De spoortrein, die u van Leipzig heeft weggevoerd, staat stil. Ge
verlaat uw wagon; ge zijt te Weimar, de hoofd- en residentiestad van
het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, in eene schilderachtige
streek, aan den oever der Ilm gelegen. Maar, als ge, op het terras van
het hoog gelegen station eenige oogenblikken toevende, het vriendelijk
stedeke, met zijn tuinen en parken en krans van groenende heuvelen,
overziet, dan is het niet de gedachte aan staatkundige beteekenis en
vorstelijken rang, die het eerst in u opkomt.--Athene aan de Ilm,
was de naam, waarmede Weimar in vroeger dagen placht begroet te
worden, de eeretitel, waarop het nog heden roem draagt. En inderdaad,
de vergelijking met de geestelijke hoofdstad der oude wereld, de
moederstad der Muzen, de kweekplaats van kunst en wetenschap; eene
vergelijking, zoo vaak van blinde vooringenomenheid en bekrompen
waan getuigende, die het geheel ongelijksoortige, met lichtvaardige
vermetelheid, te zamen voegt; deze vergelijking mocht hier niet enkel
aanmatiging heeten. Daar was, daar is grond voor die naamsduiding:
niet enkel omdat Weimar, gedurende ongeveer eene halve eeuw,
hot vereenigingspunt was van de uitnemendste geesten, waarop het
Duitschland van het laatste vierdedeel der vorige en het eerste der
tegenwoordige eeuw roemen mocht, van de grondvesters, de herscheppers
en heroën der nieuwere duitsche letterkunde; maar nog meer, omdat
wellicht nooit en nergens, sedert den ondergang der oude wereld, de
echt klassieke helleensche geest zoo zuiver in kunst en litteratuur is
herleefd, zoo volkomen de scheppingen eene moderne letterkunde heeft
bezield en doordrongen, als hier in de school, die naar Weimar werd
genoemd. Ge vergt van mij geene bewijzen tot staving dezer uitspraak:
zouden ze ook niet overtollig zijn, daar toch welbekendheid met
dit schitterende tijdperk van de letterkundige ontwikkeling onzer
oostelijke naburen veilig mag worden ondersteld? Het volsta dan den
naam te noemen van een enkel man, die, meer dan eenig ander, op dit
gansche tijdperk zijn stempel heeft gedrukt, die zes-en-vijftig jaren
van zijn werkzaam leven te Weimar heeft gesleten, de naam van Goethe,
die modernen Griek, in wien de geest van het oude Hellas was gevaren,
als wellicht in geen ander vóór hem. Zijn naam komt u toch wel het
eerst op de lippen, als ge aan Weimar denkt, als gij over Weimar uwe
blikken laat weiden; zijn beeld rijst voor u op, als ge de stad en
hare omstreken doorwandelt, nog overal vervuld met zijn herinneringen;
deze majesteit heeft nog niets van haren glans verloren, en straalt den
luister van andere namen, den luister van vorstenpraal dof. Doch neen,
deze laatste tegenstelling, zoo menigmalen een zinledig woordenspel,
ware hier erger, ware hier eene krenkende onwaarheid. Waar Weimar
roem draagt op haar naam van Muzenstad, op haar titel van duitsch
Athene, daar voegt het allerminst te vergeten, aan wie zij, nog in
de laatste jaren der vorige eeuw door Schiller een dorp genoemd,
die glorie dankt. En dan worde hier in de eerste plaats, met dankbare
hulde, de naam genoemd van de voortreffelijke hertogin Anna-Amalia,
die, vroeg verweduwd, niet alleen voor haar minderjarigen zoon,
met zeldzaam beleid en tot grooten zegen voor haar land en volk, de
regeering heeft gevoerd, maar ook de grondslagen heeft gelegd voor
het schitterende tijdperk dat volgen zou. Aan haar, de wegbereidster
van de gouden eeuw, heeft Weimar het te danken, dat het niet, als
zoo menige andere kleine stad, in doffe vergetelheid is weggezonken;
aan haar, die de uitnemendste geesten van haar tijd aan haar klein
hof wist te vereenigen, waar toen Wieland de eerste plaats innam: aan
haar, wier voorgang en voorbeeld wel bovenal zal hebben medegewerkt
om haar beroemden zoon te maken tot wat hij geworden is: de vriend
van Goethe, de edele Karel-August, de hoog ontwikkelde vorst,
wiens naam onverbrekelijk verbonden is met een der merkwaardigste,
der schitterendste episoden in de geschiedenis van den menschelijken
geest. Eere en dank dit voortreffelijk vorstengeslacht, dat, trots
de beperktheid van zijn nauw begrensd gebied, zich eene zoo ruime en
gewichtige plaats in de wereldhistorie wist te verwerven, en dat ook
heden nog blijkt aan die grootsche traditiën getrouw te willen blijven.
Ergert gij u aan ons marren, en verlangt gij de stad zelf te
betreden? Welnu, volg mij: al durf ik u slechts een vluchtig bezoek,
een haastig geworpen blik beloven: toefden wij hier naar onzen wensch,
de tijd zou ons ontbreken om ook nog naar elders onze schreden
te richten.
Doch, hoe beperkt onze tijd moge zijn, niet onbezocht moogt ge
het nieuwe museum laten, dat ge, van het station naar de stad
wandelende, aan uwe linkerhand ziet liggen. Het bezoeken van museums
en kunstverzamelingen heeft zijne schaduwzijde, vooral voor den
toerist, wien zulke bezoeken soms niet meer zijn dan het voldoen aan
een eisch der wellevendheid, te hinderlijker, naarmate hij zich meer
bewust is, dat zoo vluchtig een overzien van wat alle aanspraak op
ernstige en gezette studie heeft, bijna een vergrijp aan de kunst mag
heeten. Ik zal u dan ook niet wijzen op de schilderijen en beeldwerken,
zelfs niet op de vrij wat belangrijker verzameling van teekening
en kartons, hoezeer dezen ook uwe volle aandacht mogen verdienen;
maar verzuimen moogt ge het toch niet, uwe schreden te richten naar
de dusgenaamde "Preller-Grallerie", op de tweede verdieping van het
fraaie, in italiaanschen renaissance-stijl opgetrokken gebouw. Langs de
wanden van deze, ook door ordonnancie en architektonische versiering
uitmuntende galerij, heeft de weimarsche hofschilder Preller, in
zestien groote tafereelen, de lotgevallen der veelbeproefden Odysseus
geschilderd, op zijn avontuurlijken terugtocht van het verwoeste
Troje naar zijn vaderland Ithaka. Ge weet niet wat in deze heerlijke,
inderdaad klassieke kunstscheppingen meer te bewonderen: de zeldzame,
aangrijpende schoonheid van het landschap, door den schilder aan de
kusten der Adriatische-zee, in het oude Groot-Griekenland, bestudeerd
en der natuur afgezien; of de eenvoudig verhevene, echt naïve opvatting
van het menschenleven, waaruit u de antieke geest tegenademt. Dit
is meer dan bloot het woord des dichters in beeld brengen, meer dan
enkel illustreeren, dit is inderdaad eene vertolking, eene vrije en
zelfstandige, en juist daarom in den hoogsten zin getrouwe naschepping
van een groot kunstwerk. Om u dit te doen gevoelen, heb ik u hierheen
gevoerd; om u te doen zien, hoe men, ook in onze dagen, aan de hoven
der duitsche Vorsten, de kunst waardeert en haar weet te bevorderen. Is
het mijne schuld, indien de gedachte aan hetgeen in dit opzicht ten
onzent geschiedt en niet geschiedt, bijkans in staat zou zijn, u het
genot dezer heerlijke kunstschepping te bederven?
Inmiddels zijn wij de stad ingewandeld. In het voorbijgaan werpen
wij een blik op het huis, waar Wieland, de dichter van Oberon,
tien jaren lang, tot aan zijn dood in 1813 woonde. Hij was, zooals
ge weet, als opvoeder van den jongen prins Karel-August, door de
hertogin-weduwe naar Weimar ontboden, en vormde daar het middelpunt
van een letterkundigen kring, tot zijn gestarnte verbleekte voor de
schitterende zon van Goethe, met wien deze meer fijne dan diepe en
niet zeer ernstige geest zich wel niet meten kon.--Doch reeds went ge
uwe blikken van deze woning af, om ze vol bewondering te laten rusten
op die heerlijke groep van Goethe en Schiller, door de meesterhand
van Rietschel gewrocht, en midden op de kleine _Theaterplatz_
verrijzende. Gij kent de groep, en hebt dus geene beschrijving van
noode; en terwijl ge ze weder voor het oog uwer verbeelding laat te
voorschijn treden, prijst ge op nieuw de gelukkige conceptie die de
wederzijdsche verhouding der beide dichters en hun beider beteekenis
voor de vaderlandsche litteratuur, zoo juist en treffend wist weer te
geven. "Dem Dichterpaare das dankbare Vaterland", luidt het eenvoudige
opschrift, recht doende aan beide genieën, waar het ze in eene zelfde
hulde samenvat.
Zoo ge van van de Theaterplatz _Schillerstrasse_ ingaat, bevindt
ge u weldra voor het nederige hoekhuis, thans eigendom der stad
Weimar, waar de dichter de laatste drie jaren zijns levens heeft
gewoond. Het is een soort van museum en dagelijks te bezichtigen. Wilt
gij er binnentreden? Hetzij dan om u naar de hoekkamer op de tweede
verdieping te begeven, waar Schiller gemeenlijk arbeidde, en die nog
in denzelfden toestand is behouden, als tijdens het leven van den
dichter. Ge ziet hier zoowel zijne schrijftafel, als het bed waarop
hij, in de vooravond van den 9den Mei 1805, overleed; benevens eenige
voorwerpen van hem afkomstig. Aan dit vertrek grenst zijn meer dan
eenvoudig slaapvertrek, een zolderkamertje, waar het bed plat op den
grond lag. Was hij des peinzens en des arbeidens moede, dan wierp
hij zich op zijn leger, om een korte rust te smaken. Gebeurde het dat
hem eene of andere gedachte inviel, dan rees hij haastig op, om die
aanstonds op te teekenen: licht en schrijfgereedschap waren steeds
bij de hand. Eerst in Schillers laatste ziekte, werd zijn bed, dat
weldra zijn sterfbed worden zou, in zijne studeerkamer overgebracht.
Weimar is eene kleine stad: ge behoeft dus niet ver te gaan, om het
vrij wat statiger en indrukwekkender huis te aanschouwen, waarin
Zijne Majesteit Goethe negen-en-dertig jaren lang heeft gewoond, en
waar hij, den 22sten Maart 1832, den laatsten adem uitblies. Met deze
aanschouwing moet ge u, indien ge, zooals hij, die zich verstoutte
uw gids te zijn, tot het gewone "publiek" behoort, vergenoegen:
de familie ontzegt vreemden den toegang.--Om ons voor dit gemis
schadeloos te stellen, wandelen wij de _Marktplatz_ over, waar het
in gothischen stijl gebouwde raadhuis billijk uwe aandacht trekt, en
gaan verder het oude gedeelte der stad in. Maar niet zonder eerst een
blik geworpen te hebben op dat huis tegenover het raadhuis, waar nu
een boekhandel is gevestigd, doch waarin eenmaal de beide schilders
Lucas Cranach de oude en de jonge woonden en stierven. Ge ziet, de
aanspraak van Weimar op kunstroem dagteekent niet geheel slechts uit
later eeuw.--Nog weinige schreden, en daar verrijst het standbeeld
van Herder, vóór de kerk, waar hij, als vroeger Luther, predikte,
en waarin hij, nevens vele andere beroemdheden, rust. Als ge in deze
kerk, Weimars Westminster-abdij, de heerlijke schilderij van Lucas
Cranach den Oude, _Christus aan het kruis_, bewondert, vergeet dan
ook niet dat Sebastiaan Bach, die heros der duitsche muziek, hier
eenmaal het orgel bespeelde. Achter de kerk is het huis, waar Herder,
als generaal-superindentent en hofprediker, van 1776 tot aan zijn
dood in 1803, woonde.
Ge gaat eene kleine straat door, en daar verrijst het groote, statige
slot, na den brand van 1774 geheel nieuw gebouwd, en vooral inwendig
met smaak en vorstelijke pracht versierd. Ik onderstel echter, dat ge
niet van mij vergt, u door paleizen rond te voeren, wanneer daartoe
geene bijzondere aanleiding bestaat. En schoon die hier licht te
vinden ware in een bezoek aan de vier beroemde zalen, aan de vier
dichters van Weimar, Herder, Wieland, Schiller en Goethe, gewijd,
en met voorstellingen uit hunne werken gesierd:--toch willen wij het
paleis onbezocht laten. Wij staan hier aan de oevers der Ilm, en voor
ons strekt zich het heerlijke Park uit, dat u niet alleen aantrekt
door zijne prachtige boomgroepen en fluweelige grasperken, door zijne
lommerrijke lanen en schilderachtige bosschages, maar vooral ook door
de herinneringen, waaraan het zoo overrijk is. Wij kunnen niet meer
dan ze vluchtig aanstippen. Hier, in dit Park, ligt het dusgenaamde
_Romeinsche huis_, het lievelingsverblijf van Karel-August en van
Goethe. Aan den voet der trap, die naar deze hoogst eenvoudige woning
voert, leest ge op een marmeren plaat, deze regels van Goethe:
"Die ihr Felsen und Bäume bewohnt, o heilsame Nymphen,
Gebet Jeglichem gern, was er im Stillen begehrt!
Schaffet dem Traurigen Trost, dam Zweifelhaften Belehrung,
Und dem Liebenden gönnt, das ihm begegne sein Glück!"
Verder vindt ge de _Schillerbank_, een rustig stil, bekoorlijk plekje,
waar de dichter gaarne nederzat. Hij mag dan wel zijne peinzende
blauwe oogen hebben laten weiden over de kronkelende Ilm aan zijn
voet, dier, naar zijne eigene uitdrukking, in het voorbij-ruischen
menig onsterfelijk lied vernam; over den heuvel aan de overzijde,
waar Goethes _Berggarten_ met het eenvoudige, zoo geliefde tuinhuis
lag. Gelukkig werd toen de liefelijk-vredige indruk van dit kalme,
idyllische landschap nog niet verstoord door die groote, nieuwe
kazerne, die zich nu, zoo onwelkom en onbescheiden, aan u opdringt:
veelbeduidend teeken des tijds, waarin het zwaard eene zoo gewichtige
rol speelt, en het ongewapende recht sinds lang voor het overmachtige
geweld zwichten moest. Kazernen behooren nu eenmaal tot de signatuur
dezer hooggeloofde negentiende eeuw, ook en vooral in het vaderland
van Goethe en Schiller.
Wij keeren in de stad terug, doch ge schenkt mij de beschrijving
van wat Weimar verder bezienswaardigs heeft: van de bibliotheek,
van het theater, waar Liszt eenige jaren muziek-direkteur was; van
het Leesmuseum, van den fraaien tuin der sociëteit _Erholung_, die
ook in de stad een zeergoed ingericht lokaal heeft, dat voor vreemden
toegankelijk is; en van nog andere merkwaardigheden. Eéne plek moeten
wij echter nog bezoeken: het nieuwe kerkhof. Zouden wij den duitschen
naam _Friedhof_ met Vredehof mogen vertolken?--Niet om den schoonen
aanleg, om de heerlijke boomen en de prachtige bloemen, die dezen
doodenakker tot eene bloeiende gaarde maken, voere ik u derwaarts, maar
om een pelgrimage te volbrengen, waartoe uw hart u dringt. Als ge de
breede laan hebt betreden, ziet ge voor u, op eene kleine verhevenheid,
de in 1824 gebouwde tempel, die den vorstelijken grafkelder bevat. Daar
rusten, nevens hun vriend en vereerder, den groothertog Karel-August
( 1828), ook Schiller en Goethe, de twee koningen in het rijk der
duitsche letterkunde: eene vorstelijke eere, vorstelijk bewezen; en
vooral niet minder getuigende voor hem, die ze brengt, dan voor hen,
die ze geldt. Schillers lijk, eerst in alle stilte en eenvoudigheid,
in den nacht, op het oude of Jacobskerkhof teraardebesteld, werd in
1827 herwaarts overgebracht. Op zijn sarkophaag prijkt een zilveren
eikenkrans, bij gelegenheid van het eeuwgetijde zijner geboorte, door
de vrouwen van Hamburg hier nedergelegd. Goethe werd dadelijk na zijn
overlijden, met groote staatsie, in den vorstenlijken grafkelder,
waar zijn vriend sedert vier jaren rustte, bijgezet. Achter de
_Fürstengruft_ bevindt zich de prachtige grieksche kapel, waar de in
1859 gestorven groothertogin Maria-Paulowna, dochter van keizer Paul
van Rusland en moeder van den tegenwoordigen groothertog, is begraven.
De gang naar dezen doodenakker, die stoffe levert voor zoo velerlei
gedachten en overleggingen, zij de laatste, voor ge de stad verlaat,
waar zij, die hier ter ruste zijn gelegd, maar vooral een hunner,
de grootste, nog voortleeft in de herinnering niet alleen, maar in
zoo menig teeken van vroegere werkzaamheid. Weimar is wel niet eene
doodenstad:--daartoe geeft het te veel bewijzen van nog frisch en
krachtvol leven, ook op het hooger gebied des geestes;--maar toch
zijn de herinneringen aan de beroemde dooden, die binnen zijne muren
rusten, wel de grootste schat, waarop het bogen mag: daarom besluite
de bedevaart naar hunne graven een bezoek aan de stad, waar zij hebben
geleefd en gewerkt.
Ook wij nemen afscheid, door den nood gedrongen. Ware de ruimte mij
gegund, hoe gaarne toefde ik met u op zoo menige plek in en om de stad;
hoe gaarne leidde ik u naar het vorstelijk lustslot Belvedere, met
zijn prachtige tuinen en zeldzaam rijke oranjerie; naar het kleinere
slot te Tieffurt vooral, met zijn schilderachtig park, het geliefkoosde
verblijf van hertogin Amalia, die hier den "Tieffurter Abendkreis" om
zich vergaderde. Behoef ik het te zeggen, dat ge overal, te Bellevue
als te Tieffurt, schier bij iederen voetstap, herinneringen aan Goethe
aantreft? Maar waar vindt ge hem niet, den olympischen heros, die
langer dan eene halve eeuw Weimar met zijne tegenwoordigheid vervulde?