Erfurt. In eene gansch andere wereld ziet ge u, van Weimar komende,
hier verplaatst. Daar, de kalme, rustige, vreedzame Muzenstad, met
hare herinneringen aan de heroën van kunst en wetenschap en poëzie;
de stille, huiselijke kleine residentiestad, waar het leven nog
iets aartsvaderlijks heeft overgehouden, en waar ge u zoo spoedig
te huis en op uw gemak gevoelt. Hier, te Erfurt, in de pruissische
vesting, het militair element, dat al het andere op den achtergrond
dringt. De stad heeft eene bezetting van omstreeks vierduizend man,
geloof ik; op de straat, in de restaurants en _konditoreien_, in
de buitentuinen en zomertheaters, overal wemelt het van soldaten
en officieren, wien ge het kunt aanzien dat zij zich ten volle
bewust zijn van de hooge beteekenis der armee in den pruissischen
staat. Dit leger heeft in de laatste jaren te groote dingen gedaan,
dan dat het ook hem, die voor militaire glorie tamelijk koel blijft,
betamen zou, daarvan met kleinachting te spreken. Bovendien mag niet
over het hoofd worden gezien, dat deze armee, in hare samenstelling
echt nationaal, voor geheel het volk eene zeer wezenlijke school van
tucht en orde is; dat zij, te midden van velerlei maatschappelijke
ontbinding en voortwoekerend egoïsme, nog altijd het levend symbool
blijft van gehoorzaamheid en onderwerping, van onvoorwaardelijke
toewijding aan eene idee, aan een doel, dat buiten en boven het
persoonlijk eigenbelang ligt en daar dikwerf tegenover staat. Als
drager van deze hooge zedelijke ideeën, zonder welke geene enkele
maatschappij bestaan kan, zonder welke de chaos der barbaarschheid
terugkeert,--de ideeën van gehoorzaamheid en orde, van tucht en
zelfverloochening--verdient het leger, en met name het pruissische
leger, al onze achting en sympathie, zou het niet zonder overgroote
schade kunnen gemist worden in onze ontwrichte, zoo vaak oproerige
en van allen innerlijken samenhang beroofde maatschappij. De armee
vertegenwoordigt gewis niet de hoogste orde, die op vrijwillige,
bewuste onderwerping aan de wet berust, maar naarmate onze eeuw minder
geneigd blijkt zich aan deze orde te onderschikken, naar die mate zal
de armee, zal het militaire element, onmisbaarder worden, en sterker
zijn overwicht doen gevoelen. Daarom is het voorshands ten minste nog
onvermijdelijk dat in Pruisen de soldaat de hoogste plaats inneemt,
dat alles daar op militairen voet is ingericht, en aan de militaire
belangen ondergeschikt gemaakt. Hoe onaangenaam dit militairisme ons
moge aandoen, het is nu eenmaal nog onmisbaar; en bij de roeping, die
de pruisische staat zichzelven heeft toegekend, is het vooreerst niet
te verwachten, dat daarin verandering komen zal. O, geniale Wiertz,
met uwe fraaie schilderij, waarop de Beschaving wordt voorgesteld,
het laatste kanon verbrekende: hoe schrikkelijk heeft de werkelijkheid
van onze dagen dien ijdelen droom verstoord! De beschaving onzes
tijds schijnt nog wel, bij al haar edeler streven, zich er op te
moeten toeleggen zich te scherpen op het vermenigvuldigen en volmaken
der moordwerktuigen! Staan de volken van Europa niet tot de tanden
gewapend? Wie zal antwoord geven op de angstige verzuchting des harten:
Wachter, wat is er van den nacht?
Doch, waar dwalen wij heen! Het grijze Erfurt is zich zeker niet
bewust, tot zoo sombere fantasiën aanleiding te kunnen geven. Ja wel,
het grijze Erfurt. De oude hoofdstad van Thuringen heeft heugenis van
meer dan twaalf eeuwen; hare geschiedenis is rijk aan aangrijpende
lotwisselingen, aan groote gebeurtenissen. Zij ontving den uitnemenden
apostel van Duitschland binnen hare muren, den heiligen Bonifacius,
die hier eene kerk en twee kloosters stichtte. In de dagen harer
grootste macht, in den aanvang der vijftiende eeuw, telde zij,
naar men zegt, eene bevolking van 80,000 zielen, en kon zij 30,000
man onder de wapenen brengen. Maar ook Erfurt verging het, als zoo
menige middeleeuwsche vrije stad: burgertwist en partijschappen--de
onafscheidelijke gezellinnen der demokratie--brachten haar ten val
en deden haar hare vrijheid inboeten. Na den dertigjarigen oorlog was
hare bevolking tot op 14,000 zielen geslonken; en heeft de stad zich
in later tijd weder uit haar verval opgeheven, de glansrijke dagen
van vroeger zijn wel voor altijd voorbij.
Van die glorie des ouden dags verhaalt nog menig trotsch gebouw,
verhaalt bovenal de prachtige dom, om wier wille ge Erfurt niet
gedachteloos moogt voorbijgaan. Weinig kerken in Duitschland maken
een zoo verrassenden, zoo overweldigenden indruk als dit grootsche,
machtige gebouw, dat ook door zijn eigenaardigen vorm uwe bewondering
opwekt. Nevens den dom verheft de Severi-kerk hare drie spitse torens
in de lucht, en helpt het statige geheel voltooien; dat u onwillekeurig
verplaatst in den tijd, die in zulke onverwoestbare kunstgewrochten
zijne hoogste gedachten, zijne innigste aspiratiën uitsprak.
Maar Erfurt behoort nog slechts half aan Thuringen: wij mogen hier
niet te lang toeven. Voort naar Gotha.
Hoe jammer, dat ons de tijd niet gegund is! Anders zou ik niet
verzuimen u naar Arnstadt te voeren, het overoude Arnstadt, naar
men wil door koning Merowig gesticht, maar nog veel merkwaardiger
door zijne schilderachtig schoone ligging aan den voet der eerste
bergen van het Thuringer-Wald, en zijne heerlijke, romantische
omstreken. En waren wij te Arnstadt, zeker zou ik u uitnoodigen,
met mij den somwijlen wel wat bezwaarlijken, maar onbeschrijfelijk
schoonen, aan afwisseling rijken weg te wandelen, die over de bergen
en door het woud naar Plaue voert. En vandaar zouden wij, altijd door
een steeds prachtiger, romantischer berglandschap, ons begeven naar
Ilmenau, de fraaie veelbezochte badplaats, zoo geliefd door Goethe, die
de heerlijke omstreken der vriendelijke stad zoo onnavolgbaar schoon
heeft geschilderd. Daar zijt ge in het hart van het gebergte, en zoudt
niet mogen verzuimen een der hooge toppen van het Thuringer-Wald, den
Kickelhahn, te beklimmen, om van zijn kruin het prachtig panorama te
genieten, dat zich voor uwe blikken ontvouwt. En zoudt ge het van u
kunnen verkrijgen, geen uitstapje te maken naar Paulinzelle, met die
heerlijke ruïne der oude abdij, zoo roerend schoon te midden van het
donkere bosch, in een door heuvelen omkranst weideveld oprijzende? En
verder nog..... doch ik vergeet, dat wij in den spoortrein zitten,
die ons van Erfurt naar Gotha voeren moet!
Toch is het niet zoo vreemd, dat al deze beelden voor mij oprijzen:
want telkens lokt en trekt en boeit ons het gebergte, dat daar
ginds zijne schoone bevallige lijnen in de blauwe lucht teekent,
en zijne lagere heuvelen tot aan den spoorweg naderen doet. Het
is eene opeenvolging van liefelijke, schilderachtige landschappen,
waarvan ge het alleen betreurt, dat ze in zoo ijlende vaart langs
u heenvliegen. Maar nu--daar zijt ge in Gotha; ge werpt, van het
hooggelegen station, nog eens een blik op het donkergroene gebergte,
en richt dan uwe schreden naar de fraaie, bloeiende stad, aan den
voet van haar kolossaal slot, den _Friedenstein_, in een krans van
gaarden en tuinen gelegen.
Gotha is de hoofdstad van het hertogdom Saksen-Gotha, dat, sedert
1827, door den hertog van Saksen-Koburg wordt geregeerd. De beide
hertogdommen, schoon te zamen den naam van Saksen-Koburg-Gotha
voerende, hebben echter tot dusverre, ondanks alle pogingen tot nadere
verbinding, hunne eigene zelfstandigheid bewaard; zij hebben geen
anderen band met elkander gemeen dan het vorstenhuis, dat over beiden
regeert. Gotha is de tweede residentie van den hertog, die, als hij
gedurende zekeren tijd des jaars de stad bezoekt, zijn intrek neemt
in het fraaie paleis, eener italiaansche villa gelijk, dat ge op uwe
wandeling van het station naar de stad, ter rechterhand ziet liggen.
Als ge de aan fabrieken en allerlei industriëele en commerciëele
inrichtingen zeer rijke stad doorwandelt, zal zij ongetwijfeld een
gunstigen indruk op u maken; zij is, misschien nog meer dan Weimar,
de type van eene dier duitsche residentiesteden van den tweeden
rang, die zooveel aantrekkelijks hebben, over het algemeen zich zoo
loffelijk onderscheiden door een open zin voor al wat met de hoogere
belangen des geestes in verband staat, en ook in haar uiterlijk
voorkomen den goeden smaak en den kunstzin zooveel mogelijk trachten
te bevredigen. Ook Gotha is eene fraaie stad, uitmuntende niet alleen
door hare schoone, smaakvolle, dikwerf prachtige huizen, maar vooral
ook door haar heerlijk park en hare lommerrijke dreven en singels,
door villa's en tuinen omzoomd. En wat kunst en wetenschap aangaat,
moge Gotha niet met het duitsch Athene, de Muzenstad Weimar, kunnen
wedijveren: dat zij ook hier niet verwaarloosd worden, maar ijverige
beminnaars en bevorderaars vinden, ge zult het mij toestemmen, als
ik u den naam noem van Perthes, de beroemde boekhandelaarsfirma,
die zich vooral door de stichting van de _Geographische Anstalt_ en
door de uitgave der _Geographische Mittheilungen_, door de gansche
beschaafde wereld een welverdienden roem heeft veworven.--En zoo
ge nog verder bewijs verlangt, ook voor den kunstzin van Gotha's
vorsten, ik zou u geleiden naar het omvangrijke, echter meer plompe
dan indrukwekkende slot Friedenstein met zijne twee torens, en ik
zou u uitnoodigen de onschatbare verzamelingen te bezichtigen, die
daar bewaard zijn. Ge vindt hier niet alleen een hoogstbelangrijke,
aan incunabelen en handschriften zeer rijke bibliotheek, maar ook een
schilderijenkabinet, waarbij stukken van de beroemdste oud-duitsche,
vlaamsche en hollandsche meesters, Cranach, Dürer, Holbein, Rubens,
Van Dijck, Mieris, Rembrandt, Dou, enz; voorts eene verzameling
van afgietsels naar antieken, een munt- en penningkabinet; een
museum van natuurlijke historie; eene uitgebreide verzameling van
chineesche voorwerpen, huisraad, porselein, ivoor en dergelijke zaken;
en eindelijk eene kostbare collectie van zeldzaamheden, cameeën,
oudheden, antieke meubelen en huisraad, wapens, snijwerk in hout en
ivoor, mozaïeken, vazen en vele andere kunstgewrochten van zeer groote
waarde. Deze kunstschatten, door verschillende vorsten bijeengebracht,
moeten hunne plaats vinden in het nog onvoltooide, prachtige museum,
dat achter het slot, aan den ingang van het park, verrijst.