Om de mijnschachten te bereiken, moet men na aankomst in het

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net/

DE ZIEL VAN HET NOORDEN. [1]

Door Gino Bertolini.

Aan het boek, dat bovenstaanden titel draagt, en dat de schrijver,

de Italiaan Gino Bertolini, minder als reisbeschrijving, dan wel als

psychologische en sociologische studie wenscht beschouwd te zien,

zooals hij in zijne voorrede zegt, ontleenen wij de hier volgende

belangwekkende schetsen uit de drie skandinavische rijken. Zijn

eerste beschouwing, gewijd aan het land van Hamlet, verbindt de

schrijver aan zijn uitstapje van uit Kopenhagen naar het slot te

Helsingör. Ik had, zoo schrijft hij, de kinderen, de soldaten,

de zieken en krankzinnigen, de beurs-speculanten en de misdadigers

van Kopenhagen gezien; ook de met handelswaren en menschen bezaaide

kaden langs de haven, waaraan de stad haar naam ontleende; zoowel

als het Thorwaldsen-museum, die echo der deensche volksziel. Maar ik

kon het vaderland van Hamlet niet verlaten zonder het op de uiterste

noordelijke punt van Seeland gelegen slot Elsenör te bezoeken, binnen

welks muren Hamlet, naar de sage meldt, geleefd en geleden heeft,

en op welks terras de gevreesde en toch zoo vurig beminde geest van

den vermoorden koning zich vertoonde aan zijn zoon. Is het legende

of geschiedenis? Dikwijls is de eerste gewichtiger, veelzeggender

dan de laatste. Indien ook al nimmer op dat terras van Elsenör de

bittere lach eens dooden konings heeft weerklonken, dan was het toch

de smartelijke glimlach der deensche volksziel, die hier uiting vond,

en de gestalten der sage schiep naar eigen, innerlijken drang.

Op den morgen eer ik den tocht naar Elsenör ondernam, zag ik nog

eens met belangstelling uit het venster van mijn hotelkamer naar het

drukke gewoel in een der hoofdstraten van Kopenhagen. Gewoel was

misschien niet het rechte woord; het scheen een eindelooze stroom

van voorbijgangers, die zich allen in één richting voortbewogen,

en dat wel per rijwiel; voetgangers vertoonden zich bijna niet. In

een uur telde ik 1220 fietsen; 't waren meerendeels winkeljuffrouwen

en kantoordames, die naar haar dagelijksch werk togen; het leek wel

een bijenzwerm. Mij viel het op, dat ieder haar eigen weg ging,

verdiept in gedachten; nergens een glimlach; geen uitroep, geen

begroeting; al spoedde men elkaar rakelings voorbij. Slechts de

dringende noodzakelijkheid dreef haar voort, deze sombere processie,

die niets vreugdevols, noch verheffends had.... Ach, dacht ik, ook

onder deze arbeidende schare, kiest de sphinx van den zelfmoord,

die in alle klassen der deensche maatschappij naar buit zoekt,

hare slachtoffers. En toch is het met inspanning verworven bezit der

deensche cultuur geen ledig, ijdel vertoon, en het land is in geenen

deele te vergelijken met een lijk, dat met fraaie kleederen getooid

is. Hier is vooruitgang, aan onbedriegelijke teekenen te herkennen,

aan den hier heerschenden geest van waarachtige vrijheid, aan den

hoogen graad van beschaving en ontwikkeling onder alle klassen, de

onvermoeide vlijt, het geringe aantal misdaden, het ontbreken van

scherpe maatschappelijke tegenstellingen; de algemeene welvaart.--En

toch woedt in dit land de koorts der zelfvernietiging, die hier

meer verwoestingen aanricht dan in eenig ander rijk ter wereld,

behalve Saksen. Terwijl het getal zelfmoorden in een jaar gepleegd,

per millioen inwoners, voor de landen Finland, Noorwegen, Holland,

Schotland, Engeland, België, Zweden en Oostenrijk respectievelijk 47,

45, 56, 60, 89, 119, 151 en 156 bedroeg (berekend over de periode

van 1880-1900) wijst de statistiek voor Denemarken in het viertal

jaren van 1880-84 273 gevallen aan per jaar, in het volgend viertal

299; daarna 278, en vervolgens 232. Langzaam vermindert het kwaad,

waarvoor moeilijk een verklaring is te vinden. Hamlet kende reeds de

tweespalt der moderne ziel. Hij, die zijn tijd vooruit was in denken

en gevoelen, besefte de disharmonie tusschen verleden en toekomst,

die het heden tot een marteling doet worden en hem de roerende klacht

ontlokte, die door de eeuwen heen weergalmt.

De weg van Kopenhagen naar Helsingör was bezoomd met bosschen

van eiken, beuken en linden, waartusschen zich hier en daar het

"pantserblauwe zeevlak" vertoonde. Toen ik in het eeuwenoude, naar

het noorden ziende Helsingör aankwam, breidde zich een zilveren

nevelsluier uit over het verre land en in de nauwe vaargeul van

den Sond gleden droomerig de schepen voort, om weldra in den mist

te verdwijnen. Kronborg, of slot Elsenör, ligt als een waakzaam

schildwacht op post, op een vooruitspringend punt van de kust. De

vesting wemelt van kanonnen en soldaten. In het paleis met het

groote binnenplein liggen 800 infanteristen in garnizoen. Een

geheele rij van grachten en bastions moet de bezoeker passeeren,

die ook thans nog het slot zorgvuldig afsluiten. In het geelachtig

water der grachten groeit dicht riet en drijven waterlelies. Den

uitersten beschermingswal der vesting vormt een uit ruwe steenblokken

saamgevoegde dam, waartegen de zee bij rustig weder haar klaagzang

murmelt, of, als de Sond door den storm wordt bewogen, hoog wordt

opgezweept. Hoog boven het kleine menschdom aan haar voet verheft

zich de burcht, met haar bemoste grondmuren, haar vier hoektorens,

haar versterkingen en onderaardsche gewelven. In de diepten daarvan

sluimert de marmeren Holger de Deen. Zijn handen rusten op den

knop van het zwaard, dat tusschen zijn knieën staat, aan zijn zijde

leunt het ronde schild, en als het vaderland in gevaar is, treedt

hij te voorschijn op het terras. Zoo luidt de sage en zoo verhaalt

het sprookje van Andersen. Dagelijks, tot aan zonsondergang, is

het terras van het slot voor het publiek toegankelijk. Zoodra de

roode zonneschijf is verdwenen, wordt de deensche vlag ingehaald,

die van den hoogen mast waait en binnen de muren mag niemand meer

vertoeven behalve de soldaten. Bij mijn bezoek, midden in den zomer,

bleef de zon tot kort vóór middernacht boven den gezichteinder. Ik

slaagde er in, ongemerkt weg te schuilen en den korten nacht door

te brengen op datzelfde terras, waar eens de geestverschijning de

verschrikte schildwachten was voorbijgegleden. "Mij dacht, ik speur

reeds morgenlucht" roept de geest in zijn onderhoud met Hamlet.--Op het

bastion liep een schildwacht op en neer, met eentonigen tred. Flauw

schemerde de maan tusschen wolken; hier en daar blonk een ster. Het

verleden drong zich aan mij op, ondanks de teekenen van den nieuwen

tijd die tot mij doordrongen, in het stampen der machines van de

voorbijvarende stoombooten. Nu en dan tuurde de schildwacht door den

verrekijker, die op de hoogste, ver over de zee uitstekende borstwering

stond en waarnaast een tabel hing met de vlaggen van al die volken,

welke hier dag aan dag hun schepen langs zenden. Doch mijn geest

verwijlde in het verleden, en het blinken in de verte van een zeil,

welks vorm nog het oeroude type vertoonde, was voldoende om mij te

verplaatsen in de tijden, waarin de gestalten leefden, ontsproten

aan de diepten der geheimzinnig-treurige deensche volksziel.

Enkele dagen daarna ging ik aan boord van de boot, die mij naar Zweden

zou brengen. Vroolijk lachten aan de kust van Malmö de witte huisjes,

schemerend tusschen het groen van bosschen en parken. Zweden's

bekorende liefelijkheid neemt onmiddellijk den vreemdeling voor

zich in. Hoe verrukkelijk is niet de ligging van hare hoofdstad,

het Venetië van het Noorden! Doch geheel gaat die vergelijking niet

op. Venetië is eene uit de zee oprijzende bloem; Stockholm eene over

heuvelen uitgebreide looverguirlande, waartusschen als blinkende bessen

de spiegelende vlakten van meren en zee-inhammen schemeren. Wonderbaar

schoon is het effect van dat sappig groen, en dat blauwe water, waarin

de tallooze eilandjes verspreid liggen, als smaragden, op den opalen

achtergrond van de zee. Aan het strand staan verstrooide villa's en

elken morgen brengen booten uit de stad de noodige voorraden aan. Aan

de eenvoudige ruw getimmerde landingsplaatsen zag ik het eerst de

zweedsche boerenmeisjes met haar, het hoofdhaar geheel bedekkende

kegelvormige roode muts en het wijde, geplooide purperen schort. Een

groot deel der bevolking van Stockholm brengt jaarlijks eenige maanden

door in die verrukkelijke omgeving van de stad.

Beneden de brug van Norr steekt een kleine landtong vooruit in zee,

en in een lommerrijken tuin speelt hier des avonds het orkest van

het gardekorps of een huzarenregiment. Aan den tegenoverliggenden

oever zitten den lieven langen dag een aantal hengelaars hun geluk te

beproeven. Wel een uur lang sloeg ik hen gade, doch geen enkelen onder

hen viel het buitenkansje van een vangst ten deel. Gelukkige lieden,

met hun noordelijke kalmte!

Aan de overzij van de Norr-brug verrijst het slot, waarin Oskar II vijf

en dertig jaren over Zweden heeft geregeerd. Het geniale volk bezat in

hem een waardigen vorst. Hij maakte zich niet slechts verdienstelijk in

den strijd tegen het alcoholisme en de tuberculose, tegen onwetendheid

en ellende, doch was ook een fijnvoelend dichter en een liefhebber der

schoone kunsten. De parijsche uitgaaf zijner gedichten bevat naast een

sonnet, hem door Sully Prudhomme gewijd, een inleidende voorrede van

Jules Claretie. Hij vertaalde o.a. Horatius, Goethe en Herder. Zijn

kinderen erfden veel van zijn begaafdheid; zoo is zijn zoon, prins

Eugenius, een voortreffelijk schilder en scherpzinnig socioloog.

In de wateren rondom Stockholm wemelt het iederen dag van honderden

snelle booten. Want groot is de liefde der Zweden voor gymnastiek en

alle soorten van spelen in de open lucht, en de watersport staat bij

hen bovenaan. De "Kungl. Svenska Sevensällskapetklub" ziet terug op

een roemrijk verleden van meer dan 65 jaar, telt onder zijn duizenden

leden tweehonderd dames en bezit zeilbooten bij honderdtallen. Het

Stockholmer Club-gebouw staat in Kastellholmen, in een met boomen

beplante bocht. De plek waar de regatta's worden gehouden, is niet ver

van Stockholm gelegen, op de hoogte van dat aardig eilandenrijkje, dat

den naam van Sandhamn draagt. Op den dag, dat hier een vrije wedstrijd

plaats had om den eerebokaal, de jubileums-regatta, was ik juist hier

aanwezig. Ook de tegenwoordige koning Gustav V nam aan den wedstrijd

deel. Zijn vader was in zijn tijd beschermheer der vereeniging,

waarvan niet minder dan negen prinsen van het koninklijk huis lid

zijn. Alle standen verbroederen zich hier; onder de leden telt men

evengoed admiraals, bankiers en bekende schrijvers, als apothekers

en photografen. Het geheele zweedsche volk leeft in den geest op het

water in die dagen. Ik sloeg den kamp gade tusschen de zweedsche boot

San Foy, en de duitsche Alice. De laatste was grooter en sterker;

toch bleef het zweedsche bootje, luchtig en behendig, rap als een

eekhorentje, steeds vóór. Totdat.. een windstoot een touw losrukt,

een zeil fladdert,--en, ondanks de razende inspanning der bemanning

van tien, de San Foy achterblijft,--voor de eerste maal geslagen. De

spanning der ontzaglijke menigte loste zich op in een oorverdoovend

rumoer.--Laat in den avond keerde ik op een slank jacht naar Stockholm

terug. De stad lag stil in het vale licht van den noorschen zomernacht,

sterker dan dat van maan en sterren.--In het begin schenken die lichte

nachten het lichaam een gevoel van levendig welbevinden, een soort

overdaad van physieke kracht, gepaard met geestelijke opwinding. De

suggestie dat zoo aanstonds de dag zal aanbreken, verjaagt alle neiging

tot slaap. Het schijnt bijna alsof de aarde geen rust meer noodig

heeft.--De trein, waarmee men van Stockholm in omstreeks veertig uren

naar het twee dagreizen van de Noordkaap gelegen Narwik spoort, heet,

daar hij, behalve het midden van Zweden, ook het geheele zweedsche en

een deel van het noorsche Lapland doorsnijdt, de Lapland-trein. Het

zijn grootendeels vreemdelingen, meest Amerikanen en Duitschers, die

men erin aantreft. Als men den eersten avond aankomt in Upsala, dat,

behalve den prachtigen dom, ook de oudste universiteit van Zweden

bezit, doet men verstandig, de paar minuten oponthoud te gebruiken,

om in de wachtkamer te soupeeren. Op de tafel staan een menigte

gerechten, koude kabeljauw, zalm en forellen in gelei, warm kalfs-

en schapenvleesch, groenten en ingemaakte vruchten. Voorts kannen

met thee, koffie en melk, alles keurig geserveerd. Ieder bedient

zichzelf en eet en drinkt zooveel hem goed dunkt. De prijs is altijd

hetzelfde. Dan zet de trein zijn weg voort. Toen die reis nog dagen

duurde, zal zij wel eentonig en vervelend zijn geweest. Eerst in

1902 werd deze noordelijkste spoorweglijn der wereld (Ofotbahn)

geopend, welke van Lulea, waar de haven zes maanden van het jaar

is dichtgevroren, naar Narwik loopt, waar de van Trondhjem naar

de Noordkaap varende schepen voor anker gaan. Thans is deze tocht

bijzonder interessant. Men reist door streken, waar de meren een

onafgebroken rij vormen. De heuvels in het rond zijn eenzaam; slanke

rietpluimen wuiven aan den oever en teekenen hunne schaduwen op het

zand. Soms is het watervlak omsloten door geweldige rotsen, binnen

welker wanden een gedempt en schemerachtig licht elken vorm verzacht,

terwijl dikwijls aan den oever een ruw-getimmerde boot ligt van

knoestig hout, die daar eeuwen schijnt te hebben gerust. Eindeloos ver

strekken zich de dennen- en pijnbosschen uit. Over de geheele natuur

ligt een waas van melancholie en verlatenheid, zooals veeltijds in

uitgestrekte gebieden, die schaars zijn bevolkt. Overal liggen doode

takken en stammen, wie weet door welke langverleden stormen ontworteld;

soms ziet men een geheel bosch van verrot hout. Ook langs moerassen

voert onze weg, waarin overblijfselen van vaartuigen half verzonken

liggen, die der fantasie beelden voor oogen tooveren van holbewoners,

en ons den oervorm van het schip voor den geest roepen. Soms ook is het

landschap woester; snelvlietende stroomen, die wemelen van meegevoerde

takken en stammen, schieten ons bruisend voorbij. De grootste van

deze rivieren zijn de Angerman-elf en de Indols-elf, met de aan Jörn

voorbijstroomende Skellefte-elf, die zeer moeilijk bevaarbaar is. In

Boden, de zoogenaamde "sleutel van het Noorden", merkten wij aan de

vele officieren en soldaten, dat wij in de buurt waren van de grens

tusschen Zweden en Noorwegen, die wèl bewaakt wordt. In Boden splitst

zich de lijn in twee vertakkingen; de eene gaat naar Lulea, de andere

naar Narwik. Hier in de buurt van den Poolcirkel, begint het gebied

der middernachtzon, die in Bodö van 1 Juni-13 Juli, in Tromsö van

19 Mei-26 Juli, in Vardö van 16 Mei-29 Juli, in Hammerfest van 14

Mei-30 Juli, aan de Noordkaap van 12 Mei-12 Augustus, en ten slotte

in Spitsbergen van 18 April tot 24 Augustus is waar te nemen.

De hemel was helder, en 't was bijna middernacht. Aan den horizon

staat de vlammende zonneschijf. 't Is niet te beschrijven, met hoeveel

verbazing en vreugde dat verschijnsel wordt aanschouwd. Niemand

sliep. Vele reizigers stonden in gespannen verwachting op het platform

van den wagon, anderen verdrongen zich voor de coupéramen. Zelfs wie de

reis voor de vierde of vijfde maal deed, kon zich aan den indruk niet

onttrekken. Het scheen wel, alsof alleen de harde noodzakelijkheid

den mensch in den regel dwingt om zich voor te bereiden op rust,

wanneer de dag ten einde neigt, en hij die noodzaak van ganscher

harte betreurt. Daar stond de zon, onbewegelijk,--terwijl de wijzer

middernacht aanwees. Het was of zij eene boodschap van de aarde

verwachtte; misschien de konde: "dasz sel'ge Jugend nimmer stirbt." Het

was geen gewone ondergaande zon; het scheen veeleer de weerspiegeling

van een fabelachtigen brand; een mythologische werkplaats van Vulcanus

vol vlammend heilig vuur.--In zulke nachten heeft de trein geen

lantaarns van noode; hij stormt voort in den klaarlichten dag. Allen

bleven wakker. De uren verstreken; men zag wel bleeke gezichten en

zware oogleden; maar van slapen kwam niet in. Een wonderlijk gezelschap

schenen wij, na die lange, en toch onschuldige nachtwake.

Wie Lapland wil leeren kennen, doet dit het best, door een poos

te vertoeven in Gellivare, de hoofdstad van het aan ijzermijnen

zoo ongemeen rijke zweedsche Lapland. Een merkwaardig volk,

die Lappen. Vroolijk en goedig; meer sluw dan intelligent, en zoo

zwervend van aanleg en neiging, dat zij geen enkelen arbeider in de

mijnen leveren, hoewel de grootste rijkdom van hun land uit mijnen

bestaat,--zoo leven zij verstrooid over noordelijk Skandinavië,

het Noorden van Finland, en het russische schiereiland Kola. Al hun

arbeid is ten nauwste verbonden met het leven van het rendier, dat

zij als rij- en trekdier gebruiken, en dat hun voedsel en kleeding

levert. Nog steeds dragen de Lappen buizen van rendiervel, die zij met

een touw om het lijf vastbinden. Op het hoofd hebben ze de puntige

muts met roode kwast, die als een helm of stormkap over mond en kin

wordt neergetrokken. Hoeveel Lappen er zijn is moeilijk te bepalen,

daar zij in troepen zijn verstrooid over een gebied, grooter dan

Frankrijk. In 't algemeen schat men hun aantal op 30.000, waarvan

20.000 in Noorwegen, 7000 in Zweden, 1000 in Finland en 2000 in

Rusland thuis behooren. Als volk vormen zij geene eenheid.

Hun dialecten zijn zeer verschillend, zoodat een noorsche Lap

een finschen in den regel niet kan verstaan. Ook hun godsdienst

brengt scheiding; de russische Lappen zijn grieksch-katholiek;

de skandinavische en finsche Protestanten. Hun aantal vermindert;

de toenemende beschaving verdringt hen, en het is niet onmogelijk,

dat zij binnen enkele tientallen jaren zullen zijn uitgestorven.--Hoe

komen de Lappen aan hun naam? Ook hieromtrent is niets met zekerheid

bekend. Sommigen zeggen, dat de naam afkomstig is van het lapsche

substantief loap, laptem of lopto "het uiterste Noorden". Dit is echter

geen afdoende verklaring, daar in die noordelijke streken ook Russen

en Skandinaviërs wonen, en de laatste in aantal, 400.000 ongeveer,

verreweg de meerderheid vormen. Andere schrijvers leiden den naam af

van lappa (grot); inderdaad bewonen vooral zweedsche Lappenstammen

nòg holen, en er worden overblijfselen van zulke toevluchtsoorden

in menigte aangetroffen. De visschers zijn onder de Lappen niet zeer

talrijk. Ook zij leiden een zwervend bestaan, daar het aantal meren in

Skandinavië zoo groot, en hun omvang meestal gering is. Het rendier is

den Lappen onontbeerlijk. De rendierkudden ondernemen elk jaar twee

tochten, van de zweedsche hoogvlakte naar de kust van Noorwegen,

en omgekeerd. In den winter voeden zij zich met een soort mos,

dat in de bosschen van Zweden rijkelijk voorhanden is; in den zomer

krijgen zij behoefte aan ander voedsel en zoeken de grazige weiden

op aan de noorweegsche kust. Reeds in het jaar 1751 werd tusschen

Denemarken, waarvan Noorwegen toen afhankelijk was, en Zweden een

verdrag gesloten, om een dergelijken "trek" te bevorderen. In den

zomer grazen de kudden vrij, tot ze tegen den winter weer worden

saamgedreven. Dat weer samenkomen der verschillende troepen is iets

zeer eigenaardigs in het leven der Laplanders. In den winter moeten

de kudden worden beschermd tegen de aanvallen van hongerige wolven;

dan worden viermaal daags wachten uitgezonden, die met het geweer in

de hand de ronde doen. Om uitsluitend van de rendierfokkerij te kunnen

leven, moet men eene kudde van minstens 300 stuks bezitten. Wie er 700

heeft, wordt als rijk beschouwd. Er zijn echter Lappen, die 2000 of

3000 rendieren hun eigendom mogen noemen.--Zooals alle menschen van

het hooge Noorden zijn de Lappen dol op vette spijzen en vinden de

uiterst vette rendiertong een uitgezochte lekkernij. De melk is echter

een weelde-artikel, daar zestig koeien niet meer dan twee liter per dag

leveren. Er is, hoewel het tegendeel wel geloofd wordt, bijna geen Lap,

die niet lezen en schrijven kan. De meesten zijn ijverige en oprechte

christenen, en hebben den naam van gastvrij en eerlijk te zijn. De

verkoop van alcohol is in zweedsch Lapland geheel verboden. Uit den

grooten rijkdom aan mineralen in hun land trekken de Lappen, zooals

ik reeds mededeelde, niet het minste voordeel.

Geheel Skandinavië is rijk aan mijnen; vooral ijzermijnen; maar

de meeste en voornaamste bevinden zich in zweedsch Lapland. Het

merkwaardigst zijn die van Gellivare en van Kirunavara. In geene

streek ter wereld vindt men zulk rijk ijzererts, met een gehalte

van zestig percent. Beide bergwerken behooren aan ééne maatschappij,

die echter sedert 1908 onder invloed van den Staat is gekomen, welke

de helft der aandeelen van de Gellivaremijnen en voor meer dan 80

millioen kronen van die der Kiruna-mijnen heeft aangekocht. Reeds

voor 150 jaren werden zij ontdekt door de bemoeiingen van een baron

Hermelin, en behoorden van 1860 af aan engelsche maatschappijen,

tot zij in 1890 in zweedsche handen overgingen. Vooral sedert den

aanleg van het noordelijk spoorwegnet wierpen zij groote winsten af.

Om de mijnschachten te bereiken, moet men na aankomst in het station

Malmberg een steile helling beklimmen. Overal op den bergrug loopen de

vertakkingen van een net van spoorwegrails. Onder het klimmen hoort men

telkens een naderend geluid, eerst dof en vaag, dan steeds sterker,

tot het even geregeld weer afneemt en wegsterft. Het zijn twee, drie

of vier karren, hoog beladen met ijzererts, die naar beneden komen

rollen, en vervangen worden door een evengroot aantal leege karren, die

omhoog gaan. Geen mensch is daarbij aanwezig; alles gaat automatisch in

zijn werk, en terwijl ik zat te rusten en er naar keek, trof mij als

iets zeer vreemds het bezig gedoe van die willooze werktuigen. Heel

boven op de bergweiden zag ik vrouwen bij haar vee, die soms een

koppige koe bij de horens pakten. Ze droegen donkere kleeding, doch

een witten doek om het hoofd, en een rooden halsdoek.--Er zijn tien

schachten waarin gewerkt wordt, in denzelfden berg. Aan den rand

van de grootste, die Koning Oscar heet, kwam ik het eerst aan. Van

bovenaf gezien is het een merkwaardig schouwspel. Drie geweldige,

concentrisch vernauwende kringen, die in hun grootsche verhoudingen

aan de schilderingen van Dante herinneren. De aderen teekenen zich

loodrecht af in het gesteente der bergwanden en laten duidelijk de

geologische formatie onderkennen. Ik stond juist in beschouwing

verdiept, toen een arbeider kwam aanloopen en mij haastig in een

uit balken ruw opgetrokken hutje duwde. De signaal-klok had reeds

geluid eer ik aankwam, en van de plaats, waar ik stond, kon men de

roode vlag niet zien, die, vóór de ontploffing zal plaats hebben,

wordt gezwaaid. Iederen dag wordt een honderd ton dynamiet verbruikt

voor wel een duizendtal ontploffingen. Juist waren wij onder dak, toen

de uitbarstingen begonnen; enkele zoo dichtbij, dat het scheen, of de

aarde spleet boven onze hoofden. Overal in de rondte vielen steentjes,

als een hagelbui, die aan 't aftrekken is. Toen het gedaan was,

luidde weer de bel, en wij slopen uit onzen schuilhoek. Ik liep langs

den uitersten omtrek van den schachtrand en zag van een hooggelegen

rotspunt in het rond. Het land scheen, als een zeef vol gaatjes,

doorboord met de ronde openingen van kleine meren. Alles baadde in

licht tot in de verste verten; maar wijd in het rond heerschte de

meest volslagen eenzaamheid. Het was, alsof de bodem een schatkamer

was, waarin ongekende rijkdommen lagen opgehoopt, van welke men

slechts tersluiks waagde, hier en daar iets weg te nemen. Bij een

uitstekende rotspunt waren met kolossale letters in het gesteente

uitgehouwen de letters en cijfers: "Oscar. 1894 3/8". Het deed mij

vermoeden dat gewillige arbeidershanden in der haast dit aandenken

aan koning Oscar's bezoek hier hadden gegrift in den steen. Dicht

bij den rand van het grootste bekken stonden eenige hutten, waarvan

de voegen tusschen de ruw getimmerde planken met afval van rendier-

en geitenleder waren gedicht. Ik ging binnen in een dier gebouwtjes,

dat als cantine diende voor de arbeiders in die schacht. Er zaten een

tiental mannen op de banken langs den wand. Het rook er sterk naar

koffie; alcoholische drank wordt hier niet gebruikt. In 't geheel

arbeiden in deze mijnen 1500-2000 arbeiders, meest Zweden, Noren en

Finnen zijn er ook bij; maar geen enkele Laplander. Ze zouden het werk

niet uithouden, zeide mij de hoofd-ingenieur der onderneming. Het

verlangen naar een vrij en zwervend leven ligt hun in 't bloed. Ze

hebben van tallooze voorouders hun stalen beenspieren geërfd, maar

hun armen zijn tegen een zoo groote krachtsinspanning niet opgewassen.

Ik dacht aan de roodhuiden in N. Amerika, die langzaam uitsterven,

sedert de Angelsaksers en de toevloed van andere landverhuizers hen

terugdrongen binnen een beperkt gebied, en hun het vrij en zwervend

leven beletten, dat zij sedert eeuwen hadden geleid.

Toen er een pauze ontstond in de reeks ontploffingen, maakte ik

van de gelegenheid gebruik, om in de diepte af te dalen. Langs de

grauwe rotswanden leidden op sommige plekken lange smalle trappen naar

beneden, waarvan de eene leuning op meerdere plaatsen was weggesleten,

gebroken en vermolmd. Hoeveel vereelte bruine handen waren daar ook

al niet langs gegleden! Zoodra door de ontploffing de rotsblokken

zijn uiteengespleten, wentelen eenige arbeiders de losse blokken in de

diepte. Daar worden ze door anderen stukgeslagen en op lorries geladen,

die ze naar de opslagplaatsen vervoeren binnen in het gebergte, langs

de rails. In de diepte der schacht zag ik ter eener zijde twee in den

rotswand geboorde gangen, waardoor de karren passeeren; vóór zij de

helling bereiken, waarlangs het erts naar beneden wordt afgevoerd. Ik

volgde ze; knarsend gleden de zware lasten uit het duister in het

licht, en ik begreep dat daar bij de flauwe verlichting door enkele

fakkels en lantaarns meermalen ongelukken moeten gebeuren.

Ik was blijde toen ik weer in de frissche lucht trad, en boven

mij de leeuwerikken hoorde jubelen.--Het loon der arbeiders van

Gellivare bedraagt 3-13 kronen per dag. Ze zijn ingedeeld in twee

ploegen; de eene werkt van vier uur 's morgens tot twaalf uur; de

andere van twee uur 's middags tot 's avonds tien. Vrouwen werken er

niet, en de enkele jongens, boven veertien jaar, verrichten lichtere

bezigheden. Aan acht zweedsche ingenieurs is de leiding van het werk

toevertrouwd. Stakingen zijn in tien jaar niet voorgekomen, hoewel

het meerendeel der arbeiders socialistisch gezind is. Er worden

gemiddeld 900000 ton erts jaarlijks gewonnen. Het erts wordt per

spoor naar Lulea en vandaar over zee naar de verschillende plaatsen

van bestemming gebracht. Negen tiende ervan gaat naar Duitschland. De

plaatsen Malmberg, Gellivare en Kiruna breiden zich ontzaglijk uit;

voortdurend worden er nieuwe huizen gebouwd, kleine, bont en vroolijk

geschilderde huisjes, die dikwijls reeds worden betrokken, eer het

omliggende land bebouwd is. De bloei dier plaatsjes herinnert aan

den snellen groei van sommige steden in Amerika.

De trein, die van Narwik kwam, hield 's avonds in Kiruna op; om

den volgenden morgen vroeg de reis voort te zetten naar Abisko,

dat in zekeren zin het glanspunt is van zweedsch Lapland. Langs de

spoorweglijn verheffen zich gekartelde bergtoppen, die een dolomitisch

karakter dragen. De plantengroei wordt steeds schraler; men bemerkt,

dat men de grens nadert van het boomgebied. Naaldhout wordt bijna

niet meer gezien, en zelfs de taaie zilveren berkenstammen zijn hier

dun en klein gebleven. Wij naderen thans Abisko. Reeds strekt zich

rechts van ons het geweldig groote, wegens zijn stormen beruchte

Torneträsk-meer uit. Boven dat uitgebreid water-oppervlak, 62 mijlen

lang en 10 mijlen breed, verrijzen hier en daar eilanden. Twee ervan

verdienen bijzondere vermelding, Abisko Suolo en Kaisanhiemi.

Abisko is een voor Lapland merkwaardig beschut gelegen plaatsje. De

rijkdom aan verrukkelijke gezichtspunten doet denken aan het prachtige

dal, dat zich uitstrekt van St. Moritz naar Maloja. Hier echter zijn

onder den magischen invloed van het noordelijk licht, in den zomer de

licht-effecten veel tooverachtiger en fantastischer. Als de zon den

groenen boog verguldt der beide berghellingen, die als het ware de

poort en omlijsting van Abisko vormen, dan is dat een aanblik, zoo

onvergelijkelijk schoon, dat slechts enkele der in licht gedrenkte

landschappen van het Oosten hiermede kunnen wedijveren.

Toen wij in het stadje Abisko aankwamen, was het vol met Laplanders,

terwijl hun rendierkudden heel boven op de met sneeuw bedekte

bergweiden waren gezonden, om te bekomen van de zomerwarmte. Zoo ver

waren ze weg, dat het scheen alsof de glanzende witte hellingen met

kleine donkere vlekjes waren bezaaid.--De laplandsche herders kwamen

ons hun eigenaardige messen te koop aanbieden, waarvan de gesneden

beenen heften met rendieren, beren en wolven waren versierd. Ze

dragen dat mes om de heupen gegord aan een korten riem en maken er

de wolven mee af, die ze hebben neergeschoten of met stokken halfdood

geslagen. Ze maakten den indruk van luchthartige "desperado's" en het

viel mij op, hoe ongegeneerd ze babbelden in hun mongoolsch idioom,

tusschen de talrijke vreemdelingen. Hun schoenen, van binnen met stroo

doorvlochten, zijn gemaakt van rendierleder. In den zomer dragen ze

een waterdichte, donkerblauwe kleeding, met roode randen. Rood is ook

de zonderlinge kwast, die aan hun muts bengelt. Toen ik mij gereed

maakte, een groep te photografeeren, kreeg er plotseling een het te

kwaad, en ging uit bijgeloovigen angst aan den haal, zoodat op de

plaat alleen zijn rug werd ontrukt aan de vergetelheid. Toen later

de middernachtzon door den nevel gloeide en de lucht en de bergen den

rooden brand weerkaatsten, haastten zich twee Stockholmer schilders,

die opzettelijk voor dat schouwspel waren hier gekomen, dien indruk

vast te houden, zoo goed hun penseel dat vermocht. Doch het was een

ondankbaar werk, want niets laat zich moeilijker weergeven, dan een

overgang, die, hoe langzaam ook zich bewerkstelligend, telkens weder

nieuwe schoonheden openbaart.

De boot, waarmee ik naar Noorwegen zou reizen, de Hadsel, voer

iederen Zaterdag, tusschen 29 Juni en 20 Juli, naar Narvik.--Narvik

heeft langen tijd Victoria geheeten, daar de engelsche eigenaars

der laplandsche mijnen het naar hunne koningin hadden genoemd. Doch

voor kort werd de plaats wel een noorschen naam waardig gekeurd, en

herdoopt. Een andere boot, de Adenaes, vaart van 20 Juni tot 25 Juli

geregeld van Narvik naar de Noordkaap. Een derde, de Westeraalen,

doet die reis van Trondhjem uit. Beide hebben twee dagen noodig voor

den tocht. De schepen, die de fjorden van het hooge Noorden bevaren,

zijn niet groot. In die beschutte inhammen en bochten heerscht vaak

windstilte, en zoo sluipen de vaartuigen haast tersluiks van kust tot

kust, van eiland tot eiland, en glijden behendig door het labyrinth

van doorgangen en kanalen, terwijl zij de talrijke klippen met groote

zekerheid weten te ontwijken. Op enkele punten is de vaart buitengewoon

moeilijk. Gevaarlijk is vooral de Malström, de sterke zeestrooming,

die het onbewoonde Mosken-eiland omvat, en de eilandengroep der

Lofodden doorsnijdt. Drie groepen eilanden hier zijn beroemd wegens

hun visscherijen, de Lofodden, Westeraalen en Senjen.--Naar de Lofodden

komen elk jaar geweldige scholen van kabeljauwen, bij de vervolging van

een door hen zeer gewaardeerd en begeerd vischje, de kapelaan geheeten

(osmerus arcticus) dat uit het tusschen Groenland, IJsland, Jan Majen

en Spitsbergen gelegen gedeelte der IJszee naar deze streken trekt,

en terwijl het zoekt te ontkomen aan zijn vraatzuchtige vervolgers,

worden deze weder voortgedreven door de op hen beluste walvisschen,

die deerlijk onder hen huishouden. Zoo woedt hier ieder jaar een

driedubbele slachting, die de mensch zich weet ten nutte te maken. Het

is hem natuurlijk te doen om de roofvisschen, den kabeljauw en den

walvisch. Het kleine vischje dient hem enkel als lokaas. Jammer

is het, dat de eene rooftocht de voorwaarde is voor den ander,

en toch dien tegelijkertijd schijnt uit te sluiten. Toen op de

kabeljauw zoo overdreven heftig werd jacht gemaakt, bleek het dat de

walvisschen zich niet zoo veelvuldig meer vertoonden, en de poging

om zooveel mogelijk walvisschen te dooden, had weer tengevolge dat

de kabeljauwen, nu ze niet zoo werden in 't nauw gedreven, ook in

minder grooten getale verschenen. Er werd gewaarschuwd; de schrik

sloeg den menschen om het hart; het parlement bemoeide zich er mede;

er werd eene commissie benoemd, zooals dat overal gebruikelijk is, en

ten slotte werd de walvischvangst in bepaalde streken verboden. Soms

komen de kabeljauwen in zulke massa's, dat het dieplood niet kan

worden uitgeworpen. Aan deze vischvangst nemen op de Lofodden alleen

ruim 25000 menschen deel, met 2000 booten, die uit alle deelen van

Noorwegen hier samenkomen. Het visscherij-seizoen heet in 't algemeen

Vaer (lente); doch de vangst begint reeds in 't eind van Januari. Een

groot gedeelte der noorsche bevolking trekt mede naar het terrein. Men

heeft wel beweerd, dat de kabeljauw het manna van het Noorden is,

zooals het goud het manna van Californië en Australië. Vele doktoren

en geestelijken sluiten zich aan bij die menigte. De termijn voor het

eind van de vangst is 14 April. Tot zoolang heerschen in de Lofodden

bijzondere regels en wettelijke voorschriften. Een net van telegraaf-

en telefoonleidingen verbindt gedurende die periode talrijke punten

der eilanden, en zoodra een school kabeljauwen de kust nadert, wordt

de omtrek onverwijld verblijd met dat verheugend bericht. Daar er

op de weidegronden der eilanden niet voldoende veevoeder groeit,

wordt de kabeljauw ook aan anders planten-etende dieren tot voedsel

gegeven. Zij zijn daaraan zóó gewend, dat de koeien, wanneer ze langs

een opgestapelden hoop visschen komen, daar haastig een tusschenuit

pogen te trekken. Herodotus reeds meldt, dat ook in Thracië het vee

met visch werd gevoederd.

Het geheele lichaam van den kabeljauw wordt nuttig gebruikt. Versch

gegeten, smaakt het goed, heeft iets van baars. Overigens bereidt

men uit de lever traan, evenals bij den walvisch, de kop dient ter

vervaardiging van kunstmest, en de rest, goed gedroogd, levert den

stokvisch, die op alle markten ter wereld wordt aangetroffen. Er

zijn twee manieren om kabeljauw te drogen. Men kan hem aan den staart

ophangen aan een horizontalen stok, een paar handbreedten boven den

grond aangebracht; vandaar de naam stokfisk, die dus niet aan het

product wordt geschonken wegens zijn leerachtige taaiheid en stijfheid,

maar naar den stok, waaraan het hangt. De andere manier bestaat hierin,

dat men de visch op platte steenen in de frissche lucht te drogen

legt, in welk geval hij klipfisk wordt genoemd. (Klippe is steen in

het Noorsch.)

De kabeljauw wordt in de Lofodden gevischt op omstreeks een

engelsche mijl van de kust, in een diepte van 50-500 meter. Soms

wordt de visschersvloot door den storm van de kust afgedreven. Dan

is terugkeeren naar de eilanden niet mogelijk. Men moet den breeden

zeearm van het Westfjord doorkruisen. De storm jaagt de lichte booten

voort. Het wordt eene ontzettende tragedie, die haar hoogtepunt bereikt

in het omslaan van vele der vaartuigjes. In het ijskoude water klemmen

zich de mannen vast aan ringen en haken, of, als zij geen ander houvast

kunnen krijgen, steken zij het mes, waarmede zij anders de visschen

de keel afsnijden, in den rand van de boot. Krampachtig omklemmen zij

het heft, tot zij het door uitputting moeten loslaten. De boot drijft

aan land, en de messen in den rand wijzen als grafkruisen het aantal

en de namen der dooden aan. "Gebleven", zooals de korte lijkrede der

noorsche visschers luidt.

Behalve kabeljauw wordt ook veel haring hier gevangen, die versch,

gezouten of gerookt gegeten wordt. Soms komen ze in zulke dichte

scholen, dat men ze met groote schoppen uit het water kan scheppen. Wie

dat aanschouwt, denkt aan het bijbelsch verhaal der wonderbare

vischvangst. In den zomer wagen zich de visschers van de Lofodden,

Westeraalen en Senjen zelfs tot de verwijderdste punten der kust

van Finmarken.

De kosmopolitische stroom van reizigers vergenoegt zich over

't algemeen met een bezoek aan de voornaamste steden: Stockholm,

Upsala, Göteborg, Christiania en Bergen. Daardoor zijn de booten die

van het Zuiden of midden van Noorwegen naar de Noordkaap, IJsland

of Spitsbergen varen, zelden overvol, en ik kon rustig rondwandelen

op het bijna leege halfdek, mij verbeeldend de eenige passagier te

zijn. Het was zacht in de lucht. De noordelijke en westelijke kusten

van Noorwegen verheugen zich,--in tegenstelling met de oostelijke

kust van Zweden,--in een zacht klimaat, daar zij door den golfstroom

worden bespoeld. Molde, met zijn weelderigen plantengroei, ligt

op denzelfden breedtegraad als de onbewoonde vlakten van oostelijk

Siberië en de ijsvelden van N.-Amerika, waar Franklin's expeditie haar

einde vond; en in het toch zoo noordelijk gelegen Bergen heerscht

eene temperatuur als in Zuid-Bulgarije. Wij bleven den nacht op het

dek, klaar wakker. Dat zachte, vreemde licht is te ongewoon en te

verleidelijk om er afscheid van te nemen en zich vrijwillig op te

sluiten in kunstmatige duisternis. Om 6 uur 's morgens was ik juist

begonnen, zoodra de Hadsel in de wijde baai van Tromsö het anker had

laten vallen, een poging te doen om de verloren nachtrust in te halen,

toen in de deur van mijn hut een blonde dame verscheen. Verschrikt

richtte ik mij op, en hoorde haar in gebroken Duitsch zeggen: "Is u

de Katholieke professor Theodor Fischer uit Breslau?"

"Ik ben Italiaan", was mijn antwoord, "en katholiek. In Breslau heb

ik wel vrienden wonen; maar prof. Fischer is mij onbekend". "Hier

in de buurt is een katholieke kerk. Om 8 uur begint de mis. Zeven

jonge meisjes doen haar eerste communie. Morgen komt de bisschop van

Noorwegen hier. Buiten wacht een gids, die Noorsch spreekt."

Daarmee verdween zij, en ik bleef verbaasd achter. Ik vond bezoek en

bezoekster origineel; maar 't meest frappeerde mij het feit, dat mij

hier in het hoogste Noorden en in een land, waarvan de twee en een half

millioen inwoners slechts 2000 katholiek zijn, juist deze verwelkoming

ten deel viel. Ik wreef dapper den slaap uit de oogen, en vergenoegde

mij, om de gemiste rust te vergoeden, met het stevig noorsch ontbijt

aan den uitlokkenden skandinavischen disch, die meest met groen

is versierd, en beladen met schotels koud vleesch, visch, groente,

ingemaakte vruchten en beschuit.--Van den gids vernam ik, dat er in

Tromsö maar negentig katholieken waren, doch dat de bisschop, die in

Christiania woont, voor deze gelegenheid zou overkomen. Noorwegen bezit

zes protestantsche bisschoppen, die hun zetels hebben te Christiania,

Christiansund, Hamar, Bergen, Drontheim en Tromsö. In Zweden zijn er

twaalf, naar het voorbeeld der apostelen, met een aartsbisschop aan het

hoofd. Het aardige kerkje lag rustig in de zon en was goed bezet. Ik

zag er veel gerimpelde voorhoofden en door weer en wind gebruinde

gezichten; maar de zeven knielende jonge meisjes, allen blond en

blank, geleken een rij engelen van Fra Angelico. Na den dienst ging

ik met den vriendelijken geestelijke naar zijn pastorie, waar ik op

thee en gezouten visch werd onthaald, en nog twee reizigers aantrof,

den pastoor van Drontheim en een hollandsch priester, uit Groningen,

die ook naar de Noordkaap wilden, en later aangename reisgenooten

bleken.--In het stadje Tromsö leefde nog de herinnering aan den

hertog der Abruzzen en de "Stella Polare"; en de menschen spraken nog,

als van een sprookjesheld van "dien mooien prins, die uit Italië kwam".

Ook van den amerikaanschen onderzoeker Wellman wisten ze te verhalen,

wiens ballon en Siberische honden iedereen had kunnen bekijken,

toen hij zich meerdere dagen in de stad ophield.--Van mijn blonde

berichtgeefster was geen spoor meer te ontdekken, en niemand begreep,

wie zij kon geweest zijn. Ik liet voor alle zekerheid mijn kaartje

achter, om op die onvoldoende wijze mijn dank te betuigen voor haar

raad, die mij eenige aangename uren verschaft had.--Juist toen wij het

anker zouden lichten kwam nog een troep donkerblauwe Lappen de valreep

opstormen. Toen nog eenige achterblijvers aankwamen, zagen we hun

eigenaardige wijze van begroeten, die zoo hygienisch mogelijk is. Ze

geven elkaar geen hand; maar raken wederkeerig met de vingers elkaars

onderarm aan. De handdruk wordt voor zeer bijzondere gelegenheden

bewaard. Ook deze lieden waren wel geen dwergen, (zooals wel wordt

beweerd), maar toch klein van gestalte. Het ras wordt minder, daar zij

steeds onder elkaar huwen. Weer viel mij hun eigenaardige trots op;

ze nemen van vreemdelingen niet de geringste notitie; doen alsof ze

niet bestaan.

En nu gleed de wijde baai van Tromsö weg uit onze oogen en wij genoten

van het stralende licht, dat alles in het rond verheerlijkte. Nooit

had ik zoo wèl begrepen hoe de Skandinavische gedachte, voor "zee"

en "tuin" hetzelfde woord (hav) te bezigen, had kunnen ontstaan. Elk

golfje scheen een bloem; al wat doorzichtig was glansde en gloeide van

een inwendig licht. Bij het luiden eener bel haastten wij ons allen

naar het dek. De boot voer tusschen spitse klippen door. Het scheen,

alsof er geen ruimte was voor den boeg, dien zij bijna aanraakten. En

het panorama, dat zich thans voor ons uitbreidde was beroofd van

elk spoor van vruchtbaarheid of groen. Het gaf den indruk, alsof een

zondvloed alle dalen van een wijdvertakt bergland had gevuld en wij

tusschen de allerhoogste Alpentoppen doorstoomden. Hoe diep wringt zich

de zee naar binnen tusschen deze kusten! Het is alsof zij met de aarde

heeft geworsteld om elke handbreed gronds, om ten slotte een grootsche

zege te behalen. Geen wonder, dat die strijd haren stempel heeft

gedrukt op de gansche bevolking van dezen eindeloos langen zeezoom.

De noorsche fjorden geven volkomen den indruk van bergmeren. Als men

zoo uren lang, tusschen bergen door, op steeds weer nieuwe berggroepen

is afgevaren, zijn er oogenblikken waarop het eenvoudig onmogelijk

schijnt, dat plotseling een ontzettende storm kan losbarsten uit de

richting vanwaar wij zooeven gekomen zijn; daar, waar op mijlen afstand

zich de poorten openen van den onvertrouwbaren oceaan. Plotseling bleef

het schip stil liggen. Ter rechter zijde glinsterde een reusachtige

gletscher, de Strupen, die zich uitstrekt tot aan de oppervlakte

der zee. De geweldige sneeuwmassa bedekt den ganschen bergrug,

en breidt zich aan de landzijde mijlenver uit. Van de omringende

bergen storten schuimende beken naar beneden. Men herkent in zee,

duidelijk afgebakend, den troebelen stroom, die aanhoudend nedervliet

van uit die kristalheldere pracht daarboven. Wij stonden allen stil en

eerbiedig rond te zien; we hadden gelukkig geen drukke en spraakzame

sightseers in ons midden. Doch toen kwamen de kodaks voor den dag,

en onze Drontheimsche pastoor was daarbij in de voorste rijen werkzaam.

In een wijde baai, de zoogenaamde Lyngenfjord, bleven we liggen. In

een bootje werden we naar de landingsplaats geroeid, om van daar

per wagen te worden gebracht naar een Lappenkamp in de nabijheid,

dat zich over twee heuvels uitstrekte, en door den straatweg, die

door het dal loopt, werd doorsneden. Dit was een gelukkig toeval;

het gebeurt niet veel, dat reizigers zulk een Lappentroep in rust

ontmoeten. In het volle middaglicht was het een bont gewemel

van heldere kleuren. Ze hadden weer van alles te koop; messen,

geweien, vellen, en aangekleede ledepoppen. De talrijke kudden

graasden op de helling van den tegenoverliggenden berg. Hoe vrijer

de rendieren worden gelaten in hun beweging, des te beter tieren

zij. Hun weideplaatsen worden gekozen al naar de windrichting, daar ze

verbazend te lijden hebben van het steken der muggen. Finsche honden

liepen kwispelstaartend overal rond. Onafscheidelijke metgezellen

zijn zij voor de Lappen, en trouwe kameraden. 't Is een levendig,

ruigharig ras. Ze klauteren met gemak op de hoogste steilten, en

drijven, zoodra het voer schaarsch wordt, de kudden samen op plekken,

waar de herders ze met lasso's kunnen bereiken en bijeenhalen. En als

in den ijzigen winterwind de Lap, gehurkt op zijn slede zijn rendier

bestuurt, dan bewaakt de trouwe, er naast loopende hond het zooveel

grootere dier, alsof hij wist, dat hij meer verstand heeft. Wanneer

het rendier schuw wordt, en niet meer vooruit wil, of koppig is,

slaat het niet zooals een paard met de achterpooten, maar keert zich

om, en begint met de voorpooten op den rand der slede te slaan. Dan

is het weer de hond, die het blaffend tegenhoudt, en weer op zijn

plaats zoekt te brengen. Als 's nachts wolven de kudde aanvallen

verdedigen de honden ze tot het uiterste. Het gebeurt dikwijls, dat

rendieren in een vreemde kudde verdwalen. Om ze in dat geval te kunnen

opeischen, maakt elke eigenaar, voor ze de bergen worden ingedreven,

naar een zelfvervaardigde teekening insnijdingen in de oorlappen der

dieren. Dat patroon bewaart hij op een blad papier, en schrijft zijn

naam erover heen. In het interessante arctische museum te Tromsö zag

ik meerdere zulke handteekeningen; de namen Persen, Nilsen, Volab,

Olsen kwamen 't meest voor.

Ik ging een der tenten binnen. Midden in de zoldering was een

opening voor den rook van het magere vuurtje. Het geraamte van de

waterdichte tent bestond uit gladde berkenstammen, ook de vloer

was met berkentakjes bestrooid. Zes menschelijke wezens zaten daar

dicht opeengepakt, en er moest nog plaats zijn voor vier andere;

daar de familie uit tien personen bestond. In een hoek knabbelde een

jongen op een stuk gedroogd gezouten vleesch. Op twee ruw bewerkte

kisten lagen tien bijbels; ieder lid van het gezin bezat zijn eigen

exemplaar. Toen ik vroeg, of zij er veel in lazen, zeide het hoofd van

't gezin: "Iederen Zondag."--Ik kocht van de Lappen een mes, waarop in

de kling omtrekken van honden, wolven en rendieren waren gekrast. Het

was kort en breed, zooals als die wapens, welke dienen om den gevelden

wolf af te maken. Ik liet den man, die 't mij verkocht, mijn degenstok

zien. Toen hij dat lange dunne staal zag glinsteren, fonkelden zijn

oogen, en de geest van krijgszuchtige voorvaderen scheen in hem op te

leven. Zijn tien bijbels hadden hem nog niet geheel tot een man des

vredes gemaakt. "Met zulk een wapen", zei hij, "zou ik den wolf bij

den eersten stoot kunnen dooden, zonder hem eerst met den knuppel te

moeten aanvallen". Hij kon de oogen niet afhouden van den stok.

Achter het Lappenkamp, op de steenachtige kust, hingen duizenden

kabeljauwen, gespleten en aan den staart opgehangen.

De Ziel van het Noorden De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 1 / 3 段