DE SPROOKJESFEE.

Wie wel het allermooist vertellen kan? Dat is de sprookjesfee. Die

moest jullie eens kunnen hooren! Maar hoe krijg je die te hooren? Ja,

dat is maar zoo gemakkelijk niet. Ik weet er maar één, die haar

heeft horen vertellen; maar dat was dan ook eene prinses, en die

prinses.... Neen, ik wil van voren af aan beginnen.

Toen die prinses een prinsesje was, was ze dol op vertellen. En

omdat ze een prinsesje was, kreeg ze heel veel vertellingen

te hooren. Denk eens aan: zooals andere kinderen wel eens eene

juffrouw in huis hebben, om hun te leeren, zoo had het prinsesje

eene aparte juffrouw om haar te vertellen. Of ze dan niet behoefde

te leeren? Nu--juist heel veel. Daarom zei haar vader, de koning:

"Ons kind moet zóóveel leeren, ze moet altijd zoo goed luisteren,

om allerlei moeilijke dingen te begrijpen, ze zal ook eens luisteren

naar iets, dat niet moeilijk te begrijpen is, luisteren puur voor

haar plezier. Ik denk maar zóó: korenbloemen lijken aardig tusschen

het koren, al doen ze geen nut. De menschen vinden een korenveld met

bloemen vriendelijk om te zien. Vertellingen zijn ook de bloemen

tusschen al de moeilijke lessen. En--de korenbloemen doen nog wel

schade, want ze nemen van het voedsel, dat eigenlijk voor het koren

was, maar de vertellingen doen zeker geene schade. Hoort mijn kind

van goede menschen vertellen, dan zal ze denken: zoo wil ik ook

worden. Wordt haar van slechte menschen verteld, dan denkt ze: zóó

wil ik niet zijn. Hoort ze eene grappige geschiedenis, dan zal ze

zich frisch en vroolijk lachen. Lachen is gezond, en die gezond is,

kan ook flink leeren."--Zoo praatte de koning, die de vader was van

het prinsesje. Daarom kreeg het prinsesje eene verteljuffrouw.

Nu ging er geen dag voorbij, of het prinsesje ging met die juffrouw in

een gezellig torenkamertje van het paleis. Daar werd dan verteld. Dat

kamertje hadt jullie moeten zien! De wanden waren gewatteerd en

met lichtblauw fluweel behangen. Vóór de deur een ruim fluweelen

gordijn. Nergens kon geluid door: stil moest het wezen onder 't

vertellen, heel stil. Op de fluweelen wanden hingen de prachtigste

platen van Roodkapje, van Klein-Duimpje en van allerlei andere menschen

en dieren uit vertellingen. Gouden lijsten waren om die platen. Soms

ook bloemenlijsten. Zoo was er om Goudkindje een goudfluweelen lijst,

beschilderd met madeliefjes.

't Liefst mocht het prinsesje hooren vertellen in schemerdonker. Dan

hingen en stonden er in het kamertje brandende lampjes met gekleurde

ballons en gekleurde zijden kapjes. Die maakten een zacht gekleurd

licht. Dat leek zoo tooverachtig, zei het prinsesje. En in dat

tooverachtige licht zaten ze dan met hun tweetjes: de juffrouw in

een grooten leunstoel, het prinsesje op een laag vouwstoeltje aan

haren schoot. Dan begon het: "Er was eens...." Vertellingen, die met

"Er was eens" begonnen, vond het prinsesje het mooist. Nooit was de

verteljuffrouw uitverteld. In het paleis was ook eene kamer met wel

tien boekenkasten, en àl die kasten stonden vol sprookjesboeken. Dat

was de studeerkamer van de verteljuffrouw. De boeken waren allemaal

in prachtband en goud op snêe. Bij elke vertelling was eene plaat,

van dezelfde platen, die in het vertelkamertje achter lijst en glas

hingen. Want ieder keer, als eene vertelling verteld was, werd dezelfde

plaat, die in het boek was, besteld om opgehangen te worden.

Zoo was het, zoo ging het, toen het prinsesje klein was. Nu was ze

eene prinses, nu was ze groot geworden. De verteljuffrouw was er niet

meer. Voor groote menschen vertelt men niet. Wat er nog wel was, dat

was het torenkamertje. Daar was alles ook precies zoo gebleven. Zoo

wou de prinses het. Geene plaat mocht in het kamertje verhangen worden,

bijna mocht er geen stoel worden verzet. De kamer met de boekenkasten

vol sprookjesboeken was er ook nog. Wat deed de prinses nu? Niet elken

dag, maar heel dikwijls ging ze met een sprookjesboek onder den arm

naar het torenkamertje, altijd in het schemeruur. Dan stak ze al de

lampjes aan, schoof het gordijn voor de deur en vlijde zich in een

gemakkelijken vouwstoel, net als toen ze nog een klein meisje was. Dan

las ze, las ze al de sprookjes die haar vroeger verteld waren. Weer

had ze schik, maar toch lang niet zooveel als vroeger. Vertellen vond

ze veel mooier dan lezen. "Hè," zei de prinses dikwijls, "wat was

dat toch een heerlijke tijd, toen ik elken dag hoorde vertellen. Ik

zou wel willen, dat die tijd nog eens weerom kwam. Ik ben toch zoo

dol op sprookjes."--"Weet je wat," zei de koning, "ik zal je nog

eens naar de sprookjesfee brengen."--"Hè, ja, Vader," zei de prinses,

"doe dat maar. Ik wil toch zoo graag eens naar het oosten reizen. Daar

woont immers de sprookjesfee?"--"Ja," zei de vader, "de sprookjesfee

woont in het oosten, in het land van zonneschijn en bloemen. Maar--ik

weet niet precies waar."--"O, dat is niets, dat kunnen we wel vragen,"

riep de prinses. "Toe, Vader, wanneer gaan we op reis?"--"Ho, eens,"

zei de vader, "bedaard, ik heb het nu veel te druk met de zaken. Maar

zoodra ik tijd heb, zal ik je waarschuwen. Dat beloof ik je."

Wat viel de prinses het wachten moeilijk! Eindelijk op een' morgen

zei de koning: "Nu maar den koffer gepakt, morgen reizen we." En

den volgenden morgen waren Vader en dochter op weg. Hoe lang ze wel

reisden, voor ze in 't land van de sprookjesfee kwamen, en hoe lang

ze wel zochten en vroegen, voor ze wisten, waar de fee woonde, weet

ik niet. Eindelijk werd hun een bosch aangewezen: daarin moest het

huis van de tooverfee zijn.

Heel, heel diep in het bosch, ja, daar stond het. 't Was een klein, wit

huisje, rondom met klimop begroeid. Een dwergje deed de deur open. Ze

werden in eene kamer gelaten vol zonneschijn en bloemengeur. De fee

kwam binnen. Och, wat eene lieve oude fee was het: een gezicht, zoo

vriendelijk, een wit kanten mutsje op, daaruit kwamen de aardigste

grijze krulletjes kijken. Zacht grijze oogen en eene stem, zoo zacht,

zoo prettig te hooren, net muziek, dacht de prinses. Nu vertelde

de koning, dat de prinses van klein af altijd zoo dol op sprookjes

geweest was, dat ze den heerlijken sprookjestijd nog nooit vergeten

kon, dat ze zoo'n verlangen had, om eens éénmaal door de sprookjesfee

te hooren vertellen en dat ze nu heel ver gereisd waren in de hoop,

dat de fee wel zoo vriendelijk zou willen zijn..... En terwijl de

vader sprak, zag de prinses de fee smeekend aan.

Toen zei de fee: "Kijk, dat vind ik aardig, dat je zoover gekomen bent,

om mij eens te hooren vertellen. Zeker wil ik het. Ga maar zitten en

zie me goed in de oogen. Kijk ik begin al: 'Er was eens.....'" En de

lieve muziek-stem klonk door de zonnige kamer, en de prinses hoorde

de stem, maar ze zag de kamer niet. Ze zag alleen de oogen van de

lieve oude grijze fee, en in die oogen zag ze paleizen en prinsen en

dieren en bloemen en reuzen en dwergen. Toen de stem zweeg, zuchtte

de prinses. Toen viel ze de fee om den hals, en ze kuste haar en

fluisterde: "Dank! dank! zulk vertellen heb ik nooit eerder gehoord. Ik

zou wel een heelen dag willen luisteren en een' nacht er bij." De fee

glimlachte: "Kom morgen weer," zei ze. "Mag ik, lieve fee, mag ik,

Vader?" vroeg de prinses. De fee knikte, en de vader knikte, en den

volgenden dag zat de prinses weer met kloppend hart te luisteren,

en ze vond de tweede vertelling nog mooier dan de eerste.

Nog eens kwam de prinses bij de fee, en ze vond de derde vertelling

mooier dan de tweede. Toen moest de prinses afscheid nemen; de

koning had het te druk om langer uit te blijven, die moest weer

naar zijn volk, die moest zijn land regeeren. De prinses gaf de fee

de hand. Ze had de tranen in de oogen. "Ik zal U nooit vergeten,

lieve fee," zei ze. "Ik ben heel dankbaar en heel tevrêe; maar o,

ik wou dat U mijne grootmoeder was, dan kon ik nog veel langer bij U

blijven. Dan mocht ik bij U logeeren....." "Weet je wat," zei de fee,

"blijf eene poos bij mij. Voor drie vertellingen zoo ver te reizen

is toch ook wel wat erg."--"O, Vadertje," smeekte de prinses, "als

dat eens mocht!"--"Het mag," zei de vader. "Over zes weken zal ik

je terug komen halen. Is dat goed?"--"Heerlijk!" riep de prinses,

"o, wat heb ik toch een lieven vader!"--

Zóó bleef de prinses bij de sprookjesfee. Zoolang het dag was, deed

de prinses alles, wat ze maar kon, om de fee genoegen te doen. Als

het avond werd, vertelde de fee. Dat was een heerlijk leventje.

Zoo ging de ééne dag na den anderen in heerlijkheid voorbij, zoo ging

er eene week, zoo gingen er weken voorbij. Toen--de zesde week was

juist begonnen,--kwam de fee op een' avond met een grooten brief,

waar wel vijf lakken op zaten, binnen. Ze lei den brief op de tafel,

ging in den grooten leunstoel zitten, wachtte, tot de prinses tegenover

haar zat en begon:

"Er was eens een kleine prins. Zijne moeder was gestorven, toen hij

nog heel klein was. Nu hadden allen in het paleis erg medelijden met

den moederloozen prins. Ieder wilde lief en goed voor hem zijn, ieder

wilde hem alles naar den zin maken. Zijn vader, de koning, was bang,

dat de kleine prins vertroeteld zou worden, en dat wilde hij voor

nog en nog zooveel niet. De prins moest na zijn' dood over een groot

land regeeren, de prins moest flink en knap en manlijk worden. Daarom

verbood hij al die lievigheden, en hij liet een geleerden man komen,

om den prins knap te maken en op te voeden en den heelen dag om en

bij den prins te zijn. De koning en de geleerde maakten eene lange

lijst van alles, wat de prins over den heelen dag moest doen. Dat

ging maar: van 7-8 dit, van 8-9 dat. Ieder uur wat anders. Lezen,

Schrijven, Rekenen, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Fransch, Duitsch,

Engelsch, Spaansch, Italiaansch ...."

--"En vertellen," fluisterde de prinses.

"Neen," zei de fee, "vertellen stond niet op de lijst."--"Arme

prins!" zei de prinses. "Luister," zei de fee. "Een sprookje

mocht den prins nooit verteld worden. 'Sprookjes! onzin!' zei de

koning. 'Sprookjes zijn als de bloemen op een korenveld. Ze nemen

het voedsel, dat voor het koren is--weg er mee--'t is onkruid.'"

Nu werd de prins van dag tot dag grooter en wijzer en knapper, maar

toen de prins groot en wijs en knap was--werd de prins ziek. Dat

was nu wel treurig. Natuurlijk liet de koning dadelijk een' dokter

komen. De dokter gaf pillen en poeders en drankjes, maar de prins

bleef ziek. Een ander dokter--pillen, poeders, drankjes--de prins

bleef ziek. Weer een ander dokter en weer een en weer een: de prins

werd bij den dag magerder en lusteloozer. Wat scheelde den prins toch

eigenlijk, wat voor ziekte had hij? Geen een van al de dokters wist

het. De koning was wanhopig. Hij liet telkens en telkens weer een

anderen dokter roepen--alles vergeefsch.

Eindelijk hoorde hij spreken van een' professor, die zieken genas,

waar niemand raad voor wist. Dat was iets voor den koning. Dadelijk

werd er een bode naar den beroemden professor gezonden met vriendelijk

verzoek, zoo spoedig mogelijk bij den zieken prins te komen.

De professor kwam. De koning stond met angstig kloppend hart bij het

ziekbed. De professor onderzocht het heele lichaam van den zieke. Hij

luisterde, hoe het hart klopte, hij voelde den pols, bekeek de

handen, keek in de ooren, in de oogen, in den mond, streek langs de

wangen en langs de voetzolen. Toen zette hij een heel ernstig, een

bedenkelijk gezicht, zat eene poos met den vinger aan den neus en

riep eindelijk: 'Ik weet het, Uwe Majesteit. Die ooren hebben nooit

een sprookje hooren vertellen--dat hart heeft nooit van verwachting

gebonsd--die oogen hebben nooit geschitterd--die wangen hebben nooit

eene kleur gekregen--die mond heeft niet gejubeld--die handen hebben

niet geklapt--die voeten niet getrappeld bij het luisteren naar eene

vertelling. Arme prins, wat hebt ge veel in Uw leven gemist. Hoe kwam

dat toch zoo, Uwe Majesteit?'--'Ja, professor, ik dacht, de prins

moest heel knap worden. Er was geen tijd voor vertellen, en ik dacht:

sprookjes zijn wel mooi misschien, maar niet nuttig....'--'O, Uwe

Majesteit, het zijn de zonnestralen in het kinderleven, en wat is

een leven zonder zon!'--'Maar--wat moet ik doen, beste professor,

wat moet er gebeuren?'--'Ja, er moet dadelijk iemand komen, om

den prins te vertellen, 't is mogelijk, dat hij dan nog te redden

is.'--'Maar'--riep de koning, 'ik zou niet weten, wie--in mijn paleis

is niemand. Een sprookjesboek is er ook niet eens. Ik heb nooit van

vertellen willen hooren, nooit sprookjesboeken willen zien!!'

De professor schudde het hoofd. 'Uwe Majesteit,' zei hij, 'iemand, die

gewoon vertelt, kan hier ook niet meer helpen. De prins is al te mat,

te lusteloos. Ik zou U raden, onmiddellijk een' bode met een uitvoerig

schrijven naar de sprookjesfee te zenden, met vriendelijk verzoek....'

Hier zweeg de sprookjesfee, om den brief van de tafel te nemen. "Hier

is nu dat verzoek," zei ze, "en verder kun je alles wel raden."--"Dus

't is waar gebeurd!" zei de prinses. "Die arme, arme prins! En nu gaat

U toch, lieve fee, nu gaat U toch, om den armen zieke weer beter te

maken?"--"Ik zou het zoo graag doen," zei de fee, "maar het land van

den prins is ver, en ik ben oud, te oud, om zoo ver te reizen. Er moet

een ander, eene jongere in mijne plaats gaan."--"Maar wie zou zoo mooi

kunnen vertellen, als U!" riep de prinses. "Er moet immers juist zoo

heel mooi verteld worden!"--"Ik weet er maar één," zei de fee; "'t is

een meisje, dat dol is op sprookjes, dat zich eene lange reis getroost,

om één sprookje te hooren, dat...."--"O, lieve fee," riep de prinses,

"U kunt mij toch niet meenen!"--"Zeker! ik meen niemand anders," zei

de fee; "zou er wel één ander meisje zijn, die zooveel sprookjes in

haar leven gehoord heeft en die de sprookjes zóó liefheeft? Je hebt

het nooit geprobeerd, kindlief, maar je moet mooi kunnen vertellen,

en nu ik niet kan gaan, moet jij den prins redden."--"Ik wil het graag

probeeren, als 't niet anders kan," zuchtte de prinses, "maar ik ben

bang..." "Niet bang wezen, liefje, met moed op reis gaan; wie weet,

hoe heerlijk de terugkomst is."

Dien nacht sliep de prinses slecht; maar ze zette toch den volgenden

morgen een vroolijk gezichtje en stapte dapper in het rijtuig,

waarmee ze de reis beginnen zou. 't Was bijna avond, toen de prinses

de stad binnen reed, waar de prins woonde. Nieuwsgierig tuurde ze

door de raampjes. Alle menschen, die op de straat liepen, zagen er

triest en treurig uit. Ze kwam voor het paleis, daar stond het zwart

van menschen, en toch was het er doodstil. Alle menschen lieten het

hoofd hangen en zett'en bedrukte gezichten: de prins zou dien nacht

wel sterven.

De prinses stapte uit het rijtuig. Met groote moeite kwam ze door de

menschenmassa heen bij de deur van het paleis. Ze vroeg den koning

te spreken. Antwoord: die was niet te spreken; die zat bij het

sterfbed van den prins en wou daar niet weg. Dan moesten ze maar

den dokter roepen en zeggen, dat ze kwam met eene boodschap van

de sprookjesfee. Pas had ze dat woord gezegd, of de deuren vlogen

voor haar open, en het duurde geen vijf minuten, of ze stond in

de ziekenkamer.

Daar lag de arme prins onder zijne zijden dekens--doodsbleek. Hij

sloeg even flauwtjes de oogleden op, toen de prinses binnen kwam,

maar sloot de oogen ook dadelijk weer; 't was hem onverschillig, wie

er kwam of ging. "Kijk eens, mijn jongen," zei de koning, "daar is

een jong meisje, en de dokter zegt: ze is gekomen om je weer beter te

maken."--"Mij weer beter maken?" zei de prins met eene matte stem, "mij

weer beter maken, dat kan niemand."--"Mag ik het eens probeeren, beste

prins?" vroeg de prinses met eene hartelijke, vriendelijke stem. "Kijk,

eerst wil ik Uw hoofdkussen eens prettig opschudden, en dan ga ik bij

Uw bed zitten en vertel U een sprookje...." "Een sprookje!" zei de

prins, en zijne stem klonk een beetje helderder, "kun je sprookjes

vertellen?"--"Of ik!" zei de prinses, "ik kom regelrecht van de

sprookjesfee, en U moest heel veel groeten van de goede fee hebben,

en ze wenschte U hartelijk beterschap. Als ze niet zoo heel oud was,

zou ze zelve gekomen zijn om U te vertellen, maar nu heeft ze mij de

sprookjes geleerd. Mag ik beginnen?" De prins knikte glimlachend met

het hoofd. "Waar zal het van wezen? van menschen, van dieren of van

dingen?" vroeg de prinses, "'t Is mij alles hetzelfde," zuchtte de

prins, die al weer matter begon te worden. "O, wat ben ik ziek. Je

hadt vroeger moeten komen. Ik sterf van honger naar sprookjes."

Maar de prinses begon. Ze vertelde van de wilde zwanen, van de

trouwe Elise, die om hare broers te redden uit de betoovering

van eene booze fee, nooit een woord mocht praten, voordat ze elf

pantserhemden van brandnetels gevlochten had. Die bleef zwijgen,

toen de menschen allerlei leelijks van haar zeiden, ook toen de

koning, dien ze zoo lief had, haar beschuldigde. De prins deed onder

't vertellen de oogen al wijder en wijder open en richtte zich zelfs

wat op, om beter te luisteren. Toen de vertelling uit was, zei hij:

"Mooi. Jammer, dat het uit is!" Toen draaide hij het hoofd op zij

en sliep rustig in.--De dokters schudd'en het hoofd en zeiden:

"Wonderlijk, wonderlijk!" De prins had immers in zoo langen tijd

niet rustig geslapen. De koning zag er zoo gelukkig uit en dankte

de prinses en liet haar naar eene prachtige logeerkamer in 't paleis

brengen, waar haar allerlei heerlijkheden gepresenteerd werden.

En de prins sliep dien avond en den geheelen nacht rustig door

en at den volgenden morgen met smaak een eitje en 's middags een

bordje soep. Toen het avond werd, gluurde de prins maar al naar de

deur, en eindelijk vroeg hij: "Komt mijne sprookjesfee niet?" Juist

kwam de prinses de deur in en zei: "Daar ben ik al! Wat zal het nu

wezen?"--"Vertel me nu eens wat van dieren, die praten kunnen," zei

de prins. "Kun je dat?"--"Zeker," zei de prinses, en ze vertelde van

den wedloop tusschen den haas en den egel, en de prins ging recht

overeind in 't bed zitten en lachte als een gezond mensch, en toen

het uit was, zei hij: "Heerlijk, heerlijk, ik voel me zoo prettig,

dat ik zeker morgen wel al een paar uurtjes op kan staan. Hartelijk

dank, lieve fee!"--"Ik ben geene fee," zei de prinses, "ik ben maar

een gewoon meisje, dat o, zooveel van sprookjes houdt."--"En ze o,

zoo mooi vertelt!" zei de prins. De prinses kleurde van pret en dacht:

dat moest de sprookjesfee eens hooren. Die zou schik hebben. "Tot

morgen," riep de prins, toen de prinses heen ging.

Toen de prinses den volgenden avond weer kwam--waar was toen de

prins? Het bed was leeg. Een heldere lach klonk door de kamer,

toen de prinses naar het ledige bed keek. Daar zat de prins in een

gemakkelijken stoel bij 't venster en een even gemakkelijke stoel stond

tegenover hem. "Neem plaats!" zei de prins. "Wat zal ik nu prettig

luisteren."--"Waar moet ik nu van vertellen?" vroeg de prinses. "Ik zou

zoo graag eens van dingen hooren, dingen, die net doen als menschen,"

zei de prins. "Kan dat?"--"Dat kan!" zei de prinses. Luister maar:

"Er was eens een net heertje; zijn heele rijkdom bestond in een'

laarzenknecht en een paar pantoffels, maar hij had den fijnsten

linnen kraag van de wereld, en van dien linnen kraag zullen we eene

vertelling hooren." En nu vertelde de prinses van den kraag, die zich

nu oud en wijs genoeg vond, om te trouwen en toen verliefd werd op

eene zijden kous, waarmee hij toevallig in de wasch kwam. Verder,

dat de kous zich eene veel te fijne juffer vond, om iets van den

kraag te willen weten. Dat toen de kraag van liefde gloeide voor

het strijkijzer en later weer mooie praatjes hield tegen de schaar,

waarmee zijne rafels afgeknipt werden. Zoo'n sierlijke danseres had

hij nog nooit gezien enz. enz. Dat de schaar van boosheid een glip in

den kraag maakte. Dat de kraag eindelijk met eene van de pantoffels

wou trouwen en toen met schrik hoorde, dat die al verloofd was met

den laarzenknecht. Dat hij toen niets meer van de liefde wou weten

en toen hij later in den lompenzak kwam, zoo schrikkelijk pochte

en praalde. Ieder had van hem gehouden, ieder had met hem willen

trouwen. Daar was eerst eene zijden kous, zoo slank en fijn.... en

zoo ging dat voort. En zoo grappig vertelde de prinses dat alles,

dat den prins op 't laatst de tranen over de wangen rolden van 't

lachen. Toen de vertelling uitlas, sprong hij op en riep: "Neen, maar,

zoo iets grappigs! Dat heeft me zoo gezond gemaakt als een visch! Ik

dank U, lieve sprookjesfee! Ik dank U!" Daar sprong de deur open en de

koning kwam binnen. "Wat is me dat hier voor eene vroolijkheid," riep

hij. "Ik hoorde in de verte lachen."--"De prins is weer beter!" zei

de prinses. Toen sprong de koning ellen hoog. "Lief meisje," riep hij,

"je hebt mijn' prins gezond gemaakt, daarvoor zal ik je eene kist vol

geld geven en...."--"Niets er van!" riep de prins, "daarvoor wil ik

haar tot mijne vrouw maken!" Toen de koning die woorden hoorde, betrok

zijn gezicht. "Ja," zei hij, ik kan me best indenken, dat je het meisje

lief hebt gekregen, maar een prins kan geen gewoon meisje trouwen, die

moet eene prinses hebben...."--"Dat ben ik juist!" zei nu de prinses

met een zacht stemmetje. "Sakkerloot! als dat zoo is!" riep de koning.

Toen vertelde de prinses haar eigen geschiedenis, en die geschiedenis

vond de prins nog de allermooiste vertelling. Natuurlijk wou de

prins de prinses zelf naar de oude sprookjesfee terugbrengen. De

oude, zei de prins; want hij hield maar vol, dat zijne prinses eene

nieuwe, jonge sprookjesfee was. Wat de oude sprookjesfee schik had,

toen ze den zieken prins zoo gezond en gelukkig voor zich zag! Hoe

hare oogen schitterden, toen ze hoorde, hoe mooi haar logeetje had

weten te vertellen! Van de sprookjesfee ging het nu naar 't ouderlijk

paleis van de prinses. De koning daar was wat blij, dat hij nu ook

een' zoon kreeg. Maar hoe gelukkig de prins was, toen hij 's avonds

in het gezellige torenkamertje met al de brandende lampjes zat,

tegenover de prinses, die al weer eene andere vertelling vertelde,

dat is niet te zeggen.

Toen de prins later koning werd, liet hij aan alle meesters en

juffrouwen van de scholen in zijn land zeggen, dat er tweemaal in de

week verteld moest worden. Wat zeg jullie daarvan?

Zonnestralen in School en Huis · 第 5 / 19 题