Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was
heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als
de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren
vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met
hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig
geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en
stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was
de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot
den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een' stal er bij. Het
had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee
had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke
was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk,
de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij
den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste
paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme
had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen
werden leeger en leeger.
Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte,
dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten
kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens
thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of
zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En
de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer
minder te bergen hadden.
Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde
er van.--Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te
voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen,
het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet,
het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.
Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker:
alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer:
alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier,
hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden
en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn'
dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren
en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk
voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij
moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij
ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den
morgen tot den avond--het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit
en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had,
verkoopen. 't Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg
voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht
hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne
koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen
leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme
zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en--ze
stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond,
waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen
moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was,
uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.
De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken,
om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed;
maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe
ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne
klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even
ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist
vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de
arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan
anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld
en goed; maar rijk aan liefde en medelijden.
Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn' rijkdom niet. De
rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat
het zijn' broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte
de rijke.--Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit
afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd,
verheugde de arme zich in 't geluk van den rijke.
Nu hoor, wat er gebeurde.--Het stukje grond, dat de arme bij zijn
huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of
heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide
altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte,
om den grond los te maken; maar 't hielp alles niets. 't Was, om er
heelemaal den moed bij te verliezen.
"Eéns wil ik het nog probeeren," zuchtte de arme, "en als het nu niet
lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen." Wat
zou het zijn voor 't laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij,
't moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog
eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging,
of hij er ook nog niet van verkoopen kon!
Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen,
of het opkomen zou.
En het _kwam_ op. Maar hoe! Och, 't was dezelfde treurige geschiedenis
van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes
uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: "kon je ons in geen
beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?" Treurig
schudde de arme het hoofd. "Er komt niets van terecht," zuchtte hij.
Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker
gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was,
dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er
niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag,
werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder,
dat er gebeurde op zijn' akker.
Eens op een' morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had
behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De
spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet
moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen
midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig
spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme
stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets
kon groeien op _zijn'_ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar
van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de
bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het
wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, 't moest toch zoo
zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen
groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. "En," dacht
de arme met vreugde, "als de bladeren en stengels zoo forsch zijn,
wat zal er dan eerst voor een' wortel aan zitten!" Ja, hoe groot zou
toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? 't
Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben,
uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet:
de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel
moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze
niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde
te nemen. Maar kijken naar zijn' schat, dat mocht, en dat deed de
arme dan ook trouw, 's Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog
op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag
er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de
zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw,
onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot
de oogen hem dichtvielen. 's Avonds, als hij moe van 't werk kwam,
zette hij een' stoel op den akker en rookte er zijn pijpje.
En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag _zag_
groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze
op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De
plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte,
hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht
van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den
grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart
van hoop en verlangen.
Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch
wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag
hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep
hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige
alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar
dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd,
hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze _moest_ hem
geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het:
het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als
hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu
omhoog. "Wat zou er toch gebeurd zijn?" dachten de menschen. Niemand
wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge
struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij
er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem
worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en
dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.
Eindelijk kwam de dag, de groote dag, dat de koolraap uitgegraven zou
worden. Den vorigen avond al had de arme zijne spade bekeken. En hij
had het blad met zorg geschuurd, tot het glom, en den steel er vast
aangedraaid. Toen was hij gaan slapen en had gedroomd, dat er maar
een heel onnoozel knolletje aan de plant zat, niet grooter dan eene
vuist. Verschrikt was hij wakker geworden. Gelukkig--'t was maar
een nare droom geweest. En nu stond hij op den akker, en hij groef
en groef, tot hem het zweet van 't gezicht druppelde. Niet dat het
werk hem zoo zwaar viel; maar omdat zijn hart van verlangen sneller
en sneller ging kloppen. Soms begonnen de handen hem zoo te beven,
dat hij rusten moest. Dan groef hij weer voorzichtig verder, bang,
dat hij de raap beschadigen zou. Hij groef en groef en kwam nog maar
altijd niet aan 't einde. Op 't laatst was de kuil zoo wijd, dat hij
er niet meer overeen kon springen en zoo diep, dat een man, die er
rechtop in stond, nog maar even met zijne handen den rand raken kon.
Eindelijk, daar lag de heele knol bloot. Eene pracht om te zien: mooi
langwerpig rond en heelemaal gaaf. De oogen van den arme glinsterden
van blijdschap, en wie weet hoe lang leunde hij op zijn spade en,
keek naar de raap, alsof hij nog nooit in zijn leven zoo iets moois
gezien had of zien zou.
Maar toen hij de raap lang genoeg bekeken en bewonderd had, begon
hij er aan te denken, wat hij nu toch wel met den reuzenknol doen
zou. Voordat hij hem uitgegraven had, dacht hij daar niet over: toen
was het hem genoeg, dat de plant zijne plant was en dat ze groeide,
zooals geene ooit deed. Maar nu was het anders: plezier aan het
groeien kon hij nu niet meer hebben. De aarde was eenmaal losgewoeld,
daar lag de koolraap. Hij haalde een touw en mat er de dikte en de
hoogte van den knol mee. Nu wist hij alles, wat hij verlangd had te
weten. Maar wat te doen met zijn' schat!
Zou hij de raap opeten? Zeker zou hij er heel lang genoeg aan hebben:
hij was maar alleen, 't zou een heele voorraad voor hem zijn. Maar
neen, daar kon hij niet toe komen. Daartoe was zijne koolraap hem
te lief.
Zou hij haar verkoopen, verkoopen voor een beetje geld, alsof het
iets heel gewoons was? Misschien ook zouden de menschen zeggen:
"Koolrapen, die kunnen we zelf ook zaaien. Wat zullen we doen met
zoo'n heele groote, waar we haast geen' weg mee weten!" Neen, zóó
zou hij over zijne lieve koolraap niet kunnen hooren spreken.
Zou hij den reuzenknol voor geld laten zien? Maar wie zou dat
willen? Als de menschen op' het dorp hoorden, wat er te doen was, wel,
dan liepen ze vanzelf naar zijn' akker, om ongevraagd te kijken, en hij
kon ze toch niet wegjagen.--Neen, neen, dat was alles het geluk niet.
De arme zuchtte in zijne verlegenheid weer als vroeger. Treurig ging
hij op den rand van den kuil zitten, en daar viel hij van moeheid na de
groote inspanning in slaap. En weer had hij een' droom. Hij droomde,
dat zijne raap een gezicht en armen en beenen gekregen had en, dat ze
nu zat op een' troon met eene gouden kroon op het hoofd en een gouden
staf in de hand. Om den troon stonden in een grooten kring eene heele
menigte gewone koolrapen, en die bogen als knipmessen voor de dikke
raap. De dikke koolraap op den troon zwaaide met haar gouden staf,
en de kleine koolrapen riepen alle tegelijk: "Leve onze koningin,
hoera voor de koningin van de koolrapen!"
Toen werd de arme wakker, en hij sprong vroolijk op. "Ik weet het,
ik ik weet het," riep hij, "eene koningin past bij een' koning. Ik
breng de koolraap naar den koning!" Dat was nu heel mooi bedacht;
maar hoe zou de arme dat aanleggen! In eene mand pakken en dragen,
daar was geen denken aan. Hij kon den knol niet eens alleen optillen,
daar zouden wel twee, drie, mannen voor noodig zijn. En met optillen
was het ook niet alleen te doen. De koning woonde ver weg--hoe zou
de koolraap daar komen! .... Hulp vragen, dat was het eenige. 't Zou
toch al te jammer zijn, als er van het mooie plan niets terecht kwam.
Maar waar zou de arme aankloppen? 't Beste was misschien nog alles
te vertellen aan den boer, waar hij werkte. Daar zou hij wel hulp
kunnen krijgen: hij was altijd een trouwe knecht geweest, en de boer
had een goed hart. Ja, gelukkig, de boer had een goed hart. Toen de
arme hem verteld had, hoe moedeloos hij eerst geweest was en later,
toen de mooie plant opkwam, hoe vol blijdschap en hoop--toen beloofde
de boer dadelijk te raden en te helpen.
Samen gingen ze nu naar den akker, waar de koolraap gegroeid was; en
de boer, die bij 't verhaal van den arme zijne ooren bijna niet had
kunnen gelooven, wreef zich nu de oogen, omdat hij wezenlijk niet wist
wat hij zag. "Wel verbazend," riep hij, "dat mag in de krant! Zoo'n
dikke dame kan wel een heelen wagen voor zich alleen gebruiken met
twee paarder er voor."
En zoo gebeurde het. Deftig stond het rijtuig met de twee paarden voor
koningin Raap stil bij den akker, waar ze opgegroeid was. Drie mannen
tilden hare majesteit voorzichtig op en brachten haar op den wagen,
waar een zacht bed van stroo voor haar gespreid was. En toen ze weg
reed, stond het halve dorp om den wagen, en was het een hoera voor de
koningin van belang. De jongens liepen nog een heel eind mee den weg
op en zwaaiden met hunne mutsen, de meisjes wuifden nog uit de verte
met hunne zakdoeken. Ieder lachte en had pret om de dikke koolraap, en
ieder was even nieuwsgierig, wat toch de koning wel zeggen zou. En de
arme zat met een vergenoegd gezicht op den bok, knikte ieder vroolijk
toe en klapte lustig met de zweep. Zoo ging het voorwaarts van het eene
dorp naar het andere, en overal werd de arme met zijne koolraap uit de
verte begroet met groot gejubel; want het nieuwtje van de reuzenraap
reisde nog veel gauwer dan de raap zelf. Ja, lang voordat de arme aan
't eind van zijne reis was, wist de koning al, wat er komen zou.
Toen nu de wagen met de reuzenraap de stad binnenreed, waar de koning
woonde, begonnen alle klokken te luiden. De vlaggen wapperden van alle
huizen, in alle straten stonden de menschen met lachende gezichten
in lange dichte rijen, en vóór het paleis op een groot plein stonden
wel vijfhonderd soldaten.
Toen de arme het plein opreed, speelde de muziek en roffelden de
trommels, en alle soldaten presenteerden met een ernstig gezicht het
geweer voor koningin Koolraap, die den koning kwam bezoeken. Dat was
alles een grapje van den koning, die veel schik had in 't geval. De
arme wist eerst niet, wat hij van de heele vertooning denken moest,
hij was er wat verlegen mee. Maar al gauw begreep hij, dat het alles
eene grap was, en toen lachte hij mee met de vroolijke menschen, en
lachend reed hij door de rijen soldaten, die groote moeite hadden,
om ernstig te blijven kijken.
De koning had gelukkig nog meer van den arme gehoord, dan alleen,
dat hij de koolraap kwam brengen. De koning kende nu ook de heele
treurige geschiedenis van den arme, hij wist van zijne tegenspoeden,
van zijn hard werken, van zijne vroegere teleurstellingen en van de
hoop, dat de koolraap hem eindelijk geluk zou aanbrengen. En het hart
van den koning was vol medelijden met den arme.
"Uwe Majesteit," begon de arme, toen hij voor den koning stond, "Uwe
Majesteit, ik kom...." Verder kwam de arme niet. Onderweg had hij
heel goed geweten, wat hij zeggen zou. Nu het zoover was, kon hij uit
pure verlegenheid van al de mooie woorden er geen twee meer bij elkaar
krijgen. Maar de koning hielp hem: 'Ik kom Uwe Majesteit de koningin
van de koolrapen aanbieden, en ik hoop, dat Uwe Majesteit wel zoo
vriendelijk zal willen zijn, mijn geschenk aan te nemen.'--"Was het
zóó niet?" lachte de koning. "Ja, zóó was het, Uwe Majesteit, juist
zóó!" riep de arme vroolijk, heel blij, dat de koning hem zoo uit de
verlegenheid geholpen had. "En zou Uwe Majesteit wezenlijk....?"--"Wel
zeker wil ik!" zei de koning. "Veel wonderlijks en vreemds heb ik in
mijn leven gezien, maar zoo iets als die reuzenraap nog nooit. Veel
moois en kostbaars heb ik in mijn leven al present gekregen, maar nog
nooit zoo iets aardigs!"--De arme kreeg eene kleur van plezier.--"En
zeg me eens," vroeg de koning, "uit wat voor een zaadkorrel is toch
die wonderplant wel gegroeid? Dat moet ook wel een wonderkorrel
geweest zijn. Of komt al je zaad zoo prachtig op? Dan ben je wel
een echt gelukskind, hoor!"--Nu keek de arme niet vroolijk meer. Hij
zuchtte--_hij_ zou een gelukskind zijn! "Och neen, Uwe Majesteit,"
zei hij treurig, "noem mij liever een' ongeluksvogel." En toen vertelde
de arme eenvoudig en met weinig woorden alles, wat de koning al wist,
maar wat hij uit den mond van den ongelukkigen man zelf nog graag
eens hooren wou.
De koning luisterde met een vriendelijk, medelijdend gezicht en bleef
nog eene poos zitten denken, toen de arme alles gezegd had. Eindelijk
begon hij: "Nu begrijp ik eerst goed, hoeveel die koolraap je waard
was. 't Is een heele schat, dien je mij gegeven hebt. Maar nu wil _ik_
ook graag wat voor _jou_ doen--je zult niet voor niets zoo'n schat
aan mij hebben afgestaan."
De arme begon over al zijne leden te beven. Zou het geluk eindelijk
komen, komen door de raap?
"Je zult niet arm meer zijn. Ik zal je van mijn' overvloed geven,
wat je noodig hebt, om weer een rijk man te worden."
Daar _was_ het, het geluk, het heerlijke geluk. En de arme viel voor
den koning op de knieën. Maar de koning richtte hem vriendelijk
op en zei lachend: "Doe dat maar voor koningin Raap, die heeft je
gelukkig gemaakt."
En de koning maakte den arme rijk, rijker nog dan hij vroeger geweest
was. Hij gaf hem vruchtbare akkers en vette weiden en prachtig vee
en veel geld, om boerderijen en schuren en stallen te bouwen.
Met een dankbaar hart ging de arme. Het geluk was gekomen, en--het
_bleef_. De arme was niet arm meer; maar hij _werd_ het ook nooit
weer. 't Was uit met de teleurstellingen en tegenspoeden: de raap had
voor goed den voorspoed gebracht. Zelf was de raap bij den koning
gebleven. Dagen lang lag ze te pronk in de grootste zaal van het
paleis op een' reuzenschotel van kristal, dien de koning alleen voor
haar had laten maken. Alle dames en heeren van het hof kwamen de raap
bewonderen, en iederen dag stroomde het van menschen, die uit alle
streken van het land gereisd waren, om te zien, wat de arme aan den
koning had gegeven. Ieder wist van de raap, ieder sprak van de raap,
ieder hoorde van de raap.
Ieder--dus ook de rijke, die de broer van den arme was. De rijke,
die hooit medelijden had met de ongelukken van den arme, die nooit
hielp, als de arme hulp noodig had. De rijke, die niet verdragen kon,
dat een ander even rijk of rijker was dan hij. De rijke dus hoorde
ook van het geluk van den arme. En in plaats van zich te verheugen,
werd hij boos en afgunstig in zijn hart.
"Zoo'n gewone, grove koolraap, een mooi present voor een' koning, dat
moet ik zeggen," spotte hij. "'t Lijkt wel, of de koning niet recht
bij zijn verstand is, dat hij mijn' broer daarvoor zooveel gegeven
heeft! Wat moet hij dan wel niet geven voor iets moois en kostbaars,
voor iets van groote waarde!"
Juist, voor iets, dat veel waard was .... Als hij, de rijke man, den
koning nu eens een rijk present gaf, wie weet, wat schatten de koning
_hem_ dan niet geven zou uit dankbaarheid. Wat zijn broer gekregen
had, dat zou daarbij eene kleinigheid zijn. En de afgunstige rijke
wreef zich in de handen, als hij daaraan dacht. Wat zou zijn broer
op den neus kijken--juist goed! Wat meende die onnoozele bloed wel,
dat hij met een' knol meer zou kunnen worden dan hij, de rijke,
die zooveel meer geven kon!
Toen kocht de rijke voor den koning twee prachtige paarden, edele,
kostbare dieren, fijn en slank en spiegelglad, vlug en vurig.
Trotsch reisde hij daarmee naar den koning. Hij, de rijke, dacht
er niet aan, de menschen op zijn' weg vriendelijk te groeten. Wel
keek ieder hem na met zijne prachtige paarden, wel was het druk van
nieuwsgierigen, overal waar hij kwam, maar gejubel en vroolijkheid
was er niet. Ieder wist, _wie_ hij was en _hoe_ hij was.
De koning wist het ook, lang voordat de rijke aan 't eind van
zijne reis was. Toen de rijke in de stad aankwam, waar de koning
woonde, luidden de klokken er niet. Geene vlaggen wapperden er van
de huizen. Geene soldaten stonden als eerewacht voor 't paleis,
geene muziek speelde er. 't Was doodstil in alle straten, waar de
rijke met zijne prachtige paarden doortrok, niemand keek er naar hem
uit of om. Dat had de koning zoo gewild. Want de koning kon het den
rijke niet vergeven, dat hij geen medelijden gehad had met den arme,
die toch zijn eigen broer was. Zijne hardheid en zijne afgunst kon
de koning hem niet vergeven.
De rijke kwam vóór den koning. _Hij_ was niet verlegen, _hij_ wist
zijne woorden wel te vinden. Ze vloeiden hem uit den mond, alsof
hij zijn leven lang niet anders dan met keizers en koningen had
omgegaan. "Ik hoorde," zoo begon hij, "dat mijn broer zoo vrij, of
ik moest liever zeggen zoo onnoozel geweest is, onzen geëerbiedigden
koning eene gewone, grove koolraap aan te bieden. Uwe Majesteit was
wel zoo vriendelijk, dat dwaze geschenk aan te nemen. Uwe Majesteit
gaf mijn' broer zelfs een rijk geschenk terug, dat hij eigenlijk
niet verdiende. Ik kom nu, om Uwe Majesteit te zeggen, dat ik
me schaam over de onnoozelheid, ja, laat ik liever zeggen over de
brutaalheid van mijn' broer. Ik kom, om weer goed te maken, wat mijn
broer bedierf. Ik breng Uwe Majesteit twee prachtige paarden. Onze
geëerbiedigde koning, ik weet het, houdt van niets zooveel dan van
edele, mooie paarden. Ik deed mijn best, om de kostbaarste te vinden,
die er zijn. Zoo'n geschenk zal Uwe Majesteit zeker meer genoegen doen
dan...."--De koning, die alles met een strak, onvriendelijk gezicht had
aangehoord, wenkte nu ongeduldig met de hand, dat het genoeg was. "Je
kunt heengaan," zei hij, "ik neem de paarden aan." Toen schelde de
koning. Een bediende kwam binnen. De koning liet hem dichtbij zich
komen en fluisterde een paar woorden. De bediende glimlachte even, zei:
"Ik zal er voor zorgen, Uwe Majesteit," boog en ging weer heen.
Het viel den rijke heel erg tegen, dat de koning zoo kortaf en
onvriendelijk was. Hij had hem niet eens bedankt, hij had hem niet eens
laten uitpraten--de rijke had het zoo heel anders verwacht. Maar--toen
de bediende met hem meeging en hem bracht bij een grooten overdekten
wagen met twee paarden, die op het plein vóór het paleis stond, toen de
bediende zei: "Dit geeft Zijne Majesteit U in dank voor de paarden,"
toen bonsde hem het hart van blijdschap. Nu kon het hem niet meer
schelen, hoe de koning tegen hem geweest was. Die wagen met wie weet
wat voor kostbaars er in, zou alles goedmaken. Wat zou zijn broer
oogen opzetten, als hij te weten kwam, wat de koning _hem_ vereerd had!
De paarden trokken zwaar aan den wagen. Wat zou er in zijn? Waren
het zakken vol goud, kisten vol schitterende edelsteenen? In zijne
gedachten zag hij het goud al rollen, de edele steenen al pronken op
satijnen en fluweelen kussentjes in glazen kasten, die hij er voor zou
laten maken. Wat zou ieder hem benijden, als hij diamanten dasspelden
droeg, als hij een juweelen knop aan zijne zweep en aan zijn' stok
liet maken, als zijne vrouw en zijne dochters pronkten met kostbare
oorbellen en broches, ringen en armbanden. Wat zouden de menschen hem
benijden, als hij de goudstukken kon laten rammelen in zijn' zak, als
hij kocht wat anders alleen een koning koopen kon. En--hoe armoedig
vooral zou bij al dien rijkdom lijken, wat zijn broer gekregen had!
Zoo dacht, zoo jubelde de rijke in zichzelf den heelen langen weg naar
huis. De oogen had hij niet van den wagen af, die zooveel schatten
borg. Maar, hoe verlangend hij ook was, om die schatten te zien--toch
raakte hij niet aan het zware kleed, dat alles bedekte. Thuis, in zijn
eigen dorp, daar zou hij onder de oogen van zijne vrouw en dochters,
van zijne meiden en knechten, van al zijne buren, de zakken en de
kisten afladen en opendoen. Allen moesten zien, en bewonderen en--hem
benijden, dat was zijn lust en zijn leven.
Hoe dichter hij bij zijn huis kwam, hoe trotscher de rijke zich
oprichtte, hoe fierder hij neerzag op al de menschen, die uit
nieuwsgierigheid met hem meeliepen.
Eindelijk stond de wagen stil. Haastig klom de rijke van den bok, en
deftig begroette hij vrouw en dochters en de dienstboden, die allen
naar buiten geloopen waren. Toen keerde hij zich naar de menschen,
die om den wagen stonden. "Vrienden," begon hij, "een groote eer is
mij gebeurd. Zijne Majesteit, onze geëerbiedigde koning, nam niet
alleen mijn geschenk in genade aan, maar gaf mij tot dank veel
kostbaars. Hieronder," en de rijke legde de hand op het dekkleed
van den wagen, "ligt geborgen, wat mijne eigen oogen nog niet gezien
hebben, het heerlijke geschenk van den koning. Leve de koning!"
De rijke deed een paar stappen vooruit tot vlak bij den wagen. Alsof
hij zelf een koning was, keek hij voor 't laatst nog eens trotsch in
't rond. Het volk drong dichter en dichter bij met uitgerekte halzen,
om vooral goed te kunnen zien.
En nu--daar licht de rijke langzaam het kleed op. Hij durft niet
kijken.... Toch kijkt hij.... Een oogenblik staat hij verstijfd van
schrik, met starende oogen en open mond. Dan slaat hij de beide handen
voor 't gezicht, vliegt in huis en gooit de deur achter zich toe....
Onder het kleed lag niets dan.... de raap van zijn' broer!
En het volk juichte en jubelde en lachte en danste om den wagen en het
huis van den trotschen begeerigen rijke, die zoo prachtig gefopt was.