Heel ver hier vandaan, eerst ver naar 't zuiden en dan naar het oosten
ligt een land, en in dat land is eene stad, die Bagdad heet. In die
stad nu woonde lang geleden een man, die baas was over die stad en dat
land. De Koning dus? zul je vragen. Ja en neen. Hij had hetzelfde te
doen en te zeggen als een Koning, maar hij heette--Kalif. Dat is zoo
raar niet, want de menschen praatten daar in dat land heelemaal anders
dan bij ons, dus kunnen ze tegen Koning ook best iets anders zeggen.
Nu dan, de Kalif, die zooveel als de Koning was, zat eens op een
warmen middag op zijne canapé. Hij had net een lekker slaapje
gedaan en rookte nu heel genoeglijk uit eene lange pijp van geurig
rozenhout; want rozenhout was er veel in het land van den Kalif,
doordat er zooveel rozen groeiden. Een aardig zwart knechtje schonk
den Kalif een geurig kopje koffie, en dat smaakte zeker heerlijk,
want ieder keer als de Kalif een slokje gedronken had, streek hij zich
weltevreden met de hand langs den baard. 't Was duidelijk te zien,
dat de Kalif goed in zijn humeur was.
De Kalif had ook een grootvizier, dat was een heer, die hem helpen
moest het land te regeeren en die daarom den Kalif dikwijls spreken
moest.
De grootvizier wist ook wel, dat de Kalif het uurtje na zijn
middagslaapje best in zijn humeur was, en daarom ging hij dan juist
altijd naar het paleis om' met den Kalif te praten. Want--ik houd meer
van een goed, dan van een slecht humeur, dacht de grootvizier. Dezen
middag kwam de grootvizier ook bij den Kalif, maar zijn gezicht stond
anders dan anders. De Kalif nam dan ook zijne pijp uit den mond en zei:
"Wat nu, waarom zet je zoo'n betrokken gezicht?"
De grootvizier sloeg zijne armen kruiselings over de borst en maakte
eene diepe buiging voor zijn' heer, zooals daar in dat land de mode is
en antwoordde: "Edele heer, dat ik een betrokken gezicht zet, weet ik
niet, maar het kan wel zijn; want voor de deur staat een marskramer,
die allerlei mooie dingen te koop heeft. En nu ben ik verdrietig,
omdat ik geen geld over heb om iets van hem te koopen."
Nu, de Kalif had zijn' grootvizier al lang eens een pleziertje willen
doen, en nu hij zoo goed in zijn humeur was, had hij daar tenminste
wel zin in. Daarom stuurde hij zijn zwarte knechtje naar beneden
om den marskramer boven te roepen. Daar kwam die al binnen. 't Was
een klein, dik mannetje, zwart-bruin in 't gezicht en armoedig in
de kleeren. Onder zijne mars, dat was eene groote mand, die hij
op den rug droeg, was een klein kastje met verscheiden laatjes, en
in die laatjes lagen allerlei prachtige dingen. Daar had je gouden
vingerringen bij met zilver beslagen pistolen en gouden drinkbekers
bij sierlijke dameshaarkammen. De Kalif en zijn vizier bekeken alles
van a tot z, en eindelijk kocht de Kalif voor zich en Manzor, dat
was de eigen naam van den grootvizier, een prachtig pistool en voor
de vrouw van den grootvizier een mooien haarkam. Voor zijne eigen
vrouw behoefde de Kalif niets te koopen, want hij had geene vrouw.
Net wou nu de marskramer zijn kastje weer sluiten, toen de Kalif zei:
"O, kijk eens, daar is nog een klein laatje, daarin hebben we nog
niet gezien, is daar ook nog iets moois in?" De marskramer trok
het laatje open en zei: "Och, neen, daar is niets bijzonders in,
alleen eene doos met zwart poeder en een papier met vreemde letters,
die ik niet lezen kan." De Kalif vouwde het papier open en zei:
"Hé, wat wonderlijk schrift! Dat kan ik ook niet lezen. 'k Mocht
wel eens weten, wat die letters beduidden. Hoe kom je er aan?"--"O",
zei de marskramer, "ik heb doos en papier van een anderen marskramer
gekregen, en die had ze ergens op de straat gevonden. Als U er plezier
in hebt, geef ik U de beide dingen present."--"Graag", zei de Kalif,
"ik wil toch eens moeite doen om te weten te komen, wat er op dat
papier staat en wat men met dat poeder kan doen. Wie weet, of dat
niet ook op het papier te lezen is."
De marskramer ging heen, en de Kalif en de grootvizier bleven
alleen, met de hoofden bij elkaar over het papier, gebukt. Van pure
nieuwsgierigheid vergaten ze hunne prachtige pistolen. "Ik moet
weten, wat er op te lezen staat", zei de Kalif, "eerder heb ik geene
rust."--"Ik weet raad", zei de grootvizier, "naast de kerk woont een
man, dien de menschen Selim, den Geleerde noemen, omdat hij zooveel
geleerd heeft. Wie weet, of die het schrift niet lezen kan."--"Laat
hem dadelijk hier komen", riep de Kalif. De grootvizier vloog de deur
uit en kwam een oogenblik later met Selim, den Geleerde, terug.
"Selim", zei de Kalif, "als je dit papier kunt lezen, geef ik je
een mooi pak, maar kun je 't niet lezen, dan krijg je vijfentwintig
klappen om de ooren, omdat je je den Geleerde laat noemen en niet
geleerd bent."
Selim kruiste de armen over de borst en boog diep voor den Kalif. "Uw
wil is mij een wet, o heer," zei hij. Toen bekeek hij het papier
en zei: "Ik ben een boontje, heer, als dat geen Latijn is."--"Zeg,
wat er in staat," zei de Kalif.
En de geleerde Selim las, precies, of alles er in gewone taal stond:
Gij, die dit papier vindt, wees dankbaar voor uw geluk! Als ge van
het poeder in de doos iets opsnuift, en daarbij zegt: "Mutabor,"
verandert ge in welk dier ge maar wilt en kunt ge ook de taal van de
dieren verstaan. Zoodra ge weer mensch wilt worden, behoeft ge maar
driemaal naar het oosten te buigen en "Mutabor" te zeggen. Maar--pas
op en lach niet, terwijl ge dier zijt; want dan zult ge het tooverwoord
vergeten en moet ge dier blijven.
Toen Selim deze woorden gelezen had, klapte de Kalif van blijdschap
in de handen. "Ziezoo, Selim," zei hij, "dat was knap gedaan; nu
krijg je ook een prachtig nieuw pak. Maar één ding moet ik je nog
zeggen: dit papier moet een geheim blijven voor ieder ander. Beloof
dat." Selim beloofde het geheim te bewaren, de Kalif beloofde hem
denzelfden avond de mooie kleeren te zenden, en Selim ging heen.
"Nu, Manzortje," zei de Kalif, "dat noem ik eerst gelukkig wezen. Hoe
heerlijk toch, dat we dien marskramer boven hebben laten komen. Kom nu
morgenochtend bij mij, dan gaan we met elkaar naar een plekje buiten,
waar niemand ons kan zien, en snuiven van het poeder. Ik heb mijn heele
leven verlangd eens dier te kunnen zijn en te kunnen verstaan, wat
alle dieren op de aarde en in lucht en water met elkaar babbelen. Nu
zal dat dan eindelijk wezen, nu zal mijn wensch vervuld worden. Nog
nooit ben ik zoo in mijn' schik geweest, Manzortje. Tot morgen dus,
tot morgen!"
Pas had de Kalif den volgenden morgen de boterham opgegeten, of
de grootvizier was er al, om hem voor de afgesproken wandeling af
te halen. De Kalif stak de doos met het tooverpoeder in den ruim
geplooiden gordel, dien hij altijd om het middel droeg, en toen de
deur uit. Al de voorname heeren, die anders altijd den Kalif moeten
volgen, net als dat bij onze Koningin ook gebeurt, omdat ze dan altijd
menschen bij zich heeft, die haar met een of ander dienen kunnen,
kregen een' wenk om achter te blijven. De Kalif wou nu eens alleen
met zijn' grootvizier wandelen. Eerst gingen ze door den grooten
tuin van den Kalif en zochten met de oogen overal, of ze ook een of
ander dier zagen. Ze konden dan immers dadelijk hun kunststukje eens
probeeren. Wel kroop er in den vroegen morgen eene slak voor hunne
voeten, maar--eene slak te worden leek hun niets, en om de praatjes
van eene slak gaven ze ook niet veel.
"Een heel eind verder weet ik een grooten waterplas," zei de
grootvizier. "Daar heb ik dikwijls allerlei dieren en ook ooievaars
gezien. Die klepperden dan zoo druk en stapten zoo koddig over de
weide; laat ons daar eens gaan kijken."--"Mij best," zei de Kalif en
ze stapten verder.
Toen ze bij de waterplassen gekomen waren, zagen ze wezenlijk een'
ooievaar deftig op en neer stappen. Zijne hoogheid hield al klepperend
een praatje in zich zelf. Op 't zelfde oogenblik kwam er nog een
ooievaar aanvliegen, ook recht op het weiland af, waar de andere
ooievaar stond.
"Ik wed om mijn' baard, edele heer," zei de grootvizier, "dat die twee
daar straks een mooi gesprek met elkaar houden. Wat dunkt U er van,
als we eens ooievaars werden?"
"Uitstekend!" zei de Kalif. "Maar laat ons nu eerst nog eens
goed nazien, hoe we weer mensch kunnen worden. Wacht eens... ja
juist. Driemaal naar het oosten gebogen en Mutabor gezegd, dan ben ik
weer Kalif en jij grootvizier. Maar laat ons in vredesnaam oppassen,
dat we niet lachen, dan zou de grap ons leelijk bekomen."
Terwijl de Kalif sprak, zweefde de andere ooievaar boven hunne
hoofden en liet zich al langzaam op de aarde neerdalen. De Kalif
greep een, twee, drie, de doos uit zijn' gordel, presenteerde haar
ook den grootvizier, samen gingen ze met duim en voorvinger in de
doos en snoven het poeder op, of ze hun leven lang snuifjes genomen
hadden. "Mutabor!" riep de Kalif en "Mutabor!" riep de grootvizier ook.
Toen--toen krompen hunne beenen in, al dunner en dunner werden ze,
al rooder en rooder ook; de nette, gele pantoffels van den Kalif en
zijn' grootvizier werden ooievaarspooten, de armen werden vleugels,
de hals schoot uit de schouders en werd eene el lang, de baard was
weg en in plaats van kleeren hadden ze zachte veeren gekregen.
De Kalif en de grootvizier stonden eerst stom van verbazing. Eindelijk
riep de Kalif: "Neen, maar zoo iets heb ik van mijn leven nog niet
gezien. Wat een snoeperigen snavel heb je, grootviziertje!"
"Als ik het zeggen mag," riep de grootvizier, "ziet Uwe Hoogheid
er als ooievaar bijna nog knapper uit dan als Kalif. Maar kom, als
't Uwe Hoogheid goed is, laat ons eens naar onze kameraden ginds
gaan. Ik brand van verlangen om te weten, of we nu de ooievaarstaal
verstaan kunnen."
Intusschen was de andere ooievaar op de weide aangekomen. Met zijn'
snavel streek hij de veeren glad, die door het vliegen wat wild waren
gaan zitten en, stapte toen op den anderen ooievaar toe. De beide
nieuwe ooievaars maakten, dat ze er bijkwamen, en tot hunne groote
verbazing hoorden ze toen het volgende gesprek:
"Goeienmorgen, juffrouw Langbeen, zoo vroeg al op de weide? Hoe
gaat het?"
"Dank je wel, lieve Kleppersnavel, heel wel. Ik moest even mijn
ontbijt halen. Kan ik je misschien dienen met een viereltje pad,
of een kikkerhammetje?"
"Dank je zeer, 'k heb van morgen weinig trek. Ik kom om eene andere
reden op de weide. Van avond krijgt mijn vader visite, en dan zal ik
voor de gasten een dansje doen. Ik ben nu hier, om me nog een beetje
te oefenen."
Pas had juffrouw Ooievaar die woorden gezegd, of ze stapte met
allerlei potsierlijke bewegingen over de weide. Toen ging ze op één
been staan en gebruikte den rechtervleugel als waaier, precies als
eene jonge dame.
De Kalif en de grootvizier proestten het uit. Ze konden niet tot
bedaren komen van lachen. Eindelijk zei de Kalif: "Eene kostelijke
grap, dat moet ik zeggen. Die waaier was goed. Jammer, dat wij de
dieren met ons gelach op de vlucht gejaagd hebben. Wie weet, of we
anders ook nog geen liedje gehoord hadden!"
Maar doodelijk verschrikt riep de grootvizier: "O, Vorst, wat hebben
we gedaan! We mochten niet lachen! Nu moeten we noodig het woord
niet meer weten. Stel je voor, zijn leven lang zoo'n dwaze langpoot
te moeten blijven. Wacht eens, daar heb je 't al! Ik weet het woord
niet meer, Uwe Hoogheid!"
"Driemaal naar het oosten moesten we ons buigen en dan roepen:
Mu--Mu--Mu."--De Kalif en de grootvizier richtten zich naar het
oosten en bogen en bogen, tot de lange snavels de aarde raakten,
maar met den mond brachten ze het niet verder dan tot: Mu--Mu--Mu!
Geen van beiden kon zich het woord herinneren en--de Kalif en de
grootvizier waren en bleven--ooievaars.
Treurig wandelden de twee betooverden nu door de weide: ze wisten
niet, wat in hunne ellende te beginnen. Ze zaten nu eenmaal in eene
ooievaarshuid en konden er niet weer uitkomen ook. Als ooievaars weer
naar de stad terugkeeren en vertellen, wat hun overkomen was? Wie zou
hen verstaan, en wie zou willen gelooven, dat een ooievaar de Kalif
was! En--ook als de menschen hun praten verstaan konden en gelooven
wilden, wie zou dan nog een' Kalif willen hebben, die ooievaar was?
Zoo zwierven ze dag aan dag van het eene veld naar het andere en aten
half hun genoegen aan veldvruchten, die ze met hunne lange snavels
zoo moeilijk konden eten. Ze konden er niet toe komen, als andere
ooievaars kikkers en padden te nemen. Hun eenig plezier was, dat ze
vliegen konden. Heel dikwijls maakten ze dan ook een reisje door de
lucht, en 't allerliefst vlogen ze naar Bagdad en zett'en ze zich op
een dak neer, om te kijken, hoe het daar toeging.
In de eerste dagen na hun vertrek was er eene groote onrust en
treurigheid in de straten. Het volk kon zich maar niet begrijpen,
waar hun Kalif met zijn' grootvizier gebleven waren. Maar toen ze
zoo wat den vierden dag na hunne betoovering eens weer op het dak
van het paleis van den Kalif zaten, kregen ze wat anders te zien:
een grooten optocht, die door de straten trok. Voorop trommels en
fluiten, en daarachter een prachtig opgetuigd paard, en op dat paard
een man in een purperen mantel! Rondom het paard schitterend gekleede
heeren en daarachter al het volk uit Bagdad, schreeuwende en jubelende:
"Leve onze nieuwe Kalif! leve Mizra, de heerscher van Bagdad!"
Toen de beide ooievaars dat hoorden, keken ze elkaar aan, en de
Kalif-ooievaar zei: "Begrijp je nu, grootvizier, waarom ik betooverd
ben! Neen? Dan zal ik het je zeggen. Die Mizra is de zoon van mijn'
vijand, en die vijand is de toovenaar Kaschnur, en Kaschnur heeft
mij eens gezegd: 'Kalif, denk er om, ik zal je nog ongelukkig
maken!' Natuurlijk heeft hij met opzet dien marskramer naar mij
toegezonden, om te maken, dat ik dat doosje met snuif kreeg. O,
't is verschrikkelijk! Laat ons gauw wegvliegen: ik kan niet zien,
dat die Mizra nu Kalif is in mijne plaats."
Triest en treurig vlogen de Kalif en zijn grootvizier de stad weer
uit. "Laat ons ver, ver weg gaan van de stad, waar ik vroeger zoo
rijk en zoo gelukkig was," zei de Kalif.
Maar ver, ver weg! dat was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Het
vliegen was nog zoo'n ongewoon werkje. "O wee, o wee," zuchtte de
grootvizier, na een uur vliegen, "ik kan niet meer. Neem me niet
kwalijk, edele heer; zouden we niet eens probeeren, of we ergens
een plekje kunnen vinden, waar we vannacht kunnen logeeren. Het
begint al mooi donker te worden." Ja, dat vond de Kalif toch ook
wel zoo verstandig. "Kijk eens, daar beneden zie ik, dunkt mij,
de overblijfselen van een oud kasteel," zei de Kalif. "Laten we eens
zien, of we daar niet in kunnen komen."
Nu daalden de beide ongelukkige ooievaars weer neer in de buurt
van het oude kasteel, dat bijna heelemaal omgevallen was en dus
niet weer bewoond werd. Tusschen hooge zuilen, die van lange gangen
overgebleven waren, stapten ze nu op en neer en heen en weer om een
geschikt plaatsje te zoeken. Eindelijk vonden ze een gedeelte, dat
nog op eene kamer leek. Daar leek het hun tenminste nog een beetje
gezellig, en ze besloten daarom er te blijven. Maar pas hadden ze een
oogenblik rustig op één poot gestaan, toen de grootvizier fluisterde:
"Edele heer en gebieder, als het niet te kinderachtig was voor een'
grootvizier en nog meer voor een' ooievaar zou ik zeggen: ik ben wel
een beetje bang hier. Ik hoorde daar een geluid, net of er iemand
diep zuchtte."
De Kalif luisterde nu ook en ja: heel duidelijk hoorde hij zuchten
en snikken, net of er iemand schrikkelijk treurig was. Een
dier kon het niet zijn: 't was sprekend het geluid van eene
menschenstem. Nieuwsgierig en dapper stapte Kalif-ooievaar den
kant uit, waar het geluid vandaan kwam, maar doodsangstig greep de
grootvizier hem met den snavel bij den vleugel en bad en smeekte:
"Och, heer, blijf toch hier, wie weet welke gevaren U daar weer
wachten. Ik bid U, blijf toch hier!" Maar bidden en smeeken hielp
niet! De Kalif had, een dapper hart onder zijn' ooievaarsvleugel;
hij rukte zich met verlies van eenige veeren los en stapte op hooge
beenen eene duistere gang in.
Het duurde niet lang, of hij vond eene deur, die op een kier stond,
en door de opening van die deur klonk nu heel duidelijk een gezucht en
gehuil, om er naar van te worden. Met den snavel stiet Kalif-ooievaar
de deur open, en wat zag hij? Eene allerakeligste oude kamer, die door
een getralied venster maar och zoo weinig licht kreeg, en midden op
den vloer van die half verlichte kamer--een grooten nachtuil. Nu was
het niet meer noodig te vragen, waar het zuchten en schreien vandaan
kwam: dikke tranen rolden den armen nachtuil uit de groote ronde oogen,
en uit zijn krommen bek kwamen schorre, klagende geluiden. Maar pas
had de nachtuil den Kalif met zijn' grootvizier, die toch stilletjes
zijn' meester nageloopen was, gezien, of het snikken en klagen hield
op. Bevallig droogde hij met zijn bruin gevlekten vleugel de tranen,
en tot verwondering van de beide ooievaars riep hij met eene vroolijke
stem en met eene echte menschenstem in duidelijk verstaanbare woorden:
"Welkom, weest welkom, o, ooievaars. Nu is gelukkig mijne redding
nabij; want eene wijze vrouw heeft mij vroeger eens gezegd, dat ik
door een' ooievaar gelukkig zou worden!"
Toen de Kalif een beetje van den schrik bekomen was en niet minder
van zijne verwondering, boog hij den langen hals, maakte met zijne
lange beenen eene sierlijke buiging en zei: "Lieve nachtuil, het
komt mij voor, naar de woorden, die 'k van u gehoord heb, dat gij,
evenals wij, een ongelukkig lot hebt. Maar ach, denk niet, dat wij
ooievaars iets voor u kunnen doen. Als ge hoort, wat ons overkomen is,
zult ge gauw begrijpen, hoe weinig we kunnen."
"O, vertel mij, bid ik u, wat er met u gebeurd is. Ik stel er zooveel
belang in."
En de Kalif vertelde de heele geschiedenis van de betoovering.
Toen de Kalif alles verteld had, zuchtte de uil diep en zei: "Ik dank
u. Nu vertel ik u ook mijn lot, en ge zult zien, dat het niet minder
ongelukkig is, dan het uwe.
"Mijn vader is een Indisch Koning er ik ben zijne eenige ongelukkige
dochter, Selma. Dezelfde toovenaar, die u ongelukkig maakte,
betooverde ook mij. Eens op een' dag kwam hij bij mijn' vader, om
te vragen, of ik de vrouw van zijn' zoon Mizra mocht worden. Mijn
vader, die nog al trotsch op mij was, werd boos, dat de zoon van een'
toovenaar mij tot vrouw dorst vragen, en driftig als hij was, liet
hij den ouden toovenaar de deur uit zetten. Mizra, niet minder boos,
trok een paar dagen later de kleeren van zijn' bediende aan en wist
zoo in dienst van mijn' vader te komen. Eens op een warmen dag vroeg
ik om een verfrisschend glas limonade. De nieuwe bediende bracht
het mij. Dat was het begin van mijn ongeluk, want, verbeeldt je,
hij had er stilletjes een tooverpoeder in gedaan, dat mij in een' uil
veranderde. Toen ik omgetooverd was, bracht hij mij hier, en met eene
harde, booze stem riep hij: 'Ziezoo, daar zul je blijven, zoo leelijk,
als de nacht en veracht door alle andere dieren. Wacht nu maar, tot
iemand je, zoo leelijk als je bent, tot vrouw vraagt. Alleen als dat
gebeurt, kun je weer mensch worden. Zoo straf ik je trotschen vader,
die mij niet goed genoeg voor je vond.
"Van dat oogenblik af zijn er vele maanden voorbijgegaan. Eenzaam
en treurig leef ik hier tusschen deze oude muren, afgezonderd van de
wereld. Ik word geschuwd door de menschen, ja zelfs door de dieren. Met
niemand kan ik meer omgaan, aan de lieve zon en de boomen en bloemen
heb ik niets meer; want bij dag ben ik bijna blind. Alleen 's avonds en
's nachts kan ik goed zien."
Hier hield prinses-uil op te vertellen. De ongelukkige veegde met de
vleugels de tranen uit hare ronde oogen.
Kalif-ooievaar zat eerst eene poos in gedachten. Eindelijk schudde hij
zijn hoofd en zei: "Wonderlijk, wonderlijk; 't is ons haast net gegaan,
als u. En hoe vreemd, dat _wij_ u nu juist hier moesten vinden."
"Ja," zei de uil, "maar nog vreemder, omdat mij, toen ik nog een kind
was, al voorspeld is, dat een ooievaar mij nog eens gelukkig zou maken.
"Maar ik geloof zeker, dat ik wel wat voor u doen kan. Luister: de
booze toovenaar, die ons beiden ongelukkig gemaakt heeft, komt elke
maand eenmaal in dit oude gebouw. Hier dichtbij is eene zaal. Daar
komt hij dan samen met al zijne vrienden. Heel dikwijls heb ik in een
verborgen hoekje zitten luisteren en stilletjes gekeken, wat ze daar
deden. Ze vertellen elkaar dan van de booze dingen, die ze met hunne
toovermiddelen uitgevoerd hebben. Als ze nu weer vergaderen, moeten
we gaan luisteren, wie weet, of uwe geschiedenis niet ook verteld
wordt en of we dan het woord niet kunnen hooren, dat u vergeten bent."
"O, beste prinses!" riep de Kalif, "zeg me, wanneer komt hij en waar
is die zaal?"
Een oogenblik bedacht prinses-uil zich. Toen zei ze met eene zachte,
dralende stem: "Ja, neem mij niet kwalijk, groote Kalif, ik zou het
graag zeggen; maar ik wil ook zoo graag gered worden en gij--gij kunt
mij redden. Alleen als ge mij beloven wilt, dat te doen...."--"Ja, ja,"
riep de Kalif ongeduldig, "dan alleen wilt ge mij alles zeggen. Kom,
vertel dan maar, wat ik voor u doen kan. Natuurlijk doe ik het
graag."--"Beste Kalif," zei de uil, "ik hoop het; maar ik ben er nog
niet zoo zeker van. Ik--ja, ik durf het u haast niet te zeggen--ik
kan alleen weer mensch worden, als--als gij, of de groot-vizier
mij--wilt trouwen."
Daar was het er uit! Arme prinses-uil. 't Had haar zooveel moeite
gekost en nu? Zei de Kalif dadelijk: dat is goed! Neen, de Kalif
liep verschrikt achteruit en trok zijn' grootvizier stilletjes aan
den vleugel om ook mee te gaan.
Toen ze buiten de deur gekomen waren, zei de Kalif: "Dat is een leelijk
ding. Maar we moeten toch iets wagen, en daarom moet jij haar maar
tot vrouw nemen, Manzor!"
"Ik!" riep de grootvizier, "maar dat kunt gij niet meenen, edele
heer! Ik heb immers eene vrouw en wat zou die zeggen, als ik met nog
eene tweede vrouw thuis kwam! En dan--ik ben een oud man en gij,
edele heer, zijt jong en ongetrouwd en kunt immers opperbest eene
mooie jonge prinses tot vrouw nemen!"
"Ho, ho! dat is het juist," zuchtte de Kalif, en hij liet treurig de
vleugels hangen. "'Jong en mooi!' wie zegt je, dat ze jong en mooi
is? Ik kan er immers niets van zien. Alles wat ik zie, is een uil,
die er als uil nog al aardig uitziet; maar een uil is een uil!"
Zoo redeneerden de beiden nog wel een uur lang. De een wou hierom,
de ander daarom niet met prinses-uil trouwen. Toen nu eindelijk de
grootvizier zei, dat hij liever zijn leven lang ooievaar wou blijven
dan zijne vrouw het verdriet te doen, met nog eene vrouw thuis te
komen, zei de Kalif: "Nu, in vredesnaam, laat ik haar dan maar nemen."
De arme prinses-uil had al dien tijd in angst gezeten, hoe het gesprek
af zou loopen. Nu was ze recht blij met het besluit van den Kalif. "En
weet je wat," zei ze, "jullie bent op een gelukkig oogenblik hier
gekomen; want ik geloof zeker te weten, dat de toovenaars van nacht
vergadering houden zullen."
's Avonds laat ging prinses-uil met de beide ooievaars de zaal zoeken,
waar de toovenaars altijd bij elkaar kwamen. Eerst gingen ze door eene
lange duistere gang, en ja wel, daar schemerde aan 't eind van de gang
door de reten van een ouden muur licht. "Nu doodstil," fluisterde
de uil. "Hier is eene groote opening. St! St! ik zie ze, ja, er is
vergadering!"--Met hun drieën zagen ze nu door de opening en keken ze
in eene prachtige oude zaal. Rondom in die zaal waren hooge zuilen of
pilaren, die prachtig versierd waren. Ook schitterde de zaal van wel
honderd gekleurde lichten. In 't midden stond eene gedekte tafel, met
kostelijke gerechten bezet. De tafel was rond, en om die ronde tafel
stond eene canapé, waarop acht mannen zaten. Bijna had de Kalif een'
gil gegeven; want in één van die mannen herkende hij den marskramer,
die hem de snuif gegeven had.
En nu aan 't luisteren. De eene toovenaar vóór, de ander na,
vertelde, wat hij uitgevoerd had in den tijd, dat ze niet samen
geweest waren. Eindelijk riep er een: "En nu ik! ik heb zoo'n prachtige
geschiedenis te vertellen. Verbeeldt je, ik heb maar even den Kalif van
Bagdad en zijn' grootvizier in een paar ooievaars omgetooverd. Eerst
werd ik zelf marskramer en toen--neen, maar ik weet mij niet te houden
van het lachen, als ik bedenk, dat die voorname heeren nog altijd op
hunne lange ooievaars-beenen rondloopen en het woord vergeten zijn,
waardoor ze zich zelf weer tot mensch kunnen maken!"--"Wat was het
voor een woord?" vroeg zijn buurman. "O, een moeilijk Latijnsch woord,
dat ze niet best onthouden kunnen: Mutabor!"
Toen de beide ooievaars dat woord hoorden, waren ze buiten zich
zelf van blijdschap. Op hunne hooge pooten liepen ze zoo vlug de
duistere gang uit, dat prinses-uil op hare korte pootjes hun haast niet
bijhouden kon. Maar Kalif-ooievaar was niet ondankbaar. Toen hij buiten
gekomen was, keek hij dadelijk naar prinses-uil om. "Lieve redster van
mijn leven en dat van mijn' vriend," zei hij "ik geef u de verzekering,
dat ik u tot vrouw zal nemen en u zoo gelukkig zal maken, als ik kan!"
Vol ongeduld wachtten nu de drie dieren het opkomen van de zon
af--eerder konden ze immers niet weten, waar het oosten was. Eindelijk
ja, daar kwam de zon boven den horizon. "Daar is de zon, daar is het
oosten!" riepen ze allen tegelijk. Nu bogen de ooievaars de lange
halzen driemaal naar het oosten, en telkens riepen ze: "_Mutabor!_"
O, heerlijkheid! pas was het woord voor den derden keer uitgesproken,
of de Kalif, die nu geen Kalif-ooievaar meer was en de grootvizier,
die nu geen grootvizier-ooievaar meer was, vielen elkaar om den
hals. Lachend en schreiend bekeken ze elkaar, alsof ze elkaar nog
nooit eerder gezien hadden. En er was er nog eene derde, die hen
allebei lachend en schreiend bekeek. Eene mooie jonge dame stond
achter hen. Waar kwam die op eens vandaan? "Hoe is het nu, kent ge
mij niet meer, prinses-nachtuil?" vroeg ze met eene lieve stem. Toen
was de Kalif zóó gelukkig! Wie zou ook gedacht hebben, dat er van een'
uil zoo'n snoezige prinses kon worden! Hoe heerlijk toch, dat de Kalif
de trouwbelofte gedaan had! "O!" riep hij, "nu zou ik voor geen geld
van de wereld willen, dat ik _geen_ ooievaar geweest was!"
Nu stapten de drie vroolijk den weg naar Bagdad op. Gelukkig vond de
Kalif in zijn' broekzak niet alleen nog de doos met de tooversnuif,
maar wat beter was--zijne geldbeurs. In het eerste dorpje, waar de
wandelaars kwamen, werd er nu een rijtuig genomen, en toen ging het
in vliegende vaart naar Bagdad.
Neen maar, wat de menschen daar oogen opzett'en, toen hun lieve Kalif
daar aan kwam rijden. Iedereen had gemeend, dat hij dood was. En boos,
dat ze waren op dien valschen Kalif--dien Mizra! Ze joegen hem en
zijn' vader, den ouden bedrieger, het paleis uit. Toen zei de Kalif:
"Ziezoo, nu zul jullie tot straf ook in dieren veranderen. En niet
in ooievaars, neen, als blinde mollen zul je in den grond leven,
dan kun je de zon nooit weer zien en het oosten nooit weer vinden
en moet dus altijd mollen blijven. Snuiven en zeggen: 'ik wil mol
worden!'--"Snuiven en zeggen: 'ik wil mol worden!'" riepen alle
menschen, en ze duwden de snuif beiden bedriegers onder den neus. "Nu
naar het oosten buigen en zeggen: 'Mutabor,'" klonk het van alle
kanten.--En Mizra en zijn zoon gehoorzaamden. Wat zouden ze ook tegen
zooveel menschen beginnen! "Ziezoo," zei de Kalif, "nu zijn jullie
een levend voorbeeld van het spreekwoord: 'Die voor een ander een'
kuil graaft, valt er zelf in!'
De echte Kalif leefde lang en gelukkig met zijne lieve vrouw,
de mooie prinses. De gezelligste uurtjes hadden ze altijd, als
de grootvizier hun 's middags aan de thee een bezoek bracht. Dan
babbelden ze over den ouden tijd, toen ze nog ooievaars waren, de
beide vrienden. Als de Kalif recht in zijne nopjes was, vertoonde hij
grootvizier-ooievaar. Schrikkelijk deftig liep hij dan met stijve
beenen de kamer op en neer, maakte met zijn' mond een klepperend
geluid, zwaaide met de armen, of het vleugels waren, en deed
den grootvizier na, zooals hij naar 't oosten boog en vergeefs:
Mu--Mu--Mu! riep. Voor vrouw Kalif en de Kalif-kindertjes was
die vertooning altijd eenegroote pret. Soms plaagde de Kalif zijn'
grootvizier zóó erg met zijn klepperen en zijn Mu--Mu-geroep, dat de
grootvizier waarschuwend den vinger opstak en riep: "Pas op maar, pas
op! of ik vertel aan Mevrouw Kalif, wat we met elkaar besproken hebben
voor de deur van het oude gebouw. U weet wel, waar prinses-nachtuil
woonde." Dan kleurde Kalif, en dan was hij zoo stil als een muisje,
want hij zou voor niet nog zooveel voor zijn lief vrouwtje woord
willen hebben, wat hij daar van prinses-uil gezegd had.