt ge de
bouwvallen van een of ander rotspaleis, in voorhistorische tijden
door giganten of cyclopen gebouwd, zoo staan daar die zuilen van
graniet, vijftig tot zestig voet hoog, of liggen, in wilde wanorde,
over en op en door elkander. Uit de spleten en gaten wuiven groene
beukentwijgen, en boven de dreigende rotsmassa's wiegelt de sierlijke
varen. Laat u, door het ongenaakbare voorkomen der rots, niet van
eene bestijging afhouden: het gaat gemakkelijker dan gij dacht. Nu
even het schilderachtige panorama genoten: een blik in het bloeiende
Werrathal; op den Inselsberg, op de heerlijke, dichtbebouwde vlakte
van noordelijk Thuringen, op den Brocken, die aan den verren, verren
horizont flauwelijk zijne omtrekken in de lucht teekent:--dan naar
beneden, langs een tamelijk steil rotspad, en voorts het koele,
schaduwrijke woudpad aan uwe linkerhand in.
Dalwaarts voert ons dat pad, in eene dier vredige, liefelijke valleien,
waaraan Thuringen zoo rijk is. Daar opent zich het statige, heerlijke
woud: midden op een open plek verrijst een steenen gedenknaald,
in gedaante een gothisch torentje gelijk. Wij staan voor het
_Luther-Denkmal_, het eenvoudige monument, op de plek opgericht, waar
de hervormer, van den Rijksdag te Worms terugkeerende, den 14den Mei
1521, op last van zijn beschermer, keurvorst Frederik den Wijze van
Saksen, werd opgelicht, om naar den Wartburg te worden gebracht. Luther
had zich, met zijn broeder Jakob en zijn vriend Amskorff, hier in
het bosch onder een beuk nedergezet, om zich aan de voorbijvlietende
beek te laven, toen eene kleine gewapende benden verscheen, en hem
als gevangene medevoerde. De beuk, waaronder hij gerust had, werd,
op den 18den Juli 1841, door een storm ter aarde geworpen; slechts een
brok van den stam bleef staan, waaruit een nieuwe twijg is ontsproten,
die nu door staketsels wordt gestut.
Nadat wij hier even gerust hebben, vervolgen wij onzen weg door
het liefelijke dal, en komen, na eene wandeling van bijna een
uur, te Altenstein. Hier zijt ge nu weder op een der glanspunten
van het Thuringer-Wald, waar ge best zoudt doen eenige dagen te
vertoeven. Niet slechts is het stedeke allerschilderachtigst gelegen,
maar de gansche omtrek tot het naburige druk bezochte Bad Liebenstein,
is één groot park, door natuur en kunst beiden met de bekoorlijkste
schoonheden kwistig getooid. Verrassende afwisseling van berg en dal,
heerlijke woudpartijen, prachtige aangelegde parken en lusthoven,
schoone vergezichten, en bovendien nog eene der merkwaardigste
grotten van geheel Duitschland: ziedaar genoeg, om ons tot blijven te
verlokken. Maar wij mogen ons hier niet ophouden. Laat ons een dier
fraaie rijtuigjes nemen, die zoo uitlokkend schijnen te wachten.--Voort
dan nu, even door deze verrukkelijke streek rondgereden: een blik
geworpen op Liebenstein met zijn Kurhaus en al den weelderigen
toestel, die tot eene badplaats in de mode behoort; maar vooral
ons oog en hart verkwikt aan het wonderschoone landschap, dat ons
aan alle zijden omringt. Dan even naar boven geklommen, langs een
fraaien, aan heerlijke vergezichten rijken weg, naar de burgtruïne
van Oud-Liebenstein, waar ons een verrukkelijk panorama wacht. En dan,
weder in ons rijtuig plaats genomen, en den weg ingeslagen naar Ruhla.
Nogmaals door het woud, dat telkens nieuwe schoonheden biedt. Werp
even van deze hoogte een blik in die diepe kom, waar, aan de
samenvloeiing van drie dalen, het vlek Steinbach ligt; en ik laat
u voorts ongestoord over aan de verkwikkende indrukken, die het
heerlijke bosch op u maakt. Straks wacht u eene verrassing, die zelfs
in deze aan verrassingen zoo rijke streek, al de bekoring van het
geheel onverwachte voor u hebben zal. Daar ligt Ruhla--zoo iets hadt
ge u niet voorgesteld, niet waar? Links en rechts verrijzen steile,
ongeveer twee duizend voet hooge bergen, tot de kruin met dichte wouden
bewassen, en in het smalle dal daartusschen strekt zich, in bijkans
onafzienbare verte, eene enkele lange, lange straat uit: ziedaar
het vlek Ruhla, dat, meer dan eenig ander in Thuringen, aan sommige
zwitsersche stadjes herinnert. Ruhla is een badplaats, en tegelijk een
zeer nijver stedeke, beroemd, ook ver buiten de grenzen van Duitschland
niet slechts maar zelfs van Europa, door zijn meerschuimen pijpekoppen,
die hier in ongeloofelijke menigte vervaardigd worden. Wij zullen hier
ons rijtuig verlaten, dat naar Liebenstein terugkeert, en terwijl men
ons in het fraaie _Kurhaus-hotel_, op de met statige linden beplante
_Kurplatz_, het middagmaal gereed maakt, den Ringberg beklimmen,
om van de hoogte van den Karel-Alexanderstoren den schilderachtigen
omtrek en een groot deel van Thuringen te overzien. Een panorama wel
de moeite der beklimming van den somtijds steilen berg waard.
En nu, ons aangegord voor het laatste gedeelte onzer wandeling. Naar
Eisenach, waar wij nog voor den avond zullen aankomen. Al weder
bergopwaarts, gelukkig meerendeels langs lommerrijke paden,
waar ge menigmalen stil zult staan om een blik te werpen in het
achter u zinkende dal. Grootsche bergnatuur om ons heen: rotsen en
klippen en gapende afgronden, afgewisseld door grazige vlakten, met
schilderachtige boomgroepen gegroepeerd. Altijd hooger, tot ge een
zonderling gevormd rotsgevaarte bereikt, den Wachstein, dat dreigend
boven een diepen afgrond zweeft, waaruit het dichte beukenwoud zich
verheft. Zetten wij ons neder op eene dezer steenen banken. Welk een
panorama wederom! Diep, aan uwe voeten, in het lommerlijke dal het
dorp Mossbach, door bloeiende akkers: als een mozaïek, omgeven; en
daarachter het Hörselgebergte, waar, volgens de sage, Vrouw Venus,
in de onderaardsche spelonk, haar hof houdt; voorts het idyllische
Hainbachsthad, begrensd door de steile rotswanden van den Hangstein;
en nog verder, kenbaar te midden van vele andere bergtoppen, de
Wartburg;--en geheel dit betooverend schoone landschap gevat in een
lijst van verre bergen, waarboven de Brocken nog even kenbaar is.--Nu
terug naar den grooten weg, en te midden van heerlijke dennen-
en beukenwouden voortgewandeld naar de Hohe-Sonne, een eenvoudig
jachthuis, tevens herberg, op den kam van het gebergte. Wij zullen
hier even rusten en een kop koffie gebruiken; maar volg mij, eer
wij verder gaan, naar gindsch prieel in den tuin, waar ge, door eene
opening in het woud, eensklaps, in een verrassend perspectief, den
Wartburg voor u ziet.
Van de Hohe-Sonne dalen wij, aanvankelijk langs een aantal in de rots
gehouwen trappen, neder in het Anna-Thal. Hier zoudt ge u te midden
der zwitsersche of tyroler Alpen verplaatst wanen. Ter wederzijde
stijgen hooge, wonderlijk gevormde, met mos en varens en slingerplanten
begroeide rotswanden omhoog, die eene zoo smalle opening tusschen
zich laten, dat de kabbelende beek nauw ruimte voor haar schuimende
wateren vindt, en eene over haar geslagen brug tot pad dient. Zoo
eng is de kloof, dat ge op sommige punten ternauwernood door kunt
gaan: waren de rotsen hooger, dan zou dit dal kunnen wedijveren
met de beroemdste _gorges_ der Alpen. Straks echter verwijdt het
zich; de rotswanden treden terug; heerlijke beuken overschaduwen
den weg, waarlangs de nu vrijer geworden beek, vroolijk murmelend,
voorthuppelt. Nog meer verbreedt zich het heerlijke dal, van karakter
veranderende, zonder aan schoonheid te verliezen. Reeds hebt ge het
Anna-Thal verlaten, en bevindt ge u in het Marien-Thal, met zijne
schilderachtige rotspartijen en zijne reeks van prachtige villa's en
hotels, die u de nabijheid eener drukbezochte stad verkondigen. In een
dezer villa's woont de u immers welbekende Fritz Reuter, de schrijver
van Olle Kamelle.--Waardige inleiding voor Eisenach, dat ge dus langs
dezen heerlijken weg, zoo rijk aan schoonheden van allerlei aard,
nadert. Waardige bekroning ook van onze tweedaagsche voetreis, die ons
enkele der uitnemendste punten van het Thuringer-Wald te aanschouwen
gaf. Is het mij ook maar eenigermate gelukt, u een denkbeeld te
geven van het velerlei genot dat zulk eene wandeling van Gotha over
Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en vandaar over Altenstein,
Liebenstein en Ruhla naar Eisenach, u bieden kan, dan zult ge mij
gewis toestemmen, dat het Thuringer-Wald niet ten onrechte den naam
draagt van "parel der duitsche bergen."
En nu--welkom te Eisenach, waar voor het oogenblik u wel niets welkomer
zal zijn dan een avondmaaltijd en een bed. Tot morgen alzoo!