I.

Kent ge Thuringen, lezer? Zoo niet, dan mist ge een zeker aantal

aangename herinneringen, weldadige indrukken, die, naar ik meen,

weinig andere landen van zoo luttele uitgestrektheid u in gelijke mate

geven kunnen. Zoo ja, dan zal zich ongetwijfeld in uw gemoed het beeld

hebben gegrift van deze landstreek, als van eene der liefelijkste

en in menig opzicht belangrijkste die het u immer gegeven was te

aanschouwen. De natuur en de menschenwereld hebben hier gelijkelijk

recht op uwe aandacht, uwe volle belangstelling, uwe liefde; beiden

spreken met gelijken nadruk tot u, en wedijveren in de tentoonspreiding

van wat geest en gemoed boeien, streelen, verheffen kan. Maar hetzij

ge Thuringen door eigen aanschouwing kent, hetzij ge uwe wetenschap

van dat land tot dusver aan anderen ontleenen moest: toch durf ik u

uitnoodigen, in gedachte op enkele uitverkoren plekjes van deze rijk

gezegende streek te vertoeven. De meer dan eenvoudige potloodschetsen,

die ik u biede, mogen u welkom zijn, hetzij als beelden uwer eigene

herinnering, hetzij als opwekking om wat ge tot dusver miste, zelf

te gaan genieten.

Thuringen is het hart van Duitschland. Het is dat niet alleen door

zijne ligging genoegzaam in het midden van het groote rijk: het is

dit ook in anderen en hoogeren zin: door het krachtige, frissche,

nieuwe leven, dat reeds meer dan eenmaal zich vanhier door alle

aderen der groote duitsche nationaliteit uitstortte. Ja, hoezeer

het gebergte van Thuringen, het heerlijke Thuringer-Wald, een door

de natuur zelf gevormde grensscheiding is tusschen noordelijk en

zuidelijk Duitschland, tusschen de dialekten en eigenaardigheden der

verschillende germaansche stammen, tusschen het protestantsche noorden

en het katholieke zuiden; zoo vertoont toch, niet alleen de thuringsche

natuur, maar vooral ook het thuringsche volk, eene merkwaardige

samenvloeiing en samensmelting van wat noord en zuid eigenaardigs

en karakteristieks hebben. Niet ten onrechte heeft men daarom

Thuringen dikwerf Klein-Duitschland genoemd. Meen echter niet, dat

deze gelijkenis met het beeld der naburen ten noorden en ten zuiden,

oorspronkelijkheid en eigen zelfstandigheid uitsluit. Integendeel:

in weinig streken van Duitschland zult ge zoovele plaatselijke

eigenaardigheden, zoovele karakteristieke bijzonderheden in het

volksleven en karakter aantreffen, als juist hier; en nergens bijna

vindt ge zoo trouwe gehechtheid aan voorvaderlijke gebruiken en

overleveringen nevens zoo geopenden zin voor de eischen en behoeften

van den nieuweren tijd, en zoo ijverige begeerte om anderen op de

baan der ontwikkeling voor te gaan.

Het is inderdaad een merkwaardig volk, dat volk van Thuringen,

daarbij trouwhartig, eerlijk, arbeidzaam, vriendelijk en opgeruimd;

de ernst en bedachtzaamheid van het noorden paart zich hier aan

de gemoedelijkheid en vroolijkheid van het zuiden. Wat frissche,

opgewekte levenslust komt u hier overal verkwikkend te gemoet. Overal

gezang en gejubel, op de wegen, in de steden, in de dorpen; over het

gansche land zweeft als het ware een onsterfelijk, duizendstemmig

lied. Niet alleen heeft iedere stad hare zangvereenigingen, maar ge

zult bijna geen dorp vinden zonder eene eigene liedertafel. Nog heden

ten dage trekken de dusgenaamde _Kurrendschüler_, door de straten

van meer dan eene thuringsche stad, zooals weleer Maarten Luther,

en zingen in koor hunne vrome liederen. Op schoone zomeravonden

komen de jongelingen en jongedochters te zamen op de markt of bij de

eenvoudige dorpskerk, en heffen een dier schoone volksliederen aan,

waaraan Thuringen zoo overrijk is, en wier innige melodie zelden

nalaat het gemoed te treffen. Uw gids zingt, als hij met u door

het gebergte dwaalt; uit de boerenwoningen, waar het spinrad nog

altijd snort; uit de fabrieken, waar het stoomtuig zucht en stampt;

uit de herbergen, waar de kroes met Lagerbier lustig rondgaat: van

alom klinkt u gezang tegen. En dan, wat benijdbare verscheidenheid

van volksfeesten, die hier nog inderdaad volksfeesten zijn, waaraan

ieder deel neemt, vroolijke dagen, waarnaar ieder uitziet, waarvan de

heugenis bij allen levendig blijft. De stedelingen hebben hun vogel- of

schijfschieten; de landbewoners hunne kermis of feest der kerkwijding;

daarenboven nog de geregeld wederkeerende zang- en turnfeesten, het

Meifeest, dat hier nog altijd, hoezeer dan ook vervallen van zijn

vroegeren luister, in stand is gebleven; evenals op vele plaatsen,

het midzomer- en October-vuur. Bij al deze feesten, en niet minder op

de druk bezochte jaarmarkten, gaat het lustig en vroolijk, bijwijlen

wel wat ruw toe: dans, muziek, bier en worst spelen bij dergelijke

gelegenheden overal de hoofdrol.

Het is een vroolijk, levenslustig, zangerig, dichterlijk volk, dat

volk van Thuringen, en warm klopte steeds zijn hart voor wetenschap en

kunst, voor poëzie bovenal. Is niet zijn land bij uitnemendheid het

vaderland der duitsche sage, die hier hare liefelijkste, heerlijkste

bloemen heeft ontplooid, en nog met haar tooverglans iederen berg

en ieder dal, iedere rots en iedere beek, omstraalt? Was niet

de Wartburg het vereenigingspunt der uitnemendste minnezangers,

en werden ze niet daar voor het eerst gezongen, de oude schoone

zangen der duitsch-middeleeuwsche poëzie? Was niet gansch Thuringen

als bezaaid met kloosters, waaronder velen van wijdberoemden naam,

die eerwaardige kweekplaatsen van wetenschap en geleerdheid eeuwen

lang? Was de machtige baanbreker van den nieuweren tijd, Maarten

Luther, geen zoon van Thuringen, dat ook onder de eerste duitsche

landen behoorde, die zich bij zijne banier voegden? Waren niet

eindelijk, in later eeuw, de thuringsche residentiesteden, Weimar

in de eerste plaats, de brandpunten en kweekplaatsen der duitsche

litteratuur, die juist hier hare grootste heroën te zamen bracht,

hier hare schitterendste triomfen vierde? Behoort niet Thuringens

universiteit te Jena tot de beroemdste van Duitschland? Voorwaar,

waar zulke herinneringen u bij iederen voetstap schier ontmoeten,

daar behoeft ge niet te vragen of het volk ook hart heeft voor de

hoogere belangen des geestes, voor de ideale zijde des levens. En om

de uitnemendheid dezer gave wil, vergeeft ge den Thuringers wel gaarne

hunne zorgeloosheid en lichtzinnigheid, waarvan zij niet zelden blijk

geven; ja zelfs, hunne liefhebberij voor politiek.

En maakt het volk op den vreemdeling een gunstigen indruk, niet

minder boeit en bekoort hem het land. De kroon van Thuringen is wel

ongetwijfeld het Thuringer-Wald, "de parel der duitsche bergen",

het doelwit der duizende bedevaartgangers, die telken jare, van dat

de eerste zwoele lentelucht de teeder-groene blaadjes ontzwachtelt,

tot het woud zich met den bonten herfsttooi kleedt, naar dit heerlijke

gebergte trekken. Zal ik het u schilderen? Ge scheldt me de zwakke

poging kwijt, om deze rijke natuur te teekenen, overtuigd dat noch gij,

noch ik bevredigd zoudt zijn door de onvoldoende uitkomst. Toch voegt

een enkele trek, om u althans eenigermate het karakter dezer bergstreek

aan te duiden. Moest ik een uitdrukking kiezen, om den indruk te

teekenen, dien het Thuringer-Wald-landschap op den aanschouwer maakt,

ik zou dien niet beter weten aan te duiden, dan door de beide woorden

liefelijkheid en bevalligheid. Dit bergland verwondert, verrast,

overweldigt u niet zoozeer door ontzagwekkende majesteit, door de

stoutheid zijner vormen, door het kolossale zijner afmetingen; ge

mist hier de geweldige gletschers, de ten hemel steigende, met ijs en

sneeuw omschorste klippen en naalden, de blauwe meren van Zwitserlands

Alpen:--de natuur is hier rustiger, kalmer, meer binnen uw bereik,

en toch zoo betooverend schoon, zoo frisch en krachtig, zoo rijk

aan afwisseling, dat hart en geest beiden hier op het innigst worden

aangedaan, geboeid en opgeheven. Waar vindt ge in Europa statiger en

indrukwekkender wouden dan juist hier: wouden van dennen, pijnen en

beuken, die ge niet meer vergeet, wanneer het u eenmaal was vergund

onder hunne geheimnisvolle, wonderschoone schaduwen te wandelen? Wat

is er liefelijker dan een dier smalle, stille dalen, _Gründe_,

zooals men ze hier noemt, met hun zoom van boschrijke bergen; met

hun schilderachtige afwisseling van woud en weide, met hun zilveren

beekjes, dartelend en kabbelend voorthuppelend over het bed van kleine,

ronde steentjes, en het stille dal vervullende met muziek? Is het geen

weelde hier te toeven, in den lommer van een eeuwenheugenden beuk,

terwijl van verre en nabij het lied der vogelen weerklinkt--Thuringen

schijnt wel het vaderland der zangvogels; waar het melodisch klepperen

van den molen zich paart aan het ruischen des waters, en van ginds,

van den bergwand, u de liefelijke muziek tegenklinkt der harmonisch

gestemde klokjes, die de weidende kudden om den hals dragen. Uren en

uren zoudt ge hier willen toeven, luisterende naar de zoo veelzijdig

afwisselende stemmen der natuur; het wondere tooverspel bespiedende

van licht en bruin in die donkere, ernstige wouden, op die met bloemen

bezaaide weidevelden, in de schalke beek, nu eens half wegduikende

onder de zware overhangende takken, dan stralend en schitterend, als

een vloeiend diamantensnoer, in het heldere zonnelicht; het kronkelend

grijze rookwolkje naturend, dat ginds boven het donkere dennenwoud

opstijgt, de hut van den houthakker of kolenbrander verradende;

de vluchtige wolkschaduwen volgende, als zij heenglijden over de

berghellingen en rotsen, over de bosschen en de weiden; en nu en dan

in uwe mijmering gestoord door de verschijning van een schichtig hert,

dat, u bemerkende, een oogenblik nieuwsgierig blijft staan, om dan met

een vluggen sprong in het woud te verdwijnen.--Doch onwillekeurig zou

ik mij laten verlokken, toch te beproeven, wat ik mij had voorgenomen

niet te onderstaan. Laten de enkele, vluchtige trekken voldoende

zijn: de uitwerking tot volledige teekening, tot kleurrijke bezielde

schilderij, blijve bekwamer handen, blijve liefst u zelf, na eigen

aanschouwing, overgelaten.

Thuringen is ook hierin een beeld in het klein van Duitschland, dat

het land onder veler heeren gebied is verdeeld. In staatkundigen

zin, bestaat Thuringen eigenlijk niet: het is een denkbeeld, eene

abstractie, zoo als Duitschland tot voor korten tijd was. Toch was

Thuringen eenmaal, in overouden tijd, een zelfstandig rijk, een

koninkrijk, dat echter reeds in 528 voor de vereenigde macht van

Saksers en Franken bezweek. Drie eeuwen lang duurde de frankische

heerschappij, tot Thuringen, in 840, bij de deeling van het rijk van

Karel den Groote, onder de heerschappij kwam der duitsche keizers,

die het land in hun naam, aanvankelijk door hertogen, later door

landgraven lieten regeeren. Dit tijdperk der landgraven, van 1125

tot 1482, is wel het schoonste en schitterendste van Thuringens

geschiedenis; geen ander is in zoo rijken overvloed omkranst met

de rijkste, de liefelijkste bloemen van sage en poëzie, traditie

en legende; in geen ander treden ons zoovele figuren tegen, die om

allerlei uitnemendheid, boven anderen onze aandacht trekken. Bij den

uitgang der middeleeuwen eindigt ook de echt middeleeuwsche, hoog

dichterlijke geschiedenis van het oude Thuringen, die ons bijna als

eene wondervolle sproke tegenklinkt, zoo rijk en weelderig van kleur,

gelijk geheel het bewogen, bezielde, van de hoogste idealen gedragen

leven van dien grootschen, schitterenden tijd. Het aloude stamhuis

der thuringsche vorsten zonk ten grave, en het land werd tusschen

onderscheidene verwante vorstelijke familiën verdeeld en telkens

op nieuw verdeeld, tot het in de officiëele geschiedenis zijn naam

verloor. Maar niet alzoo in het hart en de herinnering des volks,

niet in de zangen der dichters, in het bloeiende schemerende rijk

der liefelijke sage, waar de naam van Thuringen leven bleef als van

een der rijkst begaafde, der schoonste en beminnelijkste streken van

het groote duitsche vaderland.

Laat ons nu enkele der schoonste en merkwaardigste punten--de keuze

zal moeielijk genoeg zijn, waar bijna iedere plek tot bezoeken en

verwijlen noodigt--van Thuringen bezoeken.

Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 2 / 8 题