WEER VAN EENE FEE.

Opstaan, wasschen, kappen en aankleeden, boterham eten, naar school

gaan--allemaal heel gewone dingen, zul je zeggen, die alle dag

terugkomen. Wat zou daarvan nu voor bijzonders te vertellen zijn:

't is niet eens de moeite waard er over te praten. Ja, zoo denk

jullie er over; maar er was eens een meisje, Ida heette ze, dat er

heel anders over dacht.

Dat ongelukkige kind kon 's morgens, als ze op zou staan, nooit hare

kousen vinden. Gezocht op den stoel vóór 't bed, in 't bed, rechts,

links, aan 't hoofdeneind, aan 't voeteneind, onder de dekens--alles

onderst boven gehaald. Eindelijk--één gevonden onder 't kussen,

een poosje later nummer twee onder 't ledikant.

Dan verder. Maar waar was nu weer die vervelende bovenrok! Op dezen

stoel niet en op dien niet.... Onder de tafel misschien, je kunt nooit

weten. Ook al niet.... Ze had hem toch.... O, daar lag hij--in een'

hoek van de vensterbank!

Wel zeker, de spons ook al te zoek! Toe, waar zit je toch? De

waschtafel van den muur getrokken. Hoe kwam het ding daar nu achter!

Dan aan 't plassen. Een druipnat gezicht--geen handdoek, om het af te

drogen. Een pretje, hoor! Waar--kon--dan--toch--die--handdoek--zijn? Al

pruttelende de kamer doorgezocht. Daar hing hij, voor oud vuil over

een' post van 't ledikant.

Haar opmaken. Ja wel, gemakkelijk gezegd, als kam en borstel voor 't

grijpen zijn! Gerommeld in de laatjes van de waschtafel. Niets! Op

tafel? Neen! In de vensterbank ook?.... Gisterenavond had ze

toch.... Ha! op den schoorsteenmantel, eindelijk!

De jurk. Die moest op den kapstok hangen. Rits, een schort er

afgetrokken, op den grond. Wacht eens: over die stoelleuning,

hulpeloos naar beneden hangende met de mouwen tot op den vloer,

't Goed uit den zak gerold en verspreid over den grond. Haastig weer

wat bij elkaar gegrabbeld en dan de jurk aan.

Eindelijk was Ida, met een diepen zucht, klaar; maar hoe?--'k Hoop voor

jullie niet, dat je ooit zulke rare banden, knoopen en knoopsgaten,

haken en oogen aan je kleeren zult hebben. Die van Ida, arm kind,

schenen wel allemaal op verkeerde plaatsen te zitten, zoo scheef

en dwars kreeg ze haar goed aan. De banden, die bij elkaar pasten,

konden mekaar gewoonlijk niet vinden. Sommige knoopen waren met geweld

door knoopsgaten getrokken, die er wie weet hoe ver van af zaten. De

stumpers kregen het dikwijls zoo te kwaad, dat ze uit benauwdheid

van hunne plaats vlogen. Ook waren er wel knoopen en haken, die er

heelemaal "voor spek en boonen" bij zaten.

Vraag ook niet naar Ida's vlecht: je hebt nooit zulk onwillig haar

gezien, als dat van Ida. Denk je, dat het zich wou laten verdeelen

in drie gelijke, gladde strengen? Geen sprake van! Het verkoos nu

eenmaal ruig te zijn, en altijd was er in de vlecht een dun, schraal

strengetje, dat er als een wormpje doorheen kroop.

Maar--hoe dan ook, Ida was klaar. Ze kon nu naar beneden gaan, om te

ontbijten, dat wil zeggen--om staande haastig een paar happen brood

te eten en een paar slokjes melk te drinken, waar ze zich bijna in

verslikte. Hoe kun je ook tijd overhouden als je bij 't aankleeden

zóó geplaagd en opgehouden wordt!

Dan roef, roef, mantel aan, hoed op, handschoenen.... natuurlijk weg,

als je ze hebben moet. Nergens in de zakken te vinden. Nu, ze had

ook geen tijd meer om te zoeken--dan maar zonder de straat op. Flap,

de voordeur dicht.--Een oogenblik er na: tingelingeling! Ida terug

hijgende, buiten adem. Wat nu? De schooltasch vergeten. Overal

gezocht. Had me dat vervelende ding zich nu niet verstopt achter de

kelderdeur, die open stond?--Waren de boeken en schriften, was alles,

wat ze noodig had er wel in? In de vlucht even in de tasch gerommeld,

een schrift er bij één vleugel uitgetrokken, in de haast het kaft om

een boek half afgescheurd. Ze miste wat, maar ze had geen oogenblik

tijd meer: 't was toch al zoo laat.

Ja, Ida was _te_ laat. Ze werd beknord door de juffrouw, ze moest

schoolblijven, om 't verzuimde weer in te halen.

Wil je weten, hoe het ging onder de lessen?--"Ida," vraagt de juffrouw,

"waarom begin je niet te schrijven?"--Juffrouw, mijn pennenhouder

is weg! En gisteren lag hij er nog, toen lag hij hier in mijn

vak."--"Gekheid, als hij er gisteren gelegen heeft, moet hij er nu nog

zijn. Zoek nog eens goed."--Ida aan 't scharrelen in de beide vakken,

in de tasch, alles overhoop gehaald. Dan met veel drukte op en onder

de voetplank gezocht. Daar ligt hij; maar de bank moet verzet. Alle

meisjes kijken om. Die het dichtst bij zitten, kunnen heelemaal niet

werken. Ida's werk komt niet af, en de juffrouw is heel verdrietig.

"Leesboeken op de tafel!"--"Juffrouw, 't mijne is er niet." Weer moet

het vak worden uitgehaald, de tasch binnenst buiten gekeerd. Nooit

heeft het arme kind ook eens rust. En nu mag ze tot straf nog niet

meelezen ook, wat ze anders graag doet. Ja, 't is wel om te zuchten.

Eens kreeg Ida op haar verjaardag een mooie naaidoos present met

alles, wat er zoo in behoort. De doos zag er keurig uit van binnen:

schaar, vingerhoed, naaldenkoker, speldenkussentje, centimetermaat,

klosjes garen en zij--alles had er zijne eigen plaats, en toch

bleef er nog ruimte genoeg over voor een handwerkje. Alles was er

in voor 't grijpen. 't Was, of de schaar riep: "Zoeken behoef je

niet, hier lig ik en blijf ik."--De naaldenkoker, hoe rond hij was,

dacht aan geen wegrollen, en de naalden bleven rustig in haar donker

kamertje.--De klosjes stonden als soldaten in 't gelid, klaar om hun'

draad te presenteeren.--De spelden op het kussentje keken met hunne

schitterende oogjes rond, alsof zij zeggen wilden: "Zitten we hier

niet mooi, hier kun je ons altijd vinden."

Ja, zóó was het, toen Ida de naaidoos kreeg. En--zóó zou het stellig

ook wel gebleven zijn, als een ander meisje er baas over geweest

was. Maar Ida trof het nu eenmaal ongelukkig met alles, wat ze had

of kreeg. Nooit kon ze het vinden met haar goed: alle dingen maakten

het haar lastig. Ze had haar naaidoos nog geene week, of alles was

veranderd. "Waar is mijn vingerhoed?"--Maar de vingerhoed had zijn'

post al lang verlaten. Den volgenden dag vond de meid hem terug,

platgetrapt, onder 't karpet!--"Waar is mijne schaar?" Maar de schaar

liet naar zich zoeken. 's Avonds bij 't naar bed gaan zag Ida het

ongehoorzame ding pas terug--op de tafel in de slaapkamer.--"Wat

nu, maar ééne naald meer in mijn' naaldenkoker en dan nog wel

zoo'n dikke, die ik niet gebruiken kan!" Overal onder en tusschen

gekeken. Het deksel van den koker weg, en natuurlijk de naalden aan

de wandeling. Later wou Ida iets van den grond oprapen: daar----"au,

au! prikte ze zich aan eene naald, die in 't vloerkleed stak.--De

spelden, die vervelende dingen, waren er ook nooit, als Ida ze

gebruiken moest.--En de klosjes, die hun' draad zoo prettig klaar

hielden? "Nooit kan ik een' draad loskrijgen, alles zit altijd in

de war," zuchtte Ida. Ja, de klosjes lagen al lang holderdebolder

door en op elkaar. Lange einden draad hingen er af en waren zoo

verward door elkaar heen geslingerd, dat er geen weg in te vinden

was.--Het lint van de centimetermaat was losgewikkeld en zat vast

tusschen de draden.--Of er nog plaats was voor een handwerkje? Och,

vraag er niet naar: de zakdoek, dien Ida naaien zou, zat tusschen

deksel en doos geklemd en hing half over den rand. De stumper had

zijne plaats moeten ruimen voor allerlei vreemde indringers, die

heelemaal niet in de doos thuis behoorden: een gebruikten zakdoek,

die in Ida's zak, en een haarlintje, dat om Ida's vlecht behoorde

te zitten; een' inktlap, die uit de schooltasch en een boekelegger,

die uit het leesboek verdwaald was.

Ida had ook een eigen kastje, waar ze haar linnengoed en allerlei

snuisterijen in bergen mocht.--Heerlijk, zoo'n eigen kastje! Alle

planken belegd met mooi wit papier met keurige randen er aan. Op de

onderste het linnengoed in nette, gelijke stapeltjes neergevlijd; de

kousen in leuke, stijve rolletjes parmantig naast elkaar. Alles in de

plooi, alles glad en zonder kreuk.--En dan de bovenste planken! Daar

berg je alles, wat je moois en aardigs hebt: je poesiealbum, Eau de

Cologne- en odeurfleschjes, aardige doosjes en mandjes--ik kan het

niet allemaal zoo noemen: kijk maar eens in je eigen kastje, dan

weet je nog wel meer.--En dan plooi en schik je, je zet en verzet

al die fraaiigheden net zoo lang, tot je tevreden bent en het haast

niet mooier kan. Je houdt je hoofd op zij, om alles beter te kunnen

bewonderen. En telkens moet je eens even de kastdeuren opendoen en

binnengluren, zoo'n schik heb je er aan.--Met je oogen dicht weet

je te zeggen: dit ligt op de zooveelste plank rechts, links of in

't midden, en dat staat in dien of dien hoek.

Arme Ida! Zij deed nooit met plezier haar kastje open. Ze zuchtte

altijd, als ze er iets uit krijgen moest. Want och: met beî haar

open oogen en beî haar zoekende en grijpende handen kon ze nog niet

eens vinden, wat ze noodig had.--'t Leek wel, of 't linnengoed op

zijn eigen houtje wandelingen door de kast deed en dan weer liggen

ging op plaatsen, waar het in 't geheel niet behoorde. Rokken hadden

zich tusschen broeken geschoven, hemden waren tusschen nachtponnen

verdwaald, zakdoeken speelden verstoppertje zoowat overal tusschen

't goed. Alles lag scheef en dwars door elkaar heen, uit de vouw soms,

gedeukt in een' hoek. 't Scheen wel, of de opgerolde kousen haasje-over

gespeeld hadden met de stapels goed--dat ze daarbij soms losgegaan

waren, behoef ik zeker niet te zeggen. Geen wonder, dat Ida rukken en

trekken, op zij duwen en wegschuiven moest, zoo dikwijls ze iets uit

haar kastje noodig had. Wie zou daar ook zijn geduld bij kunnen houden!

Hoe het er uitzag op de bovenste planken? Knap, die uit zoo'n rommel

wat wijs kon worden. Fleschjes, die op hun' kop stonden of omgebuiteld

waren. Portretlijstjes, die op den neus lagen, alsof niemand zien

mocht, wie er achter zat. Mandjes, die voor de grap alles, wat er

in zat, om zich heen hadden uitgestrooid. Niets op zijne plaats--o,

't was om er kriebelig van te worden.

Zal ik nog meer vertellen? Me dunkt, je weet nu genoeg, om te

begrijpen, dat Ida een arm, geplaagd meisje was, wel om medelijden

mee te hebben. Nooit had ze recht rust, nooit kon ze met iets

vooruitkomen. Altijd was er iets te zoek, altijd moest ze rommelen,

scharrelen, alles onderstboven halen, in alle hoeken kijken. Wat

een tijd met al dat gezoek en heen-en-weer-geloop verloren ging,

hoe dikwijls Ida er te laat door was of haar werk niet afkreeg, hoe

dikwijls ze daarvoor weer beknord en gestraft werd, dat is heel niet

te zeggen. Wat was ze dikwijls zelf ook ongeduldig en verdrietig door

al die onrust en al die tegenspoeden. Och, wat had ze weinig plezier in

haar leven.--En dat was hu alles de schuld van dat nare, ongehoorzame,

eigenzinnige, onwillige goed! Ja, 't was wel om te zuchten.

Op een goeden dag zei Ida tegen zichzelf: "t Kan zoo niet langer,

't is niet om vol te houden. Ieder heeft plezier van zijn goed,

ik alleen heb altijd verdriet. Dat moet anders worden."

Toen ging ze met de hand onder 't hoofd zitten peinzen eene heele

poos. Wat had ze al dikwijls bij 't haastige zoeken boeken, schriften,

kleeren of wat het ook was, verdrietig door elkaar gegooid of er ruw

aan getrokken. "Naar ding!--Vervelend ding!--Plaag je me weer?"--Wat

had ze 't dikwijls geroepen met booze stem en er ook wel bij op den

grond gestampt van ongeduld. Maar dat had nog nooit iets geholpen, 't

werd er niets beter van. Neen, met boosheid kreeg ze niets gedaan. Weet

je wat: ze zou eens ernstig, maar heel streng met haar goed praten,

dat zou beter zijn.

Toen--niet lachen, hoor--toen zocht Ida al haar goed bij elkaar:

kastje, kapstokken, boekenplank, schooltasch, naaidoos, alles werd

uitgehaald en leeggemaakt. Uit alle hoeken van het huis werden nog

losse, verdwaalde stukken goed bij elkaar gescharreld. En dat heele

rommeltje spreidde Ida in een grooten kring op den vloer uit. Toen

ging ze met een strak gezicht deftig midden in dien kring staan en

zei: "Jullie daar om me heen, ik moet eens een ernstig woordje met je

praten. Het moet uit zijn met die ongehoorzaamheid. Jullie doet maar

je eigen zin, je stoort je niet aan mij. Ieder blijft in 't vervolg

stil op zijne plaats, tot hij geroepen wordt. Jij, borstel, dringt

niet zoo brutaal naar voren, als ik de schaar zoek. Pas op, dat me

geen schrift meer in handen komt, als ik een boek noodig heb. Niemand

probeert er ook meer verstoppertje te spelen. We zullen eens zien, wie

de baas is: jullie allemaal met elkaar of ik alleen. Je bent in mijn'

dienst, onthoudt dat, en ieder doet nu maar zijn' plicht, begrepen? In

't vervolg, als ik vraag: waar is mijn' pennenhouder? dan vertoont

die zich dadelijk, alsof hij zeggen wou: hier ben ik! Heb ik een

klosje garen noodig, dan moet het me haast in de hand rollen, alsof

het roepen wou: tot uw' dienst, Jongejuffrouw! Moet ik mijn haarlintje

hebben, dan zal het zijn: present, jonge dame! Zoo wil ik het en niet

anders. Wie onwillig of voorbarig is, krijgt het met mij te doen."

Ida was tevreden over zichzelf: dat had ze nu eens flink gezegd,

dat zou helpen. Maar pas had ze den rug gekeerd, of 't was, alsof 't

goed op den grond begon te gniffelen en te fluisteren met elkaar. De

borstel schudde van pret. Zijne haartjes kriebelden een stijf gestreken

kraagje, dat bovenop hem lag. 't Kraagje wipte van den borstel af en

rolde in vroolijke sprongen over den vloer. Een fleschje, dat juist

in den weg stond en dat zich ook niet scheen te kunnen houden van 't

lachen, had maar een klein duwtje noodig: daar lag het al languit op

den grond. Stop er af, en de Eau de Cologne klok, klok, lustig over den

vloer.--Boeken en schriften, die holderdebolder op een hoogen stapel

lagen, kregen het ook te kwaad. Ze konden al evenmin stil blijven

liggen, zoo'n plezier hadden ze. Rrrrt--daar gleden ze uit elkaar,

tegen een' maasbal aan. De maasbal vroolijk aan 't rollen--boems,

tegen een open doosje aan met stalen pennen. Hopsa, hopsa! dansten

de pennen op hun twee voetjes de doos uit.--Eene pret van belang,

hoor! 't Was, of ieder op zijne beurt zeggen wou: "Praat maar toe,

we lachen je uit, we doen toch onzen eigen zin. Denk je den baas over

ons te spelen? Ha, ha, hi, hi! We geven niets om je!"

Daar stond Ida, uitgelachen, bespot! Wat was ze verdrietig,

teleurgesteld. En ze kon niets doen, ze wist niets. De tranen van

spijt kwamen haar in de oogen. Boos en pruttelende pakte ze al haar

boeltje weer bij elkaar, duwde en stopte het weg, dat ze het toch

maar niet weer zien zou!

Van dien dag af had Ida nog meer ergenis en verdriet dan vroeger. Meer

dan ooit werd het arme kind geplaagd door haar goed. Ze kon er nu

heelemaal geen baas meer over worden.

Eens op een' morgen in de vacantie was Ida al vroeg naar 't bosch

gegaan. Alleen, want eigenlijke vriendinnetjes, waar ze zoo eens mee

wandelen kon, had Ida niet. De meisjes op school hielden wel van

haar, omdat ze goedig en vriendelijk was; maar--Ida zag er altijd

zoo raar uit in de kleeren, Ida kreeg zoo dikwijls straf--neen,

de moeders van de meisjes vonden het maar beter, dat ze buiten de

school niet met Ida omgingen. Ida zelf had nooit recht begrepen, hoe

het zoo kwam, dat de meeste meisjes altijd bedankten, als zij ze op

visite vroeg. En waarom werd zij later nooit weer gevraagd, als ze

ééns bij een meisje geweest was? Waarom moest ze toch altijd alleen

zijn, alleen spelen, alleen wandelen? Dat was ook altijd een groot

verdriet voor Ida.--En terwijl ze daar nu op dien morgen alleen door

't bosch wandelde, moest ze aanhoudend denken aan dit verdriet en aan

dat andere verdriet--aan al 't verdriet, dat ze zoo al had in haar jong

leventje. 't Was prachtig weer: de lucht blauw, de boomen en bloemen

frisch en geurig, de vogels en de vlinders vroolijk. Maar Ida lette

niet op al dat moois,--en vroolijk kon ze ook niet zijn. Ze keek heel

bedrukt, ze liep heel langzaam. Eindelijk ging ze op eene bank zitten

en--begon bitter te schreien. Daar voelde ze opeens eene hand, die

zacht haar hoofdje opbeurde, en ze hoorde eene stem, die vriendelijk

zei: "O, o, wat een dikke tranen! Is 't verdriet zoo groot?"

Vóór Ida stond een aardig oud vrouwtje met een paar heldere,

verstandige oogen en o zoo'n lief, goedig gezicht. Maar niet alleen 't

gezicht, neen, 't heele vrouwtje was prettig om naar te kijken. Alles

aan haar was even proper en net: van 't hagelwitte mutsje met de fijne

plooitjes tot de gladde kousen in de glimmende schoenen. Geene vouw of

plooi, geen band of knoop, die niet op zijne plaats zat. Geen kreuk,

geene vlek of scheur te zien. 't Heele vrouwtje met alles, wat ze aan

had om- door een ringetje te halen, zooals de menschen wel eens zeggen.

"Nu, meisje," vroeg het vrouwtje nog eens, toen Ida geen antwoord

gaf, "wat scheelt er aan? Kom, zeg het me maar, misschien kan ik je

helpen."--Toen keek Ida door hare tranen heen het vrouwtje eens goed

in de vriendelijke, medelijdende oogen, en vóór ze het wist, was ze

al aan 't vertellen. Ze begreep het zelf niet, hoe 't kwam, maar het

vrouwtje leek haar heelemaal geene vreemde: 't was net, of ze praatte

met eene moeder of eene lieve tante of eene goede oude vriendin. Ze

dacht niet: wat is dat vrouwtje nieuwsgierig, ze voelde dadelijk,

dat ze het o zoo goed met haar meende. En daarom vertelde Ida maar van

alles, wat haar op 't hart lag: van al het verdriet en de ergenis, van

de teleurstelling, die ze nog pas ondervonden had, en hoe ze nu niet

wist, wat verder te doen. Het vrouwtje lachte niet, ze luisterde heel

ernstig toe, en toen ze eindelijk alles wist, vroeg ze: "En is er thuis

nu niemand, lieve kind, die je eens raden en helpen kan?" En toen heel

zacht: "Heb je geene moeder?"--"Neen, neen," barstte Ida schreiende

uit, "eene moeder heb ik niet meer. En Vader zou ik niet durven

vragen. Ik zie hem ook haast nooit, hij zit altijd te studeeren. En

dan kijkt hij zoo streng. Mijne eenige tante woont ver, ver weg,

en de juffrouw van de school is altijd ontevreden op me. Niemand,

niemand kan ik vragen. Och, best vrouwtje, 'k hou' nu al zooveel van

je, help jij me!"--Toen lei het vrouwtje haar arm om Ida heen, en ze

trok haar naar zich toe. "Arm kind," zei ze, "zeker wil en kan ik je

helpen, vertrouw gerust op mij.--Kom, we wandelen samen naar je huis,

en als je vader het goed vindt, blijf ik een poosje bij je. Mij dunkt,

we zullen dan samen dat groote verdriet wel op de vlucht jagen. Droog

nu eerst eens je tranen. Ziezoo. Steek je arm maar door mijn' arm. Maar

wacht eens, je manteltje is scheef dichtgeknoopt. Komaan, knoopen,

ieder in zijn eigen knoopsgat, hoor! En wat is dat voor een' band,

die zoo brutaal onder de jurk komt uitkijken? Pas op, dien wijzen

we zijne plaats eens.--Wat nu: de rij knoopjes van je schoenen aan

den binnenkant van de voeten? Ga nog even op de bank zitten. Niemand

ziet ons hier, en in de stad zien alle menschen je--ze zouden lachen

om de schoenen, die stuivertje verwisselen gespeeld hebben. Dat is

alweer in orde. Nu de vlecht nog, die is losgegaan. 't Lintje op den

loop? Wacht, 'k heb er juist een in mijn' zak.--Hè, dat lijkt toch

wat beter dan zoo straks." Ida keek al lang niet bedrukt meer: het

vrouwtje praatte ook zoo vroolijk, en Ida vond het niets naar, een

beetje door haar te worden "opgeknapt." Er was anders nooit iemand,

die het eigenlijk wat schelen kon, hoe ze er uitzag.

Nu wandelden Ida en het vrouwtje samen naar huis, arm in arm, gezellig

over allerlei pratende. Thuis vroeg Ida dadelijk, waar haar vader

was. Op zijne studeerkamer, zei de meid. Het vrouwtje moest nu mee

naar boven, en toen ze voor de deur van de studeerkamer stonden,

klopte Ida aan; maar geene stem had nog "binnen" geroepen, of ze was

ook al weer de trap af.

Een oogenblik later stond het vreemde vrouwtje vóór Ida's vader,

en weer een oogenblik later zat ze in een' leunstoel tegenover

hem en waren ze samen druk aan 't praten. Over wie, dat kun je wel

dunken. Wat er al besproken werd, dat zou ik je niet precies kunnen

vertellen. Wel weet ik, dat Ida's vader bij het weggaan het eenvoudige

vrouwtje hartelijk de hand drukte. Wel weet ik, dat Ida, die beneden

met een kloppend hart stond te wachten, het vrouwtje vroeg: "Nu, wat

zegt Vader?" en dat het vrouwtje toen antwoordde: "Alles is in orde,

kindlief, ik blijf bij je."--Dat was eene vreugde. Ida kon wel zingen

van blijdschap.

Al gauw moest het vrouwtje met Ida trap op, trap af, gang in, gang

uit, het heele huis door: alle kamers moest ze zien. Ida praatte al

dien tijd heel druk; maar het vrouwtje zei niet veel. Overal rondzien

met de heldere, verstandige oogen, dat deed ze des te meer. Eens nam

ze een blad papier van den grond, bekeek het en zag Ida toen vragend

aan. "O, uit mijn geschiedenisboek!" zei Ida, zoo losjes weg, en ze nam

het blad en lei het op een' stoel. Maar het vrouwtje nam het weer van

den stoel en liep er mee naar de boekenplank. "We moeten het, dunkt

me, maar liever dadelijk weer op zijne plaats leggen," zei ze. "Ja

maar," riep Ida, "hoe vind ik het boek zoo gauw uit dien rommel! Och,

't kan later ook wel."--"Samen zoeken," hield het vrouwtje vol. En

of Ida al wat ongeduldig keek--ze kon toch niet goed anders doen dan

meezoeken. Toen ze 't boek eindelijk had, wou ze 't blad er gauw even

instoppen. "Ho," zei 't vrouwtje, "laat eens zien: bladz. 34, die heeft

35 tot buurvrouw. Ziezoo, nu leggen we het boek apart, en van avond

aan de thee plakken we het verdwaalde blad met een reepje papier vast,

we zullen het wel leeren, niet weer van zijne plaats te loopen."--Ida

keek het vrouwtje met groote oogen aan; maar zeggen durfde ze niets.

Op de trap naar Ida's kamer lag iets langs en smals. Ida zag het wel,

maar liep bedaard door. Het vrouwtje bukte zich en hield het ding

in de hoogte. "Hé, de ceintuur van mijne blauwe jurk," zei Ida,

"hoe komt die hier!"--"De ceintuur wou zeker eens zien, of ze wel

alleen den weg naar Ida's kapstok kon vinden," zei 't vrouwtje. Ida

lachte, maar ze kreeg ook eene kleur. Gauw nam ze de ceintuur uit de

handen van 't vrouwtje en mompelde zoo iets van: "meteen meenemen en

ophangen." 't Leek wel, of ze zich wat schaamde.

Ida's kamer was nu aan de beurt, om bekeken te worden. Vóór de deur

stond Ida even stil. 't Was, of ze er eigenlijk een beetje tegen opzag,

haar nieuwe vriendin binnen te laten. Maar kom, ze moest het vrouwtje

toch al dat eigenzinnige, ongehoorzame goed eens laten zien.

"Kijk," begon ze, luid en druk pratende, "kijk me dien boel hier eens

aan. Kan ik daar nu wel iets mee beginnen? Alles is te zoek, als je

't hebben moet. Uit mijne kast kan ik heelemaal niet meer wijs worden,

zie maar! En...." Verder kwam ze niet, want ze merkte: het vrouwtje

luisterde niet meer. Het bukte hier en bukte daar; het nam hier wat

van een' stoel of van de tafel, daar wat van 't bed of van den grond

en bracht het op zijne plaats. Het ruimde en redderde net zoo lang,

tot de kamer er ordelijk en netjes uitzag. Ida stond er eerst wat

verlegen naar te kijken. Ze wou wel meehelpen; maar ze wist niet

recht hoe. Het vrouwtje deed alles zoo handig en vlug, een lust om te

zien; zóó zou zij het toch nooit kunnen. Het vrouwtje begreep best,

wat Ida dacht, en daarom zei ze: "Toe maar, kindlief, ik zal het je

wel leeren. Je zult eens zien, hoe gauw je de kunst van mij afkijkt."

Toen begon Ida mee te helpen. Eerst ging het nog heel onhandig: ze

hing allerlei kleeren op elkaar, stootte een' stoelpoot haast door 't

behang, ze lei haar nachtzak in een' hoek op 't bed, en bij alles,

wat ze deed, liep ze in haar ijver het vrouwtje bijna onderste

boven. Maar dat was alles minder: het vrouwtje werd er heelemaal

niet boos of ongeduldig om. Heel bedaard en vriendelijk wees ze Ida

telkens, hoe ze dit zus en dat zóó moest doen, en waarom dat beter

was en netter leek. Zie, als je zooveel kleeren op elkaar hing,

dan kregen de onderste stukken het te benauwd: er kwamen kreukels en

leelijke plooien in.--En een' stoelpoot, daar moest een stoel toch

zeker op staan. "Kijk, zoo zetten we de stoelen: recht in de rij en

't behang mogen ze niet aanraken."

De mooie nachtzak wou zich maar niet zoo in een hoekje laten

stoppen. Ziezoo, daar lag hij al in 't midden op het bed te pronken,

dat paste beter voor hem.

Hè, wat ging dat gezellig, zoo samen werken. Ida kreeg er hoe

langer hoe meer plezier in. En wat leek de kamer heel anders, toen

eindelijk alles op orde was: zooveel vriendelijker en prettiger om

er in te wezen.

"Met het kastje wachten we liever tot morgen," vond het vrouwtje, "je

zult wel moe zijn van 't ongewone werk." Maar neen, daar had Ida geen

ooren naar: ze was in 't geheel niet moe, en morgen zou er misschien

weer wat anders te doen zijn.--Daar waren de kastdeuren al open, en

roef, roef, pakte Ida er armen vol goed uit op den grond. "Ho, ho,"

riep het vrouwtje, "dat gaat maar zóó niet, juffertje. Eén, twee,

drie, het kleed van de tafel--netjes opvouwen, hoor--en dan op de

leege tafel alles uitspreiden. Nu soort bij soort zoeken. Geef me eerst

het ondergoed eens aan: dan vlijen we daar weer stapeltjes van. Kijk,

zóó: plat en--geen enkel stuk mag er neuswijs buiten de andere komen

uitsteken.--Ziezoo, dat is voor de onderste plank. Leg het er maar

op--knap--je zult het wel leeren.--Dit voor de volgende plank.--Weer

een hooger. Komaan, we schieten al mooi op.--Nu de twee bovenste nog."

Ida keek met een' zucht naar den rommel, die nu op de tafel kwam. Ze

wist wezenlijk niet, waarmee te beginnen. Maar het vlugge vrouwtje

was al bezig uit te zoeken, bij elkaar te zetten, wat bij elkaar

paste.--"Pennenhouder--op zij, je behoort hier niet.--Kleerborstel:

pak maar eens aan--in de tafellâ.--Nagelschaar: op je plaats in

't laatje van de waschtafel.--Nu dit, en dat en dat nog weg. Hè,

dat ruimt op.--Geef jij nu maar aan, dan zal ik alles wel in de kast

schikken."--Wat leek dat aardig. Ida wist wezenlijk niet, dat ze

zooveel mooi goed had.

"Kant en klaar!" roept eindelijk het vrouwtje. "O, wat ben je toch

knap!" zei Ida, en ze gaf haar een' kus. "Niets knapper dan mijn

meisje over eene korte poos ook wezen zal."

's Avonds aan de thee haalde het vrouwtje een hagelwit breiwerk uit

den zak en begon vlijtig te breien. Of Ida geen handwerkje had? "Ja

wel, maar--maar...."--"O, 'k begrijp het al", lachte het vrouwtje,

"je durft er niet mee voor den dag te komen. Laat gerust eens zien,

hoor!"--Toen keek Ida even naar het keurige breiwerk en--dralende

haalde ze haar werkdoosje. Het vrouwtje was wel nooit boos en zei

nooit een verdrietig woord; maar Ida vond het toch niets prettig,

alweer met iets aan te komen, dat er zóó uitzag. En wezenlijk--waar

Ida vroeger nooit aan gedacht zou hebben, dat deed ze nu: ze begon

zonder een woord te zeggen den warboel van klosjes en lint en band en

wie weet, wat niet al, uit elkaar te halen. De lange draden, die bij

de klossen neerhingen, wond ze weer op, en het vrouwtje wees haar,

hoe ze de einden in het gleufje van den rand vast moest leggen. Van

het lint en het band maakte Ida weer nette rolletjes, en het vrouwtje

stak met eene speld de einden vast.--Alles kreeg eene beurt: alles

in de doos had nu weer als vroeger eene eigen plaats, en zoo kwam er

ook weer ruimte voor den ongelukkigen zakdoek, 't Was wezenlijk eene

aardigheid om te zien.

"En waar zal de doos nu staan?" vroeg het vrouwtje. "Och", zei Ida,

"dat komt er niet op aan: waar ik ze maar kwijt kan worden."--"Kom,

kom", lachte 't vrouwtje, "dat meen je niet. Alles zijne vaste plaats,

hoor! Dat spreken we nu maar voor goed af. Morgen zetten we de boeken

ook eens in 't gelid en de schriften en.... nu, niet zoo'n benauwd

gezichtje, hoor. Daar word ik bang van. We doen alles samen, en je

weet, hoe prettig dat gaat."

De avond was omgevlogen, en eer Ida er aan dacht, was het tijd voor

haar om naar bed te gaan. Het vrouwtje moest met haar mee naar boven,

dat vond ze gezellig.--Ida begon zich uit te kleeden, roef, roef,

als altijd. Hier kwam een stuk kleeren te liggen, en daar wat--'t

duurde niet lang, of de kamer lag vol. Maar het vrouwtje schudde

het hoofd. Bedaard zocht ze al de stukken weer bij elkaar, hing de

jurk aan den kapstok, vouwde het ondergoed op en maakte er een keurig

stapeltje van op den stoel vóór Ida's bed. Kam en borstel werden weer

in de kapdoos geborgen. Ida keek er naar, of ze vragen wou: "Waar

is dat nu voor noodig, morgen ochtend trek ik toch alles dadelijk

weer aan." Het vrouwtje had zeker die vraag uit Ida's oogen gelezen,

want toen ze haar een' nachtkus gaf, zei ze: "Waarvoor? Dat vertel

je me zelf morgen aan 't ontbijt wel eens."

"Nu?" vroeg het vrouwtje den volgenden morgen, en ze keek Ida

guitig aan. "O", zei Ida, "'t was heerlijk. Ik behoefde naar niets

te zoeken. Al mijn goed lag voor 't grijpen--ik was in een' wip

klaar."--"Ook wat _te_ gauw?" vroeg 't vrouwtje, en ze bekeek Ida van

boven naar beneden. "Misschien wel", zei Ida zacht, en ze kleurde. Een

poosje later hadden de vlugge vingers alles weer in orde. "Ziezoo",

riep 't vrouwtje, "nu is 't morgen gauw _en_ goed, is 't niet, kind?"

Het vrouwtje en Ida hadden weer een prettigen morgen. Veel moest er nog

opgeruimd worden; maar ze werkten vlijtig door, en tegen het middageten

was alles klaar. Ida klapte van blijdschap in de handen. Maar op eens

keek ze weer heel bedrukt, en met een' zucht kwam het er uit: "Ja,

't is nu alles wel heel mooi, maar...."--"Maar het blijft niet zoo,

wil je zeggen.--Wees gerust, kindlief, daar heb ik ook een middeltje

op, dat ik je leeren zal. Netjes _maken,_ daar begin je nu al eene

heele bolleboos in te worden, netjes _houden,_ daar zal ik je nu knap

in maken."

En Ida _werd_ knap. Maar o, wat was het eene groote, moeilijke kunst,

die ze nu moest aanleeren. Daar waren een paar dagen lang niet genoeg

voor: daar gingen weken en weken mee heen. Soms dacht Ida, dat ze 't

nooit zou leeren, dan verloor ze heelemaal den moed. Maar gelukkig:

het vrouwtje wist haar altijd weer met een grapje en een prijsje op

te vroolijken.

En wat was nu het middel, waarvan het vrouwtje gesproken had?--Luister

maar, daar zal ik je ook van vertellen. Als Ida naaide, en er viel eene

speld of naald of klosje op den grond, dan dacht ze gewoonlijk niet

aan oprapen. Wat lag, dat lag; wat wegrolde, dat liet ze rollen. "Ida,"

zei 't vrouwtje, "er is iets gevallen."--"'k Heb het toch dadelijk niet

noodig," had Ida dan dikwijls op de lippen, om te zeggen. Maar ze zei

het niet: ze bukte zich en nam op, wat gevallen was.--Was 't naaien

gedaan, dan werd werk en vingerhoed en alles wat er verder gebruikt

was, haastig bijeen gezocht en op en door elkaar in de doos gepakt. De

doos dicht--weg er mee. "Kom," zei 't vrouwtje den eersten keer, dat

Ida de naaidoos weer gebruikte, "nu zal 't me toch benieuwen, of je

er alles weer zoo netjes in krijgt, als het er straks in lag." Ida

had de hand al uitgestrekt, om op hare gewone manier "den boel,"

zooals ze het noemde, weg te stoppen. Nu trok ze met een verlegen

lachje de hand terug en begon stuk voor stuk zorgvuldig te bergen.

Als Ida haar schoolwerk afhad, dan bleef de inktkoker open staan,

en de pennenhouder werd op zij gegooid. Voor de verandering bleef

hij ook wel eens in een schrift liggen en werd daar later als eene

heele verrassing teruggevonden. Boeken, die Ida mee naar school

moest hebben, bleven thuis slingeren in een of anderen hoek. Boeken,

die ze op school niet noodig had, kwamen in de tasch terecht.--Met de

schriften ging 't al niet veel beter.--De eerste maal nu, dat Ida werk

maakte en lessen leerde, terwijl 't vrouwtje er bij zat, zou het al

weer denzelfden weg langs gaan. Maar 't vrouwtje deed den inktkoker

dicht, veegde de pen schoon en gaf Ida inktkoker, pen en inktlap in

de hand. "Daar," zei ze, "zorg jij nu, dat de drie trouwe kameraden

bij elkaar blijven, dan vind je ze morgen dadelijk weer klaar, om je

te helpen bij je werk.--En nu, waar behoort dit boek thuis? Moet je

dat schrift meehebben? Hier is de tasch--ziezoo, alles netjes er in

voor morgen. De gebruikte boeken weer op de boekenplank. Klaar is 't."

Als Ida vroeger iets in haar kastje bergen moest, dan lette ze er nooit

op, waar het te liggen of te staan kwam. Als ze 't maar uit de handen

kwijt was. Alles werd er maar ingeduwd, ergens tusschengeschoven. Ja,

't was er niet van zelf zoo'n rommel geworden. Maar nu kon dat zoo

gemakkelijk niet meer gebeuren. Want het vrouwtje met de heldere oogen

zag dadelijk alles. Was Ida weer zoo haastig bezig bij haar kastje,

zonder er naar te kijken, wat ze deed, dan stond, voordat ze 't wist,

het vrouwtje naast haar en vroeg, of ze helpen zou, of Ida de plaats

van dit of dat niet meer wist. 't Zou jammer zijn, als 't kastje niet

netjes bleef, dat vond Ida toch zeker zelf ook. En--al vond Ida het

nu ook zoo erg niet, ze durfde toch niet tegenspreken.

Je weet nog wel, hoe Ida het altijd te kwaad had met banden en haken

en knoopen? Dat het vrouwtje Ida's kleeren al lang allemaal keurig

in orde gemaakt had, dat begrijp je. Dat Ida's goed nu niet meer

scheef zat of half loshing, ook daar zorgde het vrouwtje voor. Maar

ze leerde Ida nog wat. Sprong ergens een knoop of haakje af, brak

er een band, kwam er een scheurtje of gaatje, dan zei 't vrouwtje:

"'t Is raar, maar de vingers kriebelen mij al weer: ze rusten niet,

eer ze naald en draad te pakken hebben. Dat gaat jou zeker ook zoo, is

't niet?"--Wat kon Ida anders doen dan gauw de naaidoos halen en--aan

't werk gaan!

Zoo kon ik nog wel doorgaan met vertellen; maar je begrijpt nu wel,

hoe Ida de kunst leerde, om alles netjes te _houden._

Vond Ida dat leeren nu altijd even prettig? O, neen! Je weet niet,

hoe dikwijls ze nog ongeduldig werd en een verdrietig gezicht zette,

als het vrouwtje haar wat zei. Ik durf ook niet te vertellen, hoe

vaak ze weer vergat, wat ze pas had geleerd en nog veel minder, hoe

menigmaal ze wel had willen roepen: "Neen, neen, ik wil niet, 't is

zoo vervelend, altijd dat bergen en opruimen!" Maar die verdrietige

buien dreven ook weer over, en dan werd het weer helder aan de lucht.

In 't begin deed Ida alles, wat het vrouwtje van haar wilde, omdat ze

heel veel van het vrouwtje hield en haar zoo graag een plezier wou

doen, en ook wel--omdat ze zich een beetje voor haar schaamde. Maar

langzamerhand werd dat anders. Toen begon Ida het _zelf_ prettig te

vinden, dat alles om haar heen zoo ordelijk en netjes was. Wat leek

het veel aardiger en vriendelijker. En dan: nooit behoefde ze nu

meer te zoeken. O, dat nare zoeken, wat ging daar vroeger een tijd

mee heen, en wat maakte het haar onrustig en verdrietig. Alles, wat

ze noodig had, lag nu voor de hand. "'t Is net," zei Ida soms, "of

ik wel tweemaal zooveel tijd heb als vroeger."--"De dagen zijn zeker

langer geworden," zei 't vrouwtje dan lachende. En dan--op school was

't ook veel prettiger geworden. De juffrouw behoefde nu niet meer

te zeggen: "O, dat vak van Ida," of "o, die tasch, o, die boeken en

schriften, o, dat werk!" Of: "Alweer te laat" en meer zulke leelijke

dingen.--Strafkrijgen, schoolblijven--dat was allemaal vroeger.

Nu schreide Ida niet meer, omdat ze zich zoo ongelukkig voelde. De

meisjes van de klasse keken niet meer schuin naar Ida's slordige

kleeren. Ze vertelden thuis, dat Ida er nu altijd heel netjes uitzag

en heel veel andere goede dingen meer. En toen kreeg Ida ook weer

vriendinnetjes, waar ze mee wandelen kon, die haar op visite vroegen

en--die ook bij haar mochten komen.

Ida schreide nu ook niet meer, omdat ze zulk eigenzinnig, onwillig

goed had, dat haar het leven lastig maakte.--"Wonderlijk", zei het

vrouwtje eens, "hoe zou het toch zoo komen, dat je vroeger zooveel

verdriet had van al je goed en nu niet meer. Nooit hoor ik je er

meer over klagen. Je kleeren, je boeken en schriften, je schrijf-,

je naaigereedschap, alles heeft zich, dunkt me, gebeterd, alles is

gedwee en gehoorzaam geworden."--"Neen, neen," riep Ida, en met eene

kleur als vuur viel ze het vrouwtje om den hals. "Neen, _ik_ heb me

gebeterd. O, voor nog en nog zooveel zou ik niet meer willen zijn

als vroeger. Ik weet het nu wel: ik was een onordelijk, slordig kind,

dat er nooit netjes uitzag, dat nooit opruimde, nooit iets op zijne

plaats bracht. En dan was ik dom, heel dom er bij. Ik gaf mijn goed

in plaats van mezelf de schuld. En die arme dingen konden het toch

niet helpen, dat ze overal omslingerden en altijd te zoek waren. 't

Was alles mijne schuld, mijne schuld!"--"O, kind, wat ben ik toch

blij, dat je 't eindelijk zelf begrepen hebt, zonder dat ik het zei,"

riep het vrouwtje, en ze kuste Ida hartelijk. "Maar ik wist het wel,

dat je nog eens zoo knap zou worden. Nu kan ik ook met een gerust

hart van je weggaan, ik weet...." Verder kon het vrouwtje niet komen,

want bij het woord "weggaan" was Ida zóó geschrikt, dat ze eerst heel

bleek werd en toen in schreien uitbarstte. "Niet weggaan," snikte ze,

"ik hou' zooveel van je. Je bent altijd lief voor me geweest, je

hebt me zooveel geleerd, ik ben nu zoo gelukkig! En als je weggaat,

zal alles weer anders worden."

Het vrouwtje liet Ida eerst wat tot bedaren komen. Toen trok ze haar

naast zich op een' stoel, sloeg den arm om haar heen en zei: "Kom,

lieve kind, niet al te bedroefd zijn. Je kunt toch altijd van me

blijven houden, al ben ik ook niet meer bij je--en ook aan me blijven

denken. Wat ik je geleerd heb, dat blijft ook, dat vergeet je nooit

weer. En gelukkig, tevreden, dat ben je nu ook wel zonder mij. Je

zegt immers zelf, dat je nooit weer wilt worden als vroeger, en dat

zul je ook niet weer, daar ben ik zeker van."--"Maar o," riep Ida,

"waarom laat je me alleen? Ik vind het zoo naar, weer altijd alleen te

zijn."--"Alleen zijn, ja, arm kind, dat is ook naar. Daarom heb ik al

met je besten vader gepraat en--is het niet heerlijk: je lieve tante,

die zoo ver weg woonde, komt gauw voor goed bij je!--En waarom _ik_

niet bij je blijf? Kijk, beste kind, ik zou het niet kunnen, al wou ik

nog zoo graag. Er zijn nog heel veel anderen, die mij noodig hebben,

nog heel veel, die ik even knap moet maken, als jij nu al bent.--Ik

heb je nog nooit verteld, wie ik eigenlijk wel ben. Een heel gewoon

oud vrouwtje, zul je zeggen. Ja, kijk me maar goed aan.--En nu--de

oogen even dicht... Open!..."

Vóór de verbaasde Ida stond--geen gewoon oud vrouwtje meer met

een mutsje op: het oude vrouwtje was omgetooverd in eene mooie,

lieve, jonge fee met goudblond haar, maar met dezelfde heldere,

verstandige oogen, die alles zagen en die Ida zoo goed kende. En

dezelfde vriendelijke, zachte stem, die Ida lief gekregen had, hoorde

ze zeggen: "Ik ben--de fee Netheid! En nu, lieve kind, de fee gaat

_weg_; maar wat ze je geleerd heeft: de netheid, de orde, die blijft,

dat weet ik." Nog een kus van de fee en--Ida was alleen.

En 't gebeurde alles, zooals de goede fee gezegd had. De Ida van

vroeger kwam nooit terug; de Ida van nu bleef, en dat was eene nette,

ordelijke, gelukkige, tevredene Ida.

Zonnestralen in School en Huis · 第 14 / 19 题