III.

Erfurt. In eene gansch andere wereld ziet ge u, van Weimar komende,

hier verplaatst. Daar, de kalme, rustige, vreedzame Muzenstad, met

hare herinneringen aan de heroën van kunst en wetenschap en poëzie;

de stille, huiselijke kleine residentiestad, waar het leven nog

iets aartsvaderlijks heeft overgehouden, en waar ge u zoo spoedig

te huis en op uw gemak gevoelt. Hier, te Erfurt, in de pruissische

vesting, het militair element, dat al het andere op den achtergrond

dringt. De stad heeft eene bezetting van omstreeks vierduizend man,

geloof ik; op de straat, in de restaurants en _konditoreien_, in

de buitentuinen en zomertheaters, overal wemelt het van soldaten

en officieren, wien ge het kunt aanzien dat zij zich ten volle

bewust zijn van de hooge beteekenis der armee in den pruissischen

staat. Dit leger heeft in de laatste jaren te groote dingen gedaan,

dan dat het ook hem, die voor militaire glorie tamelijk koel blijft,

betamen zou, daarvan met kleinachting te spreken. Bovendien mag niet

over het hoofd worden gezien, dat deze armee, in hare samenstelling

echt nationaal, voor geheel het volk eene zeer wezenlijke school van

tucht en orde is; dat zij, te midden van velerlei maatschappelijke

ontbinding en voortwoekerend egoïsme, nog altijd het levend symbool

blijft van gehoorzaamheid en onderwerping, van onvoorwaardelijke

toewijding aan eene idee, aan een doel, dat buiten en boven het

persoonlijk eigenbelang ligt en daar dikwerf tegenover staat. Als

drager van deze hooge zedelijke ideeën, zonder welke geene enkele

maatschappij bestaan kan, zonder welke de chaos der barbaarschheid

terugkeert,--de ideeën van gehoorzaamheid en orde, van tucht en

zelfverloochening--verdient het leger, en met name het pruissische

leger, al onze achting en sympathie, zou het niet zonder overgroote

schade kunnen gemist worden in onze ontwrichte, zoo vaak oproerige

en van allen innerlijken samenhang beroofde maatschappij. De armee

vertegenwoordigt gewis niet de hoogste orde, die op vrijwillige,

bewuste onderwerping aan de wet berust, maar naarmate onze eeuw minder

geneigd blijkt zich aan deze orde te onderschikken, naar die mate zal

de armee, zal het militaire element, onmisbaarder worden, en sterker

zijn overwicht doen gevoelen. Daarom is het voorshands ten minste nog

onvermijdelijk dat in Pruisen de soldaat de hoogste plaats inneemt,

dat alles daar op militairen voet is ingericht, en aan de militaire

belangen ondergeschikt gemaakt. Hoe onaangenaam dit militairisme ons

moge aandoen, het is nu eenmaal nog onmisbaar; en bij de roeping, die

de pruisische staat zichzelven heeft toegekend, is het vooreerst niet

te verwachten, dat daarin verandering komen zal. O, geniale Wiertz,

met uwe fraaie schilderij, waarop de Beschaving wordt voorgesteld,

het laatste kanon verbrekende: hoe schrikkelijk heeft de werkelijkheid

van onze dagen dien ijdelen droom verstoord! De beschaving onzes

tijds schijnt nog wel, bij al haar edeler streven, zich er op te

moeten toeleggen zich te scherpen op het vermenigvuldigen en volmaken

der moordwerktuigen! Staan de volken van Europa niet tot de tanden

gewapend? Wie zal antwoord geven op de angstige verzuchting des harten:

Wachter, wat is er van den nacht?

Doch, waar dwalen wij heen! Het grijze Erfurt is zich zeker niet

bewust, tot zoo sombere fantasiën aanleiding te kunnen geven. Ja wel,

het grijze Erfurt. De oude hoofdstad van Thuringen heeft heugenis van

meer dan twaalf eeuwen; hare geschiedenis is rijk aan aangrijpende

lotwisselingen, aan groote gebeurtenissen. Zij ontving den uitnemenden

apostel van Duitschland binnen hare muren, den heiligen Bonifacius,

die hier eene kerk en twee kloosters stichtte. In de dagen harer

grootste macht, in den aanvang der vijftiende eeuw, telde zij,

naar men zegt, eene bevolking van 80,000 zielen, en kon zij 30,000

man onder de wapenen brengen. Maar ook Erfurt verging het, als zoo

menige middeleeuwsche vrije stad: burgertwist en partijschappen--de

onafscheidelijke gezellinnen der demokratie--brachten haar ten val

en deden haar hare vrijheid inboeten. Na den dertigjarigen oorlog was

hare bevolking tot op 14,000 zielen geslonken; en heeft de stad zich

in later tijd weder uit haar verval opgeheven, de glansrijke dagen

van vroeger zijn wel voor altijd voorbij.

Van die glorie des ouden dags verhaalt nog menig trotsch gebouw,

verhaalt bovenal de prachtige dom, om wier wille ge Erfurt niet

gedachteloos moogt voorbijgaan. Weinig kerken in Duitschland maken

een zoo verrassenden, zoo overweldigenden indruk als dit grootsche,

machtige gebouw, dat ook door zijn eigenaardigen vorm uwe bewondering

opwekt. Nevens den dom verheft de Severi-kerk hare drie spitse torens

in de lucht, en helpt het statige geheel voltooien; dat u onwillekeurig

verplaatst in den tijd, die in zulke onverwoestbare kunstgewrochten

zijne hoogste gedachten, zijne innigste aspiratiën uitsprak.

Maar Erfurt behoort nog slechts half aan Thuringen: wij mogen hier

niet te lang toeven. Voort naar Gotha.

Hoe jammer, dat ons de tijd niet gegund is! Anders zou ik niet

verzuimen u naar Arnstadt te voeren, het overoude Arnstadt, naar

men wil door koning Merowig gesticht, maar nog veel merkwaardiger

door zijne schilderachtig schoone ligging aan den voet der eerste

bergen van het Thuringer-Wald, en zijne heerlijke, romantische

omstreken. En waren wij te Arnstadt, zeker zou ik u uitnoodigen,

met mij den somwijlen wel wat bezwaarlijken, maar onbeschrijfelijk

schoonen, aan afwisseling rijken weg te wandelen, die over de bergen

en door het woud naar Plaue voert. En vandaar zouden wij, altijd door

een steeds prachtiger, romantischer berglandschap, ons begeven naar

Ilmenau, de fraaie veelbezochte badplaats, zoo geliefd door Goethe, die

de heerlijke omstreken der vriendelijke stad zoo onnavolgbaar schoon

heeft geschilderd. Daar zijt ge in het hart van het gebergte, en zoudt

niet mogen verzuimen een der hooge toppen van het Thuringer-Wald, den

Kickelhahn, te beklimmen, om van zijn kruin het prachtig panorama te

genieten, dat zich voor uwe blikken ontvouwt. En zoudt ge het van u

kunnen verkrijgen, geen uitstapje te maken naar Paulinzelle, met die

heerlijke ruïne der oude abdij, zoo roerend schoon te midden van het

donkere bosch, in een door heuvelen omkranst weideveld oprijzende? En

verder nog..... doch ik vergeet, dat wij in den spoortrein zitten,

die ons van Erfurt naar Gotha voeren moet!

Toch is het niet zoo vreemd, dat al deze beelden voor mij oprijzen:

want telkens lokt en trekt en boeit ons het gebergte, dat daar

ginds zijne schoone bevallige lijnen in de blauwe lucht teekent,

en zijne lagere heuvelen tot aan den spoorweg naderen doet. Het

is eene opeenvolging van liefelijke, schilderachtige landschappen,

waarvan ge het alleen betreurt, dat ze in zoo ijlende vaart langs

u heenvliegen. Maar nu--daar zijt ge in Gotha; ge werpt, van het

hooggelegen station, nog eens een blik op het donkergroene gebergte,

en richt dan uwe schreden naar de fraaie, bloeiende stad, aan den

voet van haar kolossaal slot, den _Friedenstein_, in een krans van

gaarden en tuinen gelegen.

Gotha is de hoofdstad van het hertogdom Saksen-Gotha, dat, sedert

1827, door den hertog van Saksen-Koburg wordt geregeerd. De beide

hertogdommen, schoon te zamen den naam van Saksen-Koburg-Gotha

voerende, hebben echter tot dusverre, ondanks alle pogingen tot nadere

verbinding, hunne eigene zelfstandigheid bewaard; zij hebben geen

anderen band met elkander gemeen dan het vorstenhuis, dat over beiden

regeert. Gotha is de tweede residentie van den hertog, die, als hij

gedurende zekeren tijd des jaars de stad bezoekt, zijn intrek neemt

in het fraaie paleis, eener italiaansche villa gelijk, dat ge op uwe

wandeling van het station naar de stad, ter rechterhand ziet liggen.

Als ge de aan fabrieken en allerlei industriëele en commerciëele

inrichtingen zeer rijke stad doorwandelt, zal zij ongetwijfeld een

gunstigen indruk op u maken; zij is, misschien nog meer dan Weimar,

de type van eene dier duitsche residentiesteden van den tweeden

rang, die zooveel aantrekkelijks hebben, over het algemeen zich zoo

loffelijk onderscheiden door een open zin voor al wat met de hoogere

belangen des geestes in verband staat, en ook in haar uiterlijk

voorkomen den goeden smaak en den kunstzin zooveel mogelijk trachten

te bevredigen. Ook Gotha is eene fraaie stad, uitmuntende niet alleen

door hare schoone, smaakvolle, dikwerf prachtige huizen, maar vooral

ook door haar heerlijk park en hare lommerrijke dreven en singels,

door villa's en tuinen omzoomd. En wat kunst en wetenschap aangaat,

moge Gotha niet met het duitsch Athene, de Muzenstad Weimar, kunnen

wedijveren: dat zij ook hier niet verwaarloosd worden, maar ijverige

beminnaars en bevorderaars vinden, ge zult het mij toestemmen, als

ik u den naam noem van Perthes, de beroemde boekhandelaarsfirma,

die zich vooral door de stichting van de _Geographische Anstalt_ en

door de uitgave der _Geographische Mittheilungen_, door de gansche

beschaafde wereld een welverdienden roem heeft veworven.--En zoo

ge nog verder bewijs verlangt, ook voor den kunstzin van Gotha's

vorsten, ik zou u geleiden naar het omvangrijke, echter meer plompe

dan indrukwekkende slot Friedenstein met zijne twee torens, en ik

zou u uitnoodigen de onschatbare verzamelingen te bezichtigen, die

daar bewaard zijn. Ge vindt hier niet alleen een hoogstbelangrijke,

aan incunabelen en handschriften zeer rijke bibliotheek, maar ook een

schilderijenkabinet, waarbij stukken van de beroemdste oud-duitsche,

vlaamsche en hollandsche meesters, Cranach, Dürer, Holbein, Rubens,

Van Dijck, Mieris, Rembrandt, Dou, enz; voorts eene verzameling

van afgietsels naar antieken, een munt- en penningkabinet; een

museum van natuurlijke historie; eene uitgebreide verzameling van

chineesche voorwerpen, huisraad, porselein, ivoor en dergelijke zaken;

en eindelijk eene kostbare collectie van zeldzaamheden, cameeën,

oudheden, antieke meubelen en huisraad, wapens, snijwerk in hout en

ivoor, mozaïeken, vazen en vele andere kunstgewrochten van zeer groote

waarde. Deze kunstschatten, door verschillende vorsten bijeengebracht,

moeten hunne plaats vinden in het nog onvoltooide, prachtige museum,

dat achter het slot, aan den ingang van het park, verrijst.

Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 8 题