en op den achtergrond lagen op het zand getrokken visschersbooten,
waarvan voor- en achtersteven even hoog zijn, als bij de venetiaansche
gondels. Ze worden geroeid door acht man.--Toen onze sloep het schip
weer naderde, was het dek leeg, en zooals het daar in het gulden
middaglicht sluimerde, leek het mij een soort vliegende Hollander,
een geestenschip, dat hier een korte poos te rusten lag, eer het
weer door de golven zou worden voortgeslingerd naar een onbekende
toekomst. Toen we verder voeren, fladderden stormvogels luid krijschend
met ons mee, en bleven ons nog lang volgen, verwonderlijk behendig,
met een forschen zwaai, uit het zog van onze boot elk toegeworpen
kruimeltje oppikkend. Dien nacht, op weg naar Hammerfest, zagen we
de middernachtzon op het allermooist. De kapitein had ons reeds
verteld, dat wij het gelukkig zouden treffen, want de meeste
reizigers aanschouwen de zonneschijf bij onbewolkte lucht slechts
op prentbriefkaarten, of later, bij het vertellen, in hun eigen
verbeelding. Een der leden van ons gezelschap, een fotograaf uit
Hannover, stond wel een uur te voren met zijn camera op post, en zag
elke minuut op zijn horloge; hij wilde wachten tot de wijzer op twaalf
stond. Anders, vond hij, had de heele zaak "Keinen Sinn und keinen
Zweck". Een collega van hem uit Marseille dacht er anders over; hij
was al druk aan 't platen verwisselen, eer de ander nog zijn apparaat
had opgesteld, en zette eindelijk, met een vrij oneerbiedig: "Là, je
le tiens enfin, le gaillard!" zijn boeltje aan kant. En intusschen
stond daar die onbewogen, gloeiende zonneschijf zich rustig te
spiegelen in de golven, en liet zich "anstaunen" door ons nietige
wezentjes. Wij verdrongen ons om den kapitein, en daar het schip zijn
eerste reis naar het hooge Noorden deed, werd er natuurlijk champagne
geschonken. Er waren twaalf verschillende naties in ons gezelschap
vertegenwoordigd en er werd afgesproken, dat ieder een toast mocht
houden in zijn eigen taal, doch in niet meer dan... twaalf woorden,
op straffe van nog een zestal flesschen te moeten offeren. Zelden is
er zeker puntiger en bondiger gespeecht dan op die bijeenkomst.
Ook den volgenden morgen aan 't ontbijt bleef de opgewekte stemming
voortduren. Wij waren nu niet ver meer van de Noordkaap, en de
gespannen verwachting, gepaard met de zekerheid, dat ons doel
weldra zou zijn bereikt, gaf ons een blij gevoel. We luisterden met
belangstelling naar het verhaal van iemand uit Torghatten, die ons
de legende van den centaur vertelde, een berg, die werkelijk den vorm
van een dier fabelwezens vertoont. Het heet, dat een centaur verliefd
was geworden op eene noorsche jonkvrouw, Lekemoën. Toen hij haar niet
tot vrouw kon verwerven, besloot hij, haar te rooven met geweld; hij
vervolgde haar, en toen zij hem behendig wist te ontwijken, slingerde
hij een steenblok naar haar, dat den Torghatten doorboorde, en onder
het neervallen zich in een eilandje veranderde, dat nog thans Flesköen
(de pijl) heet. De Torghatten heeft in het midden eene opening,
zoo groot, dat men den blauwen hemel er door ziet schijnen. Toen
we ons na het ontbijt op het dek begaven, zagen we lachende oevers,
met huisjes waarvan de daken met groene zoden waren gedekt, en die
als op stelten stonden, bovenop hooge steenen muren, als ruwe zuilen
oprijzend uit het water. In de verte lagen eilandjes en landtongen,
wier rustige omtrekken zich bevallig afteekenden tegen de lichte lucht.
Niet lang daarna waren we te Hammerfest aangekomen. Die noordelijkste
stad der wereld is omgeven door een doordringenden geur van
walvischtraan, teer, schepen en zeilen.--Ook hier vond ik behalve
de protestantsche, een katholieke kerk. De pastoor, die uit den
Rijnpfalz kwam, nam zijn herderlijke plichten met grooten ijver
waar. Ook in Alten, een plaatsje, dat nog dichter bij de Noordkaap
ligt, had hij gemeenteleden te bezoeken, hetgeen hij geregeld deed,
zelfs bij temperaturen, die de rotsen deden vaneensplijten door de
vorst.--Heel Hammerfest wordt electrisch verlicht, en in Sadlen, een
uitlooper van de stad, heeft de onderzoekingsreiziger Wellman een
station voor draadlooze telegrafie ingericht, dat met een station
op het Däne-eiland bij Spitsbergen is verbonden. Van 18 November
tot 23 Januari wordt de stad door geen zonnestraal beschenen. Het
electrisch licht komt dan goed te stade, en de vuurtoren, die op de
smalle landtong van Fuglanaes verrijst, kan zich schadeloos stellen
voor zijn lange zomerrust. Hier wordt men zich eerst recht bewust,
hoe het zeeleven den mensch zóó geheel vervullen en zich als het
ware met lijf en ziel van hem meester maken kan. Dikwijls stormt de
zee hier met schuimende woede tegen die kille kusten, als wilde zij,
nog niet tevreden met de vele offers, die zij voortdurend eischt,
ook die uiterste vesting van dat handjevol menschen nog veroveren. Op
den dag, dat ik er tusschen de rotsen omzwierf, was de zee rustig. De
zon spiegelde zich in haar vriendelijk aangezicht en vergulde de
tallooze blonde kopjes van de vele Hammerfester kinderen, die meest
allen reeds den zuidwester van geolied wasdoek droegen, waarvan de
klep laag in den nek neerhangt; hetzelfde hoofddeksel, waarin die
kleine jongens slechts weinig jaren later den harden kamp met de
elementen zullen moeten beginnen. Op den hoek eener straat stond ik
voor de met een bronzen kogel bekroonde meridiaanzuil, die hier is
opgericht ter gedachtenis aan de van 1816 tot 1852 hier ondernomen
en uitgevoerde meting van den meridiaan van 25°21', door de geometers
van drie rijken, onder de hooge bescherming van Oskar II van Zweden,
en de keizers Alexander I en Nikolaas I van Rusland. De grenzen van
dat groote werk vormden de IJszee en de Donau.--Aan het strand van
Hammerfest trof ik den tachtigjarigen en nog krassen zweedschen baron
Olaf Hermelin aan, die hier rustig een zeegezicht te schilderen stond.
Na Hammerfest beschreef onze boot een wijden kring en voer nog door
verschillende fjorden. De boomgroei had nu geheel opgehouden, en ook de
struiken werden schaarsch. Hier en daar groeiden nog bloemen, liefelijk
om te zien; maar bestemd tot korten bloei.--Het licht omkleedde de
hooge bergketens met een stralengewaad. Het scheen, alsof de wenk van
een reuzentooverstaf een omhoogschuimende golf der felste branding
had doen verstijven tot kristal. In het reine, alles doordringende
licht onderscheidde men elken voorsprong, elke scherpgeteekende
scheiding dier breede schaduwvlakken en felle lichtkanten, in hun
verwonderlijke harmonie. De kristallen doorzichtigheid der lucht
deed ons meenen, door een scherpen verrekijker te zien.--Weer luidde
onze scheepsklok. Een vreemd geruisch vervulde de lucht; het was het
gefladder en gekrijsch van een ontelbare menigte vogels. Wij voeren
dicht voorbij de Stappenegroep. Deze bestaat uit vier steenachtige
eilandjes, vol scherpe rotspunten, die myriaden gevederde bewoners tot
broedplaats dienen.--Het snelle vleugelgeklepper deed ons vermoeden,
dat het meerendeels stormvogels en wilde eenden waren. In Tromsö zijn
ongeveer dertig van zulke vogelbergen, en in Finmarken eveneens. Men
krijgt eerst een begrip van de massa's vogels, die hier aanwezig
zijn, als men hoort van de ontzaglijke hoeveelheden eieren, die hier
jaarlijks worden verzameld. De buit wordt bemachtigd door middel van
netten en knuppels. Er zijn steile naakte rotswanden, waar die jacht
de grootste gevaren medebrengt. De eierzoeker laat zich een touw om
het lijf binden en wordt zoo langs den loodrechten bergwand boven
duizelingwekkende kloven en spleten neergelaten. Hij slaat met zijn
stok tegen de kalk- en granietrotsen, en doodt daarbij zooveel vogels,
dat het schijnt, alsof hij dorre bladeren van een boom doet neer
dwarrelen. Het gebeurt niet zelden, dat het touw, door het schaven
langs de rotspunten beschadigd, of door 't gebruik versleten, breekt,
en de stoutmoedige jager in den afgrond stort.
De chaos van vogels, die krijschend rondfladderen, geeft aan het
noorsche landschap een zeer eigenaardig karakter, en verlevendigt op
geheimzinnige wijze de bleeke eenzaamheid van het uitgestorven land,
alsof een of andere oude heidensche godheid in deze verlatenheid een
laatste toevlucht had gevonden.
Stappen beteekent "de zuil", en werkelijk rijst het naakte
rotsgesteente omhoog in den vorm van kolossale zuilen, die wit zijn
gekleurd door de uitwerpselen der vogels. De overigens onbewoonde
eilanden doen in hun grillige lijnen aan de fantastische scheppingen
van een Böcklin denken.--Het geluid dat de dieren maken met elkander
geeft den indruk van een aanhoudend gerammel met ketens, en soms weer
klinkt het als het eentonig, verdoovend stemmenrumoer, dat men hoort
in de koopmansbeurzen der groote steden van Europa en Amerika.--Wij
schoten met geweren in de massa. Sommige vogels vielen in het water;
andere op het dek. Toen we nog wat nader bij de eilanden waren gekomen,
richtten we een salvo tegen de ontzaglijke duistere spleet, die het
grootste rotsblok in tweeën scheen te deelen. Verbazingwekkend was
het effect. Uit de reusachtige opening schoten millioenen vogels te
voorschijn, die de lucht deden weergalmen van hun gekrijsch en in
donkere wolken naar alle zijden uiteenfladderden.
Wij naderden nu snel de Noordkaap. Een vreemd, onzeker schijnsel wierp
over de rotsen wisselende tinten van rood, groen en oranje. Links
van ons hadden we nu steeds het eindeloos oppervlak der zee; ter
rechterzijde korte, wonderlijk puntige, spookachtige bergketens,
als getuigen van de worsteling eener onrustige natuur in doodstrijd.
Daar lag dan dat geheimzinnig toppunt van het oude Europa, dat nimmer
geheel zal worden vernietigd, en steeds zichzelf weer verjongt. Hoeveel
andere landen en zeeën strekten zich uit, weer achter die hooge
klippen. Hoeveel jacht en onrust van groote wereldsteden, hoeveel
verborgen vrede en geluk op het stille land!
Daar rees de Noordkaap voor ons op. Een naakte, donkere rotsmassa,
omringd door ijzige golven; een waar duivelseiland uit de fabel gelijk.
Toen het schip om de uiterste punt van de kaap was heengevaren en
binnengeloopen in de kleine baai, die 's winters geteisterd wordt door
hevige stormen, keerde ik mij om, om nog eenmaal den blik te laten
weiden over den eindeloozen oceaan, die zich vóór mij uitbreidde
onder het heldere, witachtige licht.
Een zwerm vogels vloog op van de Noordkaap en verdween in het niet,
naar 't mij scheen, alsof die vreemde sphinx, die daar hoog boven ons
te stralen stond, alle leven in zich opnam, zooals de sphinx van het
ijs reeds zoovelen had gelokt en verzwolgen, die hier zochten naar
wetenschap en roem.
De kapitein en zijn vrouw gingen met ons aan land. De paar zeelui, die
met den bootsman de wacht hielden over het schip, lichtten het anker
en voeren, daar de kapitein hun had opgedragen, voor de ontbijttafel
den volgenden morgen te zorgen, een zeemijl verderop, om visch te
vangen. Op de landingsbrug was het bepaald een gedrang. Nog twee
andere booten, een engelsche, de Argonaut, en een hollandsche, de
Thule, waren op dezelfde reede geankerd en hadden reeds verscheiden
sloepen met passagiers van boord gezonden.
De Noordkaap, die uit zwartachtigen, met spleten doorsneden leisteen
bestaat en steil afloopt in zee, ligt op den breedtegraad van 71°
40', en op den lengtegraad van 23° 40' 30''.
De hoogte bedraagt 300 meter. Ten noorden ervan ligt het eiland Magerö.
Natuurlijk was er geen enkele onder de reizigers, die het niet
voor zijn plicht hield, deel te nemen aan de tamelijk moeilijke en
inspannende beklimming. Grijze haren, gezetheid, niets scheen eene
belemmering; alles klauterde, wat het klauteren kon. Dáárvoor was men
nu niet hier gekomen, om te blijven steken aan den voet. Het was een
hijgen en blazen zonder einde. Eerst werd de overjas uitgetrokken,
dan de jas; daarna gingen de dassen eraan, en eindelijk zelfs de
boorden. Nu en dan stond men in groepjes met bedrukte gezichten omhoog
te zien naar het opwaarts kronkelend pad.
Wederkeerig sprak men elkaar moed in. "Een half uurtje nog...... straks
na die bocht wordt het beter..... is dat daar niet een soort van
leuning?..... ha, daar hebben we al een touw..." zoo klonk het nu
hier, dan ginds. Opgeven deden ze 't niet. Ieder moest kunnen zeggen,
dat hij op den top geweest was. De hoop op nog eenigen steun van
buitenaf bleek niet ongegrond. Van uit een bepaald punt der kust was
een soort van geïmproviseerde leuning van touwen aangebracht, waaraan
de meesten zich dankbaar vastklampten. Er was iets huiveringwekkends
in de omgeving; de geheele omtrek had een zoo afschrikkend en steriel
voorkomen, dat men onwillekeurig onder den indruk geraakte van die
troostelooze kaalheid en hardheid. De onverzettelijke kleine schare
geleek wel een troep pelgrims op den lijdensweg. De eersten waren dan
nu gelukkig aangeland op het plateau, waarvan de noordelijke rand steil
in zee afvalt. Een volkomen kale vlakte, waaruit af en toe een vogel
opfladderde, die met zijn schreeuw de stilte verbrak. Hier en daar
had men een uitzicht op het met sneeuwvelden en plassen bedekte eiland
Magerö. Dwars over het rotsplateau was een ijzerdraad gespannen naar de
kiosk, die met het front naar zee staat. Dit was wel zeer noodig; daar
de berg dikwijls in dichten nevel is gehuld, en men dan gevaar loopt,
in kloven of spleten te storten. Een met groen getooide granieten zuil
vermeldt, dat twee vorsten hier een bezoek gebracht hebben, Koning
Oscar van Zweden op 2 Juli 1873, en Keizer Wilhelm II op 22 Juli 1891.
De lucht was bewolkt en somber, toen wij, aan de kiosk gekomen,
uitzagen naar zee. Op een verschijnen van de zon viel bijna niet
te hopen. Toch was het een grootsch gezicht, die sluimerende
oneindigheid. Boven de wolken, die de zon bedekt hielden, schoten
aan den verren horizon lichtlijnen omhoog, die op den diadeem van
een overwinnaar geleken.
Het pavilloen was versierd met vlaggen van verschillende
landen. Er lagen lijsten gereed, waarop wij allen onze namen
teekenden. Champagnekurken knalden. Telkens gluurde men eens even
naar buiten; maar de zon bleef weg. Wij verdreven ons den tijd met
babbelen en prentbriefkaarten schrijven. Er waren vier verschillende
afbeeldingen te koop van de Noordkaap. Ieder wilde natuurlijk die,
waarop ook de zon te zien was. Als photo's waren de prentjes niet veel
zaaks; maar ze kostten zonder postzegel nog een halve mark per stuk,
zoodat een groet uit de Noordkaap op minstens 60 pfennig te staan
komt. De verkooper vertelde ons dan ook tot zijn verontschuldiging,
dat hij voor de pacht van de kiosk jaarlijks 300 kronen moest betalen,
en zei naar waarheid, dat het "seizoen" hier wel buitengemeen kort
was. Men werpt zijn kaarten in een bus aan den voet van den berg. Hier
worden ze voorzien van den stempel "Noordkaap", en dan reist de
geheele post met de schrijvers op dezelfde boot weer terug. In het
pavilloen staan in een halven kring schrijftafels, keurig ingericht,
met inkt, pennehouders en pennen, en vloeipapier. De dingen worden
niet, zooals in andere landen, aan den lessenaar vastgemaakt; trouwens
in dit jaargetij komt alle bedreven kwaad hier dan ook onverbiddelijk
"aan het licht".
Op eens klonken van alle zijden luide uitroepen: "De zon! De zon!"--Wij
geleken wel allen op Oswald uit Ibsen's "Spoken" op dat oogenblik. Het
geheele paviljoen kwam in beweging en wij stormden naar buiten. Alleen
de prentbrief kaarten man bleef rustig zitten. Hij had die veelbegeerde
zon naar zijn zin zeker al dikwijls genoeg onder de oogen gehad.--Ik
zal den indruk niet licht vergeten, dien ik nog ontving, al was het
slechts een korte afscheidsgroet, dien de zon ons toewierp, eer zij
zich weer aan onzen blik onttrok. Tot beschouwingen was het overigens
de tijd niet; met koortsachtige haast werden de kodaks gegrepen, en
overal klepperden de deksels der camera's. De beste opnamen krijgt
men bij korte belichting. "Gauw, een groep vormen!" riep iemand
opgewonden. We vlogen allen haastig naar de zuil en konden ons nog
juist groepeeren, zoo goed dat in der haast ging, eer de lichtende
kogel zich weer aan ons oog onttrok.--Weer breidde zich de vale,
arctische schemering uit over de rotsen, de sneeuwvelden, de verre
plassen en moerassen en de enkele rondvliegende vogels. Het werd koud,
en huiverend maakten wij ons gereed voor den terugtocht. Boven aan den
rand van het plateau ontmoetten wij de achterblijvers die onderweg
hadden gerust en nu het beste bleken gemist te hebben. Welgemoed
trokken zij echter mantels en jassen dichter om zich heen, in 't
bewustzijn dat zij het doel ten minste hadden bereikt.
De reis naar Spitsbergen wordt in den regel ondernomen van uit
Hammerfest. Hier nam dan ook de pastoor van Drontheim afscheid van ons,
met andere reisgenooten, die ons lief geworden waren op den tocht,
en slechts weinig passagiers bleven over, die op onzen noorschen
schoener de reis naar Spitsbergen mee wilden maken. Urenlang gleden
wij, als door den wind gedragen voorwaarts, totdat laat in den namiddag
beweging kwam in de rustige golven.
"De wind slaat om", klonk de stentorstem van den kapitein van de
brug. Onmiddellijk begonnen de matrozen de zeilen te reven. Tijd om
de naaste kust te bereiken was er niet meer. De storm brak met geweld
over ons los en dreef ons uit alle macht naar het westen. Het duurde
uren, eer het weêr bedaarde, en toen de Hedda weder macht kreeg over
de golven, waren wij niet ver meer verwijderd van de IJslandsche
kust. Daar het noodig was, de door den storm aangerichte schade te
herstellen, besloot de kapitein een haven binnen te loopen. Over twee
uur zouden we voor anker gaan.
Daar lag het nu werkelijk vóór ons, dat eenzame eiland, dat ons steeds
zoo onbereikbaar ver weg was toegeschenen; als een door de zee omgeven
kluizenaarswoning kwam het ons voor, doch een kluizenaarsverblijf,
zoo groot als Baden, Wurtemberg en de Beiersche Rijnpfalz met elkaar.
Het scheen een schoon land met zijn diep in de kust snijdende fjorden,
zijn lachende dalen en schuimende watervallen; zijn geweldige
gletschers, en zijn honderden vulkanen en geysers. Geen bosschen
echter waren er te zien. Slechts wat magere berkenstammen teekenden
zich af tegen den horizon. Dat wegsterven van den plantengroei in het
Noorden wordt vergoed door den rijken bloei der fauna, zoo te land
als te water. Terwijl men het aantal schapen hier op 90.000 en dat
der paarden op 40.000 schat, laat het aantal rendieren, waarvan de
eerste paren in 1700 werden ingevoerd, en waarmede het ging als met
de konijnen in Nieuw-Zeeland, zich niet eens vaststellen, wegens de
verbazend groote hoeveelheid.
De 80.000 bewoners van het eiland zijn van skandinavischen
oorsprong. In het jaar 860 werd IJsland ontdekt door dezelfde
Noormannen, die in 876 Groenland en in 1000 Nieuw-Engeland
ontdekten. In Reykjavik, de geheel van hout gebouwde hoofdstad, woont
een luthersch bisschop. In het jaar 1000 had IJsland een republikeinsch
bestuur. Toen het later onder de heerschappij van Denemarken
kwam, bewaarde het den zin voor vrijheid en onafhankelijkheid,
die het trotsche land nog thans eigen is. De reis van IJsland naar
Spitsbergen duurde vijf dagen. Vijf dagen te midden van de heerlijke
kleurenpracht der steeds wisselende tinten der golven onder het telkens
weer veranderende licht. Eens, toen wij in bewondering verzonken op
het dek stonden, hoorden wij, geheel onverwacht, de klanken eener
viool. Beneden in zijn hut ontlokte de kapitein aan zijn instrument
de tonen van een zwaarmoedig, poëtisch lied van Grieg. Het was als
de openbaring der diepe noorsche volksziel, de ziel van bergbewoners
en zeevaarders.
De archipel van Spitsbergen behoort aan niemand, is herrenlos, zooals
de Duitschers het noemen. Ontdekt werd hij in 1592 door de Hollanders
Barents en Heemskerk, bij hun pogen om den noord-oostelijken zeeweg
naar Azië te vinden. In het jaar 1612 kwamen ook de Engelschen
hier, die rijk gewin trokken uit jacht en visscherij. In de 17e
eeuw ontstonden hier meermalen bloedige twisten tusschen engelsche,
hollandsche en fransche walvischvaarders, totdat ten slotte Holland,
Engeland, Denemarken en Noorwegen de heerschappij onder zich
verdeelden over de wateren der uit zes groote eilanden bestaande
Spitsbergen-groep. De eersten die hier waagden te overwinteren, waren
de Russen. Noorsche jagers hebben onlangs hun voorbeeld gevolgd. In
den winter is de eilandengroep volkomen afgesloten door ijsschotsen,
die zich des zomers beperken tot de Noord- en Oostkust. Aan de andere
beide zijden verhindert de golfstroom de ijsvorming. De gemiddelde
maandtemperatuur stijgt in Juni tot 1° boven nul; in Juli tot 5°,
in Augustus tot 3°. Sneeuw valt in alle maanden. Gedurende 124 dagen
komt de zon in het geheel niet te voorschijn.
Dit "Ultima Thule" krioelt van scherpe rotspunten, waarnaar het dan
ook zijn naam draagt. De reusachtige Dickson-gletscher schijnt een uit
zee oprijzende ontzaglijke zilveren muur. De lucht is zoo zuiver, dat
lijken hier niet tot ontbinding overgaan; maar eenvoudig uitdrogen.--Er
groeit hier een soort poolwilg, en de benedenste gedeelten der rotsen
zijn bedekt met mos, dat in geval van nood als voedsel kan dienen.
Toen wij omstreeks middernacht de westzijde van Spitsbergen naderden,
sneeuwde het, terwijl de zon helder scheen, een aller wonderlijkste
combinatie, het uur van den dag (of nacht) in aanmerking genomen. In
de nabijheid der bocht waar wij aankwamen, bevond zich een troep
Engelschen, die juist terugkwamen van de rendierjacht. Ze droegen
noorsche oliejassen en sommigen hadden ook broeken aan van dezelfde
stof, die de visschers van de Lofodden en Westeraalen dragen, als
zij dagenlang bij stroomenden regen in hun open boot op de roeibank
zitten. Anderen droegen hooge waterlaarzen, die men met riemen
opzij aan de heupen bevestigen kan; een tweede riem wordt nog om
het been boven den voet gewonden. Wij zwierven geruimen tijd op het
groote eiland rond. In de Sassenbaai bij het IJsfjord zagen we dieren
genoeg, maar nergens een struik, een plekje groen of een menschelijke
woonplaats. Men voelde zich aan den drempel van een doodenrijk. Op een
hoogte bij de Advent-baai zagen we twee graven en de overblijfselen
van een hut.
Noorsche rendierjagers, die zich door de te vroeg verschuivende
ijsvelden in October 1895 den terugweg zagen afgesneden, hebben in
die hut gewoond en rusten in die graven. En ten slotte zagen wij, aan
de overzijde van onbegaanbare ijsvlakten, de Virgo-baai, vanwaar de
ongelukkige André zijn reis begon, toen hij in zijn luchtschip den
weg zocht naar de Noordpool. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de
sneeuwmassa's die zich verzamelden op het bovenvlak van den ballon,
niet konden smelten, zoodat hij, onder hun last bezwijkend, als een
uitgeputte vogel naar beneden stortte, en het omhulsel, dat hem door
het luchtruim had gedragen, langzaam werd verteerd.