Inleiding.
Tot een der belangwekkendste bezigheden voor bloemen- en
plantenliefhebbers behoort het forceeren gedurende den winter der
hiervoor geschikte gewassen.
Wanneer de winter ingetreden is, en buiten zoo goed als alle groei
opgehouden is, dan moet men door het forceeren van bloemen de lente
weder in de kamer te voorschijn roepen.
Onder het forceeren van planten verstaat men planten, welke zich in
haar rustperiode bevinden, door verhoogde temperatuur tot groeien
brengen en ze gedurende den winter haar bloemen doen ontplooien,
terwijl zij dit onder natuurlijke omstandigheden eerst in de lente
of in den zomer doen. Dat een dergelijke behandeling der planten, hoe
belangwekkend en aangenaam ook, tegennatuurlijk is, spreekt vanzelf,
en het ligt dan ook voor de hand, dat er betrekkelijk slechts weinige
zijn, waarmede men het met goed gevolg kan doen.
Van de planten, die voor het forceeren geschikt zijn, verdragen
enkele deze bewerking zeer goed, en laten zich iederen winter, zonder
er merkbaar van te lijden, opnieuw in bloei trekken, verondersteld
natuurlijk, dat zij goed behandeld worden. Andere planten daarentegen
verdragen het forceeren minder goed; zij verzwakken er zeer door, en
komen pas weer na korteren of langeren tijd volmaakt tot haar kracht,
zonder welke zij niet met succes in bloei getrokken kunnen worden. Een
zeer groot aantal, en, jammer genoeg, lang niet de slechtste soorten,
worden na den bloei totaal waardeloos, daar zij door het forceeren
zoodanig verzwakken, dat verder kweeken niet meer loonend of mogelijk
schijnt.
Onder de fraaie planten, voor forceeren geschikt, zijn er enkele,
die slechts door bloemkweekers in hun kassen in bloei getrokken
kunnen worden en, wil hij zijn moeiten en zorgen met een succes
bekroond zien, dan moet hij niet alleen volkomen op de hoogte zijn
van de levensvoorwaarden der planten, maar hij moet ze ook met de
grootste zorgvuldigheid verzorgen. Hoe nader toch het tijdstip komt,
waarop hij loon voor zijn werk zal krijgen, des te noodlottiger kan
het kleinste verzuim worden, en een kleine vergissing kan opeens aan
alle verwachtingen den bodem inslaan. Naast deze planten, waarvan het
in bloei trekken als het ware een monopolie der kweekers is, staan een
aantal andere, die zich gedurende den winter, door elken verstandigen
plantenliefhebber laten forceeren. Is er iemand, die er aan zou willen
twijfelen, dat het forceeren een der aardigste liefhebberijen voor den
bloemenliefhebber gedurende de donkere wintermaanden is? Het is voor
den welgestelde zeer gemakkelijk gedurende den winter, wanneer sneeuw
en ijs ons in huis houden, zijn vertrekken met allerhande gekochte
bloemplanten te versieren, maar de zelf in bloei getrokken planten
zullen toch veel meer waarde voor hem hebben. Het forceeren begint dan
ook in alle standen hoe langer hoe meer aanhangers te verkrijgen. Het
is vooral het in bloei trekken der bolgewassen, dat zeer populair
is geworden, terwijl de vaste-planten en de bloemheesters, die voor
dit doel geschikt zijn, er slechts zelden door de liefhebbers voor
gebruikt worden. Wat ook het forceeren zoo interessant maakt, is niet
alleen, dat men er des winters de bloemenpracht van den zomer door
kan genieten, maar het is ook de buitengewoon snellen groei, dien men
kan waarnemen en die ons dag in dag uit nieuwe verrassingen bereidt.
Algemeene regels voor het forceeren.
Het forceeren kan door iederen liefhebber in de kamer geschieden,
mits hij slechts een verwarmd vertrek tot zijn beschikking heeft. De
ligging van het vertrek is van minder belang; zij mag zelfs noordelijk
zijn. Hoe groot ook de rol is, die de zon bij het kweeken van planten
speelt, bij het forceeren is haar invloed slechts zeer gering en kan
men haar zelfs dikwijls geheel missen. De natuurlijke bloeitijd der
meeste voor het forceeren gebruikte gewassen valt, wanneer zij in de
vrije natuur gekweekt worden, in het voorjaar, dus een tijd, waarin de
zon nog geen heel grooten invloed uitoefent, en maar al te dikwijls
is het woud de natuurlijke groeiplaats van deze voorjaarsbloemen,
waardoor zij dus zelfs aan helder licht niet gewend zijn.
Een plant, die, om in bloei getrokken te worden, directe behoefte
heeft aan zon, is de Roos; slechts weinig zon daarentegen verlangen
de meeste bolgewassen, de kruidachtige planten en de groenblijvende
gewassen; in het geheel geen zon is noodig bij het in bloei trekken
der blad-afwerpende bloemstruiken; zoo forceert men o.a. de Sering
het schoonst, wanneer men ze geheel in donker plaatst. Licht, lucht,
vochtigheid en warmte, alles in juiste mate, zijn de hoofdvoorwaarden,
om met succes planten in bloei te kunnen trekken.
Koude tocht, sterke afwisseling van temperatuur en droogte zijn
nadeelig voor alle planten, die men forceeren wil. Voor de meeste
planten, die men in bloei wil trekken, is de gewone kamerwarmte
voldoende, dus een temperatuur van 60°-65° Fahr. overdag en van
55°-60° Fahr. des nachts. Zijn de vensters van het vertrek, waar men
zijn bloemen wil forceeren, zóó ingericht, dat zij van boven geopend
kunnen worden, dan is dit zeer nuttig, daar men dan overdag luchten
kan, zonder dat de planten aan de directe luchtstroomingen zijn
blootgesteld. Heeft men dubbele vensters, dan zijn die uitstekend
geschikt tot het in bloei trekken van verschillende planten, want
al is de ruimte daartusschen niet zóó groot, dat er een pot tusschen
kan staan, voor een met water gevuld Hyacint-glas is er toch altijd
wel ruimte genoeg. Tusschen de dubbele vensters gaat de groei niet
zoo snel, wijl er een lagere temperatuur heerscht dan in de kamer,
maar de bloemen ontwikkelen er fraaier.
Het is voor de meeste te forceeren planten zeer goed, wanneer men
ze, zoo mogelijk, een lichte plaats voor het venster geeft. Naast
de ruimte tusschen de dubbele vensters is voor kleinere planten een
plaats op de vensterbank het meest geschikt. Zeer goed bruikbaar
zijn ook de veelal aangetroffen trapvormige eenzijdige stellages,
die dan zóó moeten opgesteld worden, dat de planten naar het venster
gericht staan. De naar de kamer gekeerde zijde biedt dan wel geen
heel schoonen aanblik, doch men kan ze gemakkelijk met klimop of
hardere groen blijvende planten bedekken.
Ten gevolge van den snellen groei hebben alle planten, die men
forceert, veel behoefte aan water. Men lette er vooral op, dat de aarde
niet geheel uitdroogt, want daarmede zou alle kans op succes verdwenen
zijn. Juist aangeven, wanneer men moet gieten, is onmogelijk, daar
het steeds moet gebeuren, wanneer de aarde neiging toont tot opdrogen
en hoewel men weder niet te veel moet gieten, is in dit geval te
groote vochtigheid toch niet zoo nadeelig als te groote droogte. Het
water, waarmede men giet, moet minstens de temperatuur hebben van
het vertrek, waarin de planten staan; vele zijn echter zeer dankbaar,
wanneer zij begoten en bespoten worden met water van 75°-85° Fahr. Bij
het spuiten moet men zich van een goeden rafraîchisseur bedienen en
het zóó doen, dat de bladeren aan de onder- en bovenzijde goed nat
zijn. Voordat het vertrek, waarin de planten staan, goed verwarmd is,
mag men niet spuiten; is dit echter eenmaal het geval, dan spuit men
bij helder weer twee à driemaal, bij donker weer daarentegen een à
twee keer per dag. Bolgewassen echter mogen niet bespoten worden;
zij zouden dan gaan rotten; ook wanneer de planten in bloei staan,
moet men het laten, daar er anders zwarte vlekjes op de bloemen komen.
Slechts enkele planten kunnen zonder voorafgaande maatregelen
geforceerd worden; zij moeten daartoe voorbereid worden en
ook alleen goed gezonde planten zijn er met uitzicht op succes
voor te gebruiken. Ook laat lang niet iedere plant zich op elk
willekeurig tijdstip van den winter in bloei trekken. Verscheidene
plantengeslachten laten zich vroeg, andere laat forceeren, maar
ook tusschen de verschillende soorten van ieder geslacht bestaat
er dienaangaande verschil; vandaar dat men, om met succes te kunnen
forceeren, een uitgebreide kennis der soorten moet bezitten.
Geforceerde planten, die in bloei zijn, worden in een koeler vertrek
gezet, omdat de bloemen daar veel langer duren en men er dus meer
genot van heeft.
Bolgewassen.
De Bolgewassen, die voor forceeren geschikt zijn, behooren voor
het meerendeel tot die soorten, welke het vroegst in het voorjaar
bloeien; reden, waarom zij ook veel ter versiering van tuinen worden
gebruikt. Met het aankweeken van bolgewassen kan een liefhebber zich
niet bezighouden, want ten eerste kan men het niet overal doen en
ten tweede is het een zeer moeilijke cultuur; dit is trouwens geen
bezwaar, daar er tusschen de steden Haarlem en Leiden tal van goede
bollenkweekers zijn, die tegen niet al te hooge prijzen uitstekende
bollen leveren. Men lette er echter op, de bloembollen slechts te
koopen bij een goed, solied kweeker, en make men nooit gebruik van de
z.g.n. goedkoope aanbiedingen, die dikwijls in de groote dagbladen
worden geadverteerd. Maar al te dikwijls is het mislukken toch aan
den bol en niet aan het forceeren zelf te wijten.
Van alle planten, die zich in bloei laten trekken, zijn de bolgewassen
voor den liefhebber zeker het aanbevelenswaardigst. In de eerste
plaats stellen zij weinig eischen en laten zij zich gemakkelijk
in bloei trekken, en in de tweede plaats brengen zij meerendeels
zeer schoone bloemen voort. Van het bescheiden Sneeuwklokje tot de
trotsche geurige Hyacint, steeds zijn het schoone verschijningen. De
talrijke variëteiten der verschillende soorten bieden daarbij zulk
een kleurenrijkdom, dat ieder er de kleur in kan vinden, welke hem
het best past.
Zooals bij alle bolgewassen, onderscheidt men ook bij deze een rusttijd
en een groeitijd. Nadat de bollen hun bladeren ontwikkeld, gebloeid
en in sommige gevallen zaad gegeven hebben, verdrogen de wortels; de
bladeren en stengels sterven langzaam af en, zijn zij afgestorven,
dan is de rusttijd aangevangen. Bij de meeste bolgewassen treedt
de rusttijd omstreeks Juli in; zij worden dan uit den grond genomen,
gedroogd en schoongemaakt, zoodat omstreeks einde Augustus en September
de tijd aanbreekt, waarin de liefhebber zijn inkoopen moet doen.
Voor het in bloei trekken kan men slechts zeer goede bollen gebruiken;
mindere qualiteit kan men wellicht nog in den tuin planten. Een goede
bol moet een groote hoeveelheid reserve-voedsel opgehoopt hebben,
en dit is steeds het geval, wanneer hij goed vast is en een met zijn
grootte overeenstemmend gewicht heeft. Aan de grootte zelf kan men
geen bijzondere waarde hechten, daar er talrijke soorten zijn, die
slechts een kleinen bol vormen, en een kleine, vaste en zware bol
zal steeds beter zijn dan een groote, die zacht en licht is.
Ieder bolgewas moet een bepaalden rusttijd gehad hebben, maar zoo
goed als men dien verlengen kan, door den bol droog te laten liggen,
zoo goed kan men hem verkorten, door den tijd van opplanten in te
korten. Deze tijd is van groot belang voor het tijdstip, waarop de bol
zal bloeien. De vroege bolgewassen moeten ook vroeg geplant worden, wil
men vroegtijdig bloemen er aan hebben. Men moet er wel om denken, dat,
met enkele uitzonderingen, geen bol direct na het oppotten geforceerd
mag worden, doch dat men pas met het in bloei trekken moet beginnen,
wanneer hij een flinken scheut en krachtige wortels heeft gemaakt. Het
succes hangt dus niet alleen van de gekochte bollen, maar ook van
de allereerste behandeling af. Deze eerste behandeling is tamelijk
eenvoudig. Gewoonlijk wordt de opgeplante bol flink diep, ± 25 c.M.,
onder de aarde gegraven, of wel, men zet hem op een donkere plek
in den kelder. In het laatste geval moet men er voor zorgen, dat de
aarde in de potten steeds matig vochtig blijft. Wanneer men over een
stukje grond kan beschikken, doet men steeds wijzer de potten onder te
graven. Men bereikt hiermede een tweeledig doel: in de eerste plaats
behoeft men niet te gieten, aangezien de aarde in de potten steeds
behoorlijk vochtig blijft; en in de tweede plaats behoeft men niet
bevreesd te zijn, dat de bollen door het maken der wortels uit den
pot gelicht worden. Dit laatste is bij in den kelder staande bollen
niet altijd te voorkomen.
Voor het ingraven der potten doet men het best een leeg groentenbed of
een gedeelte van een rabat te gebruiken. Dit stukje grond graaft men,
al naar de grootte der potten, een of anderhalve spa diepte uit,
men maakt den bodem van het gat gelijk en zet dan de potten er,
dicht tegen elkander aan, in. Bij het plaatsen der potten moet men
er op letten, dat de vroegste soorten bij elkander staan, om zoo
langzamerhand naar de latere af te dalen. Op deze wijze geplaatst,
kan men de potten des winters van de rij af in de kamer brengen. Heeft
men al de potten in het gat gezet, dan worden zij duchtig aangegoten,
en nadat het water goed in de aarde is getrokken, worden zij met den
uitgegraven grond bedekt.
Hiermede moet men voorzichtig te werk gaan, en er op letten, dat
uitsluitend fijne aarde over de potten wordt gebracht. De plek,
waar de potten staan, is nu aan de verhooging kenbaar; men kan er
voor zekerheid nog een etiquette bij steken, die dan dáár geplaatst
moet worden, waar de eerste pot staat en die goed boven de aarde moet
uitsteken. Doet men dit, dan loopt men geen gevaar des winters bij het
uitgraven een of meer potten te breken. Van den tijd van oppotten af,
totdat men begint te forceeren, verloopen twee à drie maanden, zoodat
een op 1 September opgepotte vroege bol niet vóór 1 November warm
gezet mag worden. Hoewel het meerendeel der bollen wel zonder hinder
een enkelen graad vorst kan verdragen, moet men er toch voor zorgen,
dat de potten niet in de aarde bevriezen, daar dit minder goed voor
de bollen is, en men ze des winters dan slechts met groote moeite
kan opgraven. Om deze reden moet men de plek, waarin de potten staan,
vóór het intreden van harde vorst met riet of blad goed bedekken. De,
in den winter opgegraven potten, mogen niet direct in de warme kamer
gezet worden; maar moeten eerst enkele dagen in een koele, vorstvrije
kamer staan, ten einde zoodoende aan de warmte te wennen. Ook moet
men er op letten, dat vroege bolgewassen niet te lang ingegraven
blijven staan. Alle bloembollen moeten goed vast opgepot worden,
d.w.z.: dat de aarde flink moet worden aangedrukt. Hoe men iedere
soort moet planten, wordt verderop besproken.
De beste bolgewassen om te forceeren.
Hyacinthus orientalis (Hyacint). De Hyacint is zonder twijfel een
der beste en schoonste bolgewassen, geschikt om te forceeren. Het
eigenlijke vaderland van de Hyacint ligt in het Oosten en van daar
is zij naar deze Westersche streken gevoerd. In de zestiende eeuw zal
zij van uit Bagdad over Konstantinopel naar Italië gebracht zijn, van
waar zij naar deze streken is gebracht. Tegenwoordig wordt de Hyacint
op reusachtige schaal gekweekt tusschen Haarlem en Leiden; in den
loop der tijden zijn ontelbare enkel- en dubbelbloemige variëteiten
gewonnen, en nog steeds worden nieuwe en betere vormen in den handel
gebracht. De bloemen der Hyacinten prijken met de schitterendste
kleuren en zij verspreiden een heerlijken geur, die echter voor de
kamer wel eens wat al te sterk kan zijn. Men onderscheidt vroege,
middelmatige en late Hyacinten. De allervroegste soort is de niet
zeer fraaie Romeinsche Hyacint (Fig. 272), ook wel Romaine blanche
geheeten. Deze heeft kleine, witte bollen en brengt witte bloemen
voort; zij ontwikkelt meerdere bloemstengen, die echter slechts
betrekkelijk weinige kleine bloemen dragen. Deze soort kan men reeds
in November in bloei hebben. De andere vroege soorten brengen reeds
fraaie bloemtrossen voort; men kan echter blijde zijn, wanneer die
tegen Kerstmis in de kamer bloeien. Van deze soorten achten wij
de beste: Homerus en Emilius, beide enkel rood; Willem de Eerste,
enkel donkerblauw, La tour d'Auvergne, dubbel wit, en Norma, zacht
rozerood. Meerdere soorten behoeven wij niet op te geven, aangezien de
catalogi der handelskweekers en zaadhandelaars niet alleen de beste
soorten vermelden met opgave der kleur, doch ook de noodige wenken
omtrent het forceeren geven.
Voor het forceeren gebruikt men slechts, zooals reeds gezegd is,
de beste bollen, die vast en zwaar moeten zijn (Fig. 273); ook moet
de wortelhals geheel onbeschadigd zijn. De qualiteit van den bol kan
men onmogelijk uit de afmeting opmaken, daar er veel soorten zijn,
die werkelijk prachtige bloemtrossen ontwikkelen en toch slechts kleine
bollen vormen. In den regel zijn de bollen der dubbelbloemige Hyacinten
niet zeer groot. De bloemtrossen der enkele Hyacinten zijn over het
algemeen eleganter en voor het forceeren in de kamer beter geschikt.
Het forceeren van Hyacinten in potten. Voor het forceeren van Hyacinten
in potten moet men als regel slechts zeer fraaie soorten gebruiken,
die ieder afzonderlijk in potten van 10 cM. wijdte worden geplant. Van
de kleinbollige Romeinsche Hyacint, die, alleenstaande, weinig indruk
maakt, plant men er in den regel 3 tot 6 in een weinig grooteren pot
(Fig. 272). Voor het forceeren van Hyacinten, die later in bloei moeten
zijn, gebruikt men de zoogenaamde "rommel-bollen"; dit zijn minder
sterke, vroeg bloeiende soorten zonder namen, die slechts volgens
de kleuren gesorteerd zijn. Van dezen "rommel" kan men gewoonlijk
drie bollen in een wat grooteren pot planten. Plant men er meer in
één pot, dan moet die zóó groot zijn, dat zij elkander nóch raken,
nóch drukken. Daar de Hyacinten slechts lange, witte wortels en
geen haarwortels maken, plant men ze wel eens in hooge pijpvormige
potten (Fig. 102). Dergelijke potten zijn echter zeer leelijk en
doen volstrekt geen dienst. De aarde, die men voor de Hyacinten en
ook voor de andere bolgewassen gebruikt, moet zandig en niet al te
vet zijn. Daar de bollen het voedsel, dat zij voor den bloei noodig
hebben, zelf reeds grootendeels verzamelden, is een goede, zandige
tuingrond voor hen voldoende. Gewoonlijk gebruikt men een mengsel van
twee deelen kleivrije tuinaarde, één deel oude broei- of compostaarde
en een half deel zand. Daar de bollen slechts betrekkelijk korten tijd
in den pot blijven, behoeft men van drainage niet heel veel werk te
maken; enkele scherven onder in den pot zijn voldoende. Men vult bij
het oppotten den pot tot over den rand los met aarde, zet den bol
daar zóó op, dat hij midden in den pot staat, en drukt hem dan met
beide handen in de aarde (Fig. 274) [5]. De aarde moet goed vast om
den bol heengedrukt worden, zoodat men, na het indrukken van den bol,
hieraan meestal nog wat moet toevoegen. Is men met het oppotten klaar,
dan moet de bol zóó geplant zijn, dat zijn z.g.n. neus niet boven den
potrand uitsteekt. Plant men hem te hoog, dan is dat wel niet direct
schadelijk, maar het ziet er niet netjes uit. Fig. 275 toont een
drogen Hyacinten-bol, een goed opgepotten en een te hoog opgepotten
bol. Het oppotten van de vroegste soorten begint in de tweede helft
van Augustus; het begin van September is echter nog vroeg genoeg. De
middelmatige soorten kunnen nog in October, op zijn allerlaatst zelfs
in het begin van November opgepot worden. Is men hiermede gereed en
heeft men de potten van etiquetten voorzien, die de namen der soorten
dragen, dan worden zij verscheidene keeren goed aangegoten. Hierna
graaft men de potten, op de medegedeelde wijze onder den grond, of
men zet ze op een donkere plek in den kelder. Doet men het laatste,
dan brengt men over de tegen elkander gezette potten een handdikte
aarde of wel, men zet over iederen beplanten een kleineren ledigen pot
(Fig. 276); in het eerste geval moet men de aardbedekking nu en dan
aangieten, opdat zij matig vochtig blijft; in het laatste geval moet
nu en dan gegoten worden. Aan de bedekking met aarde is de voorkeur
te geven, daar door den druk hiervan voorkomen wordt, dat de zich
ontwikkelende wortels den bol uit de aarde lichten. In ieder geval
moeten de opgepotte bollen donker en gelijkmatig vochtig staan.
De opgepotte vroege soorten laat men nu twee à drie maanden op deze
donkere plaats staan, de latere soorten blijven daar nog aanmerkelijk
langer. Men kan eerst dan met het forceeren beginnen, wanneer de
Hyacint een vier à vijf centimeter langen scheut gevormd heeft en zij
rijkelijk wortels heeft gemaakt; wat men, door en paar voorzichtig uit
den pot te kloppen, gemakkelijk kan waarnemen. Het eigenlijke forceeren
der Hyacinten gaat gemakkelijk en zonder veel moeite. Men graaft
de potten op of haalt ze uit den kelder, waarna zij, na behoorlijk
afgewasschen te zijn, een paar dagen in een koel vertrek worden gezet;
eerst dan zet men ze op de vensterbank van de warme kamer. Men moet
er nu op letten, dat de aarde steeds behoorlijk vochtig blijft en dat
zij niet aan tocht of koude buitenlucht worden blootgesteld. In den
beginne zet men de uit het donker gehaalde potten niet dadelijk in
het volle daglicht, maar men bedekt ze met papieren peperhuisjes of
leege potten (Fig. 276) en neemt deze bedekking er na 6 of 8 dagen
af. De eerst gele, aangesloten bladeren krijgen, in het licht gezet,
reeds na 24 uren een lichtgroene kleur, wijken van elkander af en de
bloemtros komt te voorschijn. Zet men de bollen niet te vroeg warm,
en doet men dit pas na een voldoende voorbereiding, dan zullen de
bloemen en bladeren zich in de juiste verhouding ontwikkelen. Deze
ontwikkeling gaat bij de vroege soorten zeer snel. Drie of vijf weken,
nadat zij warm gezet zijn, ontluiken de eerste knoppen en de bloemtros
moet dan geheel vrij boven de gootvormige bladeren uitsteken. Afgezien
van de Romeinsche Hyacinten, die men reeds in November warm kan zetten,
moet men met het forceeren der vroegste soorten niet vóór den eersten
December beginnen. Daar de kale potten op de vensterbank niet erg mooi
staan, en het tapijt door het veelvuldige gieten licht bemorst wordt,
doet men beter de Hyacinten in daarvoor vervaardigde bakjes te zetten
(Fig. 277). In deze bakjes moet zich een zinken bak bevinden, voorzien
van een afvoerbuisje, waardoor men het overvloedige gietwater, zoo
noodig kan aftappen. De bloeiende Hyacinten maken, met andere in bloei
getrokken planten voor het venster gezet, een prachtig figuur. Zet men
de Hyacinten te vroeg warm, voordat zij voldoende beworteld zijn en
een goeden scheut gemaakt hebben, dan krijgt men in den regel een zeer
treurig resultaat. In veel gevallen begint het hart te rotten en krijgt
men in het geheel geen bloem of wel de bladeren groeien buitengewoon
krachtig door en de bloemtros blijft, door gebrek aan voedsel,
achter en komt niet boven de bladeren uit; de knoppen verdrogen of
ontwikkelen zich slechts onvoldoende, zoodat in beide gevallen de
plant haar waarde heeft verloren. Nu en dan komt het ook wel voor,
dat oogenschijnlijk gezonde bollen een slechten, kleurloozen scheut
ontwikkelen of wel, dat de bloem niet wil doorgroeien. In dit geval
heeft de verzorger, wanneer hij onze wenken in acht genomen heeft,
er geen schuld aan. De fout schuilt dan in den bol en zulke gevallen
zijn zelfs door den knapsten vakman lang niet altijd te voorzien.
Forceert men late Hyacinten, dan mogen die niet te warm gezet worden,
daar dan de bloemen en bladeren te zwak worden. Het schoonst is
gewoonlijk de vroeg geforceerde Hyacint, die haar bloemsteng zonder
steun flink rechtop draagt. Dit laatste is echter niet altijd het
geval en dan moet deze aangebonden worden. Hiertoe bedient men zich
het best van een metalen staafje, zooals in Fig. 278 is afgebeeld,
dat zóó ingericht is, dat men het bij den bol kan steken zonder dien
te beschadigen. Dit staafje bestaat uit dubbel gedraaid koperdraad,
dat van onder zóó gebogen is, dat het tegen den potrand bevestigd
kan worden. Ieder bekwaam koperslager kan deze staafjes vervaardigen.
Een bloeiende Hyacint is, in de warme kamer geplaatst, slechts
betrekkelijk kort van duur. Wil men lang genot van zijn planten hebben,
dan moet men ze, nadat de eerste bloemen ontloken zijn, in een koele
kamer zetten; de bloei duurt dan veel langer. Men moet er echter voor
zorgen, dat de bloeiende Hyacinten niet in een kamer gezet worden,
waar het kan vriezen, aangezien zij daarvoor zeer gevoelig zijn.
Uitgebloeide Hyacinten hebben haar waarde verloren; zij geven echter
het volgend jaar nog een bescheiden bloempje, wanneer men ze na den
bloei langzaam laat afsterven, dan uit de potten neemt, ze schoonmaakt
en tot het begin van den planttijd droog en luchtig bewaart.
Het forceeren van Hyacinthen op water. Een liefhebberij, die om
haar zindelijkheid en eenvoud zeer in trek is, is het forceeren van
Hyacinthen op water. Om dit te doen bedient men zich van zoogenaamde
Hyacintenglazen. Deze glazen zijn in verschillende vormen en prijzen
te verkrijgen. Enkele van onze gravures toonen eenvoudige glazen,
die in verschillende kleuren overal te koop zijn. Men heeft in den
laatsten tijd ook andere glazen vervaardigd, die het bijvullen van
het water gemakkelijk maken. Ook het ververschen van het water,
hoewel niet dikwijls noodig, kan met deze glazen zeer gemakkelijk
geschieden. Het nieuwste en doelmatigste Hyacintenglas is door
J. C. Schmidt, te Erfurt, in den handel gebracht. Over de geheele
lengte van dit glas loopen gootjes (Fig. 279). Door deze kan, zooals
onze gravure aantoont, het eventueele vuile water zeer gemakkelijk
afgegoten worden, daar men den bol met zijn wortels niet uit het glas
behoeft te nemen; hij wordt zelfs, wanneer men het water voorzichtig
afgiet, niet eens vochtig. Dicht onder den hals van dit glas bevindt
zich tusschen iedere twee gootjes een glazen uitsteeksel. Deze
uitsteeksels maken het mogelijk bollen van iedere grootte er op
te zetten, terwijl de bollen er ook luchtig door staan, waardoor
het ontstaan van rotting wordt voorkomen. Het gewone Hyacintenglas
echter is ook in alle opzichten voldoende, daar men, om er water af
of bij te gieten, slechts den bol even behoeft op te lichten. Wij
moeten nog opmerken, dat men in den laatsten tijd ook zeer fraaie,
elegante glazen in den handel heeft gebracht.
De Hyacinten, die men op glazen forceert, komen lang niet zoo vroeg
in bloei als die, welke in potten geplant zijn. Men moet, wil men
voorkomen dat de bollen rotten, ze niet vóór October op de glazen
zetten. Daar de wortels in het water zoo goed als geen voedingstoffen
vinden, kan men voor het forceeren op glazen slechts bollen van eerste
qualiteit gebruiken. Enkelbloemige soorten zijn veel beter voor dit
doel geschikt dan dubbele. Bij het aankoopen moet men uitdrukkelijk
te kennen geven, dat men bollen verlangt, die op glazen moeten gezet
worden. Wanneer in October de tijd voor het op glazen zetten gekomen
is, dan worden deze, na eerst zeer goed schoongemaakt te zijn, tot
vrij dicht onder den hals met helder regen- of leidingwater gevuld. Op
ieder glas kan men zooveel keukenzout toevoegen, als op de punt van
een ontbijtmes liggen kan; dat moet dienen om het water eenigszins vrij
van groene Wieren te houden. Heeft men de glazen gevuld, dan kunnen de
bollen er op gezet worden; zij moeten goed in den hals passen en dus
vastzitten. De wortelhals van den bol moet dicht boven het water zijn,
doch mag dit niet aanraken, daar hij dan begint te rotten. Fig. 280
toont een pas opgezetten bol; men kan daaraan duidelijk zien, hoe hoog
het water staan mag. Den waterstand moet men natuurlijk, regelen na
het opzetten van den bol. Op ieder glas plakt men een etiquetje met
den naam van den opgezetten bol.
Evenals de in potten geplante Hyacinten, moeten ook de op glazen
gezette minstens een paar maanden in donker staan. Het best zet
men ze in den kelder of in een niet te warme kast. Kan men geen
van beide doen, dan zet men ze op de donkerste plek van de kamer
en bedekt iederen bol met een papieren peperhuis. In den loop
van een paar maanden zullen de meeste bollen rijkelijk wortel
gemaakt en een krachtige spruit gevormd hebben. Binnen dezen tijd
zal een paar keer bijvullen der glazen noodig zijn. De wortels
nemen water op en ook verdampt er een weinig, zoodat men telkens,
wanneer het een paar centimeters gezakt is, de glazen opnieuw moet
bijvullen. Fig. 280 toont, hoe een Hyacint er vier weken na het
op water staan uitziet. Natuurlijk ontwikkelen niet alle bollen
zich even goed, enkele rotten en hebben dan hun waarde verloren,
weer andere werken volstrekt niet, hoewel de bol gezond blijft. Men
doet het best deze laatste van de glazen te nemen en ze in potten
te planten, waarin zij dan meestal spoedig wortelen en nog goed
terechtkomen. Hebben de wortels den bodem van de glazen bereikt,
dan zet men ze voor het venster; de scheuten mogen dan echter nog
niet direct aan het licht blootgesteld worden, maar men bedekt die
nog enkele dagen met een peperhuis.
Daar de Hyacinten op glazen langzaam groeien en meestal pas in Maart
bloeien, moet men ze niet dadelijk aan een te hooge temperatuur
blootstellen. De beste plaats voor Hyacinten op glazen is tusschen de
dubbele vensters van een verwarmd woonvertrek; zij staan daar zeer goed
en ontwikkelen er zich langzaam maar zeker. Zijn de scheuten ongeveer
zoover uitgegroeid als Fig. 281 aanduidt, dan kan men ze in het volle
licht zetten, en neemt men dus de peperhuizen weg. De verzorging is
zeer eenvoudig, en bepaalt zich tot het bijvullen van het verbruikte
water. Geheel ververschen van het water is slechts noodig, wanneer de
bollen wortelziek zijn geworden, daar gezonde wortels ook het water
tamelijk zuiver houden. Heeft men zeer koude nachten, waarin het water
in de glazen voor het venster zou kunnen bevriezen, dan neemt men ze
des avonds weg en zet ze midden in de kamer. Enkele bollen ontwikkelen
kweekbolletjes, die men tijdig moet wegsnijden. Begint met de lente
de zon meer en meer krachtig te schijnen, dan groeien de bloemen
der Hyacinten zeer welig door. Daar de bollen, door het gewicht van
den bloemtros, dan niet erg vast meer staan en de bloemtrossen zelf
gaan overhangen, gebruikt men het in Fig. 278 afgebeelde staafje om
ze hieraan op te binden. Fig. 282 toont aan, hoe men dit staafje aan
het glas kan bevestigen. Wanneer de Hyacinten zich op de glazen niet
goed ontwikkelen, wanneer zij te lange bladeren vormen en de bloemen
blijven steken, dan is dit meestal een gevolg van het te vroeg in
het licht zetten, of van een te warme standplaats.
Zijn de bollen op glazen uitgebloeid, dan zijn zij ook geheel
uitgeput. Men kan ze wel langzaam laten afsterven, droog bewaren en
in het najaar in potten of in den tuin planten, maar een voldoenden
bloei zullen zij in geen geval meer geven, zoodat men beter doet ze
direct na den bloei weg te werpen.
Het kweeken van Hyacinten op dubbele glazen. Zeer interessant is het
kweeken van Hyacinten op de in Fig. 283 afgebeelde dubbele glazen. Zulk
een glas bestaat uit twee deelen: het onderste fleschvormige gedeelte,
dat een voet heeft, en het bovenste tulpvormige gedeelte, dat los
op het eerste past. Tot het beplanten van zulk een glas behooren
twee bollen; gewoonlijk neemt men een roode en een witte of blauwe
variëteit die te gelijk bloeien. Nadat men het bovenste gedeelte
van het onderste heeft afgenomen, zet men de roode Hyacint met de
spruit naar onder in den hals ervan, waarin de bol goed moet passen,
zoodat er geen openingen blijven. Hierop wordt het geheele bovenste
gedeelte met het reeds vermelde grondmengsel gevuld, en daarin de
blauw bloeiende soort met de spruit naar boven geplant. Heeft men dit
gedaan, dan zet men het bovenste gedeelte weder op het onderste, zet
het geheel donker en zorgt er voor, dat de aarde gelijkmatig vochtig
blijft. Beginnen de bollen goed te wortelen, dan zet men de glazen op
een lichte standplaats in de kamer en vult het onderste fleschvormige
gedeelte met helder water.
De onderste Hyacint blijft nu naar beneden groeien en bloeit
in het water, terwijl de bovenste zich als iedere andere Hyacint
ontwikkelt. Altijd gelukt het niet, beide te gelijk in bloei te hebben;
het wil wel voorkomen, dat de bovenste bol te vroeg bloeit; dit bezwaar
is echter te voorkomen door den uitgebloeiden bol door een anderen te
vervangen. Erger is het, wanneer de onderste bol begint te rotten,
in welk geval het geheel verloren is, daar deze niet door een ander
vervangen kan worden. Het geheel maakt, wanneer het goed gelukt,
een alleraardigsten indruk.
Tulipa (Tulp). Naast de Hyacint is de Tulp ontegenzeglijk het meest
gezochte bolgewas, en daar de meeste soorten òf reukeloos zijn,
òf slechts zeer zacht geuren, wordt zij door vele liefhebbers boven
eerstgenoemde verkozen, daar deze hun veel te sterk riekt.
In de vijftiende eeuw kwam de Tulp uit Perzië in Turkije, waar
zij spoedig zeer bemind werd, zóó zelfs, dat men jaarlijks ter
harer eere een groot feest vierde. Nog heden ten dage bestaat deze
gewoonte en de Sultan beschouwt het als een groot blijk van liefde
wanneer de bewoonsters van den harem jaarlijks dit feest voor hem
bereiden. In 1559 kwamen de Tulpen in Duitschland, en in het begin der
zeventiende eeuw werden ze hier te lande ingevoerd. Nergens heeft de
Tulp zoo'n opgang gemaakt als in ons land, en nergens heeft zij tot
zulke dolzinnige speculaties aanleiding gegeven. Van af 1634-1637
waren het de meest in trek zijnde handelsartikelen op de markten
van Amsterdam, Utrecht, Leiden, Rotterdam, enz. Als geboren koopman
maakte men toen ter tijd de Tulp tot een gewild handelsartikel. Het
volk werd als het ware met een Tulpenkoorts besmet en de werkelijke
handel veranderde in de grootste zwendelarij. Iedereen hield er een
grootere of kleinere Tulpenkweekerij op na, in de hoop spoedig rijk
te worden. De voornaamste zwendelarij bestond in het verkoopen van
Tulpen, die in het geheel niet bestonden. Door de groote vraag werden
de prijzen buitengewoon opgedreven en voor zeldzame soorten werden
fabelachtige sommen besteed. Zoo werd o.a. voor één enkelen bol van
de "Semper Augustus" de som van 14.600 gulden besteed; een openbare
verkoop van 120 Tulpen bracht in 1637 op de markt te Alkmaar 90.000
gulden op, en te Amsterdam werd in één week voor 10 millioen gulden aan
Tulpenbollen verkocht. Op den duur was deze zwendelarij onhoudbaar,
zoodat de Staten Generaal er den 27sten April 1637 een wet tegen
uitvaardigden. Ten gevolge hiervan geraakte de Tulpenhandel spoedig
weder in zijn natuurlijk spoor, en de zwendelaars verlieten met gevulde
zakken het tooneel hunner speculaties. Hoewel de Tulpenzwendelarij
verdwenen is, bestaat er hier te lande tusschen den Nieuwen Waterweg
en het Amsterdamsche Noordzee-kanaal toch nog een zeer uitgebreide
Tulpencultuur.
Van af einde Augustus tot aan November kan men de Tulpen, die men wil
forceeren, opplanten. Soorten echter, die men vroegtijdig in bloei
wil hebben, moeten ook tijdig opgepot worden. Het beste plant men
de Tulpen in een grondmengsel, dat bestaat uit gelijke deelen broei-
en tuinaarde, waarbij men rijkelijk zand voegt; ieder ander zandig,
doch niet te kleiachtig of vet grondmengsel kan men echter ook voor
het oppotten van Tulpen gebruiken. Het best doet men drie bollen
in een pot te planten, die maar juist zóó groot mag zijn, dat zij
elkander niet raken. Nadat men den pot met aarde gevuld heeft, worden
de bollen er in gedrukt (Fig. 286) en wel zóó diep, dat hun neuzen in
één lijn liggen met den rand van den pot of er slechts even bovenuit
steken. Het best doet men de beplante potten met Tulpen in den kelder
te zetten en ze een centimeter of drie met aarde te bedekken. Men
moet echter goed op deze bollen letten, daar zij bij voorkeur door
muizen worden afgeknaagd. Graaft men de potten in den tuin onder,
dan mag men vooral de vroegere soorten niet te lang zoo laten staan,
daar de scheuten dan na een paar maanden reeds een buitengewone
lengte hebben bereikt, waardoor de bloemen zich later niet mooi
zouden ontwikkelen. Hierbij komt nog, dat de langstengelige Tulpen
dan niet rechtop blijven staan en daardoor veel van haar schoonheid
verliezen. Bij het forceeren in de kamer stelt de Tulp even weinig
eischen als de Hyacint; de vroege soorten verdragen ook, wanneer zij
vroeg geforceerd worden, tamelijk veel warmte. De vroegste soorten
zijn de enkele Duc-van-Thol. De vroegste en kleinste van deze soort
is de rood met gele, dan volgen de scharlaken, rose, gele, goudbonte,
maximus en vermiljoen-variëteiten. De meeste van deze verspreiden
een zachten geur. Ook onder de talrijke niet-riekende Tulpen bevinden
zich verscheidene vroegere soorten. De eerste Duc-van-Thol's kunnen
omstreeks St. Nicolaas bloeien. Fig. 287 toont een pot met enkele,
Fig. 288 een met de minder aanbevelenswaardige, dubbele Tulpen. De
vroege Tulpen moeten ook vroeg in December en Januari geforceerd
worden, daar bij een later in bloei trekken de bladeren zich
buitengewoon ontwikkelen en de bloemknoppen verdorren. Bij het
forceeren van vroege Tulpen wil het wel voorkomen, dat de bladeren
zóó stijf in elkander gerold zitten, dat de knop er niet door kan
breken; is dit het geval, dan moet men de bladeren voorzichtig uit
elkander rollen.
Late Tulpen zijn voor het forceeren minder geschikt, daar zij tegen
het voorjaar haar waarde voor de kamer verliezen. De Tulpen zijn het
fraaist, wanneer de bloemen gesloten zijn; des winters blijven zij
dit in een koel vertrek zeer lang en duren dan ook geruimen tijd;
in het voorjaar gaan zij, onder den invloed van de zon, openstaan en
bloeien daardoor zeer snel uit. Iedere Tulpen-bol brengt als regel één,
slechts zelden twee bloemen voort.
Narcissus (Narcis). Door de kweekers worden de hiertoe behoorende
soorten, met meestal zeer welriekende bloemen, verdeeld in drie
groepen: Narcissen, Tazetten en Jonquilles. De Narcissen dragen slechts
één of twee, de Tazetten daarentegen een aantal bloemen op één steng;
zij hebben smalle, grasachtige bladeren en sterke bollen. De Jonquilles
dragen minstens twee of drie, meestal echter meer bloemen op één
steng; zij hebben smalle, grijsachtige bladeren en kleine bollen
(Fig. 289); het zijn over het algemeen zeer sierlijke plantjes. De
Narcissen behooren te huis in Spanje, Portugal, Italië en Griekenland,
doch blijven hier te lande des winters onder bedekking zeer goed
buiten over.
Al de hiertoe behoorende bollen worden tegen het einde van Augustus
in potten geplant. Men gebruikt hiertoe zandige broeiaarde, waaraan
een weinig tuingrond kan worden toegevoegd. In iederen pot worden
gewoonlijk drie bollen geplant en daar zij elkander niet mogen
aanraken, moet men voor Narcissen en Tazetten potten gebruiken van
ongeveer 15 cM. wijdte, terwijl voor Jonquilles, die kleinere bollen
hebben, potten van 10 cM. groot genoeg zijn. De bollen worden geheel
in de aarde geplant; slechts de lange neus mag er een eindje bovenuit
steken en mag zelfs iets boven den potrand uitkomen. Men kan nu de
beplante potten, hetzij ondergraven, hetzij op een schaduwrijke plek
in den tuin zetten, totdat de vorst begint in te treden; zij moeten
dan voorloopig in den kelder worden geplaatst. In het eerste geval mag
men de potten hoogstens tot midden Januari ondergegraven laten staan,
opdat de bladeren, door het te vroeg warm zetten niet te lang worden;
in het tweede geval moet men niet vergeten de potten gelijkmatig
vochtig te houden. Van het begin van het forceeren tot den bloei
verloopen 4-6 weken.
Al de verschillende soorten Narcissen laten zich zeer goed in bloei
trekken, wanneer men daarmede niet vóór half Januari begint; zij zijn
dan in dien tijd goed beworteld en hebben zich flink ontwikkeld. Het
in bloei trekken moet niet al te snel gaan. Men brengt deze planten
eerst in een vertrek, waarin niet gestookt wordt, doch dat vorstvrij
is; acht à tien dagen later zet men ze dan in een temperatuur van
50° à 55° Fahr. Zooals steeds bij het in bloei trekken, moet men
er ook bij deze planten op letten, dat de aarde nooit uitdroogt,
doch gelijkmatig vochtig blijft. Fig. 289 toont de bollen van
een paar Jonquillen-soorten; Fig. 290 die van twee verschillende
Narcissen-soorten, en Fig. 291 die van drie Tazetten-soorten, terwijl
Fig. 292 een pot met een bloeiende Narcis vertoont. Bij het inkoopen
van deze bollen moet men ze goed bekijken; zij worden toch door
de larven van twee verschillende vliegen bewoond, toonen dan ronde
gaten en komen niet tot bloei. Niet al de tot het geslacht Narcissus
behoorende planten laten zich forceeren, verscheidene soorten hebben
slechts waarde ter versiering van den tuin. De vroegste soort om in
bloei te trekken is de niet zeer schoone Marseiller Tazette, die reeds
in December warm gezet kan worden en zeer goed een hooge temperatuur
verdraagt. Andere Narcissen moet men voor het zonnige venster van een
warme kamer langzamerhand tot ontwikkeling laten komen. De Jonquilles
mogen niet vóór Maart in de kamer worden gezet.
Scilla. De Scilla-soorten zijn allerliefste, kleine plantjes,
met stervormige kleine blauwe bloempjes, die reukeloos zijn en met
meerdere te zamen aan kleine steeltjes zitten. Iedere bol brengt drie,
vier of meer van deze bloemtrosjes voort.
Men plant de bolletjes (Fig. 293), vier à vijf te zamen, in een potje
van 10 cM. wijdte, in het grondmengsel, dat ook voor Hyacinten gebruikt
wordt. De potten kunnen, totdat het begint te vriezen, op een beschutte
plek in den tuin blijven en dan in den kelder gezet worden; men kan ze
echter ook, evenals de Hyacinten, ondergraven; zij moeten dan echter
in de eerste helft van Januari opgenomen worden, om ze, wanneer men
ze nog niet warm wil zetten, verder in den kelder of een koude kamer
te plaatsen, daar de scheuten anders te lang en geel worden.
De soort, die het meest voor forceeren gebruikt wordt, is de Scilla
sibirica met fraaie, donker blauwe bloemen. Wanneer zij op tijd wordt
geplant, kan men midden December reeds beginnen haar te forceeren en
zij bloeit dan in Januari. Aanvankelijk zet men ze in een matig warme
kamer; zoodra zij dan teeken van leven begint te geven, wordt zij
voor het venster van een warmere kamer gezet. Heeft men een kamer,
die op het Zuiden ligt en waarin de zon nu en dan eens schijnt, dan
is dit voor een goede ontwikkeling zeer voordeelig. Gewoonlijk willen
bij het forceeren de vast aaneengesloten blaadjes niet loslaten en
de bloem heeft niet de noodige kracht, ze van elkander te wringen,
en zou dus bederven, wanneer men haar niet een weinig hielp. Om dit te
doen, maakt men voorzichtig de bladeren aan de spitsen een weinig los;
zij gaan dan, wanneer het goed gedaan is, vanzelf verder uit elkander.
Wil men de Scilla later in bloei hebben, dan is daarvoor beter geschikt
de Scilla bifolia, een lieve, in Duitschland en Frankrijk te huis
behoorende voorjaarsbloeister, met blauwe bloemen. Van deze soort
zijn ook witte, vleeschkleurige, roode en lichtblauwe variëteiten
bekend. Ook de Scilla campanulata uit Spanje en Portugal is voor
dit doel zeer goed geschikt. Van deze soort is ook een wit bloeiende
variëteit in den handel.
Naast de besproken bolgewassen komen er nog één knol- en één
wortelgewas meer in het bijzonder voor het forceeren in aanmerking
n.l.:
Crocus vernus (Krokus). Onder de planten, geschikt tot forceeren, nemen
de Krokussen een voorname plaats in. Buiten uitgeplant, bloeien zij
slechts even later dan de Sneeuwklokjes. De tamelijk groote bloemen
prijken in alle kleurnuancen tusschen wit, blauw en geel; dikwijls
zijn zij ook fraai gestreept of anders geteekend. Zeer duidelijk
toont Fig. 294 het voorkomen van den gewonen Krokus.
Een mooie soort is ook nog de Crocus Imperati (Fig. 295), met fraai
geaderde bloemen. De kleine knolletjes (Fig. 296), die met een taai,
droog omhulsel zijn omgeven, gelijken in voorkomen zeer veel op
Gladiolus-knollen en evenals bij deze kan men ook bij de Krokus-knollen
de eigenaardigheid waarnemen, dat zij nooit ouder worden dan één jaar.
De oude knol droogt in den loop van den groeitijd geheel in,
maar onder aan de jonge scheuten, die zich uit hem ontwikkelden,
vormen zich de dadelijk bloeibaar zijnde jonge knollen. Neemt men een
afgestorven Krokus uit den grond, dan vindt men één tot drie krachtige
jonge knolletjes en aan hun voet den ouden, ingedroogden knol. In de
catalogi der kweekers worden tegenwoordig talrijke fraaie variëteiten
vermeld, die ieder op zichzelf toch nog te klein zijn om afzonderlijk
te worden opgepot. Van de Krokus worden zooveel mogelijk knolletjes
in den pot of de schaal geplant, zonder dat zij elkander aanraken;
zij moeten 2-3 cM. diep onder de aarde geplant worden. Zeer geschikt
om ze in te planten is zandige compost- of tuinaarde. Heeft men de
potten of schalen beplant, dan worden zij aangegoten en in den tuin
ingegraven of in den kelder gezet. Met het in bloei trekken moet
men niet vóór Februari beginnen en dit doen voor een zonnig gelegen
venster van een koude kamer. Door kunstmatige warmte kan men bij deze
planten niets bereiken, vooral niet, wanneer men gebrek heeft aan
zon. In dit geval groeien de Krokussen krachtig door en vormen groote
lange bladeren, de bloemen verdwijnen echter, zonder tot ontwikkeling
te komen. Kweekt men deze planten voorzichtig, dan zorgt men, dat de
temperatuur bij zonnig weer een weinig stijgt en daarentegen bij donker
weer daalt. Brengt men goed bewortelde Krokussen voor een venster,
dan zullen, bij zonnig weer, de bloemen zich reeds na enkele dagen
ontplooien. Iedere knol vormt meerdere scheuten en uit iederen scheut
ontspruiten weer verscheidene bloemen. De bloemen zijn in gesloten
toestand verreweg het mooist. Geregeld sluiten zij zich des avonds,
maar blijven ook bij donker weer overdag gesloten; geheel openen doen
zij zich slechts onder helderen zonneschijn. Heeft men ze op een koele
standplaats staan, dan laten de bloeiende Krokussen zich van 4 tot 6
weken lang goedhouden; zet men ze daarentegen op een warme plaats,
dan zijn zij reeds na 8 of 10 dagen uitgebloeid. De Krokus, die in
een pot is uitgebloeid, heeft meestal nog slechts zeer weinig waarde,
omdat de jonge scheuten zich dan zwak ontwikkelden. Wil men er nog
plezier van hebben, dan plant men ze na den bloei in den tuin uit,
waar zij dan het volgend jaar weder zullen bloeien.
Convallaria majalis (Lelietje der dalen). Er wordt wellicht geen
enkele plant in zóó grooten getale in bloei getrokken als deze, en
te verwonderen is dit zeker niet. Zoowel om haar lief voorkomen als
om haar heerlijken geur is het Lelietje algemeen bemind; men vindt
het in de bruidsbouquet en in den grafkrans, en een pot met bloeiende
Convallaria's is, vooral des winters, overal een aangenaam geschenk.
Het is niet zeker of de in het wild voorkomende Convallaria het type
is van de zooveel gekweekte soort. Deze laatste overtreft de eerste
verreweg in schoonheid, zij heeft breedere bladeren, een krachtiger
bloeiwijs en grootere bloemen; ook is zij zeer geschikt om in bloei
te trekken, wat de eerste niet is. De natuurlijke bloeitijd van
het Lelietje valt in de maanden Mei en Juni; in bloei getrokken,
bloeit zij reeds in November en men kan den ganschen winter door
bloeiende planten er van hebben. Tot het in bloei trekken worden
meestal driejarige kiemen gebruikt (Fig. 298), met een weinig oefening
kan men aan de grootte en den vorm van de kiem dadelijk zien of zij
bloeibaar is of niet. Snijdt men een bloeibare kiem door, dan vindt
men er niet alleen de bladeren, maar in het hart ook den aanleg van
de bloem in. In enkele streken van Holland worden de Convallaria's
bij millioenen gekweekt en vooral die zijn aan te bevelen, welke door
haar blanke wortels toonen op zandgrond gekweekt te zijn.
Voor het in bloei trekken der Lelietjes moet men, wil men ze vroeg
hebben, over een temperatuur kunnen beschikken van minstens 80° Fahr.,
in de meeste gevallen geven de kweekers ze een bodemwarmte van 85°-90°
Fahr. Daar men in de kamer gewoonlijk over een dergelijke warmte niet
kan beschikken, doet men beter het zeer vroeg in bloei trekken niet
te beproeven en er niet vóór midden Januari mede te beginnen. De
Convallaria heeft, bij het in bloei trekken, een zeer bijzondere
eigenschap; zij vormt toch geen nieuwe wortels, maar neemt door haar
oude wortels de noodige vochtigheid op. Warmte en vocht zijn bij het
forceeren dezer planten de voornaamste factoren. De kiemen, die men
noodig heeft, moet men zich in October of November aanschaffen; men kan
ze dan in den tuin ingraven of dadelijk opplanten. Voor het oppotten
kan men iedere grondsoort, zelfs zuiver zand gebruiken; het best
gebruikt men er potten voor van 10-12 cM. wijdte. In iederen pot plant
men, al naar de grootte, van 8-12 kiemen, waarvan de wortels voor het
planten op ongeveer 10 cM. lengte teruggesneden moeten worden. Hierop
neemt men den pot, legt enkele scherven op den bodem, waarna er een
laagje aarde op wordt gebracht, dat een weinig wordt aangedrukt. Is men
zoover klaar, dan neemt men het aantal kiemen, dat men planten wil,
zóó in de hand, dat de neuzen op gelijke hoogte liggen en houdt ze
dan zóó in den pot, dat zij juist even boven den potrand uitsteken;
de overblijvende ruimte wordt dan niet verder met aarde opgevuld. Nu
drukt men de kiemen uit elkander, zoodat zij even ver van elkander
verwijderd zijn, waarop de openingen met aarde worden aangevuld,
waarbij men er op moet letten, dat de aarde goed tusschen de wortels
in komt, en dat zij stevig genoeg wordt aangedrukt. Geraken enkele
neuzen hierdoor onder de aarde, dan moet men die weder een weinig
oplichten. De hoofdzaak bij het opplanten is, dat de kiemen geheel
vrij liggen, dat de aarde goed tusschen de wortels wordt aangedrukt,
en dat de neuzen niet onder de aarde komen te liggen. Fig. 297 toont
opgepotte kiemen in verschillende stadiën van ontwikkeling.
In plaats van ze in potten te planten, kan men ook van negen tot
vijftien kiemen zoodanig in gewoon mos wikkelen, dat de neuzen
vrijblijven, doch de wortels alle in het mos komen te liggen. Het
geheel wordt ten slotte met een flinken band tot een bundel stevig
samengebonden. Nadat men de kiemen opgepot of ingewikkeld heeft,
worden zij goed aangegoten en, totdat met het forceeren begonnen wordt,
in den kelder bewaard.
Heel aardig is het in bloei trekken in zoogenaamde piramiden. Deze
piramiden (Fig. 299) zijn steenen potten, die veel overeenkomst hebben
met de potten, die men wel eens gebruikt ziet om Pieterselie-wortels
te laten overwinteren; alleen zijn zij wat kleiner en van meer gaten
voorzien; iedere pottenbakker kan ze vervaardigen. Het planten der
kiemen in de piramide is zeer eenvoudig. De wortels der te planten
kiemen worden op 10 cM. lengte teruggesneden. Men doet dan, tot aan
de onderste gaatjes, aarde in de piramide en legt door ieder gaatje
op die hoogte, een kiem en wel zoodanig, dat de neus geheel uit het
gaatje steekt. Zijn op deze wijze al de onderste gaatjes gevuld,
dan brengt men er een laagje aarde op tot aan de tweede rij. Nadat
de aarde met de hand behoorlijk is vastgedrukt, wordt de tweede rij
gaatjes gevuld en zoo gaat men door tot zij alle van kiemen voorzien
zijn, waarop men er bovenop ook nog eenige plant. Is men met beplanten
klaar, dan wordt het geheel zóó lang onder water gedompeld, totdat
er geen luchtblaasjes meer aan ontsnappen; ook later moet het gieten
geheel op dezelfde wijze geschieden. Wordt de beplante piramide in
bloei getrokken, dan richten al de uitgroeiende kiemen zich naar
boven, zoodat het geheel er ten slotte uitziet, zooals in Fig. 299
is afgebeeld.
Het in bloei trekken der Lelietjes doet men, in een kamer, het best
op de volgende manier. De potten of bundeltjes Convallaria's worden
in een tamelijk hoog kistje met mos ingegraven, zoodanig, dat de
neuzen ook eenige centimeters met mos bedekt zijn. Het mos wordt
nu met een broesgieter met lauw warm water behoorlijk aangegoten,
waarop het kistje met een paar glasruiten bedekt en dicht bij de
kachel gezet wordt. Men moet er op letten, dat zij niet al te warm
staan en dat de kachel, zoo mogelijk, gelijkmatig warm blijft. De
kiemen worden nu dagelijks met lauw water begoten, waarbij dan
tegelijkertijd de ruiten met een drogen doek worden afgeveegd. Zijn
de kiemen zóó ver uitgegroeid, dat zij de ruiten raken, dan worden
deze er afgenomen. Voordat de bloemen openkomen, neemt men de potten
uit het kistje, verwijdert het mos en zet ze voor het venster of
op de bloemtafel. Het geheele in bloei trekken der kiemen vordert
ongeveer van 20-25 dagen. Heeft men de kiemen zeer vroeg geforceerd,
dan zullen zij wel bloemen, maar geen bladeren ontwikkelen. Om dan aan
het geheel wat meer leven te geven, en de witte bloempjes wat beter
te doen uitkomen, legt men tusschen de bloemtrosjes levend sphagnum,
of wel, men plant er kleine Varens tusschen. Het mooiste resultaat
verkrijgt men, door in de eerste helft van Februari te forceeren,
daar dan de bladeren en bloemen zich ongeveer te gelijk ontwikkelen
(Fig. 300). Hoe verder wij nu het voorjaar ingaan, des te sterker
worden bij het forceeren de bladeren; ten laatste verdringen zij
geheel de bloemen, die dan niet meer tot ontwikkeling komen. Men kan
dit bezwaar eenigszins voorkomen, wanneer men bij iedere kiem slechts
één blad laat doorgroeien en de andere tijdig, in ieder geval vóór
zij zich ontrollen, met een scherp mesje wegsnijdt. Bij het in bloei
trekken der Lelietjes hangt alles èn van voldoende warmte èn van een
behoorlijk vochtige lucht af, zoodat er zeer op het gieten en het
spuiten moet gelet worden. Men doet het best, steeds lauw water te
gebruiken. De grootste vijand van getrokken Convallaria's is de zon;
laat men ze in de zon staan, dan hangen zij binnen korten tijd slap
en zij richten zich niet weder op. Wil men van de bloeiende Lelietjes
veel genoegen hebben en ze langen tijd goedhouden, dan moet men ze
in een frissche, koele kamer zetten. De uitgebloeide kiemen sterven
af en hebben alle waarde verloren.
Met het in bloei trekken van vaste-planten en bloemheestertjes in de
kamer hebben wij vaak proeven zien nemen, die gewoonlijk mislukten. Wij
raden ieder plantenliefhebber dan ook aan zijn tijd hiermede niet te
verspillen; hij voorkomt op deze wijze tevens teleurstellingen.