Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner
gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele
wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg
aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een'
zomermorgen ontdekte hij tot zijn' schrik, dat eene prachtige weide
heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag
moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven
kon hebben. 't Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen
getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist,
hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.
Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het
gras was nog veel platter. "Weet je wat, Hans," zei de boer tot zijn
oudsten zoon, "jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de
weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo
bederft." Nu--den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten,
leek Hans geen pretje; maar--Vader had gelijk: ze moesten er meer
van weten en dus zei Hans: "Dat is goed, Vader."
Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets,
want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en
vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond,
werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer
een ander deel van de weide plat getreden was.
Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te
brengen. "Jongen, jongen," zei Vader, "wat spijt mij dat! Kon je voor
mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?"
"Och, Vader," riep de tweede zoon, "laat mij vannacht maar eens gaan,
Hans is zoo'n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit
mijne oogen kijken."--"Dat hoop ik," zei de Vader. Maar Bob had goed
praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en--weer was er
den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.
"'t Is toch verschrikkelijk!" zuchtte de Vader; "ik zal zelf dezen
nacht maar eens op wacht gaan."--"Neen," riep Paul, de jongste zoon,
"daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag 's nachts in de
weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan."--"Och,
jongen," zei de vader; "wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig,
je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een' nacht wakker
kunnen blijven!"--"Ik kan 't immers gemakkelijk probeeren, Vader,"
zei Paul. "Nu, ga je gang, jongen," zei de Vader.
En Paul ging zijn' gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op
wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen
wijd open. Maar--niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze
Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang
op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm
vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie
duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul
stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij
niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en
er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide
stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul
zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor
zijne oogen--zulk dansen had hij nog nooit gezien. 't Was of ze
met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar
toch--de grashalmen bogen om--en nu wist Paul, hoe het gras in de
weide plat werd.
Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij:
"Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien," en zonder
dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was
Paul naar de veeren pakjes geslopen. "Wacht," dacht hij, "daar moet
ik eens eene grap van zien," en stil nam hij de veeren pakjes mee en
ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.
Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot
rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren
pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een' schrik en een zoeken en een
onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden
mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. "O, jonge man," riepen
de meisjes, "heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze
dan, als je blieft terug!"--"Ja," zei Paul, "die heb ik genomen, maar
ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten
eerste: op geen van de weiden van mijn' vader mag ooit weer gedanst
worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan
komt." Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de
eene: "Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij
wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van
de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden."
"Zoo," sprak Paul. "Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik
later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw
belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed
en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet
dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook." Bij die woorden werd
de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam
de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen,
anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug,
en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.
Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar
huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar
Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: "Ik heb natuurlijk
geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in 't
vervolg nooit weer plat getreden zal worden." Toen lachten de broers
hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor
den ander riep: "En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu--we
zullen eens zien, of de droom ook uitkomt."--De vader lachte niet;
de vader zuchtte: "We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn
bedrog." Maar--de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader
zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de
weide vergeten.
Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel
te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de
bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn' vader en verzocht hem een
bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: "want
ik ga trouwen," zei Paul. "Trouwen, jongen, maar met wie dan?" riep
de vader. "Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!"--"Ik ga toch
trouwen, Vader," zei Paul, "reken daar vast op. Maak maar alles klaar
voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid." De
vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.
Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms
en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten
aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was--de bruid. "Geen nood,"
zei Paul, "ze komt wel," en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen,
alsof de bruid goed en wel naast hem zat.
't Werd avond, 't werd laat in den avond--geene bruid. De gasten
keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd
vroolijker en vroolijker. Daar op eens, 't was twaalf uur in den
nacht, 't was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen
aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een' voerman
vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen--Paul de voordeur
uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken,
en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed,
en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd
door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden
met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was
in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam
er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep:
"Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!" En
den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd,
hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze:
"Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je
vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen,
als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen,
maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer
duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver
vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus
kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis
van mijn' vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur
vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet
nu vertrekken." Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: "O, neen,
je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!" Maar de prinses zei:
"Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven."
Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten
stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het
prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger,
en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de
wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil
weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren.
Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had
hij plezier--altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem
toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij 't
niet langer uithouden van verlangen. "Vader," zei hij, "ik moet haar
zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten
oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb."
"Beste jongen," zei de vader, "ga je gang; maar ik vrees, dat je
teleurgesteld terug zult komen."--"We willen het beste hopen," zei
Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.
Dat was reizen. 't Ging maar als in het liedje:
"'k Moet dwalen, 'k moet dwalen
Langs bergen en langs dalen ..."
En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van
de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets
van te zeggen.
Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde
hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien
menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er
maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken
hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.
Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier
bang. "Wat nu, jongens" riep hij, "wat is er te doen, waar krib
jullie om?"--"Och," riep de eene reus, "onze vader is gestorven,
en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn
hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar
dat wil Kwak niet."--"Neen," riep de andere reus, "wat heb je aan één
laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik
niet!"--"Neen," zei weer de eerste reus, "want het zijn tooverlaarzen;
je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden."--"Nu," zei de andere,
"als _hij_ er dan mee loopt, dan word _ik_ wèl moe en dan kan ik hem
niet bijhouden."--"'k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen
hadden," riepen beide reuzen, "want vroeger hebben we nooit ruzie
gehad, en nu kribben we om die laarzen."--"Ik weet goeien raad,"
zei Paul, "geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en
behoef je er ook niet meer om te twisten." "Dat is waar ook," zeiden
de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen.
Of Paul in zijn' schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart
uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu
vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar
kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer
zoo'n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een'
mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: "Och, jonge man, raad
ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen
we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel
hebben.--"Gekheid," riep de andere reus, "wat heb je aan een halven
mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel."--"Dat doe ik niet," riep
de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als
jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil
je zien, Flikje, want ik hou' zooveel van je, en ik kan niet alleen
wezen."--"En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je
altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden,"
riep de andere reus. "Weet je wat, jongens," riep Paul, "geef mij den
mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene
ruzie meer te maken."--Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen,
en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in
zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om,
die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder.
En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee
reuzen aan 't vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de
helft moesten hebben. "We weten niet, hoe het moet," riepen de reuzen,
"want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt,
sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken."--"O,"
riep de eene reus, "krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij
menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis."--"En," klaagde de
andere, "krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen,
om weer levend te maken."--"Weet je wat, jongens," zei Paul, "geef
mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het
hebben zal."--"Hé ja," zeiden de reuzen, "dat is een goeie raad." En
Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den
mantel over de schouders. "Ziezoo," dacht hij, "als ik nu niet voor
eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet."--"Goeiendag!" En
toen was het: "zoo zie je me, en zoo zie je me niet," want Paul was op
eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden
die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers
met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen.
Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen
hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een
paleis. 't Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld,
en in dat hutje woonde een oud, och zoo'n oud vrouwtje. Ze leek wel
zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam
zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: "Dag, Grootmoedertje,
hoe is het met U?"
"Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het oude
vrouwtje. "Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook
weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij
zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
zei Paul. "Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één' nacht in Uw hutje
mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken,
dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U
den weg daarheen ook, lief Moedertje?"--"Neen," zei het oude vrouwtje,
"ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen,
misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld
tot morgen en leg je eerst te rusten." Paul dankte het goede vrouwtje
en ging slapen op een bed van eikeblaren.
Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde
de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de
onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren,
vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: "Wat bevoelt
Uwe Majesteit?"--"Is er onder jullie" vroeg de koningin, "die langs
zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het
paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?" Toen kwam
er een hevig gebrom, 't was of al de dieren elkaar om raad vroegen;
maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van
hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde
gezien had. Toen zei het vrouwtje: "Jonge man, dan kan ik je ook niet
helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is
over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen." Paul
dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.
Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een' avond door een
reusachtig bosch, en aan 't eind van dat bosch was eene zee, en aan
het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte
aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! "Die
is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, "als eene gewone grootmoeder
weken oud is."--"Dag, oud Moedertje," zei Paul, "hoe is het met U? Ik
moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over
al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij
voor één' nacht te herbergen."
"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig
eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven;
maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij
zoo vriendelijk goedendag zei."--"Ik ben een vermoeide wandelaar,"
zei Paul, "en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten
van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg
daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd
te vergeefs."--"Neen, ik zelf niet," zei het oude vrouwtje, "maar
misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren,
die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan
wijzen." Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op
een bed van eikeblaren te rusten.
Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen
kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste
en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen:
alle vroegen, wat de koningin beliefde. "Is er iemand onder jullie,"
vroeg de koningin, "die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten
van de zon en ten noorden van de aarde ligt?"--Toen volgde er een
overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit
van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: "Je ziet, dat
ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is
over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor
je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je
dat niet te ver?"--"O, neen," riep Paul, "niets is me te ver, als ik
maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden
raad en stap nu maar dadelijk verder."--"Goede reis!" riep het oude,
oude vrouwtje, "en hou' maar moed!"
Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed
verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: "wie
volhoudt, moet winnen!" En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam
weer op een' avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde.
"Nu zal ik er zijn," dacht hij, "maar waar moet ik nu wezen?" Daar zag
hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja--daar
stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat
hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen--de andere oude vrouwtjes
zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker
wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is.
"Dag, oud, oud, oud, Moedertje," zei Paul. "Hoe is het toch wel
met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters,
de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen."
"Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?" vroeg het
oude vrouwtje. "Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien,
en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog
nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak."
"Ik ben een vermoeide wandelaar," zei Paul. "Ik zoek het paleis,
dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt,
het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen,
lief Moedertje?"--"Ik? neen!" schudde het oude vrouwtje, "maar
ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver
en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je
helpen."--"Dat hoop ik van harte," zei Paul. "Maar mag ik hier één'
nacht uitrusten?"--"Zeker," zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul
zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker
door het luiden van eene groote klok.
In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een
gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de
onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars--te
veel om te noemen en alle vroegen: "Wat beveelt Uwe Majesteit?"--"Ik
heb jullie hier geroepen," zei de koningin, "om te vragen, of een
van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon
en ten noorden van de aarde ligt?" De vogels bedachten zich eene
heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het
paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude
vrouwtje boos. "Wat!" riep ze; "jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt,
weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar--ben jullie er
wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!" Neen, de vogel Phoenix
was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. "Maar,
dat is ongehoorzaam," riep de koningin boos. "Daar komt hij! daar is
hij!" riepen op eens alle vogels. En ja--daar kwam de vogel Phoenix
aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer
bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren
blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos:
"Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?" De arme vogel had eerst
eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: "O, Koningin, wees niet
boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver,
heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten
van de zon en ten noorden van de aarde ligt."--"Zoo," zei de koningin,
"nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis
daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef
ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts."
Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul
zette zich op zijn' rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en
daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de
blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk
vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie,
dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel."--"Dat is het
land, waar we naar toe moeten," zei de vogel. En weer ging het verder,
altijd verder.
't Werd avond. Weer vroeg de vogel: "Zie je nog niets?"--"Ja,"
zei Paul, "ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als
de zon zelve." De vogel zei: "Dat is het paleis, waar we naar toe
moeten." Weer verder, altijd verder.
Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: "Zie je
niets?"--"Ja," antwoordde Paul, "ik zie een groot paleis, dat glanst
van goud en zilver."--"Nu zijn we er!" riep de vogel, en hij zweefde
naar beneden en liet Paul van zijn' rug stappen. Paul wist niet,
hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op
dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls
oogen verdwenen.
't Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars
in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde,
waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De
toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur
klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. "Ga toch eens kijken,"
zei ze tegen eene van de hofdames, "wie daar zoo laat nog klopt." Toen
nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul
vlug een' van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar
gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot
vallen en vloog naar de prinses. "O," riep ze, "die allerbeste vriend
is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold,
dien ik hem vroeger heb gegeven." De prinses kon niet gelooven,
dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te
kijken. Weer rolde Paul een' gouden appel door de kier van de deur;
't was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar
eigen appel en vloog er mee naar de prinses. "O," riep ze "daar is
die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb
gegeven." Nog kon de prinses het niet gelooven. "Hoe zou die ooit hier
kunnen komen!" riep ze. "Wacht, ik ga zelve kijken." Voorzichtig deed
ze de deur op eene kier en vroeg: "Wie is daar?" Toen reikte Paul
haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest
de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug
deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal,
dat hij zoo'n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.
"Maar hoe nu verder," zuchtte de prinses. "Als de reus, die zoo'n booze
toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij
wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars,
die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten."--"Laat mij maar
begaan," riep Paul, "ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!" De
prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.
Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan
met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte,
om. Hij riep met krachtige stem: "Waar is de reus, die de lieve prinses
gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!" De
reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets;
maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie
het hoofd af. En Paul riep maar weer: "Waar is het leger, dat de reus
wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen,
zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!"
Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden
kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg
niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem
voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de
prinses. "Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk
vrij?" riep de prinses! "O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben
ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of--of het moest wezen,
dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon
krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn."--"Waar
zijn ze begraven?" riep Paul. "Kom, ik wil zien, wat ik met mijn
tooverzwaard kan doen."
Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al
de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en--de
eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde,
die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning
moest worden. "Ja," riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op
hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg
ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den
troon en allen riepen: "hoera!" En de drie oude vrouwtjes werden op den
rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten
noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.
En nu mag jullie zeggen: "Die Paul!" En dan zeg ik: ja, van "die Paul"
kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden
wel zoo ver komt in de wereld--wel zoo ver als het paleis ligt ten
oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien
wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun
je vast op rekenen.