Hier zag ik ook enkele witte bloemen, op hooge slanke stengels,

en op den achtergrond lagen op het zand getrokken visschersbooten,

waarvan voor- en achtersteven even hoog zijn, als bij de venetiaansche

gondels. Ze worden geroeid door acht man.--Toen onze sloep het schip

weer naderde, was het dek leeg, en zooals het daar in het gulden

middaglicht sluimerde, leek het mij een soort vliegende Hollander,

een geestenschip, dat hier een korte poos te rusten lag, eer het

weer door de golven zou worden voortgeslingerd naar een onbekende

toekomst. Toen we verder voeren, fladderden stormvogels luid krijschend

met ons mee, en bleven ons nog lang volgen, verwonderlijk behendig,

met een forschen zwaai, uit het zog van onze boot elk toegeworpen

kruimeltje oppikkend. Dien nacht, op weg naar Hammerfest, zagen we

de middernachtzon op het allermooist. De kapitein had ons reeds

verteld, dat wij het gelukkig zouden treffen, want de meeste

reizigers aanschouwen de zonneschijf bij onbewolkte lucht slechts

op prentbriefkaarten, of later, bij het vertellen, in hun eigen

verbeelding. Een der leden van ons gezelschap, een fotograaf uit

Hannover, stond wel een uur te voren met zijn camera op post, en zag

elke minuut op zijn horloge; hij wilde wachten tot de wijzer op twaalf

stond. Anders, vond hij, had de heele zaak "Keinen Sinn und keinen

Zweck". Een collega van hem uit Marseille dacht er anders over; hij

was al druk aan 't platen verwisselen, eer de ander nog zijn apparaat

had opgesteld, en zette eindelijk, met een vrij oneerbiedig: "Là, je

le tiens enfin, le gaillard!" zijn boeltje aan kant. En intusschen

stond daar die onbewogen, gloeiende zonneschijf zich rustig te

spiegelen in de golven, en liet zich "anstaunen" door ons nietige

wezentjes. Wij verdrongen ons om den kapitein, en daar het schip zijn

eerste reis naar het hooge Noorden deed, werd er natuurlijk champagne

geschonken. Er waren twaalf verschillende naties in ons gezelschap

vertegenwoordigd en er werd afgesproken, dat ieder een toast mocht

houden in zijn eigen taal, doch in niet meer dan... twaalf woorden,

op straffe van nog een zestal flesschen te moeten offeren. Zelden is

er zeker puntiger en bondiger gespeecht dan op die bijeenkomst.

Ook den volgenden morgen aan 't ontbijt bleef de opgewekte stemming

voortduren. Wij waren nu niet ver meer van de Noordkaap, en de

gespannen verwachting, gepaard met de zekerheid, dat ons doel

weldra zou zijn bereikt, gaf ons een blij gevoel. We luisterden met

belangstelling naar het verhaal van iemand uit Torghatten, die ons

de legende van den centaur vertelde, een berg, die werkelijk den vorm

van een dier fabelwezens vertoont. Het heet, dat een centaur verliefd

was geworden op eene noorsche jonkvrouw, Lekemoën. Toen hij haar niet

tot vrouw kon verwerven, besloot hij, haar te rooven met geweld; hij

vervolgde haar, en toen zij hem behendig wist te ontwijken, slingerde

hij een steenblok naar haar, dat den Torghatten doorboorde, en onder

het neervallen zich in een eilandje veranderde, dat nog thans Flesköen

(de pijl) heet. De Torghatten heeft in het midden eene opening,

zoo groot, dat men den blauwen hemel er door ziet schijnen. Toen

we ons na het ontbijt op het dek begaven, zagen we lachende oevers,

met huisjes waarvan de daken met groene zoden waren gedekt, en die

als op stelten stonden, bovenop hooge steenen muren, als ruwe zuilen

oprijzend uit het water. In de verte lagen eilandjes en landtongen,

wier rustige omtrekken zich bevallig afteekenden tegen de lichte lucht.

Niet lang daarna waren we te Hammerfest aangekomen. Die noordelijkste

stad der wereld is omgeven door een doordringenden geur van

walvischtraan, teer, schepen en zeilen.--Ook hier vond ik behalve

de protestantsche, een katholieke kerk. De pastoor, die uit den

Rijnpfalz kwam, nam zijn herderlijke plichten met grooten ijver

waar. Ook in Alten, een plaatsje, dat nog dichter bij de Noordkaap

ligt, had hij gemeenteleden te bezoeken, hetgeen hij geregeld deed,

zelfs bij temperaturen, die de rotsen deden vaneensplijten door de

vorst.--Heel Hammerfest wordt electrisch verlicht, en in Sadlen, een

uitlooper van de stad, heeft de onderzoekingsreiziger Wellman een

station voor draadlooze telegrafie ingericht, dat met een station

op het Däne-eiland bij Spitsbergen is verbonden. Van 18 November

tot 23 Januari wordt de stad door geen zonnestraal beschenen. Het

electrisch licht komt dan goed te stade, en de vuurtoren, die op de

smalle landtong van Fuglanaes verrijst, kan zich schadeloos stellen

voor zijn lange zomerrust. Hier wordt men zich eerst recht bewust,

hoe het zeeleven den mensch zóó geheel vervullen en zich als het

ware met lijf en ziel van hem meester maken kan. Dikwijls stormt de

zee hier met schuimende woede tegen die kille kusten, als wilde zij,

nog niet tevreden met de vele offers, die zij voortdurend eischt,

ook die uiterste vesting van dat handjevol menschen nog veroveren. Op

den dag, dat ik er tusschen de rotsen omzwierf, was de zee rustig. De

zon spiegelde zich in haar vriendelijk aangezicht en vergulde de

tallooze blonde kopjes van de vele Hammerfester kinderen, die meest

allen reeds den zuidwester van geolied wasdoek droegen, waarvan de

klep laag in den nek neerhangt; hetzelfde hoofddeksel, waarin die

kleine jongens slechts weinig jaren later den harden kamp met de

elementen zullen moeten beginnen. Op den hoek eener straat stond ik

voor de met een bronzen kogel bekroonde meridiaanzuil, die hier is

opgericht ter gedachtenis aan de van 1816 tot 1852 hier ondernomen

en uitgevoerde meting van den meridiaan van 25°21', door de geometers

van drie rijken, onder de hooge bescherming van Oskar II van Zweden,

en de keizers Alexander I en Nikolaas I van Rusland. De grenzen van

dat groote werk vormden de IJszee en de Donau.--Aan het strand van

Hammerfest trof ik den tachtigjarigen en nog krassen zweedschen baron

Olaf Hermelin aan, die hier rustig een zeegezicht te schilderen stond.

Na Hammerfest beschreef onze boot een wijden kring en voer nog door

verschillende fjorden. De boomgroei had nu geheel opgehouden, en ook de

struiken werden schaarsch. Hier en daar groeiden nog bloemen, liefelijk

om te zien; maar bestemd tot korten bloei.--Het licht omkleedde de

hooge bergketens met een stralengewaad. Het scheen, alsof de wenk van

een reuzentooverstaf een omhoogschuimende golf der felste branding

had doen verstijven tot kristal. In het reine, alles doordringende

licht onderscheidde men elken voorsprong, elke scherpgeteekende

scheiding dier breede schaduwvlakken en felle lichtkanten, in hun

verwonderlijke harmonie. De kristallen doorzichtigheid der lucht

deed ons meenen, door een scherpen verrekijker te zien.--Weer luidde

onze scheepsklok. Een vreemd geruisch vervulde de lucht; het was het

gefladder en gekrijsch van een ontelbare menigte vogels. Wij voeren

dicht voorbij de Stappenegroep. Deze bestaat uit vier steenachtige

eilandjes, vol scherpe rotspunten, die myriaden gevederde bewoners tot

broedplaats dienen.--Het snelle vleugelgeklepper deed ons vermoeden,

dat het meerendeels stormvogels en wilde eenden waren. In Tromsö zijn

ongeveer dertig van zulke vogelbergen, en in Finmarken eveneens. Men

krijgt eerst een begrip van de massa's vogels, die hier aanwezig

zijn, als men hoort van de ontzaglijke hoeveelheden eieren, die hier

jaarlijks worden verzameld. De buit wordt bemachtigd door middel van

netten en knuppels. Er zijn steile naakte rotswanden, waar die jacht

de grootste gevaren medebrengt. De eierzoeker laat zich een touw om

het lijf binden en wordt zoo langs den loodrechten bergwand boven

duizelingwekkende kloven en spleten neergelaten. Hij slaat met zijn

stok tegen de kalk- en granietrotsen, en doodt daarbij zooveel vogels,

dat het schijnt, alsof hij dorre bladeren van een boom doet neer

dwarrelen. Het gebeurt niet zelden, dat het touw, door het schaven

langs de rotspunten beschadigd, of door 't gebruik versleten, breekt,

en de stoutmoedige jager in den afgrond stort.

De chaos van vogels, die krijschend rondfladderen, geeft aan het

noorsche landschap een zeer eigenaardig karakter, en verlevendigt op

geheimzinnige wijze de bleeke eenzaamheid van het uitgestorven land,

alsof een of andere oude heidensche godheid in deze verlatenheid een

laatste toevlucht had gevonden.

Stappen beteekent "de zuil", en werkelijk rijst het naakte

rotsgesteente omhoog in den vorm van kolossale zuilen, die wit zijn

gekleurd door de uitwerpselen der vogels. De overigens onbewoonde

eilanden doen in hun grillige lijnen aan de fantastische scheppingen

van een Böcklin denken.--Het geluid dat de dieren maken met elkander

geeft den indruk van een aanhoudend gerammel met ketens, en soms weer

klinkt het als het eentonig, verdoovend stemmenrumoer, dat men hoort

in de koopmansbeurzen der groote steden van Europa en Amerika.--Wij

schoten met geweren in de massa. Sommige vogels vielen in het water;

andere op het dek. Toen we nog wat nader bij de eilanden waren gekomen,

richtten we een salvo tegen de ontzaglijke duistere spleet, die het

grootste rotsblok in tweeën scheen te deelen. Verbazingwekkend was

het effect. Uit de reusachtige opening schoten millioenen vogels te

voorschijn, die de lucht deden weergalmen van hun gekrijsch en in

donkere wolken naar alle zijden uiteenfladderden.

Wij naderden nu snel de Noordkaap. Een vreemd, onzeker schijnsel wierp

over de rotsen wisselende tinten van rood, groen en oranje. Links

van ons hadden we nu steeds het eindeloos oppervlak der zee; ter

rechterzijde korte, wonderlijk puntige, spookachtige bergketens,

als getuigen van de worsteling eener onrustige natuur in doodstrijd.

Daar lag dan dat geheimzinnig toppunt van het oude Europa, dat nimmer

geheel zal worden vernietigd, en steeds zichzelf weer verjongt. Hoeveel

andere landen en zeeën strekten zich uit, weer achter die hooge

klippen. Hoeveel jacht en onrust van groote wereldsteden, hoeveel

verborgen vrede en geluk op het stille land!

Daar rees de Noordkaap voor ons op. Een naakte, donkere rotsmassa,

omringd door ijzige golven; een waar duivelseiland uit de fabel gelijk.

Toen het schip om de uiterste punt van de kaap was heengevaren en

binnengeloopen in de kleine baai, die 's winters geteisterd wordt door

hevige stormen, keerde ik mij om, om nog eenmaal den blik te laten

weiden over den eindeloozen oceaan, die zich vóór mij uitbreidde

onder het heldere, witachtige licht.

Een zwerm vogels vloog op van de Noordkaap en verdween in het niet,

naar 't mij scheen, alsof die vreemde sphinx, die daar hoog boven ons

te stralen stond, alle leven in zich opnam, zooals de sphinx van het

ijs reeds zoovelen had gelokt en verzwolgen, die hier zochten naar

wetenschap en roem.

De kapitein en zijn vrouw gingen met ons aan land. De paar zeelui, die

met den bootsman de wacht hielden over het schip, lichtten het anker

en voeren, daar de kapitein hun had opgedragen, voor de ontbijttafel

den volgenden morgen te zorgen, een zeemijl verderop, om visch te

vangen. Op de landingsbrug was het bepaald een gedrang. Nog twee

andere booten, een engelsche, de Argonaut, en een hollandsche, de

Thule, waren op dezelfde reede geankerd en hadden reeds verscheiden

sloepen met passagiers van boord gezonden.

De Noordkaap, die uit zwartachtigen, met spleten doorsneden leisteen

bestaat en steil afloopt in zee, ligt op den breedtegraad van 71°

40', en op den lengtegraad van 23° 40' 30''.

De hoogte bedraagt 300 meter. Ten noorden ervan ligt het eiland Magerö.

Natuurlijk was er geen enkele onder de reizigers, die het niet

voor zijn plicht hield, deel te nemen aan de tamelijk moeilijke en

inspannende beklimming. Grijze haren, gezetheid, niets scheen eene

belemmering; alles klauterde, wat het klauteren kon. Dáárvoor was men

nu niet hier gekomen, om te blijven steken aan den voet. Het was een

hijgen en blazen zonder einde. Eerst werd de overjas uitgetrokken,

dan de jas; daarna gingen de dassen eraan, en eindelijk zelfs de

boorden. Nu en dan stond men in groepjes met bedrukte gezichten omhoog

te zien naar het opwaarts kronkelend pad.

Wederkeerig sprak men elkaar moed in. "Een half uurtje nog...... straks

na die bocht wordt het beter..... is dat daar niet een soort van

leuning?..... ha, daar hebben we al een touw..." zoo klonk het nu

hier, dan ginds. Opgeven deden ze 't niet. Ieder moest kunnen zeggen,

dat hij op den top geweest was. De hoop op nog eenigen steun van

buitenaf bleek niet ongegrond. Van uit een bepaald punt der kust was

een soort van geïmproviseerde leuning van touwen aangebracht, waaraan

de meesten zich dankbaar vastklampten. Er was iets huiveringwekkends

in de omgeving; de geheele omtrek had een zoo afschrikkend en steriel

voorkomen, dat men onwillekeurig onder den indruk geraakte van die

troostelooze kaalheid en hardheid. De onverzettelijke kleine schare

geleek wel een troep pelgrims op den lijdensweg. De eersten waren dan

nu gelukkig aangeland op het plateau, waarvan de noordelijke rand steil

in zee afvalt. Een volkomen kale vlakte, waaruit af en toe een vogel

opfladderde, die met zijn schreeuw de stilte verbrak. Hier en daar

had men een uitzicht op het met sneeuwvelden en plassen bedekte eiland

Magerö. Dwars over het rotsplateau was een ijzerdraad gespannen naar de

kiosk, die met het front naar zee staat. Dit was wel zeer noodig; daar

de berg dikwijls in dichten nevel is gehuld, en men dan gevaar loopt,

in kloven of spleten te storten. Een met groen getooide granieten zuil

vermeldt, dat twee vorsten hier een bezoek gebracht hebben, Koning

Oscar van Zweden op 2 Juli 1873, en Keizer Wilhelm II op 22 Juli 1891.

De lucht was bewolkt en somber, toen wij, aan de kiosk gekomen,

uitzagen naar zee. Op een verschijnen van de zon viel bijna niet

te hopen. Toch was het een grootsch gezicht, die sluimerende

oneindigheid. Boven de wolken, die de zon bedekt hielden, schoten

aan den verren horizon lichtlijnen omhoog, die op den diadeem van

een overwinnaar geleken.

Het pavilloen was versierd met vlaggen van verschillende

landen. Er lagen lijsten gereed, waarop wij allen onze namen

teekenden. Champagnekurken knalden. Telkens gluurde men eens even

naar buiten; maar de zon bleef weg. Wij verdreven ons den tijd met

babbelen en prentbriefkaarten schrijven. Er waren vier verschillende

afbeeldingen te koop van de Noordkaap. Ieder wilde natuurlijk die,

waarop ook de zon te zien was. Als photo's waren de prentjes niet veel

zaaks; maar ze kostten zonder postzegel nog een halve mark per stuk,

zoodat een groet uit de Noordkaap op minstens 60 pfennig te staan

komt. De verkooper vertelde ons dan ook tot zijn verontschuldiging,

dat hij voor de pacht van de kiosk jaarlijks 300 kronen moest betalen,

en zei naar waarheid, dat het "seizoen" hier wel buitengemeen kort

was. Men werpt zijn kaarten in een bus aan den voet van den berg. Hier

worden ze voorzien van den stempel "Noordkaap", en dan reist de

geheele post met de schrijvers op dezelfde boot weer terug. In het

pavilloen staan in een halven kring schrijftafels, keurig ingericht,

met inkt, pennehouders en pennen, en vloeipapier. De dingen worden

niet, zooals in andere landen, aan den lessenaar vastgemaakt; trouwens

in dit jaargetij komt alle bedreven kwaad hier dan ook onverbiddelijk

"aan het licht".

Op eens klonken van alle zijden luide uitroepen: "De zon! De zon!"--Wij

geleken wel allen op Oswald uit Ibsen's "Spoken" op dat oogenblik. Het

geheele paviljoen kwam in beweging en wij stormden naar buiten. Alleen

de prentbrief kaarten man bleef rustig zitten. Hij had die veelbegeerde

zon naar zijn zin zeker al dikwijls genoeg onder de oogen gehad.--Ik

zal den indruk niet licht vergeten, dien ik nog ontving, al was het

slechts een korte afscheidsgroet, dien de zon ons toewierp, eer zij

zich weer aan onzen blik onttrok. Tot beschouwingen was het overigens

de tijd niet; met koortsachtige haast werden de kodaks gegrepen, en

overal klepperden de deksels der camera's. De beste opnamen krijgt

men bij korte belichting. "Gauw, een groep vormen!" riep iemand

opgewonden. We vlogen allen haastig naar de zuil en konden ons nog

juist groepeeren, zoo goed dat in der haast ging, eer de lichtende

kogel zich weer aan ons oog onttrok.--Weer breidde zich de vale,

arctische schemering uit over de rotsen, de sneeuwvelden, de verre

plassen en moerassen en de enkele rondvliegende vogels. Het werd koud,

en huiverend maakten wij ons gereed voor den terugtocht. Boven aan den

rand van het plateau ontmoetten wij de achterblijvers die onderweg

hadden gerust en nu het beste bleken gemist te hebben. Welgemoed

trokken zij echter mantels en jassen dichter om zich heen, in 't

bewustzijn dat zij het doel ten minste hadden bereikt.

De reis naar Spitsbergen wordt in den regel ondernomen van uit

Hammerfest. Hier nam dan ook de pastoor van Drontheim afscheid van ons,

met andere reisgenooten, die ons lief geworden waren op den tocht,

en slechts weinig passagiers bleven over, die op onzen noorschen

schoener de reis naar Spitsbergen mee wilden maken. Urenlang gleden

wij, als door den wind gedragen voorwaarts, totdat laat in den namiddag

beweging kwam in de rustige golven.

"De wind slaat om", klonk de stentorstem van den kapitein van de

brug. Onmiddellijk begonnen de matrozen de zeilen te reven. Tijd om

de naaste kust te bereiken was er niet meer. De storm brak met geweld

over ons los en dreef ons uit alle macht naar het westen. Het duurde

uren, eer het weêr bedaarde, en toen de Hedda weder macht kreeg over

de golven, waren wij niet ver meer verwijderd van de IJslandsche

kust. Daar het noodig was, de door den storm aangerichte schade te

herstellen, besloot de kapitein een haven binnen te loopen. Over twee

uur zouden we voor anker gaan.

Daar lag het nu werkelijk vóór ons, dat eenzame eiland, dat ons steeds

zoo onbereikbaar ver weg was toegeschenen; als een door de zee omgeven

kluizenaarswoning kwam het ons voor, doch een kluizenaarsverblijf,

zoo groot als Baden, Wurtemberg en de Beiersche Rijnpfalz met elkaar.

Het scheen een schoon land met zijn diep in de kust snijdende fjorden,

zijn lachende dalen en schuimende watervallen; zijn geweldige

gletschers, en zijn honderden vulkanen en geysers. Geen bosschen

echter waren er te zien. Slechts wat magere berkenstammen teekenden

zich af tegen den horizon. Dat wegsterven van den plantengroei in het

Noorden wordt vergoed door den rijken bloei der fauna, zoo te land

als te water. Terwijl men het aantal schapen hier op 90.000 en dat

der paarden op 40.000 schat, laat het aantal rendieren, waarvan de

eerste paren in 1700 werden ingevoerd, en waarmede het ging als met

de konijnen in Nieuw-Zeeland, zich niet eens vaststellen, wegens de

verbazend groote hoeveelheid.

De 80.000 bewoners van het eiland zijn van skandinavischen

oorsprong. In het jaar 860 werd IJsland ontdekt door dezelfde

Noormannen, die in 876 Groenland en in 1000 Nieuw-Engeland

ontdekten. In Reykjavik, de geheel van hout gebouwde hoofdstad, woont

een luthersch bisschop. In het jaar 1000 had IJsland een republikeinsch

bestuur. Toen het later onder de heerschappij van Denemarken

kwam, bewaarde het den zin voor vrijheid en onafhankelijkheid,

die het trotsche land nog thans eigen is. De reis van IJsland naar

Spitsbergen duurde vijf dagen. Vijf dagen te midden van de heerlijke

kleurenpracht der steeds wisselende tinten der golven onder het telkens

weer veranderende licht. Eens, toen wij in bewondering verzonken op

het dek stonden, hoorden wij, geheel onverwacht, de klanken eener

viool. Beneden in zijn hut ontlokte de kapitein aan zijn instrument

de tonen van een zwaarmoedig, poëtisch lied van Grieg. Het was als

de openbaring der diepe noorsche volksziel, de ziel van bergbewoners

en zeevaarders.

De archipel van Spitsbergen behoort aan niemand, is herrenlos, zooals

de Duitschers het noemen. Ontdekt werd hij in 1592 door de Hollanders

Barents en Heemskerk, bij hun pogen om den noord-oostelijken zeeweg

naar Azië te vinden. In het jaar 1612 kwamen ook de Engelschen

hier, die rijk gewin trokken uit jacht en visscherij. In de 17e

eeuw ontstonden hier meermalen bloedige twisten tusschen engelsche,

hollandsche en fransche walvischvaarders, totdat ten slotte Holland,

Engeland, Denemarken en Noorwegen de heerschappij onder zich

verdeelden over de wateren der uit zes groote eilanden bestaande

Spitsbergen-groep. De eersten die hier waagden te overwinteren, waren

de Russen. Noorsche jagers hebben onlangs hun voorbeeld gevolgd. In

den winter is de eilandengroep volkomen afgesloten door ijsschotsen,

die zich des zomers beperken tot de Noord- en Oostkust. Aan de andere

beide zijden verhindert de golfstroom de ijsvorming. De gemiddelde

maandtemperatuur stijgt in Juni tot 1° boven nul; in Juli tot 5°,

in Augustus tot 3°. Sneeuw valt in alle maanden. Gedurende 124 dagen

komt de zon in het geheel niet te voorschijn.

Dit "Ultima Thule" krioelt van scherpe rotspunten, waarnaar het dan

ook zijn naam draagt. De reusachtige Dickson-gletscher schijnt een uit

zee oprijzende ontzaglijke zilveren muur. De lucht is zoo zuiver, dat

lijken hier niet tot ontbinding overgaan; maar eenvoudig uitdrogen.--Er

groeit hier een soort poolwilg, en de benedenste gedeelten der rotsen

zijn bedekt met mos, dat in geval van nood als voedsel kan dienen.

Toen wij omstreeks middernacht de westzijde van Spitsbergen naderden,

sneeuwde het, terwijl de zon helder scheen, een aller wonderlijkste

combinatie, het uur van den dag (of nacht) in aanmerking genomen. In

de nabijheid der bocht waar wij aankwamen, bevond zich een troep

Engelschen, die juist terugkwamen van de rendierjacht. Ze droegen

noorsche oliejassen en sommigen hadden ook broeken aan van dezelfde

stof, die de visschers van de Lofodden en Westeraalen dragen, als

zij dagenlang bij stroomenden regen in hun open boot op de roeibank

zitten. Anderen droegen hooge waterlaarzen, die men met riemen

opzij aan de heupen bevestigen kan; een tweede riem wordt nog om

het been boven den voet gewonden. Wij zwierven geruimen tijd op het

groote eiland rond. In de Sassenbaai bij het IJsfjord zagen we dieren

genoeg, maar nergens een struik, een plekje groen of een menschelijke

woonplaats. Men voelde zich aan den drempel van een doodenrijk. Op een

hoogte bij de Advent-baai zagen we twee graven en de overblijfselen

van een hut.

Noorsche rendierjagers, die zich door de te vroeg verschuivende

ijsvelden in October 1895 den terugweg zagen afgesneden, hebben in

die hut gewoond en rusten in die graven. En ten slotte zagen wij, aan

de overzijde van onbegaanbare ijsvlakten, de Virgo-baai, vanwaar de

ongelukkige André zijn reis begon, toen hij in zijn luchtschip den

weg zocht naar de Noordpool. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de

sneeuwmassa's die zich verzamelden op het bovenvlak van den ballon,

niet konden smelten, zoodat hij, onder hun last bezwijkend, als een

uitgeputte vogel naar beneden stortte, en het omhulsel, dat hem door

het luchtruim had gedragen, langzaam werd verteerd.

De Ziel van het Noorden De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 2 / 3 段