VAN DE PEPERNOTEN EN DEN DOEDELZAK.

Het begint niet: er waren eens een koning en eene koningin. Alleen

maar: er was eens een koning. Want de koning had geene koningin.

Eens op een' morgen zou de koning opstaan. Slaperig zat hij op den

rand van zijn bed en trommelde met de bloote voeten tegen het hout;

want hij had nog geene kousen aan. Vóór hem stond een deftig heer

met een rijk geborduurden rok aan en witte handschoenen. Zooals de

koning over het land regeerde en over de menschen, die er woonden, zoo

regeerde die voorname mijnheer over het paleis en over al de bedienden,

over de heele huishouding van den koning. Want met de huishouding

kon de koning zich niet bemoeien: hij had wel wat anders aan zijn

hoofd. Nu, die voorname mijnheer met zijn geborduurden rok en zijne

witte handschoenen stond dan voor den koning en bood zijne Majesteit

met eene diepe buiging--de kousen aan. Waarom zette de deftige heer

een verlegen gezicht daarbij? Waarom draaide hij de eene kous zoo om

en om? Omdat--hij op eens tot zijn' schrik een groot gat in den hiel

gezien had en bang was, dat de koning het ook zou zien. Maar 't hielp

hem niet, dat hij het ongelukkige gat naar beneden gekeerd hield: de

koning had het met zijne scherpe oogen toch opgemerkt. En nu was het

wel waar, dat de koning meer om zijne sierlijke, glimmende laarzen gaf,

die ieder zag, dan om zijne kousen, die bijna niemand te zien kreeg,

maar--dit vond hij voor een' koning toch wel wat heel erg.

Verschrikt nam hij den deftigen heer de kous uit de hand en stak twee

van zijne breede vingers door het gat. De vingers gingen er tot aan de

hand in! Toen keek de koning half ernstig, half lachend den deftigen

heer aan, die nog altijd beschaamd, met gebogen hoofd vóór hem stond,

en zuchtend zei hij: "Heer opperste in mijn paleis, bovenste baas over

mijne huishouding, je bent een knap man; maar verstand van kousen

stoppen heb je geen zier. En wat helpt het me, dat ik koning ben,

als ik met gaten als vuisten in de kousen loopen moet! Wat helpt het

me, dat ik koning ben, als ik geene koningin heb!.... Wat zou je er

van denken, als ik me eens eene vrouw nam?".... De deftige heer,

die al doodsbenauwd geweest was voor de groote ontevredenheid van

den koning, was wàt blij, dat het zoo goed voor hem afliep. Hij

fleurde er heelemaal van op en riep vroolijk: "Wat ik er van denken

zou? Dat Uwe Majesteit nooit iets beters en verstandigers zou kunnen

doen."--"Kom, dat doet me plezier," zei de koning; maar toen met

een bedenkelijk gezicht: "Maar zeg eens, geloof je, dat ik wel zoo

gemakkelijk eene vrouw zal vinden, die mij past?"--"Welzeker!" lachte

de opperhofmeester, "wel tien voor ééne. Het land van Uwe Majesteit

is niet het eenige op de wereld. Er zijn nog heel veel andere landen,

en daar wonen heel wat lieve en aardige prinsessen. Wezenlijk, Uwe

Majesteit behoeft geen zorg te hebben."

Maar de koning scheen daar nog niet zoo zeker van te zijn; want

er zaten nog rimpels in zijn voorhoofd. "Ik weet het niet, ik weet

het niet," zei hij. "Ik geloof niet, dat ik zoo gauw tevreden zal

wezen. Mijne prinses moet zijn: heel mooi--en heel lief--en heel

verstandig ...."--"Is het anders niet," lachte de opperhofmeester,

"o, zulke prinsessen zijn er genoeg te vinden."--"Ho, ho, niet

te voorbarig, mijn waarde vriend, ik ben nog niet klaar. Ja, als

het dat alleen was, dan .... maar, maar .... er is nog één heel

voornaam ding, waar ik bijzonder op letten zou."--"De prinses mag

zeker niet ijdel zijn--of slordig--of nieuwsgierig.--Ze moet zeker

mooie handwerken kunnen maken, mooi kunnen teekenen of zingen, of

vlug schaatsenrijden ...."--"Houd maar op," riep de koning, "niets

van dat al. Ze moet--lekkere pepernoten kunnen bakken!--Ik houd

nergens zooveel van als van pepernoten. Maar--juist, omdat er geen

grooter lekkernij voor mij bestaat, ben ik er heel, heel kieschkeurig

op. Pepernoten moeten zacht bruin van kleur zijn, niet te week, niet

te hard; maar zoo eventjes knapperig. Je weet, dat er geen bakker in

mijn heele rijk is, of hij heeft zijne kunst in 't pepernoten bakken

al eens voor mij moeten vertoonen. Maar je weet ook, dat geen een

het me nog naar den zin heeft kunnen doen. De een maakt ze te hard,

de ander te week, een derde te taai, een vierde maakt er bleekneuzen,

een vijfde weer negers van. Daarom, waarde heer; de prinses, die ik

zou willen trouwen, _moet_ pepernoten kunnen bakken, en heel lekkere

ook, anders kan ze nooit mijne vrouw worden."

Toen de opperhofmeester dat hoorde, kreeg hij een' schrik. Maar

hij hield zich goed en zei: "Een koning als Uwe Majesteit kan alles

krijgen, wat hij maar begeert, ook wel eene prinses, die pepernoten

bakken kan."

"Zou je dat wezenlijk denken?" riep de koning, nu erg in zijne nopjes,

"kom aan, dan beginnen we dadelijk samen te zoeken."--

Van dat oogenblik af had de koning geen rust meer. Hij moest en zou

nog dienzelfden dag op reis, om de knappe prinses te zoeken, die

hem pepernoten naar den zin kon bakken. Dat was me een gevlieg en

gedraaf trap op, trap af door het paleis: de bedienden liepen elkaar

haast onderst-boven, zoo druk hadden ze het, om alles voor de reis in

gereedheid te brengen. Twee groote koffers vol prachtige presenten

werden er gepakt: niets was den koning te veel of te kostbaar voor

de prinses, die .... je weet het wel.

Eindelijk was alles klaar, de reiskoets met vier paarden bespannen

voor de deur. De koning stapt in, de opperhofmeester stapt in, en

voort gaat het....

Dat was me eene lange, lange reis, van 't eene land naar 't

andere en dan weer verder, overal heen, waar maar prinsessen

woonden. Maar--hoeveel prinsessen de koning ook zag, toch vond hij

er in al de landen, waar hij geweest was, met elkaar maar drie, die

tegelijk "heel mooi" en "heel lief" en "heel verstandig" waren. En nu

zouden drie heel mooie en heel lieve en heel verstandige prinsessen

nog meer dan genoeg geweest zijn, om er eene keuze uit te doen. Maar

.... geene van de drie kon pepernoten bakken!!

"'t Spijt me erg, dat ik geene pepernoten kan bakken," zei de eerste

prinses. De prinses zou wel graag de vrouw van den koning geworden

zijn, en daarom vroeg ze met een verlegen stemmetje: "Mogen het geene

amandelkoekjes zijn, die maak ik heel lekker, ronde en vierkante en

hartjes, met veel boter."--"'t Spijt mij ook, lieve prinses," zei de

koning; "maar het _moeten_ pepernoten zijn."

De tweede prinses was niet zoo zacht en goedig als de eerste. Toen

de koning haar vroeg, of ze ook pepernoten bakken kon, gooide ze het

hoofdje fier achterover, trok de roode lipjes op en zei verdrietig:

"Wat ik U bidden mag, heer koning, kom mij toch niet met zulke

dwaasheden aan. Wie heeft er toch ooit gehoord van eene prinses,

die--pepernoten kan bakken!"

Maar bij de derde prinses, nog wel de mooiste en de verstandigste van

de drie, ging het den koning nog heel anders. Verbeeld je: die liet

hem niet eens den tijd, om te vragen, of ze wel .... Vóór de koning

nog iets gezegd had, kwam de prinses zelf met eene vraag. Ze zou wel

graag willen weten, zei ze, of de koning ook--op den doedelzak kon

spelen. Op zoo'n vraag had de koning nu al heelemaal niet gerekend, ja,

hij had er niet eens aan gedacht, dat de prinses _hem_ iets zou kunnen

en durven vragen. Hij was er verbluft van en stotterde: "'t Spijt me,

't spijt me, geachte prin-prinses, maar op den doe-doedelzak, daar kan

ik niet op spelen."--"O," zei de prinses, "als dat zoo is, behoeven

we niet verder te praten, dan kan ik toch nooit Uwe vrouw worden. Het

spijt me wezenlijk om U, en zelf had ik het ook graag anders gewild;

want ik vind U heel aardig. Maar--op den doedelzak te hooren spelen, o,

dat is mijn lust en mijn leven. En daarom heb ik me vast voorgenomen,

nooit een' man te nemen, die dat niet kan." Arme koning, daarmee kon

hij weer naar huis gaan. Vergeefs had hij de lange reis gedaan: de

koffers met presenten waren niet open geweest, eene prinses, die zóó en

zóó en zóó was en daarbij pepernoten kon bakken, had hij niet gevonden.

En toch--de koning had er nu eenmaal zijne zinnen op gezet--er _moest_

eene koningin komen. Zoo gebeurde het, dat na eene heele poos de koning

den minister weer bij zich liet roepen. De koning zat met de hand

onder 't hoofd en zuchtte, toen zijn opperhofmeester binnenkwam. "Uwe

Majesteit heeft toch geen verdriet?" vroeg de opperhofmeester

medelijdend. "Ik heb nog altijd geene koningin," zei de koning,

"en dat hindert me. Weet je, waar ik bang voor ben: ik vind nooit

eene prinses, die pepernoten kan bakken. Ik geloof, dat ik maar van

de pepernoten moet afstappen, al spijt het me ook geducht. Me dunkt,

ik moet maar tevreden zijn met--amandelkoekjes. Ja, de prinses, die

zoo lekker amandelkoekjes kan bakken, ronde en vierkante en hartjes,

met veel boter, die moet mijne koningin maar worden. Reis nu maar

dadelijk naar de prinses van de koekjes en vraag, of ze nog lust

heeft mijne vrouw te worden."

De opperhofmeester reisde welgemoed heen, maar teleurgesteld terug;

want hij bracht de boodschap aan den koning, dat--de prinses tot

haar spijt de vrouw van den koning niet meer worden kon, omdat ze in

dien tusschentijd al de vrouw van een anderen koning geworden was. De

prinses, die zulke heerlijke amandelkoekjes kon bakken, was getrouwd

met den koning van het land, waar de amandels groeien.

"Dan moeten we het in vredesnaam bij de tweede prinses probeeren. Ik

vrees anders wel, dat het niets zal geven: ze was toen al zoo boos,

omdat ik naar de pepernoten durfde te vragen. Maar, de prinses kan

zich bedacht hebben." Weer reisde de opperhofmeester heen, maar lang

niet zoo welgemoed als den eersten keer. En weer reisde hij terug

met eene boodschap, die nog veel minder prettig was, om over te

brengen. De prinses liet zeggen: nog liever wou ze haar heele leven

lang prinses blijven en nooit koningin worden, dan dat ze zou regeeren

over een land, waar een dwaas op den troon zat. "Als dat zoo is,"

zei de koning boos, "laat ze dan maar gerust blijven, waar ze is,

ik heb haar niet noodig."

Dat kon de koning in zijne boosheid wel gemakkelijk zeggen; maar--hoe

nu? 't Was een heel lastig geval. Ja, de derde prinses was er nog,

en de derde prinses was de mooiste en liefste en verstandigste van de

drie. Maar--de doedelzak, de doedelzak! Als de prinses niet van den

doedelzak kon afstappen, zooals hij van de pepernoten was afgestapt,

dan--zou de eenige kans weer verkeken zijn. De koning dacht lang

na: hij kon er eerst maar niet toe besluiten, de derde prinses te

vragen. Hij was het nog niet vergeten, hoe beschaamd hij voor de

prinses gestaan had, toen ze hem, in plaats van te antwoorden op de

pepernoten, gevraagd had, of hij, de machtige koning, wel op.... Neen,

voor de tweede maal zou dat niet weer gebeuren, daar was hij te

trotsch voor.

De koning wachtte. De koning dacht nog eens na. En toen--liet hij toch

weer den opperhofmeester bij zich roepen. "Mijn waarde heer," zei de

koning, "je trekt al een lang gezicht, en 'k weet wel waarom. Maar dat

zal je niet helpen, je moet nog eens voor me op reis. Dezen keer--naar

de derde prinses. Misschien zegt die ook weer neen; maar wagen wil

ik het toch." De opperhofmeester boog met een zuurzoet lachje en zei:

"Zooals Uwe Majesteit beveelt."--

De opperhofmeester was op zijne reis naar de derde prinses alles

behalve in zijn humeur. Hij zag er, eerlijk gezegd, erg tegen op,

weer weggestuurd te worden als een schooljongen, die kwaad heeft

gedaan. En--als het niet om zijn' heer en meester, den koning geweest

was, zou hij wàt graag weer rechtsomkeert gemaakt hebben, toen hij bij

't paleis van de prinses kwam. Maar--tot zijne groote vreugde liep

alles heel anders af, dan hij gedacht had.

Al dadelijk ontving de prinses hem zoo vriendelijk, dat hij op eens

moed kreeg, om met zijne vraag voor den dag te komen. De prinses

zou zich nog wel herinneren, hoe zijn heer en meester, de koning,

eene poos geleden alle landen was afgereisd, om zich tot vrouw te

zoeken eene prinses, die pepernoten naar zijn' smaak kon bakken. Ook,

hoe hij overal vergeefs gezocht had. Hij liet haar nu zeggen, hoe

erg hem dat speet, vooral omdat er onder de vele prinsessen, die hij

gezien had, ééne was, die hij maar niet vergeten kon. Hoe lief, hoe

mooi, hoe verstandig hij die ééne vond. Hoe _heel_ graag hij daarom

juist haar en geene andere tot zijne vrouw zou gekozen hebben, als

ze maar niet dat ééne gemist had, waarop hij nu eenmaal zijne zinnen

had gezet. Maar hoe de koning na lang denken eindelijk begrepen had,

dat het toch wel wat veel was, bij zooveel schoonheid, goedheid en

verstand, ook nog naar pepernoten te vragen. En hoe hij dus besloten

had, zijn' opperhofmeester te zenden, om de prinses vriendelijk te

vragen, of zij nu nog wel de vrouw van den koning wilde worden.

Toen de opperhofmeester alles gezegd had, begon de prinses met een

verlegen en toch guitig lachje: de koning zou zich nog wel herinneren,

hoe zij hem indertijd niet aan het woord had laten komen over de

pepernoten. Hoe ze hem dadelijk verschrikt had met de vraag, of hij

ook op den doedelzak kon spelen. Zij liet hem nu zeggen, dat er onder

al de koningen en prinsen, die ze ooit gezien had, geen enkele was,

die haar zoo goed beviel als hij. Hoe ze daarom juist graag hem en

geen ander tot man zou gekozen hebben, als hij maar niet dat ééne

gemist had, waar zij al hare zinnen op had gezet. Maar hoe ook zij na

lang denken had begrepen, dat het toch wel wat veel was, bij zooveel

goeds als de koning had, ook nog naar den doedelzak te vragen. En hoe

ze nu dus besloten had, om op de vraag van den koning een vriendelijk

"ja" te antwoorden en toch maar zijne vrouw te worden.

Of die opperhofmeester ook in zijne nopjes was. Dadelijk liet hij de

koffers met de presenten, die hij op zijne reizen naar de prinsessen

trouw meegenomen had, naar 't paleis brengen en zelf pakte hij alles

voor de gelukkige prinses uit. En dat zegt wat voor zoo'n voornaam

heer! Maar in zijne blijdschap zou hij graag nog wel veel meer hebben

willen doen, als hij maar geweten had, wàt!

Op de terugreis naar den koning moesten de paarden voor de reiskoets

draven, jagen, dat ze er den adem haast bij verloren. De koets

stoof in vliegende vaart over den weg, hooren en zien verging den

opperhofmeester; maar dat kon hem niet schelen. Hoe sneller, hoe

liever, dan was hij des te eerder bij den koning, om hem de blijde

boodschap te brengen.

Eindelijk stonden de paarden hijgende en brieschende stil voor 't

paleis. De opperhofmeester was in een' wip het rijtuig uit en twee

treden te gelijk ging het de trap op naar de voordeur. De koning, die

al verlangend had staan uitkijken, toen hij zulk woest getrappel van

paarden in de verte hoorde, kwam zijn' opperhofmeester al tegemoet in

het voorportaal. Maar toen hij het stralende gezicht zag en begreep,

dat alles goed was, wenkte hij hem gauw mee in eene groote zaal,

waar ze ongestoord praten konden. "Ze doet het, ze doet het!" riep de

opperhofmeester dadelijk, toen een bediende de deur had dicht gedaan.

Toen vloog de koning zijn' opperhofmeester om den hals, en hij

schudde hem de hand, zoo lang en zoo hard, dat de opperhofmeester

"au" riep. "En, en" .... vroeg de koning, toen hij wat tot bedaren

gekomen was, "vroeg de prinses ook nog naar den doedelzak?"--Toen

vertelde de opperhofmeester alles, wat hij zelf gezegd, en alles,

wat de prinses daarop geantwoord had. En de koning omarmde zijn'

opperhofmeester nog eens en drukte hem weer de hand en beloofde

hem drie ridderordes, omdat hij bij de prinses zoo flink en goed

voor zijn' koning gesproken had.--Nog dienzelfden dag werden de

ridderordes besteld bij den knapsten goudsmid in 't heele land. En

toen ze klaar waren, stond ieder te kijken; niemand had nog ooit

zulke rijke en prachtige en groote ordes zien dragen. De eene was

een kruis van zuiver goud, bezet met diamanten; de tweede was een

driehoek van zilver, ingelegd met pareltjes en met drie parels aan

de drie hoeken, zoo groot als duiveneieren; de derde was eene ster

met twaalf punten, alle bezaaid met roode, blauwe, gele en groene

edelgesteenten. Het gouden kruis was alleen al zoo groot, dat het de

heele borst bedekte. De zilveren driehoek moest dus wel op den rug

gedragen worden, die er heelemaal door bedekt was. Voor de schitterende

ster wist de opperhofmeester geene plek meer te bedenken; die droeg hij

bij feestelijke en plechtige gelegenheden dus maar in de hand. 't Was

eene pracht, en je kon er duidelijk aan zien, hoe dankbaar de koning

wel was en hoe blij met het lieve, mooie, verstandige vrouwtje, dat

hij trouwen zou. Het duurde nu ook niet lang meer, of de koning werd

bruidegom en de prinses bruid, en samen vierden ze bruiloft en met

hen vierde het heele land feest. De klokken luidden, en de vlaggen

wapperden er lustig op los. Eerepoorten in de straten, slingers

van groen en bloemen aan de huizen--den heelen dag door muziek en

's avonds lichtjes, lichtjes overal en vuurwerk. Gejuich en gejubel,

lachen en zingen en dansen en smullen en pret maken--eene heele week

lang. Feest was het en nog eens feest bij oud en jong, bij arm en rijk,

alles ter eere van de lieve jonge koningin.

't Vroolijkst van allen waren de koning en de jonge koningin

en geen was er, die zoolang feest bleef vieren als zij met hun

beidjes.--Ja--toen er al lang geen feesten meer in het land gevierd

werden ter eere van het koningspaar, bleef het nog altijd feest in de

harten van den koning en de koningin. Dat kwam, omdat de koning zoo

heel, heel gelukkig was met zijn koninginnetje, en het koninginnetje

weer zoo gelukkig met haar koning.

Dat kwam, omdat ze elkaar met den dag liever kregen.

Wat zag het koninginnetje er toch frisch en aardig uit, vond de koning,

wat kon ze verstandig praten, wat was ze zacht en goed! De koning

moest lachen, als hij dacht aan vroeger, toen hij eens de vingers

gestoken had door een gat in zijne kous! Ja, vroeger--toen was er

dikwijls wat verkeerd gegaan in de huishouding van den koning. Maar nu:

wat kon dat koninginnetje flink op alles toekijken, en wat zorgde ze

goed voor den koning. 't Was een lust!--En 's avonds, als de koning

moe van 't regeeren was, wat kon ze hem dan prettig opfleuren met te

vertellen van alles, wat ze op dien dag al voor hem en voor armen

en zieken gedaan had. En wat kon ze stil en verstandig luisteren

als de koning met haar sprak over alles, wat hij dien dag weer voor

zijn land en voor zijn volk gedaan had.--Altijd deed de koningin,

wat de koning graag wou, en nooit dacht ze er aan, iets te doen,

dat de koning niet goed vond. Ja, ze was op 't laatst zoo knap, dat

ze precies op zijn voorhoofd lezen kon, wat hij wenschte en wat niet.--

En de jonge koningin vond op hare beurt weer, dat de koning er zoo

knap en flink uitzag. En wat had hij een verstand van regeeren. Wat

wist hij veel, wat was hij geleerd! En hoe goed was het van hem, dat

hij wel met haar praten wou over allerlei gewichtige dingen. Wat was

hij lief voor haar--nooit boos of verdrietig. Wat deed hij haar graag

plezier: in hare oogen kon hij lezen, wat ze graag en niet graag had.

't Was en bleef feest in de harten van het koningspaar een vol jaar

lang! Ja, ze waren wel heel gelukkig, want in dat heele jaar had de

koning nog geene enkele maal gedacht: "'t Is toch jammer, dat mijne

koningin geene pepernoten bakken kan." En de koningin had nog niet één

keer gezucht: "'t Spijt me toch, dat mijn koning niet op den doedelzak

spelen kan." Een heel jaar lang vergat de koning zijne pepernoten en

de koningin haar doedelzak .... Maar toen gebeurde het op een goeden,

ik meen op een kwaden dag, dat de koning èn de koningin alle twee

's morgens uit het bed stapten--met het verkeerde been. Als het nog

maar de koning alleen geweest was! Als het nog maar de koningin alleen

geweest was! Maar alle twee tegelijk--dat was erg genoeg!

Het koningspaar stapte op dien morgen met het verkeerde been uit

het bed en dus--ging alles dien heelen dag verkeerd. Dat is nog

nooit anders geweest, 's Avonds zou er een groot feest wezen in de

mooie parken en tuinen bij het paleis. Honderden gasten waren er

gevraagd. Duizenden lichtjes en gekleurde ballons zouden er tusschen

het groen hangen. Maar--het regende, het stortregende, het plasregende,

het regende, alsof het met emmers uit de lucht gegoten werd, van

den morgen tot den avond. De tuinen leken wel vijvers, de paden en

lanen in het park stonden blank. Er was geen denken aan feestvieren:

in alle haast moest de boodschap aan alle gasten gestuurd worden,

dat ze wel thuis konden blijven.--En de koningin vooral had zich nog

wel zoo verheugd op het heerlijke feest buiten!--

Dan--toen de koningin, om haar verdriet te verzetten, wat met

haar poesje was gaan spelen--had Poes haar leelijk over de hand

gekrabd. De roode streep paste slecht op de blanke handjes, waar de

jonge koningin zoo trotsch op was.--En--er was eene leelijke vlek

gekomen op het wit zijden kussen, waar de koningin juist bloemen

opschilderde.--En--onder het kappen had de kamenier de koningin bij

ongeluk met eene haarspeld in 't hoofd geprikt. Daar had de koningin

hoofdpijn van gekregen.--En--maar kom, ik wil al de ongelukken,

die er op dien ongeluksdag nog meer gebeurden, maar niet opnoemen,

't Liep alles, alles verkeerd--en ons koninginnetje, anders altijd

even goed en zacht en vroolijk, was nu verdrietig en pruilerig en

heelemaal niet in haar schik.

En hoe ging het met den koning, die ook met het verkeerde been uit het

bed gestapt was? Natuurlijk niet veel beter, 't Speet hem ook erg van

't feest, dat zoo treurig in den regen verdronken was.--En dan--de

kostbare rijksappel, je weet wel, die mooie bal, die de koningen op

een plaatje altijd op de hand dragen--viel bij ongeluk op den grond

en het prachtige kruis van goud en edele steenen brak er af!--En

dan--kwam de nieuwe kaart thuis, die de koning van het land had laten

maken. En toen hij die bekeek, waren de rivieren in plaats van blauw,

vuurrood gekleurd, en de zee oranje!--En de nieuwe laarzen knelden

zóó, dat de koning er kreupel van liep. En--en--nog eene lange rij

van andere tegenspoeden had de koning op dien naren dag. Anders was

onze koning altijd vriendelijk en welgemoed--nu was hij brommig en

boos en heelemaal niet in zijn humeur.

De koningin pruilerig en verdrietig, de koning brommig en boos:

o wee, o wee!--Toen gebeurde er, wat er nog nooit gebeurd was,

zoolang ze met elkaar in hetzelfde paleis woonden: de koning en de

koningin _kibbelden_! Waarover, ja, dat wisten ze den volgenden dag

zelf eigenlijk niet meer. 't Was om eene kleinigheid, 'k geloof om

een boek, dat de koningin op eene andere plaats gelegd had en waar

de koning toen naar moest zoeken. Nu, 't komt er ook niet op aan,

_waarom_ ze kibbelden--ze _kibbelden_, en dat wou ik eigenlijk maar

vertellen. De koning was onvriendelijk en zei booze woorden tegen de

koningin. De koningin gaf kribbige antwoorden. Daar werd de koning

nog weer boozer om, en hoe boozer de koning werd, hoe scheller en

bitser de stem van de koningin klonk. Over het boek was 't, geloof

ik, begonnen; maar het eene woord haalde het andere uit. Dit vond de

koning niet goed, en dat had de koningin toen en toen verkeerd gedaan,

en zoo of zoo wou hij het niet langer hebben. Daar zei de koningin

toen weer op: de koning moest zich vooral niet verbeelden, dat er

nooit iets op hem te zeggen viel.--'t Ging al harder en harder tegen

elkaar. Ieder wou het laatste woord hebben, geen van beiden was zoo

verstandig, om op te houden met kibbelen.

En eindelijk, toen de koningin niets anders meer wist te zeggen,

trok ze de schouders op en zei met een spottend gezicht en een'

lach, die heelemaal niet lief of goed klonk: "Me dunkt, heer koning,

je moest je nu eindelijk eens stil houden en niet langer overal wat

op aan te merken hebben: _je kunt niet eens op den doedelzak spelen!_"

Maar pas waren die leelijke woorden haar uit den mond gevallen, of

de koning riep driftig: "Ja wel, ik zal me stil houden voor eene,

_die niet eens pepernoten kan bakken!_"

Daar was het er uit, waar ze nooit, nooit meer over hadden moeten

praten. De koningin schrikte, toen ze 't gezegd had en de koning

schrikte ook van zijne eigen woorden. En van puren schrik hielden

ze zich op eens allebeî muisjesstil. De koning keerde zich om en

ging dadelijk naar zijne kamer. De koningin sloop de deur uit, ook

regelrecht naar hare kamer. Daar viel ze neer in een hoekje van de

canapé en begon bitter te schreien.

"Och, och," zuchtte ze, "wat ben ik toch dom, dom, dom geweest. Hoe

kreeg ik het in mijn hoofd, over dien akeligen doedelzak te praten! Als

ik maar even nagedacht had, dan wist ik toch wel, dat de koning daar

niet van hooren wou. Ik kon toch begrijpen, dat ik er hem verdriet

mee deed. Wat kan me nu eigenlijk nog die doedelzak schelen: mijn

beste man is er even lief en goed om, en ik heb er hem even lief om,

of hij op dat ding speelt of niet. O, o, hoe kwam ik er toch bij, zoo

iets te zeggen! Nu wordt hij misschien nooit, nooit weer vriendelijk

tegen mij, hij vergeeft het me niet, ik weet het zeker."

Toen barstte ons arm koninginnetje weer in tranen uit, ze voelde

zich zoo ongelukkig! En de koning liep heen en weer, op en neer

in zijne kamer en dacht: "Wat ben ik begonnen! Waarom noemde ik

toch die onnoozele pepernoten! Die heele pepernoten, wat geef ik er

eigenlijk om. Mijn vrouwtje is er niets minder lief en mooi en goed

en verstandig om, of ze die dingen bakken kan of niet, en ik houd er

niets minder om van haar.--Nu heb ik mijn koninginnetje verdrietig

en boos gemaakt--ze zal 't zoo gauw niet weer vergeten, wat ik gezegd

heb. Wat ben ik begonnen!"

De koning ging met het hoofd in de hand op een' stoel zitten en

keek bedrukt voor zich neer. Maar langzamerhand fleurde zijn gezicht

weer op, hij sprong van zijn' stoel, en op eens lachte hij en riep:

"Eigenlijk is 't maar een geluk, dat mijn vrouwtje geene pepernoten

bakken kan. Want wat in de wereld zou ik anders hebben moeten

antwoorden, toen ze mij verweet, dat ik niet op den doedelzak kon

spelen!--Maar met dat al wou ik, dat die kibbelpartij nooit gekomen

was. Ik kan het niet verdragen, dat mijn lief vrouwtje boos op me

is. Zóó houd ik het niet uit. Waar zou ze zijn, ik moet dadelijk naar

haar toe, om alles weer goed te maken."

Zóó in zichzelf denkende en pratende liep de koning de deur uit, de

lange gang in, waar heel veel kamers van het paleis op uitkwamen.--Maar

daar was het pikdonker: alles moest immers verkeerd gaan op dien

ongeluksdag, en zoo had de kamerdienaar natuurlijk vergeten op tijd de

lampen aan te steken. De koning tastte met de handen vooruit, om zich

niet te stooten en schoof zóó voorzichtig langs den muur verder. Daar

tastte hij met zijne handen in eens aan iets heel zachts en warms--'t

was een gezicht, hoor, een gezicht van een, die ook voorzichtig langs

den muur schoof, om zich niet te stooten.

"Wie is daar?" vroeg de koning. "Ik ben het," zei een zacht,

bedroefd stemmetje. "Wien zoek je, vrouwtje?" vroeg de koning, want

de zachte, warme wang en de lieve, bedroefde stem waren allebeî van

het koninginnetje. "Ik zoek jou, beste man, ik heb zoo'n spijt, ik wou

je vergiffenis vragen, omdat ik dat leelijke tegen je gezegd heb van

...."--Maar de koning liet haar niet uitpraten. In het donker op de

gang sloeg hij zijne armen om zijn vrouwtje heen en kuste haar en zei:

"Je behoeft me geene vergeving te vragen," en zijne stem beefde wat,

"ik heb ook schuld, veel meer dan mijn koninginnetje. 't Is nu alles

vergeven en vergeten. En weet je," fluisterde de koning verder, van

nu af aan zullen er twee woorden zijn, die in het heele land nooit

weer mogen worden uitgesproken. Wie het doet, zal zwaar gestraft

worden. Die woorden zijn: _doedelzak_ en--"

"En _pepernoten_," riep de koningin lachend, maar terwijl ze lachte,

vielen er toch nog een paar tranen langs hare wangen. Die kuste de

koning weg, en toen was alles weer blijdschap en geluk. En dat bleef

zoo altijd, altijd, zoo lang de koning en de koningin leefden.

Zonnestralen in School en Huis · 第 6 / 19 题