vermelden. De bladeren, der soorten, die hiertoe behooren, zijn
dubbel gevederd, d.w.z. de bladsteel vertakt zich en aan deze
zijtakjes zijn de bladeren bevestigd. De vederblaadjes op zichzelf
zijn tamelijk breed, scheef, driekantig en sterk ingesneden, vooral
de groote eindbladeren hebben veel overeenkomst met de staartvin
van een visch. Interessant zijn de Caryota urens en de Caryota
sobolifera. De Caryota's, die niet veel aangetroffen worden, zijn zeer
goede kamerplanten gebleken; omdat zij niet al te groot worden. Hoewel
zij, in de kamer gekweekt, volstrekt geen stam vormen, zijn het in
haar vaderland imposante boomen, met slanke, gladde stammen.
Niet zoo groot als bij de Vederpalmen is de keuze bij de
Waaierpalmen. De meest bekende en wellicht ook de fraaiste der
hiertoe behoorende soorten is de Livistona chinensis (Latania
borbonica). Iedere plantenliefhebber kent deze fraaien Palm, die in
elke kweekerij aangetroffen wordt. Zij houdt zich in de kamer vrij
goed, doch vormt niet zulke lange bladstelen, waardoor zij spoedig
haar elegant voorkomen verliest. Dit is vooral het geval, wanneer
men planten koopt, die in de kweekerijen zeer warm hebben gestaan. De
hartbladeren blijven dan in den kop steken, zij groeien niet goed door
en de plant verliest veel van haar schoonheid. Een veel zeldzamere,
doch ook zeer fraaie soort is de Livistona rotundifolia. Beide soorten
bezitten gedoornde bladstelen. Zeer hard is de Livistona australis;
ook deze soort heeft gedoornde bladstelen en bijna cirkelronde, fijn
ingesneden bladeren. Als jonge plant is zij echter wel een beetje
stijf. De hardste Waaierpalmen zijn de Chamærops. Twee soorten komen
van dit geslacht veel voor: de Chamærops excelsa en de Chamærops
humilis. De eerste, die ongedoornde bladstelen heeft en hooger
opgroeit dan de tweede, is ook veel fraaier. Beide soorten groeien
des zomers zeer goed buiten en stellen zich des winters tevreden met
een temperatuur van 40°-50° Fahr.
Ten laatste willen wij nog vermelden de Rhapis flabelliformis. Dit
is een struikachtige harde Palm, die bossig groeit en vrij lange
stengels vormt. De bladeren zijn donkergroen, handvormig ingesneden
en worden door zeer dunne bladstelen gedragen. De stengels zijn met
een stugge vezelstof omgeven.
Een zeer sierlijke soort is ook de laag blijvende Rhapis humilis. Deze
is, evenals de voorgaande, voor koelere vertrekken bestemd. Men kan
ze gemakkelijk voortkweeken door scheuring; ook worden er talrijke
exemplaren van ingevoerd, die, na in de kweekerijen aan den groei te
zijn gebracht, door de kweekers worden aangeboden.
Cordyline en Dracæna.
De Cordyline's en Dracæna's vormen twee geslachten uit de familie der
Liliaceeën. De hiertoe behoorende soorten komen meest alle voor onder
den naam Dracæna, eenige ook onder den naam Aletris. Het voornaamste,
ook voor leeken, waarneembare verschil tusschen de beide geslachten
bestaat hierin, dat de soorten, die tot het geslacht Cordyline
behooren, een soort van wortelstok vormen, waaruit jonge scheuten zich
kunnen ontwikkelen, en ook witte wortels hebben, terwijl de soorten
van het geslacht Dracæna zulk een rhizoom niet bezitten en geelachtige
wortels vormen. Wat het uiterlijk betreft, komen de beide geslachten
anders tamelijk wel overeen, en ook in de behandeling stellen zij
dezelfde eischen, waarom wij hen te zamen willen bespreken.
Wanneer de lezer de hierbij gevoegde gravuren slechts even beziet,
dan zal hij er wel dadelijk oude bekenden in herkennen. Deze, dikwijls
met zeer fraaie bladeren prijkende bladplanten zijn een zeer belangrijk
handelsartikel. Men vindt ze tegenwoordig in bijna iedere kweekerij,
waar zij door te veel leeken nog steeds voor Palmen worden aangezien,
waarmede zij echter niets gemeen hebben. De betrekkelijk kleine bloemen
der Cordyline's en Dracæna's verschijnen in groote trossen. Zij zijn
tamelijk onbeteekenend, en komen alleen voor bij zeer oude exemplaren,
of bij planten, die gebrek aan voedsel hebben.
Gedeeltelijk zijn de tot deze geslachten behoorende gewassen harde
decoratieplanten, die men des zomers ter versiering van den tuin en het
balkon kan gebruiken, terwijl men ze des winters in een tamelijk koude
kamer kan laten overwinteren. Het zijn in hoofdzaak de groenbladerige
variëteiten, die zich daartoe bij uitstek leenen. Andere groene en
vooral gekleurde variëteiten zijn meer bepaald kamerplanten, die een
zeer zorgvuldige behandeling verlangen. Deze teerdere soorten kweekt
men het best, ook des zomers, in de kamer; men geeft ze dan een lichte
standplaats, waar zij tegen te scherpe zon moeten geschermd worden. De
winterverpleging der Cordyline's en Dracæna's is het lastigst van de
geheele cultuur. Het gevoeligst zijn de bontbladerigen; de aarde moet
tamelijk droog, in ieder geval meer droog dan vochtig gehouden worden,
daar anders de wortels en onderaardsche stengeldeelen afsterven,
waardoor de geheele plant kan verloren gaan. Bij de meeste Cordyline's
zijn de wortels slechts éénjarig; tegen het voorjaar sterven zij af,
gelijktijdig ontspringen echter uit de onderaardsche stengels jonge,
witte wortels, die spoedig den geheelen pot vullen. De tijd, waarop
dit wisselen geschiedt, is verreweg de kritiekste en men moet dan zeer
voorzichtig zijn met het gieten. De Dracæna's behouden des winters
hun wortels en kunnen dan ook wat rijkelijker begoten worden.
De Cordyline's en Dracæna's worden niet te vroeg in het voorjaar
verplant. Heeft men jongere, in potten staande planten, dan geschiedt
dit eens per jaar. Oudere, in kuipen staande exemplaren daarentegen
behoeft men slechts om de 2 à 4 jaren te verplanten. Bij het verplanten
gebruikt men steeds betrekkelijk kleine potten, zoodat er tusschen
den nieuwen pot en de kluit niet al te veel ruimte over is. Nadat
men ze uit de potten heeft genomen, worden de kluiten losgemaakt en
de doode wortels weggesneden; waarbij men echter voorzichtig moet
zijn, niet in de gezonde wortels te snijden. Totdat de planten aan
den groei zijn, moet men slechts matig gieten. Oudere, niet verplante
exemplaren kunnen des zomers enkele malen met een niet te sterke gier
begoten worden. Op warme dagen moeten de bladeren des morgens en des
avonds bespoten en ook af en toe met een spons afgewasschen worden,
opdat zij zuiver blijven en niet door ongedierte worden aangetast. De
tot deze geslachten behoorende planten hebben steeds sterk te lijden
van gevaarlijk ongedierte, zooals thrips en roode spin, dat altijd,
wanneer zij in een warm vertrek staan en niet voldoende gewasschen
en bespoten worden, vrij hevig optreedt.
Het voortkweeken der Cordyline's en Dracæna's geschiedt in de
kweekerijen op verschillende manieren. Verscheidene soorten
worden uit zaden gekweekt; gewoonlijk echter geschiedt dit langs
ongeslachtelijken weg door middel van stekken. De kroon der plant,
die men voor vermenigvuldiging wil laten dienen, wordt afgesneden en
als stek behandeld; daarna snijdt men den stam, zoo lang hij nog niet
houtachtig, d.w.z. zeer hard geworden is, in eenige een centimeter
lange stukjes. Nadat men de snijvlakken wat heeft laten opdrogen of ze
met houtskoolpoeder heeft bestrooid, worden de stukjes op bodemwarmte
gelegd in zeer lichte aarde of turfmolm. Spoedig ontwikkelen zich nu
aan deze stamstukjes jonge scheuten, die ook wortels vormen. Zijn
de stamstukjes te groot, dan snijdt men ze aan beide zijden in;
de snijvlakken worden dan vóór het oppotten nogmaals met houtskool
bepoederd. In de kamer is echter het voortkweeken dezer planten
bijna ondoenlijk, daar men niet over een constante bodemwarmte kan
beschikken. Heeft men planten van deze geslachten, die een schoone
kroon hebben, doch van onderen kaal en daardoor leelijk geworden zijn,
dan kan men die in de kamer toch zeer goed verjongen, door haar te
ringen, op de wijze op bladz. 37 uitvoerig besproken.
Onder de Cordyline's vinden wij, zooals reeds gezegd is, talrijke
hardere soorten, die als decoratieplanten zeer goed dienst kunnen
doen. Tot deze soorten behoort de Cordyline indivisa, waarvan talrijke
variëteiten bekend zijn en ook de Cordyline australis, met fraaie,
breede bladeren. Onder de hardere soorten, die geschikt zijn om
steeds in een kamer gekweekt te worden, zijn vermeldingswaardig
de groenbladerige Cordyline congesta, en ook de Cordyline rubra,
met breedere, roodachtig getinte bladeren. Deze beide soorten treft
men tamelijk veel in woonvertrekken aan. Groenbladerige soorten
van den lateren tijd zijn de Cordyline Bruantii en de Cordyline
Danellii, waarvan vooral de eerste een uitnemende kamerplant is. In
veel kweekerijen worden groote collecties rood-, wit- en geelbonte
variëteiten van de Cordyline gekweekt, die, zooals wij reeds gezegd
hebben, lang niet gemakkelijk te behandelen zijn, en zich in de kamer,
vooral des winters, zeer gevoelig toonen. Fig. 234 toont een zeer
fraaie, hiertoe behoorende soort, de Cordyline terminalis rosea.
Onder de Dracæna's zijn ook talrijke harde soorten, waartoe ook
de Dracæna Draco (Drakenbloedboom) behoort. Deze soort is slechts
schoon als grootere plant en wordt daarom niet zeer veel in de kamer
gekweekt. Zeer mooie groenbladerige soorten zijn de Dracæna fragans
en de Dracæna Rothiana; schoone, flink groeiende, bontbladerige
soorten zijn de Dracæna Lindenii (Fig. 236) en de Dracæna Massangeana
(Fig. 237); beide hebben groen met geel genuanceerde bladeren en vormen
fraaie planten. Een heel aardige kamerbladplant is ook de Dracæna
marginata, met smalle, rood gerande bladeren, terwijl een tamelijk
nieuwe, ook zeer goede kamerplant, de Dracæna Sanderiana (Fig. 238) is.
Potplanten met fraaie vruchten.
Van deze groep komt in de eerste plaats in aanmerking de Ardisia
crenulata. Deze, van de Antillen afkomstige plant, is zeker wel
de schoonste der groenblijvende kamerplanten, die fraaie vruchten
voortbrengen. Zij kenmerkt zich door een pyramidalen groei. De
twijgjes zijn dicht bezet met frisch groene, sterk gezaagde, ovale,
lederachtige bladeren. In het voorjaar groeit de Ardisia sterk uit;
de jonge scheuten bedekken zich rijkelijk met kleine witte bloempjes,
terwijl de overjarige scheuten bezet zijn met fraaie, koraalroode
bessen.
De Ardisia is een inderdaad lieve kamerplant, die vroeger zeer
veelvuldig gekweekt werd, doch tegenwoordig veel zeldzamer
is geworden. Jammer is het, dat zij zich niet gemakkelijk in de
kamer laat houden, daar zij warmte en vochtige lucht verlangt. Een
hoofdvereischte is, haar goed schoon te houden, daar zij gemakkelijk
vuil wordt en dan door schildluizen wordt aangetast. Oudere planten,
die de onderste twijgen verloren hebben, zijn bepaald leelijk. De
Ardisia's verlangen een lichte standplaats; zij willen dikwijls
bespoten en zeer gelijkmatig begoten worden, terwijl men ze tegen
de scherpe zon moet schermen. Ieder jaar moeten zij in het voorjaar
verplant worden, waarvoor men een goede zandige broeiaarde moet
gebruiken. Zeer nuttig is het, ze des zomers af en toe te gieren.
De voortkweeking geschiedt door zaden, die in vochtige lucht vaak
reeds kiemen, wanneer zij nog aan de moederplant zitten en dan
een interessant gezicht opleveren; ook kan men kopstekken nemen,
waartoe de kroontjes van leelijk geworden planten zeer goed kunnen
dienen. In de kamer gelukt het kweeken, door middel van stekken,
uiterst zelden, terwijl het ook zeer moeilijk is er uit zaden goede
planten van Ardisia's te kweeken. Een liefhebber doet dus het wijst,
zich goede, jonge planten aan te schaffen.
Een zeer aardige, éénjarige potplant, die zeer schoone vruchten vormt,
is ook de Capsicum annuum (Spaansche peper). In landen met een warmer
klimaat groeit deze plant zeer welig buiten; zij brengt dan in grooten
getale haar vruchten voort, die, gedroogd, een lang niet onbeduidend
handelsartikel vormen. Er zijn talrijke soorten en variëteiten van
bekend, die zich onderscheiden door de grootte, den vorm en de kleur
der vruchten, door de grootere of kleinere bladeren en ook wel door
de kleur der bloemen. Deze zijn geelachtig wit en gelijken in vorm
eenigszins op die van den Aardappel, waaraan deze plant verwant is. De
snel kiemende zaden worden in Maart gezaaid in een pot, die voor het
venster wordt gezet. De kiemplantjes moeten spoedig gerepikeerd en,
na de ontwikkeling der eerste blaadjes, afzonderlijk in potjes geplant
worden. In den loop van den zomer zal het noodig wezen ze eens of
tweemaal te verpotten. Voor het verpotten moet men zeer goede, met zand
gemengde, broeiaarde gebruiken. De jonge plantjes, die in den beginne
vrij warm moeten gehouden worden, gewent men langzamerhand aan de
lucht, om ze in het begin van Juni in een zonnig gelegen plantenrekje
te kunnen zetten. In Juni verschijnen meestal de bloemen. Zoodra
deze vrucht gezet hebben, moet men al de twijgen toppen, ten einde
het verder groeien te beletten, zoodat de plant al haar kracht voor
de vruchtvorming kan gebruiken. Heeft men grootvruchtige planten,
dan moet men er niet meer dan 2-4 vruchten tot ontwikkeling laten
komen, daar zij dan veel mooier worden. Heeft de plant vrucht gezet,
dan moet men haar aanbinden om misvorming te voorkomen; ook is dan
een rijkelijk begieten en gieren zeer noodig. Tegen het midden van den
herfst zet men de planten achter het venster van een matig warme kamer,
waar de vruchten zeer goed rijp worden. Zijn deze volkomen rijp, dan
kan men ze afsnijden en ter versiering van vazen gebruiken, of wel,
men geeft ze in de keuken, waar zij wel haar weg zullen vinden.
Onder de fraaiste groen blijvende potplanten, die, jammer genoeg, maar
weinig en dan nog meestal niet fraai worden aangetroffen, behooren
zeker wel de Citrussen (Oranjeboompjes). Een miniatuur Oranjeboompje
of een klein struikje, dat rijkelijk met vruchten beladen is, biedt
inderdaad een fraaien aanblik. Tegen de sappig groene bladeren komen
de oranje vruchten, die meer dan negen maanden het boompje versieren,
zeer fraai uit. Ook een bloeiend exemplaar met de welriekende, witte
bloemen is zeer aantrekkelijk.
Hoewel de Oranjeboom in Italië zeer welig groeit, behoort hij
tot die planten, die nòch in de kas, nòch in de kamer veel warmte
willen hebben. Wel kweekt een bloemist de jonge oranjeboompjes in
een warmen bak, doch hij doet dit slechts om ze wat snel te laten
doorgroeien, daar hij ze slechts in den beginne onder glas houdt;
gedurende den winter zet hij ze echter in een kas, die slechts
even vorstvrij gehouden wordt. Een liefhebber doet het best zijn
Oranjeboompjes des winters voor het vensters van een zonnig, dan
slechts hoognoodig verwarmd, doch rijkelijk gelucht wordende kamer te
zetten. Wel groeit de plant hier des winters niet, maar zij vormt, met
haar blijvende bladeren en fraaie vruchten, een mooi en interessant
kamersieraad. Eetbaar worden de vruchten niet, daar zij steeds een
sterk zuur-bitteren smaak behouden, doch nog groene, zeer onrijpe
vruchten zijn voor het maken van een bowl zeer geschikt.
Naast een koele, doch vorstvrije standplaats is het voorzichtige
gieten des winters een hoofdvereischte. De meeste Oranjeboomen sterven
door te groote warmte en te veel vocht. Men moet des winters slechts
zeer zelden gieten, en eerst dan, wanneer de aarde meer droog dan
vochtig is. In het voorjaar worden de boompjes, wanneer dit noodig
blijkt, ingesneden en zoodra zij beginnen te groeien, moet men ze
verplanten. Bij dit verplanten gebruikt men steeds betrekkelijk kleine
potten, en een grondmengsel van 2 deelen broeiaarde, 1 deel blad-,
en 1 deel graszodengrond, waaraan 1/2 deel grof zand wordt toegevoegd.
Heeft men wortelzieke planten, dan is het nuttig aan dit mengsel nog
wat grof gestooten houtskool toe te voegen. Totdat de plant begint te
groeien, moet men met het gieten zeer voorzichtig zijn. Des zomers
d.w.z. van het laatst van Mei af, geeft men den Oranjeboompjes een
plaats op een zonnig balkon of op een zonnige plek in den tuin;
in den herfst moet men ze echter tegen zwaren regen kunnen beschermen.
De voortkweeking geschiedt door zaden en ook door stekken, die slechts
in een kweekkas, bij een gelijkmatige bodemwarmte, na een week of zes
wortel maken. De zaden kiemen ook in de kamer vrij goed, maar leveren
slechts gedoornde, wilde planten, die veredeld moeten worden, wat men
het best door middel van oculatie doet (Fig. 32). In het tweede jaar
zijn de zaailingen sterk genoeg om op den wortelhals of dicht boven
de aarde geoculeerd te kunnen worden. De veredelingen groeien voor
het raam, na eenige weken, zeer goed aan, wanneer men ze onder glas
houdt, door er bijv. een stolp of inmaakglas overheen te zetten. Is
de veredeling sterk genoeg geworden, dan moet men het wildstammetje,
dat toch reeds ingesneden was, tot aan de oculatie afsnijden.
Voor kamercultuur zijn het meest geschikt de vormen van de Citrus
Aurantium, een soort met gevleugelde bladstelen. De dankbaarste is
de Citrus japonica (Citrus chinensis), een zeer gedrongen groeiende
variëteit. Een nog sierlijker vorm, waarvan de bladeren gelijken
op groote Mirtebladeren, is de Citrus myrtifolia. Deze beide
Oranjeboompjes hebben slechts kleine, doch zeer sierlijke vruchtjes.
De Nertera depressa is een maar weinige centimeters hoog wordend
plantje, afkomstig van Nieuw-Zeeland, met zeer kleine blaadjes en
groene bloempjes, die gevolgd worden door aardige oranjekleurige
besjes, welke tot diep in den winter goed blijven en de bladeren ten
laatste geheel bedekken. Dit sierlijke plantje moet gekweekt worden
in platte schalen, die goed gedraineerd zijn. Als aarde gebruikt
men zandigen veen- of heidegrond. De voortkweeking geschiedt in
het voorjaar, bij het verplanten, door middel van scheuren. De
Nertera depressa verlangt tamelijk veel water; men moet haar koel,
doch vorstvrij laten overwinteren en des zomers buiten zetten. Zeer
geschikt is zij, om, wanneer men in een terrarium een rotsje heeft
van tufsteen, dit er mede te beplanten.
Een zeer aardig struikje voor de kamer is ook de uit Amerika afkomstige
Rivina humilis. De bladeren hiervan gelijken in vorm eenigszins op die
van een Fuchsia, doch zijn, in plaats van glad, donsachtig behaard. Des
zomers ontwikkelen zich aan dunne steeltjes onbeduidende bloempjes,
waarop zeer sierlijke, koraalroode bessen volgen. De Rivina groeit
zeer gemakkelijk; het is echter een warmte-minnende plant, zoodat zij
het geheele jaar door in de kamer moet gekweekt worden. Voor flink
ontwikkelde planten zijn potten van 10 cM. wijdte groot genoeg. Het
best groeit zij in lichten, zandigen bladgrond.
De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door zaden en ook
door stekken. Wanneer men van de Rivina pleizier wil hebben, dan
moet men geregeld jonge planten aankweeken, daar de oudere haar
bladeren verliezen, gemakkelijk door insecten worden aangetast en
dan allesbehalve sierlijk zijn.
Onder de planten, die zeer fraaie vruchten voortbrengen, behooren zeker
ook de Solanums (Nachtschaden). Een zeer goede, hiertoe behoorende
soort is de Solanum Pseudo-Capsicum, die sierlijke, ronde, schitterend
roode bessen draagt. Zeer fraaie, groote, wit- of blauwachtige vruchten
geeft de Solanum Melongena (Eierplant). Dit is ook een nuttige plant,
die hier te lande echter niet gebruikt wordt.
De Solanum Melongena is éénjarig, terwijl men het best doet, ook de
Solanum Pseudo-Capsicum als zoodanig te behandelen [4]; zij worden in
het voorjaar gezaaid en juist zóó behandeld als wij vermeldden voor
de Spaansche peper, die zeer nauw aan haar verwant is. Ook aan de
Eierplant laat men slechts twee tot vier vruchten zich ontwikkelen;
bij de Solanum Pseudo-Capsicum houdt men echter de vruchtzetting niet
tegen, daar die zich zeer fraai met roode bessen kan bedekken.
Coniferen.
De Coniferen worden vaak als decoratieplanten in kuipen gekweekt. Voor
deze cultuur zijn talrijke soorten geschikt, die door haar fraai
voorkomen uitstekende diensten bewijzen bij de versiering van
balkons en terrassen. Men zoekt daartoe fraaie planten uit en laat
ze met een flinke kluit in een kuip zetten, of, wat nog beter is,
men koopt direct in kuipen gekweekte planten. Des zomers moet men ze
's morgens en 's avonds besproeien en ook zeer rijkelijk begieten. De
overwintering geschiedt zeer goed in een vestibule of in een luchtigen
kelder. Het zal om de paar jaar noodig zijn ze te verplanten, waartoe
men een mengsel neemt, bestaande uit gelijke deelen compost-, broei-
en graszodengrond. In den laatsten tijd worden verscheidene soorten
Coniferen, meest Juniperus- en Thuja-soorten, in potten gekweekt als
kamerplanten aanbevolen, en hoewel dit heel aardige plantjes zijn,
zijn zij voor dit doel toch minder geschikt; slechts des winters kan
men ze met succes in een koude kamer kweeken.
Werkelijk goede kamerplanten levert het geslacht Araucaria, dat dien
naam te danken heeft aan Arauca, een landstreek in Zuidelijk Chili. De
bekendste en meest aanbevelenswaardige soort is de Araucaria excelsa
(Fig. 242). Wanneer de lezer de gravure slechts even vluchtig bekijkt,
dan zal deze plant hem zeker bekend voorkomen. Niettegenstaande haar
zeer regelmatigen vorm, bestaande uit verschillende verdiepingen,
is deze Araucaria toch een zeer elegante plant, bij uitstek geschikt
ter versiering der kamers. Deze fraaie Conifeer hoort op het eiland
Norfolk te huis. In den handel zijn vele, jammer genoeg ook zeer dure,
variëteiten der Araucaria excelsa te verkrijgen, waarvan de Araucaria
excelsa glauca, met blauwgroene naalden, nog het meest voorkomt. Ook
andere soorten van dit geslacht, die echter meerendeels zeer kostbaar
zijn, kunnen als salonplanten uitstekend dienst doen.
Al de Araucaria's verlangen dezelfde behandeling. Gewoonlijk beleven
de liefhebbers van deze plant er niet zeer veel pleizier van, daar
haar vreemd voorkomen er al zeer licht toe leidt haar in een warm
vertrek te kweeken. Zij houdt echter volstrekt niet van warmte;
des zomers wil zij buiten of voor een veel geopend venster staan,
waarbij zij niet alleen regelmatig begoten, maar ook des morgens en
des avonds besproeid moet worden. De overwintering geschiedt op een
lichte standplaats in een koel, doch vorstvrij vertrek. Des winters
mag zij slechts matig begoten worden, hoewel de aarde niet geheel mag
uitdrogen. Het gemakkelijkst kan men deze planten bederven door ze
een te warme standplaats te geven; zij hebben dan des winters geen
voldoende rust, de scheuten worden zwak, de twijgen der onderste
verdiepingen gaan slap hangen en verdorren ten slotte geheel. Is
er slechts in één etage een gat gekomen of is zij in haar geheel
afgevallen, dan is het mooie voorkomen der plant bedorven.
De Araucaria's verlangen over het algemeen een lichten grond; het
best is een mengsel van blad- en veengrond, waaraan rijkelijk zand is
toegevoegd. Jaarlijks verplanten is onnoodig, het is voldoende dit
om het andere jaar te doen; men moet er zeer op letten, dat bij het
verplanten de stam geheel vrijblijft. Komt toch door onvoorzichtigheid
de stam slechts één centimeter in de aarde, dan zal de plant daardoor
zeer lijden, omdat de Coniferen diep planten geenszins verdragen.
Na het verplanten moet men de Coniferen half beschaduwd zetten
en ze dikwijls bespuiten; kan men ze gedurende den geheelen zomer
een goede plaats buiten geven, dan zullen zij zich daarbij zeker
zeer wel bevinden. De voortkweeking der Araucaria's geschiedt door
kopstekken en door zaden, doch in de kamer kan men dat niet doen,
waarom een liefhebber het best doet, jonge, krachtig ontwikkelde
planten te koopen.
Voor hen, die de Araucaria's te kostbaar vinden en toch gaarne een
Conifeer in de kamer hebben, durven wij met gerustheid aanbevelen
de Cryptomeria japonica, die in de tuinen als jonge plant ook
wel Cryptomeria elegans genoemd wordt. Deze geelgroene plant vormt
sierlijke boompjes met bijna horizontale takken. De cultuur is dezelfde
als die van de Araucaria.
Varens.
De Varens behooren door de groote verscheidenheid van haar loof zeker
wel tot de fraaiste planten, die bekend zijn. Zelfs in onze bosschen
kan men reeds den rijkdom van vormen dezer planten waarnemen; zij
groeien hier en daar op vochtige plekken zeer welig in de schaduw
der groote boomen. Zeer rijk aan Varens zijn echter de tropische
wouden. De vochtige warmte van het tropische woud, waarin zulke schoone
Orchideeën en bladplanten groeien, is ook de oorzaak van de zeer
groote verscheidenheid, aan Varens die hier worden aangetroffen. Daar
groeien zij niet alleen in den humusrijken bodem, of op de stammen
der boomen, maar talrijke soorten vormen er op zichzelf statige
kronen. Deze boomachtige Varens hebben slechts een betrekkelijk
zwakke kern; de tronk wordt voor het grootste gedeelte gevormd door
talrijke luchtwortels, die over elkander heen liggen. Het loof kan
somtijds zeer zware kronen vormen. Bij de tropische Varens treft
men het fijnste loof aan, dat bij sommige ook zeer fraai gekleurd of
geteekend is. Bij onderscheidene soorten zijn ook de bladstelen en
is de achterzijde van het loof dicht bepoeierd, alsof zij met goud-
of zilverstof waren bedekt. De fraaie vormen van het Varenloof stellen
ons in alle opzichten schadeloos voor haar geheel gemis aan bloemen.
Wanneer een liefhebber eens in de kassen van een kweeker goed
gekweekte Varens heeft gezien, dan zal hij direct van deze planten
gaan houden. Jammer is het daarom, dat zij in de kamer niet al te
best willen groeien. In de vochtige warmte van een kas houden zij zich
uitstekend, en vestigen zich wel als gansche kolonies op de vochtige
muren, maar in de droge kamerlucht gaan zij meestal achteruit; het
loof verdroogt en ten slotte sterven zij.
Deze mislukking is het directe gevolg van de levensvoorwaarden der
Varens. Zij verlangen toch, in de eerste plaats, geheele scherming
tegen de zon en, in de tweede plaats, een zeer met vocht bezwangerde
atmosfeer. Het eerste kan men ze in een kamer vrij goed geven, het
laatste gaat echter veel moeilijker, en dit is dan ook de oorzaak,
dat de meeste Varens het in de kamer niet zeer lang uithouden.
Voor de bloemtafel of de vensterbank zijn de Varens over het algemeen
niet aan te bevelen; zij zijn daarentegen zeer goed geschikt ter
beplanting van het kamerkasje of het terrarium.
Een klein, voor het venster staand kamerkasje, dat met verschillende
Varens goed beplant is, kan voor een zeer fraaie kamerversiering
doorgaan. Hoewel de Varens schaduwplanten zijn, hebben zij toch,
evenals alle fijnbladerige planten, behoefte aan tamelijk veel
licht, waarom het kasje of terrarium dan ook dicht bij het venster
moet staan. Het best doet men een venster te kiezen, dat morgen-
of avondzon heeft en het kasje, zoodra de zon er op schijnt, met dun
linnen te schermen.
Van groot belang is voor deze planten ook het tijdig gieten en
spuiten. Zij groeien slechts in zeer lichte aarde, die gemakkelijk
geheel uitdroogt, en dan zeer moeilijk weder water opneemt. Daarbij
verdragen zij in het geheel geen droog-worden. Het loof verdort,
wanneer de plant droog wordt of in de zon staat, zeer spoedig of wel
het krijgt dorre punten, en aan herstellen is in dit geval niet meer
te denken, zoodat een plant, die men eens veronachtzaamd heeft, voor
langen tijd bedorven is. Om dit te voorkomen moet men geregeld, zoo
mogelijk met kalkvrij water gieten. Er moet echter op gelet worden,
dat de aarde niet overdadig nat is, wat niet wegneemt, dat zij des
zomers vochtiger mag zijn dan 's winters. De zoo noodige vochtige lucht
verkrijgt men in het kasje door voortdurend spuiten. Er zijn slechts
enkele soorten, die het spuiten niet verdragen, en die zijn dan ook ten
eenenmale voor kamercultuur ongeschikt. Tot deze soorten behooren,
jammer genoeg, ook de Goud- en Zilver-Varens (Gymnogramme). Bij
donker weer spuit men natuurlijk niet of hoogstens slechts één keer,
bij helder weer daarentegen moet het 3-5 keer per dag geschieden.
Voor het spuiten moet men bij voorkeur gebruik maken van den
rafraîchisseur. Naast vochtigheid hebben de Varens ook behoefte aan
versche lucht en het kamerkasje moet dan ook, op heldere dagen, wanneer
behoorlijk gespoten wordt, meer of minder gelucht worden. Vergeet men
dit luchten, dan bestaat er veel kans, dat op het jong ontwikkelde loof
schimmel voorkomt, wat het afsterven daarvan ten gevolge heeft. Dit
kwaad kan men, wanneer het eenmaal opgetreden is, slechts bestrijden,
door de plant eenigen tijd in een droge lucht te kweeken, doch het
geneesmiddel is dan al niet veel minder erg dan de kwaal. De Varens,
die voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen ook voor een groot
gedeelte des zomers buiten gekweekt worden, bij voorkeur op een
beschutte plaats, in de schaduw van groote boomen. Bij warm weer
moeten dan niet slechts de planten herhaaldelijk bespoten worden,
doch ook de bodem er omheen moet enkele keeren worden nat gegoten,
ten einde een vochtige lucht te verwekken.
De Varens houden over het algemeen van een lichte, poreuze en zandige
aarde. Jonge planten kweekt men bij voorkeur in groven boschgrond,
heide- of bladaarde, waaraan voldoende zand is toegevoegd. Ook een
mengsel van deze grondsoorten is zeer geschikt. Heeft men sterk
ontwikkelde planten, dan kan men aan dit grondmengsel wat ruwen
graszodengrond toevoegen. Hoe sterker de planten zijn, hoe grooter
potten men gebruikt en hoe grover de aarde kan zijn. Het verplanten
geschiedt in het voorjaar; sterk groeiende planten worden in den zomer
nogmaals verpot. De Varens hebben fijne, teere wortels, waaraan niet
gesneden mag worden, zoodat men slechts met een houtje de kluit een
weinig losmaakt. De potten, die men gebruikt, moeten niet te groot
zijn en ook moet de aarde niet te vast worden aangedrukt. Men moet
er ook op letten goed poreuze, dunwandige, niet te hard gebakken
potten te gebruiken. Dadelijk na het verpotten worden de planten
eenige malen aangegoten.
Vergeet men dit aangieten, dan wordt het jonge loof direct dor en
de plant verliest veel van haar waarde. Het bemesten der Varens is
onnoodig. Heeft men echter sterk bewortelde planten, die om de een
of andere reden niet verpot kunnen worden, dan is het raadzaam ze met
dunne koegier te begieten; chemische meststoffen zijn echter in geen
geval aan te raden.
Het voortkweeken der Varens geschiedt op verschillende wijzen.
De gemakkelijkste manier is: ze bij het verplanten te scheuren.
Eenige soorten, o.a. sommige Aspleniums, vormen op het loof jonge
plantjes. Deze plantjes worden voorzichtig van de moederplant
afgenomen, in lichte aarde geplant en als jonge zaadplantjes
behandeld. De voornaamste voortkweeking geschiedt echter door
middel van sporen. Deze vormen zich aan de achterzijden van het
sporenloof, dat zich dikwijls reeds door den vorm van het gewone loof
onderscheidt. Is dit sporenloof geheel rijp geworden, dan wordt het
afgesneden en op wit papier in de zon gelegd. De sporangieën, die de
sporen bevatten, vallen nu af en worden in kleine zakjes of doosjes
verzameld. Bij eenige soorten verliezen de sporen vrij snel haar
kiemkracht; andere daarentegen blijven zeer lang, somtijds tientallen
van jaren, goed. Het zaaien van Varens is zeer interessant, maar in
de kamer niet zeer dankbaar; daarbij eischt het zeer veel geduld.
Het best bedient men zich hiertoe van glad afgesneden stukjes turf,
die goed natgemaakt, vierkant afgesneden en in nogal diepe schoteltjes
gelegd worden. Kan men over geen turf beschikken, dan kan men ook
goede, zandige heide-aarde gebruiken. Op deze stukjes turf worden de
sporen gezaaid. Het is nu zaak, de schoteltjes warm en zeer vochtig
te zetten. Van boven mag men niet gieten, ten einde het optreden van
schimmel en het wegspoelen der sporen te voorkomen. Het vierkant
toegesneden stukje turf vult natuurlijk het ronde schoteltje niet
geheel; er blijft aan de kanten ruimte over, en hier heeft men dan
gelegenheid om te gieten. Laat men steeds wat water in het schoteltje
staan, dan zuigt de turf het vanzelf op. Daar de turf gewoonlijk
sporen bevat van inlandsche mossen en varens, die veel eerder dan
de gezaaide zouden kiemen, doet men voorzichtig de stukjes vóór
het gebruik eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde alle
kiemkrachtige sporen er in te dooden. De schotels behoeven, wanneer
men gezaaid heeft, niet op een lichte plaats gezet te worden; eerst
wanneer de stukjes turf groen beginnen te worden, een bewijs, dat het
kiemingsproces is aangevangen, moet men ze meer licht geven. In geen
geval mogen de sporen met aarde bedekt worden; nuttig is het echter
de schotels of potten met een glasplaat te bedekken, die 's morgens en
's avonds met een doek goed afgedroogd moet worden.
Spoedig na het uitzaaien ontwikkelen zich kleine, groene lichaampjes,
zoogenaamde voorkiemen, die een groene laag over de turf of aarde
vormen. Aan de onderzijden ontwikkelen deze teere lichaampjes
microscopisch kleine mannelijke en vrouwelijke organen, Antheridieën
en Archegonieën genaamd. De vrouwelijke organen of Archegonieën
worden door, uit de mannelijke organen spruitende, zwermsporen of
Spermatozoïden bevrucht. Deze Spermatozoïden vertegenwoordigen bij de
Varens het stuifmeel der zichtbaar bloeiende planten. Spoedig na de
bevruchting ontstaat uit de voorkiemen het eerste, nog niet volkomen
ontwikkelde varenloof. Zoodra dit het geval is, is de tijd daar,
om de kiemplantjes te repikeeren. Men gebruikt daartoe weder vlakke
schotels, die, na van een behoorlijke drainage voorzien te zijn,
met fijn gezeefden heide- of boschgrond gevuld worden. Men neemt nu
de geheele groene laag, die de voorkiemen gevormd hebben, uit den
zaadschotel, scheurt haar zeer voorzichtig in kleine stukjes, die dan
met de noodige voorzorgen geplant worden. Daar ieder klein stukje nog
uit talrijke voorkiemen bestaat, en zich in de aarde spoedig mossen
ontwikkelen, die de jonge Varenplantjes dreigen te verstikken, moet
men verscheidene malen repikeeren, waarbij men de voorkiemen telkens
verdeelt, tot men ten slotte ieder plantje afzonderlijk heeft staan.
Zaait men fijne Varens, dan duurt de kieming dikwijls 2-4 maanden,
terwijl er dan weder verscheidene maanden verloopen eer de plantjes in
afzonderlijke potjes gezet kunnen worden. Gedurende dezen geheelen tijd
moet men de plantjes zeer zorgvuldig behandelen; zij moeten gelijkmatig
begoten worden, opdat de aarde niet uitdroogt; daarbij moeten zij
van tijd tot tijd besproeid en tegen de zon geschermd worden.
Alleen volledigheidshalve hebben wij de lastige voortkweeking der
Varens meer uitvoerig medegedeeld; den liefhebber deze bewerking
aanbevelen, mogen wij echter niet; immers slechts zij, die veel
ondervinding met plantencultuur hebben opgedaan en hiervoor veel tijd
beschikbaar kunnen stellen, zullen eenige kans van slagen hebben.
De familie der Varens is zeer rijk aan geslachten en soorten. Het is
ons onmogelijk, alle op te noemen, die bij een zorgvuldige behandeling
als kamerplanten te gebruiken zijn. Wij bepalen ons tot enkele bekende;
geen hooge temperatuur verlangende soorten, en merken er bij op, dat
deze alle dezelfde, reeds vermelde, behandeling verlangen. De fraaiste
en meest bekende Varensoorten zijn de Adiantums. Deze Varens vindt
men in alle kweekerijen door talrijke soorten vertegenwoordigd. De
meest bekende is de Adiantum cuneatum (Fig. 243); een andere,
zeer schoone, hooger groeiende soort is de Adiantum fragrantissimum
(Fig. 244), terwijl de Adiantum gracillimum door zeer fijn loof en
groote sierlijkheid uitmunt. Al deze soorten worden tegenwoordig zeer
veel gebruikt voor het opvullen van bloemenmandjes.
Zeer goede kamerplanten bevat ook het geslacht Asplenium. Als uiterst
dankbaar willen wij vermelden de Asplenium Belangeri (Fig. 245). Deze
soort is ook daardoor interessant, omdat zich op het loof steeds jonge
plantjes ontwikkelen, die later, ter voortkweeking kunnen dienen. Een
aardige, kleine boomachtige Varen voor de kamer is de Lomaria gibba,
een boschvaren uit Australië, met zeer hard loof en een donker slank
stammetje, dat steeds vochtig gehouden, dus dikwijls bespoten moet
worden. Zeer elegant loof hebben de Nephrolepis-soorten uit Mexico
en Brazilië, welke ook zeer vaak het karakter van ampelplanten
aannemen. Een fraaie, zeer bekende soort is de Nephrolepis exaltata
(Fig. 246), alsmede de talrijke, vooral in den laatsten tijd uit
Amerika ingevoerde verscheidenheden.
Ten laatste willen wij nog het geslacht Pteris vermelden, waarvan
tegenwoordig veel soorten gekweekt worden. Een der meest voorkomende
soorten is de Pteris cretica albo-lineata (Fig. 247) met fraai wit
omzoomd loof. Andere mooie soorten zijn de Pteris serrulata, Pteris
tremula en Pteris argyræa, welke laatste een der schoonste bonte
Varens is.
Mossen of Lycopodiaceeën.
De z.g. Mossen of Lycopodiaceeën behooren, evenals de Varens, tot de
Cryptogamen of bedekt-bloeiende planten. Zijn de Varens reeds zeer
gevoelig en teer, in nog meerdere mate is dit met deze planten het
geval. Zij zijn echter, eenige klimmende soorten uitgezonderd, zóó
sierlijk, dat zij als uitnemende planten voor het terrarium en het
kleine kamerkasje kunnen beschouwd worden; ook voor de cultuur onder
een stolp zijn zij niet ongeschikt. De Lycopodiaceeën hebben meestal
zeer fijn ingesneden loof; somtijds groeien zij met behulp van stevige
luchtwortels tamelijk op, of wel, zij klimmen door middel van deze
worteltjes tegen kurkschors in de hoogte. De kleur van het loof is
meestal heldergroen, enkele kenmerken zich door een blauwachtigen
gloed, wat, vooral wanneer de zon er op schijnt, een prachtigen
metaalglans aan de plant verleent; eenige in de cultuur ontstane
soorten zijn geel- of witbont. Hoewel enkele der hardere zich op een
niet-zonnig staande bloemtafel somtijds enkele maanden goed houden,
zijn zij toch hoofdzakelijk aan te bevelen voor het kamerkasje of
voor een vochtig warm terrarium.
De kweekwijze der Lycopodiaceeën komt bijna geheel met die der Varens
overeen; evenals deze planten beminnen zij schaduw, vochtigheid en
warmte. Het best kweekt men ze in zandigen, groven boschgrond. Daar
de zeer fijne worteltjes niet diep in de aarde dringen, doet men
het best ze niet in potten, doch in vlakke schalen of schotels te
planten. Is men genoodzaakt potten te gebruiken, dan is het zaak, die
tot over de helft met scherven en stukjes houtskool te vullen. Op deze
drainage brengt men dan de aarde. De grond, waarin men ze plant, moet
zeer los zijn, zoodat aandrukken bij het verplanten geen vereischte
is; beter doet men, wanneer zij geplant zijn, de schaal of den pot
enkele keeren goed op de tafel neer te zetten, ten einde zoodoende de
aarde een weinig te laten inzakken. Nog beter dan in potten groeien
de Lycopodiaceeën, als ze in het kamerkasje of het terrarium vrij
uitgeplant zijn. In de eerste plaats moet men zorgen voor het matig
vochtig houden der aarde, verder voor schermen tegen de zon en voor
een herhaald besproeien met den rafraîchisseur. Een liefhebber van
deze planten, die geen kasje of terrarium tot zijn beschikking heeft,
kan ze ook met succes onder stolpen kweeken, die dan in de vensterbank
gezet moeten worden. De vermenigvuldiging der Lycopodiaceeën is veel
eenvoudiger dan die der aanverwante Varens. Slechts zeer zelden kweekt
men ze door het uitzaaien der sporen, daar dit veel sneller en zekerder
geschiedt door stekken, die gemakkelijk groeien, al naar de scheuten,
waarvan men ze neemt, rijker met luchtwortels bezet zijn. Deze
luchtwortels brengt men bij het planten der stekken voorzichtig in
de aarde, waar zij dan spoedig in gewone wortels veranderen.
De laag blijvende soorten kan men bij het verplanten zeer gemakkelijk
verdeelen, en ze dus op die wijze vermenigvuldigen. Enkele opgroeiende
soorten, zooals bijv. de Selaginella Emmeliana, worden op de volgende
wijze voortgekweekt: men snijdt volkomen rijpe twijgjes af en legt
deze met de onderzijde op schotels, die men daartoe van te voren heeft
klaargemaakt. Deze schotels worden van een zeer goede drainage voorzien
en bijna tot aan den rand gevuld met lichte, zandige heide-aarde. De
schotels worden dicht met de twijgjes der Selaginella's belegd, die men
door scherfjes naar beneden drukt. Bedekt men nu de schotels met een
glasplaat, houdt men ze warm en vochtig en besproeit men ze dagelijks
een paar keeren, dan ontwikkelen zij na verscheidene weken worteltjes
en jonge plantjes, die men afsnijdt en voorzichtig repikeert. Er
verloopt echter minstens een vol jaar, voordat deze plantjes, nadat
zij verscheidene malen verplant werden, sterk genoeg geworden zijn,
om afzonderlijk in potjes te worden gezet.
Van de tot deze groep behoorende planten komen voor de kamer eenige
vertegenwoordigers van het geslacht Selaginella in aanmerking, die
nu en dan in de kweekerijen ook wel gevonden worden onder den naam
Lycopodium. Een der sierlijkste, die een gesloten mostapijt vormt,
is de Selaginella apoda. Een andere soort, die wel wat hooger groeit,
doch ook een grasachtig voorkomen heeft, is de Selaginella denticulata
(Fig. 248); men vindt deze soort veel gebruikt in bloemenmandjes,
om er de aarde mede te bedekken. Door een blauwachtigen
metaalglans onderscheiden zich Selaginella amoena en S. cæsia
(Fig. 176). Laatstgenoemde soort klimt tegen vochtige stammen op,
doch is ook zeer goed als hangplant te gebruiken, waarom zij in het
desbetreffende hoofdstuk is afgebeeld. Onder de opgroeiende, die voor
de kamer zeer geschikt zijn, komt in de eerste plaats in aanmerking
de fraaie Selaginella Emmeliana (Fig. 249). Onder de struikachtige
wordt het meest aangetroffen de Selaginella Martensii, waarvan ook
een bonte variëteit bekend is. Zeer fraai, hoewel zeldzamer, is de
Selaginella inæqualifolia (Fig. 250).
Het aquarium.
Naast de talrijke potplanten, die wij tot hiertoe hebben leeren
kennen, zijn er ook veel inlandsche en vreemde waterplanten, die
voor kamercultuur geschikt zijn. Jammer genoeg wordt de waarde der
waterplanten tot heden nog niet genoeg erkend, en er zijn slechts
enkele handelskweekerijen, die er een grootere of kleinere verzameling
van op na houden. Dit is een der redenen, waarom de liefhebber van de
cultuur dezer planten moet afzien, vooral ook, wanneer hem de hiertoe
behoorende soorten der inlandsche flora vreemd zijn. Iedere vaart
of sloot herbergt, wel is waar, zeer talrijke planten, doch alles,
wat daarin groeit, is niet voor de kamer te gebruiken.
Voor den waren liefhebber moeten de waterplanten zeer interessant zijn,
daar vele zich kenmerken door een uiterst merkwaardige leefwijze,
die men lang niet altijd kan waarnemen, daar de echte waterplanten
meestal buiten ons direct bereik in het wild voorkomen. De voorwerpen,
waarin men in de kamer waterplanten wil kweeken, moeten natuurlijk
in overeenstemming zijn met het karakter dier planten. Dergelijke
voorwerpen worden aquariums genoemd. Een liefhebber, die een aquarium
in de kamer heeft en zijn planten daarin goed verzorgt, kan er zeer
veel genoegen van smaken. Een goed ingericht kamer-aquarium is
een vijver en moeras te gelijk. Men kan er niet alleen zeer veel
planten met succes in kweeken, maar er ook verschillende dieren,
zooals visschen, amphibieën en de interessantste waterinsecten in
verzamelen. Terwijl echter de cultuur van waterplanten eenvoudig
en dankbaar is, en veel minder bekwaamheid eischt dan die van alle
andere gewassen, is met het verzorgen van waterdieren juist het
tegenovergestelde het geval. Kunnen wij reeds op het land waarnemen,
dat er tusschen de verschillende schepselen vaak een harde strijd om
het bestaan gestreden wordt, dan zullen wij bij de behandeling der in
het water levende dieren weldra bemerken, dat deze strijd hier nog veel
sterker is, en bijna nooit tot een einde komt. In het water heerscht
het recht van den sterkste op de meest brutale wijze; hier is het
een voortdurend verslinden en verslonden worden, en niet alleen onder
de hoogere dieren, doch ook onder de insecten vinden wij roofdieren
van de ergste soort. Dit voortdurend vervolgen en vervolgd worden,
maakt het noodzakelijk, dat men in een betrekkelijk klein aquarium
slechts die dieren kan houden, welke elkander niet bestrijden. Men moet
onderscheid maken tusschen het gewone aquarium en een, speciaal voor
roofdieren. In het eerste kan men onschuldige visschen en insecten,
in het tweede roofvisschen en rooftorren houden. In betrekkelijken
zin zijn ook het onschuldigste vischje en de kikvorsen roofdieren,
daar zij zich in vrijen staat geheel of gedeeltelijk met levende
insecten voeden, en desnoods hun eigen jongen niet ontzien.
Al kan men in een planten-aquarium ook waterdieren kweeken,
toch moet er een streng onderscheid gemaakt worden tusschen een
dergelijke inrichting speciaal voor planten en een voor dieren. Bij
een planten-aquarium wordt de zwaartekracht gelegd op de eischen der
planten, bij een dieren-aquarium daarentegen op die der dieren. Lang
niet altijd laten die beide eischen zich vereenigen, daar talrijke
waterinsecten de planten vernielen, zeer veel visschen in hun verlangen
naar plantaardig voedsel de teere waterplanten stukvreten en andere
visschen, door hun woelen in den bodem, den plantengroei onmogelijk
maken. De liefhebber, die zeer veel dieren in zijn aquarium wil houden,
moet daarvoor meer tijd en kosten beschikbaar stellen, dan voor planten
noodig is. Zoodra het aantal dieren dat der planten overtreft, zijn
de laatsten niet meer in staat voldoende zuurstof voor de eersten
af te scheiden. Zooals bekend is, ademen de visschen zuurstof in,
die in hoofdzaak door de planten, bij helderen zonneschijn, wordt
afgescheiden. Ontbreekt deze zuurstof aan het water, dan lijden de
visschen gebrek aan lucht, zij zijn niet tierig meer en zij zwemmen
steeds aan de oppervlakte van het water rond, angstig naar versche
lucht happend. Eertijds kon men een dergelijk treurig beeld dikwijls
waarnemen bij de goudvisschen, die in de ongelukkige, nu bijna geheel
verdwenen, goudvisschen-glazen rondzwommen. Houdt men dus in hoofdzaak
dieren in het aquarium, dan moet men langs kunstmatige wegen zuurstof
aan het water toevoegen; dit geschiedt tamelijk gemakkelijk door
kamerfonteintjes.
De plantenliefhebber, die in de eerste plaats zijn aquarium
inricht voor het kweeken van planten, zal ook pleizier hebben in
waterdieren, daar niet weinige er van even belangwekkend zijn. De
visschen, de stomme waterbewoners, die vaak een zeer hoogen graad
van intelligentie vertoonen, dikwijls een fraai voorkomen met
prachtige kleuren vereenigen, en in vele gevallen zich door talrijke
interessante eigenschappen kenmerken, zijn de aanbevelenswaardigste
aquarium-bewoners. Wij willen slechts even herinneren aan de fraaie
inlandsche en vreemde baarzen, die zelfs in het kleinste aquarium hun
nestjes bouwen. In deze nestjes legt het wijfje haar eieren, die door
het mannetje bevrucht worden. Vooraf kan men dan een alleraardigste
minnekoozerij bemerken, terwijl zij dan met de schoonste kleuren
prijken. Niet alleen hierin, maar in talrijke andere opzichten kan men
de belangwekkendste opmerkingen bij de visschen maken. Terwijl men in
het dierenrijk meestal ziet, dat het mannetje geen huiselijke plichten
kent en zich om zijn nageslacht in het geheel niet bekommert, kan men
waarnemen, dat dit bij de nest-bouwende roofvisschen juist andersom is;
de verzorging der jongen geschiedt uitsluitend door het mannetje. Dag
en nacht bewaakt hij het nest, het naar zijn krachten tegen iederen
vijand verdedigend, terwijl hij, door het water steeds in beweging
te houden, voor een geregelde verversching daarvan zorgt. Verlaten de
jongen eenmaal het nest, dan houdt het mannetje ze weder bij elkander
en verwijdert er een zich te ver, dan brengt hij het in zijn bek weder
naar het nest terug. Lang duurt deze zorg echter niet; spoedig krijgt
de roofdieraard van den vader weder de bovenhand en hij verslindt
dan zijn gansche nakomelingschap, wanneer men hem niet tijdig uit het
aquarium verwijdert. Het houden van visschen, ook al maken zij geen
nest, is zeer interessant, daar reeds de vrij snelle ontwikkeling
der diertjes den natuurliefhebbers veel genoegen verschaft.
Vooral in Duitschland begint de liefhebberij om er een aquarium op na
te houden, steeds grooter te worden, wat zeer wordt aangemoedigd door
een vereeniging van aquarium-liefhebbers. Deze vereeniging bevordert
het bekend worden van nieuwere waterplanten en haar cultuur, alsook
den invoer van fraaie visschen, vooral uit Azië en Amerika. Wij zouden
het doel van dit boekje voorbijloopen, wanneer wij ons met de geheele
aquarium-liefhebberij wilden bezighouden. Wij kunnen ons bepalen tot
inrichting van het planten-aquarium, de cultuur van waterplanten en
de bespreking der meest aanbevelenswaardige soorten voor dit doel.
In deze inleiding willen wij nog even wijzen op den gunstigen invloed,
dien een kamer-aquarium op de gezondheid der bewoners en der planten
uitoefent. Het is, jammer genoeg, een algemeen aangenomen en toch
geheel verkeerde meening, dat de dampen van het aquarium schadelijk
zouden zijn. Deze uitwasemingen zijn op zichzelf tamelijk onbeduidend;
zij worden echter door een fonteintje aanmerkelijk verhoogd. Het
aquarium is juist zeer geschikt om voor menschen en planten de droge
kamerlucht een weinig vochtiger en dus stofvrijer te maken en reeds
met het oog hierop is de aanschaffing er van zeer aan te bevelen.
Practische aquariums voor de cultuur van waterplanten.
De toenemende liefhebberij voor aquariums is oorzaak geworden, dat
men ze tegenwoordig in de meest verscheidene vormen in den handel
kan verkregen. Wij willen ons slechts met de verschillende vormen
bezighouden, niet met de wijze, waarop zij worden vervaardigd, daar men
hiertoe een handigheid moet hebben, die den gewonen liefhebber slechts
zelden eigen is, en zij fabriekmatig gemaakt, tegen geringen prijs
verkrijgbaar zijn. Vroeger zag men voor het kweeken van waterplanten
of het verzorgen van visschen geen ander voorwerp dan het gewone
goudvisschenglas. Iedereen kent deze glazen, die door hun vorm en
vooral door hun nauwe halzen, ware martelinrichtingen voor dieren, en
tot het beplanten geheel ongeschikt zijn. Het best doet men dan ook,
van het gebruik dezer glazen geheel af te zien, te meer, daar goede
glazen aquariums bijna overal te verkrijgen zijn. Zulke aquariums
zijn in de eerste plaats de ronde glazen, die boven en beneden even
wijd zijn en eenigszins den vorm van een kaasstolp hebben. Deze glazen
moeten tamelijk dikke wanden hebben, niet te klein zijn, maar toch ook
niet grooter dan 50 cM. Het groote nadeel van deze glazen is gelegen
in hun breekbaarheid; zij springen gemakkelijk en kunnen dan niet
meer gebruikt worden, daar repareeren natuurlijk uitgesloten is.
Het geheel uit glas vervaardigde aquarium heeft tegenover het houten
of ijzeren met glas bezette zeer groote voordeelen, daar het niet lek
wordt, zich gemakkelijk laat schoonmaken en het licht overal toegang
verleent, wat bij de cultuur van veel licht verlangende planten van
groot belang is. Onder deze glazen aquariums zijn de hoekige weder
aanbevelenswaardiger dan de ronde, daar zij sterker zijn, men er
de planten en dieren beter in kan waarnemen en zij minder plaats
innemen, waardoor men ze in een beperkte ruimte gemakkelijker kan
houden. Deze hoekige, uit één stuk glas vervaardigde aquariums komen
bij de liefhebbers van waterplanten hoe langer hoe meer in den smaak
en zijn tamelijk goedkoop in den handel verkrijgbaar.
Zeer geschikt zijn ook de elementglazen, die voor electrische
batterijen gebruikt worden, en in de glasfabrieken bij duizenden in
vierkanten of langwerpigen vorm worden vervaardigd. Verscheidene der
gravuren stellen waterplanten voor, in dergelijke glazen gekweekt. De
kleinste dezer langwerpige glazen, die een diepte van 12-15 cM. en een
lengte van 20-25 cM. hebben, zijn uitstekend geschikt voor de cultuur
van een enkele waterplant, daar zij gemakkelijk op de vensterbank een
plaatsje kunnen vinden. Voor onder water groeiende planten moeten
deze glazen minstens 25 cM. diep zijn; voor kleine uit het water
groeiende kan men ook met een geringere diepte volstaan. Wil men
grootere elementglazen gebruiken, dan zet men ze op een flinke plank,
waarvan de randen gepolitoerd of geverfd worden, zekerheidshalve
kan men dan den bovenrand ook nog met een houten raampje omgeven;
zij gelijken dan veel op een aquarium uit den handel. Te groot
moet men echter de elementglazen ook niet nemen, daar de wanden
niet erg dik zijn en zij op den duur aan den druk van het water
geen weerstand kunnen bieden. Wil men een vertrouwbaar glas hebben,
dan moet dit niet langer dan 45 cM. en niet breeder en dieper dan
30 cM. zijn. Een dergelijke grootte is ruimschoots voldoende voor de
cultuur van verscheidene grootere moeras- en waterplanten.
In den handel zijn voorts nog aquariums van den meest verschillenden
vorm verkrijgbaar, vervaardigd uit een raam, waarin ruiten met stopverf
bevestigd zijn. Gewoonlijk zijn deze langwerpig vierkant; men treft
ook zes- en achthoekige aan. Een hoofdzaak is hier een zorgvuldige
stopping met daarvoor geprepareerde stopverf. De bodem bestaat meestal
uit blik en men moet er op letten, dat deze eenige keeren geverfd is
en op een flinken, houten voet rust. Heeft men kleine aquariums, dan
bestaat het raam meestal uit blik, voor grootere moet het echter uit
smeedijzer of wel uit sterk hout vervaardigd zijn; voor nog grootere
moeten ook de ruiten bestaan uit flink spiegelglas.
Het doelmatigst zijn de meest eenvoudige aquariums; in ieder geval
moeten te veel versieringen sterk vermeden worden, daar hierdoor het
oog van de hoofdzaak, de planten en dieren, wordt afgeleid. De grootte
van het aquarium kiest men naar de beschikbare ruimte; de diepte moet
echter niet meer zijn dan 45 cM., daar een dergelijke diepte voldoende
is, om alle onder water groeiende planten te kweeken. Een liefhebber,
die bij het kweeken een weinig redeneert, zal in een diep aquarium
niets anders kweeken dan onder water groeiende of met drijvende
bladeren voorziene planten. Voor het kweeken van waterplanten, die met
haar bladeren boven het water uitsteken, gebruikt men er een van 25
cM. diepte; voor moerasplanten, met kruipende wortelstokken, die wel
een vrij dikke aardlaag, doch slechts zeer weinig water verlangen, en
ook voor drijvende planten is een diepte van 15 cM. voldoende. Neemt
men een aquarium van middelmatige hoogte, dan kunnen daarin, zooals
verderop zal blijken, planten van verschillenden aard gekweekt worden.
Het fraaist voor de kamer zijn de niet te hooge aquariums, die met
mooie, zich boven den waterspiegel verheffende planten bezet zijn. Onze
plaat "Aquarium, beplant met moerasplanten" toont een dergelijke, bezet
met planten, die door den schrijver zelf in een kamer gekweekt zijn.
Deze moerasplanten hebben veel meer behoefte aan licht dan de onder
water groeiende planten. Daar er in de modern gemeubileerde vertrekken,
dank zij de zware overgordijnen en vitrages, steeds een gedempt licht
heerscht, doet men beter, daar onder water groeiende planten in plaats
van moerasplanten te kweeken. Een gebrek van deze gewassen is echter,
dat zij aan het aquarium geen schilderachtig voorkomen geven. Voor
fraai gemeubileerde vertrekken zin tegenwoordig z.g.n. salon-aquariums
in den handel; deze bestaan uit een eleganten gietijzeren, veelal
gebronsden standaard, die een stevige metalen plaat draagt. Op deze
plaat staat het meestal achtzijdige aquarium, zooveel ruimte vrij
latende, dat men er een rand planten omheen kan zetten. Een door
luchtdruk gedreven fonteintje verhoogt de waarde er van.
Onze plaat "Beplant aquarium met fonteintje" toont een dergelijk
aquarium, dat men nog versieren kan met een, met mooie planten
bezet tufsteenen rotsje. De ruimte, die er rondom open blijft, mag
slechts met fraaie, laag blijvende planten bezet worden. Daar deze
aquariums meestal achthoekig zijn, is het geraden op de vrijblijvende
ruimten acht blikken busjes voor hangplanten te laten soldeeren. Op
het door ons afgebeelde aquarium zijn zulke busjes aangebracht,
die met de voor dit doel uitstekend geschikte Ficus repens beplant
zijn. Het geheel, zooals het is afgebeeld, is in het bezit van den
Rijksbouwkundige Brzozowski, te Charlottenburg; het heeft van boven
nog een fijn netwerk. Een dergelijk net heeft voor een salon-aquarium
groote waarde, daar het de geheele vulling met water mogelijk maakt,
zonder dat de visschen er uit kunnen springen. Gewoonlijk ontstaat
er aan den waterrand tegen het glas een groene streep, die, wanneer
zij eenigen tijd veronachtzaamd wordt, bijna niet meer verwijderd kan
worden; is men echter in de gelegenheid het aquarium geheel te vullen,
dan ontstaat zulk een streep niet.
Maar al te vaak willen in een kamer-aquarium de drijvende planten,
of die met drijvende bladeren, niet groeien, daar de droge lucht
haar niet aanstaat. Dit bezwaar wordt overwonnen door een gesloten
aquarium, d.w.z. door een, dat van een glazen dakje voorzien is. Zulke
aquariums zijn ook uitstekend geschikt, wanneer men visschen of andere
waterdieren wil houden. Deze toch springen of klauteren uit het water,
vallen op den grond en sterven daar meestal een allertreurigsten
dood. De plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten"
geeft dit idee duidelijk weer. Het bakje moet zóó ingericht wezen,
dat men het gemakkelijk openen en zoo noodig geheel verwijderen kan;
ook moet men er een ruit kunnen uitnemen en die door een horretje
vervangen, ten einde bij warm weder de lucht voldoende te kunnen
ververschen.
De beplanting van het aquarium.
De aquariums of andere voorwerpen, die dienen voor het kweeken
van waterplanten, kunnen bijna gedurende het gansche jaar beplant
worden; wat niet wegneemt, dat de beste tijd daarvoor het voorjaar
is. Inlandsche waterplanten, die niet gevoelig zijn voor een lage
watertemperatuur, die bijna den ganschen winter rusten, d.w.z. dan
tot op den knol of wortelstok insterven, worden het best in Maart of
April geplant. Dit is ook de beste tijd om de éénjarige waterplanten,
hoewel die niet zeer aanbevelenswaardig zijn, te zaaien. Omstreeks
dezen tijd, wanneer het ijs overal verdwenen is en de zon reeds kracht
begint te krijgen, ontwikkelen deze planten zich buitengewoon snel.
Uitheemsche waterplanten zijn zoo vroeg in het jaar slechts moeilijk en
meestal alleen tegen verhoogde prijzen te verkrijgen, waarom men beter
doet te wachten met ze te planten tot Mei, zoo noodig tot het begin
van Juni. Kan men echter de verlangde planten vroeg genoeg krijgen
of heeft men ze zelf laten overwinteren en kan men het aquarium een
plaats in de verwarmde kamer geven, dan is het veel raadzamer de
beplanting reeds in April te doen.
Alvorens met het beplanten te beginnen zijn talrijke voorbereidingen
noodig. Het aquarium moet een paar dagen van te voren met water gevuld
worden, ten einde zekerheid te hebben, dat het goed dicht is. Voor
het beplanten giet men er het water uit en droogt de ruiten goed
af. Ook de aarde moet voorhanden en goed bij vocht zijn, d.w.z. nòch
te droog, nòch te nat. De beste grond om waterplanten in te kweeken,
is bagger uit breede, liefst stroomende vaarten. Met deze bagger
moet men echter voorzichtig zijn, daar zij zeer licht de sporen van
uiterst lastige lagere waterplanten bevat, die maar al te vaak voor de
gekweekte planten hoogst verderfelijk zijn. Men moet de bagger buiten
dun uitspreiden, om die zoodoende in de zon te drogen; is zij matig
droog, dan legt men den grond op een goed verwarmde ovenplaat, ten
einde hem onder groote hitte geheel uit te laten uitdrogen. Na deze
bewerking zal de dan ontstane aarde geen kiemen meer bevatten. Deze
aarde wordt nu vermengd met ongeveer 1/10 scherp zand, matig vochtig
gemaakt en hierna gebruikt. Zeer bruikbaar is ook, wanneer men haar
dezelfde bewerking heeft laten ondergaan, de zwarte veenaarde van
laag gelegen weiden. Kan men over deze aardsoorten niet beschikken,
dan is ook zeer goed bruikbaar fijn turfstrooisel.
Dit turfstrooisel vormt tegenwoordig, in balen geperst, een zeer
belangrijk handelsartikel; het wordt veel in stallen gebruikt in plaats
van stroo en is daardoor gemakkelijk te verkrijgen. Het turfstrooisel
wordt eerst in stukjes ter grootte van een noot gebroken en daar het
kurkdroog is, waardoor het op het water drijft, moet men het eerst
24 uur weeken, daarna tusschen de handen uitwringen en dan met droog
zand vermengen. Iedere grondsoort moet met minstens 1/10 zand vermengd
worden. Hoewel bagger, veenaarde en turfstrooisel ieder op zichzelf
bijna alle bestanddeelen bevatten, die waterplanten noodig hebben, doet
men toch voorzichtig er, wanneer er sterk groeiende gewassen in geplant
moeten worden, ongeveer 1/10 goede klei of graszodengrond aan toe
te voegen. Van groote waarde is het ook, wanneer men de te gebruiken
aarde in het najaar reeds gereed kan maken, om die dan buiten te laten
liggen. Zij bevriest dan des winters, wat op de samenstelling er van
een zeer gunstigen invloed heeft, daar zij er veel muller door wordt.
De onder water groeiende planten, die slechts betrekkelijk weinig
voedsel noodig hebben, worden hier en daar wel in enkel zand
geplant. Aanbevelenswaardig is dit echter niet en men doet wèl, ook
haar een grondmengsel te geven. Zand is echter voor alle aquariums en
vooral voor die, waarin men aarde gebruikt, hoognoodig, daar de dieren,
welke men er in houdt, steeds de aarde een weinig loswoelen en daardoor
niet alleen de planten beschadigen, doch ook het water troebel maken.
Na het beplanten bedekt men daarom de aarde met een laagje zand,
dat men op de hieronder opgegeven wijze bereidt, alvorens het te
gebruiken. Het best daartoe is zeer fijn kiezelzand; heeft men dit
niet, dan is zeer fijn zilverzand beter dan scherp zand. Het zand
of kiezel moet zeer goed gewasschen worden. Onder krachtig omroeren
wascht men het 10-20-maal goed uit, zoodat het waschwater ten laatste
in het geheel niet troebel meer wordt. Voor het gebruik moet men
het dan eerst drogen en uitgloeien. Men moet ook zorgen, dat de
voor de beplanting noodige gewassen voor de hand liggen. Zij worden
òf uit een oud aquarium genomen, òf men gebruikt nieuw aangeschafte
planten. Eerst worden zij goed uitgewasschen, waartoe men begint met
ze in lauw water flink af te spoelen, waarna de bladeren van alle
onreinheden worden gezuiverd. Daar de waterplanten niet lang droog
mogen liggen, legt men ze vóór het gebruik in een schotel met water.
Heeft men de hier opgegeven voorbereidingen gemaakt, dan wordt de
aarde in het aquarium gebracht, waarbij men moet oppassen de ruiten
niet vuil te maken. Voor de weinig eischende, onder water groeiende
planten moet het aardlaagje minstens 5 cM. dik zijn; beter is echter
een aardlaag van ongeveer 10 cM. dikte. Voor sterk wortelende,
boven het water uitgroeiende en voor van groote drijvende bladeren
voorziene planten moet de aardlaag minstens 20 cM. bedragen. Men kan
nu de aarde gelijkmatig over den bodem verdeelen; beter is het echter
ze aan de kanten wat op te hoogen en naar het midden te laten vallen,
of ze aan de eene zijde hooger te leggen dan aan de andere, zooals
dit op de plaat "Gesloten aquarium met onder water groeiende planten"
zichtbaar is. Deze ongelijk liggende bodem is oorzaak, dat alle vuil
zich op het diepste punt verzamelt, van waar men het betrekkelijk
gemakkelijk kan verwijderen. Heeft men een groot aquarium, dan stelt
de ongelijke bodem den liefhebber in de gelegenheid er planten
met verschillende eischen in te kweeken. Hebben wij er bijv. een
van 100 cM. lengte tegen 40 cM. diepte, dan kunnen wij daarin zeer
verschillende moeras- en waterplanten kweeken, wanneer wij aan de
eene smalle zijde de aardlaag 30 cM. dik maken en die langzaam laten
minderen, zoodat zij aan de tegenoverliggende smalle zijde nog slechts
een dikte van 8 à 10 cM. heeft. Op het hoogste punt, waar zich de
dikste aardlaag en bij gevolg het minste water bevindt, zet men de
sterk groeiende moerasplanten, in het midden de planten met drijvende
bladeren en op het laagste punt vinden de onder water groeiende
planten een plaatsje. Heeft men de aarde op deze wijze verdeeld en
is zij matig vastgedrukt, dan begint de beplanting. Bij het planten,
moet men er op letten, dat de wortels gelijkmatig in de aarde worden
verdeeld. Men moet er dus de planten maar niet eenvoudig instoppen,
zooals dit maar al te vaak gebeurt, omdat de wortelspitsen dan meestal
naar boven in plaats van naar beneden gericht zijn, wat allicht het
afsterven ten gevolge heeft.
Maken veel waterplanten in dit geval toch jonge wortels, en groeien zij
bijgevolg door, dan is dit wel een bewijs voor haar taaiheid, doch niet
voor de geschiktheid der wijze van planten. Knollen, wortelstokken en
planten met stijf opstaande bladeren worden zonder eenige voorbereiding
geplant; onder water groeiende planten en die met drijvende bladeren
worden echter, vóór het planten, tot aan den wortelhals in papier
gewikkeld, opdat de bladeren door de aanraking met de aarde niet vuil
worden. Het planten moet zóó diep geschieden, dat de wortelhals juist
in het water komt te staan. Gewoonlijk wordt een groote fout begaan,
doordat men te dicht plant. Deze fout moet men vooral vermijden,
en de planten zóó wijd uit elkander zetten, dat ieder op zichzelf
ruimte genoeg heeft om zich flink te ontwikkelen. Is men met planten
gereed, dan wordt de aarde goed gelijkgemaakt, behoorlijk aangedrukt
en daarna met het klaarliggende zand bedekt. De zandlaag moet overal
ongeveer 3-5 cM. dik zijn; komt zij te hoog te liggen, dan moet men
vooral de kruidachtige planten voorzichtig een weinig optrekken,
ten einde te zorgen, dat zij niet te diep onder het zand komen te
staan. Dadelijk na het opbrengen van het zand wordt het papier van
de bladeren verwijderd. Al deze bewerkingen moeten vlug op elkander
volgen, opdat de planten niet te lang buiten het water blijven,
en daardoor lijden; reden waarom alles vooraf klaargemaakt moet worden.
Voor het vullen van het aquarium gebruikt men het best zuiver regen-,
bron- of leidingwater; vóór het gebruik moet het eenigen tijd in
het vertrek gestaan hebben, ten einde behoorlijk op temperatuur te
komen. Het gebruik van kalk- of ijzerhoudend bronwater moet vermeden
worden, daar dit voor planten noch dieren gezond is. Het ingieten
van het water moet zeer voorzichtig geschieden, omdat nòch het zand,
nòch de planten losgespoeld mogen worden. Men gebruikt voor het vullen
een fijnen broesgieter of wel men giet op een schoteltje, dat van te
voren op het zand wordt gezet; is de waterstand wat hooger geworden,
dan giet men in de onder water gehouden vlakke hand. Heeft het water de
verlangde hoogte, dan laat men het aquarium eenige dagen onaangeroerd
staan. Is het water niet volkomen helder geworden, dan moet men het
voorzichtig afscheppen of afhevelen en door ander vervangen; is het
echter helder, dan kan men er de visschen en andere dieren in brengen.
De versiering van het aquarium.
Zooals wij reeds opgemerkt hebben, moet het aquarium zelf zoo eenvoudig
mogelijk gemaakt zijn, omdat de waarde er van niet gelegen moet zijn
in de aangebrachte versieringen, doch wel in de planten en dieren,
die men er in houdt. Evenals het uitwendig moet het ook inwendig zeer
eenvoudig zijn, en in de meeste gevallen moet de versiering met het
beplanten en het ingebrachte zand eindigen.
Een versiering, die door den eenen liefhebber zeer hoog word geschat
en door den anderen geheel verworpen, is een rotsje van tufsteen. Wil
men een dergelijk rotsje in het aquarium aanbrengen, dan moet dit
vóór de beplanting geschieden. Is het rotsje niet te groot, heeft
het niet het gekunstelde voorkomen van een ruïne, steekt het slechts
weinig boven water uit en is het van holten voorzien, die zich ter
beplanting zeer goed leenen, dan verhoogt het zeer zeker de waarde
van het aquarium. Wel is waar heeft een dergelijk rotsje ook zijn
schaduwzijden; het neemt nogal veel ruimte in, ontneemt aan veel
planten het licht en daar het zich door zijn ruwheid niet behoorlijk
laat reinigen, wordt het spoedig een broeinest voor de wel niet
schadelijke, doch lastige algen.
Het rotsje mag in geen geval meer ruimte innemen dan de helft van het
aquarium; ook moet het onder water eenigszins gelijken op een brug,
opdat de visschen een gang hebben om door te zwemmen. Men kan òf
een rotsje kant en klaar koopen, òf wel men koopt een aantal stukken
tufsteen van verschillende afmetingen, die men met cement aan elkander
metselt. Wil men het rotsje met grootere waterplanten beplanten, dan
kan men er kleine potjes inmetselen, die echter geheel met tufsteen
moeten bedekt worden, zoodat zij niet zichtbaar zijn. Is het rotsje
klaar en goed droog, dan moet men het met een stijven borstel goed
afschrobben, zoodat alle vuil en losse cementdeelen er van verwijderd
zijn; hierna wordt het beplant en in het aquarium gezet. Voor de
beplanting van grootere spleten en der ingemetselde potjes leenen
zich het best Cyperus-, Carex- en Juncus-soorten; voor het gedeelte,
dat boven het water uitsteekt, zijn Varens zeer geschikt, terwijl
Selaginella's en Bladmossen er zeer goed op groeien. De Varens
en Mossen moeten echter geheel boven water blijven. Is het rotsje
beplant, dan wordt het met een broesgieter goed aangegoten en daarna
in het aquarium gezet. Is men hiermede gereed, dan kan men de aarde
in het aquarium brengen en dit verder beplanten. Veel liefhebbers
houden er van den bodem van het aquarium met goed gewasschen schelpen
of steenen te versieren, waartegen geen bezwaren bestaan. Anderen
versieren het met kleine molentjes, drijvende eilandjes of eenden
en visschen van porselein. Dit is natuurlijk geheel onnut speelgoed,
hetwelk het natuurlijke karakter van het aquarium wegneemt, dit moet
dus in ieder geval vermeden worden.
De verzorging van het beplante aquarium.
Is het aquarium geheel klaar en beplant en blijft het water volkomen
helder, zoodat het niet meer behoeft afgegoten en ververscht te
worden, dan veroorzaakt de verzorging betrekkelijk weinig moeite. In
de eerste plaats moet men het een goede, lichte plaats geven, zoodat
het nu en dan ook door de zon beschenen wordt. Heeft men er niet
alleen planten, maar ook dieren in, dan moet men er veel meer moeite
aan besteden. De dieren worden toch dikwijls door ziekten aangetast,
waarom men steeds op hen letten moet, terwijl ook voor een geregelde
voedering moet gezorgd worden. Des winters, wanneer het aquarium op een
koude plaats staat, is het voldoende twee keer in de week te voederen;
des zomers moet men dit echter dagelijks en bij zeer warm weer zelfs
twee keer per dag doen. Men moet er op letten niet meer voedsel te
geven dan direct opgegeten wordt, daar overblijfselen er van het water
verontreinigen. Het beste vischvoeder zijn lagere waterdiertjes, die
men met een gazen netje in stilstaand water kan vangen; ook stukjes
gesneden regenwormen of fijn gesneden mager vleesch. Des zomers kan
men ook met succes versche mierenpoppen gebruiken.
De waterplanten, die door haar snellen en interessanten groei den
liefhebber dagelijks nieuwe verrassingen bereiden, vereischen niet
zeer veel verzorging. Het voornaamste werk toch bij de plantencultuur,
het gieten, vervalt vanzelf. Het gemakkelijkst zijn de onder water
groeiende planten, die zich ook zonder zon zeer goed ontwikkelen; bij
deze behoeft men slechts nu en dan de rotte bladeren te verwijderen.
Zeer veel last veroorzaken, wanneer men deze planten kweekt, de
algen en lagere mossen, die niet zelden de andere planten volkomen
overgroeien. Men moet ze met de vingers zorgvuldig verwijderen, en
wordt het water daardoor troebel, dan giet men het af en vervangt
het door versch. Heeft men drijvende planten, planten met drijvende
bladeren, of die boven het water uitgroeien, dan moet men er ook voor
zorgen de rottende deelen tijdig te verwijderen. Het meest lijden
vooral de inlandsche planten, in een gesloten kamer, door gebrek aan
licht en lucht; zij groeien dikwijls slap op en worden door zeer
verschillend ongedierte aangetast. Een herhaalde bewassching met
zeepsop of tabaksextract moet dan toegepast worden om deze plaag te
bestrijden. Met dit afwasschen moet men zeer voorzichtig zijn, daar
niets van het giftige extract in het water mag komen. Het best doet
men het met een zachte, niet te vochtige spons. Wanneer men niet van
plan is zaden te verzamelen, dan moeten de uitgebloeide bloemstengels
zoo spoedig mogelijk weggesneden worden. In het najaar moet men goed
toezien op de afstervende éénjarige planten; deze worden met wortel
en al uitgetrokken en weggeworpen. Terzelfder tijd let men ook op de
planten met knollen of wortelstokken; zij beginnen dan langzaam af
te sterven en de doode gedeelten moeten dadelijk verwijderd worden.
Eenige waterplanten hebben de eigenaardigheid zich door kweekknolletjes
en uitloopers zóó sterk te vermenigvuldigen, dat zonder tusschenkomst
het water na eenige maanden geheel met stengels en bladeren gevuld zou
zijn. Deze overgroote vermenigvuldiging moeten wij tijdig voorkomen,
door de jonge plantjes dadelijk dáár te verwijderen, waar zij merkbaar
te veel zijn.
Lastig is het dikwijls de ruiten inwendig goed schoon te houden. Er
vormt zich op de waterlijn een vuile streep, en ook zetten zich
groene algen af, die wel niet schadelijk, ja eerder nuttig zijn,
daar zij, evenals de grootere planten, zuurstof afscheiden en het
water dus gezond houden, doch het glas ondoorzichtig maken. Men kan
dan het inwendige van het aquarium niet meer zien, waardoor het veel
van zijn aantrekkelijkheid verliest. Om een en ander te voorkomen,
moet men de ruiten een paar keeren per week met een tandenborstel of
met een met laken omwoeld latje afborstelen. Dikwijls verschijnt ook
een vlies op het water, dat schijnbaar door stof veroorzaakt wordt,
doch dat bij microscopisch onderzoek bijna uitsluitend uit bacterieën
blijkt te bestaan. Zulk een vlies ontwikkelt zich alleen op voortdurend
stilstaand water; dus bij aquariums, waarin men dieren houdt, of
waarin men voor een geregelden toevloed en afvoer van water zorgt,
heeft men er geen last van. Schadelijk zijn deze bacterieën niet. De
excrementen der visschen en ander vuil zakken op den bodem van het
water. Men kan deze gemakkelijk door een soort hevel verwijderen. Zulk
een hevel bestaat uit een glazen buisje, aan de onderzijde iets verwijd
en in het midden voorzien van een ballonachtige verwijding. Men plaatst
het wijdste gedeelte der buis boven het vuil en zuigt daarna de lucht
uit den hevel. Dit zal nu door den luchtdruk op het buitenwater in
de buis opstijgen en zich in het ballonnetje verzamelen. Door het
buisje van boven met den duim te sluiten, kan men het zoodoende uit
het water verwijderen.
Het is een tamelijk verspreid en toch geheel verkeerd denkbeeld,
dat het water van een aquarium wekelijks, ja zelfs dagelijks moet
ververscht worden. Heeft men het goed ingericht en beplant, en niet
met visschen overbevolkt, dan blijft het water langen tijd helder, en
behoeft niet ververscht te worden. Men moet echter den waterspiegel,
op een zelfde hoogte houden, en dus nu en dan, voor het verdampte,
wat versch water bijvullen. Is het aquarium uitsluitend met onder
water groeiende planten en gewassen met op het water drijvende
bladeren beplant, dan behoeft men dikwijls in één jaar tijd het water
niet te vernieuwen. Heeft men het met sterk groeiende moerasplanten
bezet, die de aarde uitputten en zich boven het water verheffen,
dan is het raadzaam het ieder voorjaar goed onder handen te nemen,
flink te reinigen, er nieuwe aarde in te brengen en het opnieuw
te beplanten. Indien men prijs stelt op een net voorkomen van
het aquarium, dan is dit verplanten niet te voorkomen, daar veel
moerasplanten een kruipenden wortelstok hebben, dus niet op haar
plaats blijven staan, doch zich vrij spoedig op plaatsen bevinden,
waar men ze niet gebruiken kan.
Inheemsche en uitheemsche waterplanten.
De liefhebber, die geen ondervinding heeft met betrekking tot het
aquarium en zich waterplanten wil aanschaffen, staat al dadelijk
voor de vraag of hij uitheemsche gewassen zal koopen of wel uit de
naburige vaarten of slooten die planten voorzichtig zal opnemen en in
zijn aquarium planten, welke hem het meest aanstaan. Deze vraag is
niet zoo heel gemakkelijk te beantwoorden. Langjarige ondervinding
op het gebied der cultuur van waterplanten heeft geleerd, dat
voor het beplanten van vijver en bassins in tuinen de inlandsche
waterplanten verre de voorkeur verdienen; voor het kweeken in de
kamer komen echter in de eerste plaats de uitheemsche gewassen in
aanmerking. Het gaat hiermede juist als met de potplanten: Palmen en
andere uitheemsche planten groeien in de kamer zeer goed, inheemsche
echter worden er slap en gaan er dood. De tropische waterplant, die
een hoogere temperatuur verlangt, groeit jaar in, jaar uit zeer goed
in een kamer; de inlandsche echter, die frissche, vrije lucht noodig
heeft, groeit meestal slap, trekt naar het licht en wordt geregeld
door lastig te verdreven ongedierte aangetast. Voor kamercultuur
zijn van onze inlandsche Flora het meest geschikt de onder water
groeiende planten; minder goed zijn, op enkele uitzonderingen na,
de planten met drijvende bladeren of de geheel drijvende planten,
en het minst deugen de inlandsche moerasplanten, vooral die, welke
met haar bladeren en stengels boven het water uitsteken. De inlandsche
waterplanten staan echter ook nog in ander opzicht bij de uitheemsche
ten achter. Deze laatste toch, die zich bij ons ingeburgerd hebben,
hebben bijna alle geen volmaakte rustperiode; zij blijven dus het
geheele jaar door groen. Met de inlandsche planten is dit echter heel
wat anders. Onze slooten en vaarten bevriezen des winters nu en dan tot
bijna op den bodem; elk actief plantenleven houdt daarbij op, waarom
dan ook bijna alle tegen den winter afsterven. Veel onzer inlandsche
waterplanten zijn overjarig; zij sterven tot op den wortelstok of
den knol in, die dan bij het intreden der lente weder begint uit te
groeien. Veel andere soorten zijn éénjarig; zij ontwikkelen vóór het
afsterven zaden, sporen en kweekknolletjes; slechts zeer weinig soorten
echter blijven ook gedurende den winter groen. Een liefhebber, die
des winters weinig genot van zijn tuin kan hebben, en daarom gaarne
zijn vertrekken met groene planten versiert, wil ook des winters
zijn aquarium groen zien, en moet daartoe, door den nood gedrongen,
zijn toevlucht wel nemen tot uitheemsche waterplanten. Dat niet alle
uitheemsche dezelfde waarde hebben, spreekt wel vanzelf. In de tropen
komt een waterflora voor, waarvan de bloemen, wat houding, afmeting
en kleur aangaat, tot de fraaiste in het geheele plantenrijk moeten
gerekend worden. Het zijn echter voor het meerendeel reusachtige
planten, die zulke bloemen voortbrengen, zooals de Victoria regia,
tropische Nymphæa's, de Nelumbium, enz. Deze planten stellen meestal
zeer hooge eischen aan de temperatuur van het water, zoodat dit ook
des zomers moet verwarmd worden, en daarbij hebben zij vaak zulk een
omvang, dat men reusachtige bassins moet bezitten om ze te kunnen
bevatten. Zulke planten zijn natuurlijk voor het kamer-aquarium geheel
ongeschikt. Al kan men echter de fraaiste tropische waterplanten
niet in het aquarium kweeken, toch blijven er nog zeer veel soorten
over, die door schoonen bloei en kleurenpracht bijna alle inlandsche
overtreffen. Het zou ons veel te ver voeren, indien wij een juist beeld
wilden geven der geheele waterflora; wij kunnen de lezers slechts met
de belangrijkste der hiertoe behoorende planten doen kennis maken. De
afbeeldingen zullen onze beschrijvingen nog verduidelijken.
De beste planten voor het kamer-aquarium.
Onder water groeiende planten.
De onder water groeiende planten mogen in geen enkel kamer-aquarium
ontbreken; zij verwekken veel zuurstof en maken daardoor het water
zeer gezond voor de dieren, die men er in heeft. Ook geven zij
een eigenaardig voorkomen aan het aquarium. De uitheemsche soorten
zijn alle ook des winters groen, met de inlandsche is dit niet het
geval. De behandeling der onder water groeiende planten is al hoogst
eenvoudig. Zij worden niet door insecten aangetast en hebben alleen
te lijden van algen, die zich op de bladeren vertoonen. De door algen
bezette bladeren reinigt men met de vingers, waarop het troebele water
ververscht wordt; een zeer afdoend middel daartegen zijn de larven
van kikvorschen; brengt men deze in het aquarium, dan zijn de algen
spoedig opgeruimd. De onder water groeiende planten hebben voor een
goede ontwikkeling een hoogen waterstand noodig. De vermenigvuldiging
door zaden is in de kamer niet aan te raden; veel soorten kweeken
zichzelf echter gemakkelijk voort door uitloopers en broedknolletjes;
langs kunstmatigen weg kan men ze vermenigvuldigen door stekken. De
broedknolletjes doet men het best in het najaar te verzamelen en in
inmaakflesschen, waarin op den bodem een weinig aarde is gebracht,
te laten overwinteren, daar zij anders wellicht door de visschen
opgegeten worden. Het best geschiedt de overwintering in een koel
vertrek; zet men de glazen in het voorjaar op een zonnige plaats,
dan ontwikkelen de knolletjes zich zeer snel.
a. Uitheemsche soorten.
Drie plantengeslachten leveren ons zeer fraaie, uitheemsche,
onder water groeiende planten, namelijk de geslachten Cabomba,
Myriophyllum en Vallisneria. Nieuwere Amerikaansche, ingevoerde
soorten zijn de Cabomba's met drijvende stengels en fraai gedeelde
bladeren. De bekendste soort is Cabomba caroliniana (Fig. 252). Zeer
veel gelijkt op deze soort de zeldzamere Cabomba rosæfolia met zacht
rozerood gekleurde bladeren en stengels; zij is veel mooier maar
ook gevoeliger en teerder. Hoewel zij een geheel ander voorkomen
hebben, behooren de Cabomba's toch tot de familie der Nymphæa's. Onze
afbeelding toont een jonge plant; later in haar bloeitijd ontwikkelen
zich ook kleine, drijvende blaadjes. De plant draagt kleine, witte
bloempjes. Van de Myriophyllum-soorten waren tot voor korten tijd geen
onder water groeiende bekend; in den laatsten tijd zijn er echter twee
uit Amerika ingevoerd. Een dezer soorten is de Myriophyllum prismatum
(Fig. 253). De tweede, nog niet bestemde, soort heeft een krachtiger
en voller aanzien, ook zijn haar smalle blaadjes veel langer. De
beste en meest verspreide der uitheemsche onder water groeiende
planten is de Vallisneria spiralis, die ook wel in Zuid-Europa wordt
aangetroffen. Deze plant heeft lange, smalle bladeren. Fig. 254
toont een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar van deze beste aller
aquariumplanten. De bloei van deze planten en vooral het overbrengen
van het stuifmeel geschiedt op een zeer interessante wijze. Het zou
ons te ver voeren, die geheel te beschreven; voor hen, die er belang
in stellen, verwezen wij naar ieder boek over botanie. Al de genoemde
soorten hebben geen behoefte aan warmte; hoewel zij in een verwarmde
kamer goed groeien, kunnen zij in een onverwarmd, doch vorstvrij
vertrek zeer goed overwinteren; zelfs de Cabomba heeft reeds met
succes buiten overwinterd.
b. Inlandsche soorten.
Bij de inlandsche onder water groeiende gewassen treft men
voortreffelijke aquarium-planten aan. De Batrachium fluitans
(Ranunculus aquatilis) heeft zeer fijn verdeelde bladeren en daardoor
wel eenige overeenkomst met de Cabomba. De Callitriche heeft een zeer
fraai bebladerden stengel, die daardoor nog aan schoonheid wint,
wijl de bovenste blaadjes dikwijls dicht opeenzitten en zoodoende
een aardige rozet vormen.
Fig. 255 toont de Callitriche verna. Zeer goed groeit in het aquarium
de Ceratophyllum met fijn verdeelde blaadjes. In het water worden
meestal twee zeer op elkander gelijkende soorten aangetroffen,
namelijk de Ceratophyllum demersum en de Ceratophyllum submersum.
Een bekende in het aquarium even dankbare, als in de slooten lastige
waterplant is de Elodea canadensis of Waterpest. Zooals de naam
aanduidt, is deze plant afkomstig uit Canada. Tegenwoordig wordt zij
echter bijna overal aangetroffen. Zeer fraaie planten voor het aquarium
zijn de Fontinalis-soorten. Het zijn wortellooze bladmossen, met lange
stengels en zeer sierlijke blaadjes. Zij worden veel in stroomend
water gevonden. Fig. 256 toont de Fontinalis antipyretica. Deze plant
houdt het jarenlang in een aquarium uit. Men bindt ze door middel van
looddraad aan elkander, de zwaarte van het lood houdt ze dan in den
juisten stand. Zoo samengebonden, kunnen ze geplant of ook los in het
water geworpen worden. Op deze wijze behandeld, groeien zij jarenlang,
wanneer men ieder voorjaar de bosjes uit elkander neemt, onderaan van
de scheuten een stukje afsnijdt en ze daarna weder te zamen bindt
en in het water brengt. Een zeer sierlijke inlandsche, onder water
groeiende plant is de Hottonia palustris. Fig. 257 toont deze fraaie
maar lastige plant, gekweekt in elementglas. Zij draagt sierlijk,
kamvormig verdeelde bladeren. De bloemen, welke veel overeenkomst
hebben met die van de Primula, zijn wit en staan op krachtige stelen
boven het water uit. De bloeitijd valt in de maand Juni.
Zeer schoon voor het aquarium is ook de in Duitschland inheemsche
Isoëtes lacustris. Deze plant komt voor in de bergmeren van
het Schwarzwald, Böhmerwald en het Reuzengebergte. Zij vormt een
knolachtigen stengel en heeft grasachtige bladeren. Zij is zeer sterk
en vereischt weinig zorg. Veel schooner zijn enkele uitheemsche
soorten, die, jammer genoeg, slechts in enkele Botanische Tuinen
worden aangetroffen. Niet vergeten mogen worden de Myriophyllums,
waarvan enkele soorten haar bloemaartjes boven het water uitsteken. Als
zeer geschikt voor het aquarium kunnen wij aanbevelen de Myriophyllum
verticillatum en de Myriophyllum spicatum.
Waterplanten met drijvende bladeren.
Naast de in het vorige hoofdstuk behandelde planten, die onder water
groeien, staan, wat betreft de geringe zorgen, die met drijvende
bladeren. Deze planten vormen meestal zeer lange bladstelen, die
tot aan het wateroppervlak groeien, waarna zij de vlak op het water
drijvende bladeren ontwikkelen. De bijna altijd schoone, dikwijls
zelfs imposante bloemen drijven ook op het watervlak of heffen zich
daar slechts een weinig bovenuit. Veel dezer planten zijn echter
gevoelig voor de droge kamerlucht; staan zij daarin, dan worden de
bladeren spoedig door bladluizen aangetast. De beste wijze om deze
ongenoode gasten te verwijderen is het blad voorzichtig uit het
water te nemen en het met verdund tabaksextract in te smeren. De
meeste waterplanten met drijvende bladeren vermenigvuldigen zich,
evenals de onder water groeiende, door uitloopers, terwijl andere zich
gemakkelijk uit zaad laten kweeken. Des winters sterven de hiertoe
behoorende planten meer of minder terug, veel sterven zelfs geheel
in. In het voorjaar groeien zij echter, bij een weinig warmte, weder
zeer spoedig uit. Staan deze planten in een stoffige kamer, dan moet
men niet vergeten de bovenzijden der bladeren nu en dan met een sponsje
af te vegen. Bespuiten der bladeren is dàn slechts wenschelijk, wanneer
het goed helder weer is; bij donker weer doet men er meer kwaad dan
goed mee, wijl er dan gemakkelijk rotplekken in de bladeren ontstaan.
a. Uitheemsche soorten.
Een der beste aquarium-planten met drijvende bladeren is de Aponogeton
distachyon; deze is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop en heeft een
knolachtigen wortelstok. De Aponogeton is een dankbare bloeister en
ontwikkelt haar bloemen zeer geregeld in de kamer. De
bloemen zijn tweerijig, zuiver wit en welriekend; daarbij duren
zij zeer lang. De bloei duurt bijna het geheele jaar door, en
de harde zaden rijpen niet alleen zeer goed in de kamer, maar
kiemen er meestal zonder eenige hulp, somtijds zelfs reeds aan den
bloemstengel. De langwerpige, drijvende bladeren kunnen vrij groot
worden. Indien men wil, dat de Aponogeton zich goed ontwikkelt,
dan moet men haar planten in een ruim aquarium, en daarbij goeden
graszodengrond gebruiken. Bijzondere eischen, wat warmte aangaat,
stelt deze plant niet; zelfs kan zij bij een niet al te strenge vorst
ons winterklimaat verdragen. In den laatsten tijd heeft een Fransch
kweeker van de typische soort een variëteit, de Aponogeton distachyon
Lagrangeï gewonnen, die zich kenmerkt door een krachtigen groei en
rose bloemen. In Oost-Indië komt nog een andere soort met slechts
één bloemaar, de Aponogeton monostachyon, voor. Een zeer interessante
hiertoe behoorende plant is ook de Aponogeton fenestralis, afkomstig
uit Madagascar. Haar bladeren bevatten geen bladmoes en bestaan slechts
uit de nerven en aders; daarbij komen zij nooit boven water. Jammer
is het, dat zij behoefte heeft aan warm water, en daarbij zóó lastig
in de cultuur is, dat men haar slechts zeer zelden aantreft. Een
heel aardige aquarium-plant is de Limnocharis Humboldtii, ook wel
Hydrocleis nympheoides genaamd; zij is afkomstig uit Caracas en
heeft veel overeenkomst met een kleine Nymph. Midden in den zomer
ontwikkelt zij een groot aantal alleen staande, citroengele bloemen,
die uit drie bloemblaadjes bestaan. Zij vormt een aantal drijvende
stengels, die aan de knoopen wortels maken; deze kunnen afgesneden
worden en vormen dan zelfstandige planten. Een goede plant is ook de
Limnanthemum indicum of Villarsia Humboldtiana. Deze éénjarige plant
komt voor in de wateren van Azië, Australië en Afrika. Zij vormt
boschachtige stengels, die in het najaar zinken; hieruit ontwikkelen
zich dan in de lente, wanneer de moederplant reeds afgestorven is,
een aantal jonge plantjes. De bladeren zijn rond-hartvormig, de bloemen
wit, ongeveer 2 cM. in doorsnede; de bloembladeren zijn aan de randen
fijn gefranjed. Er zijn nog verscheidene soorten van bekend, waarvan
de Limnanthemum crenatum, afkomstig uit Australië, de meest bekende
is. Deze soort heeft rondachtige, onregelmatig ingesneden bladeren
en een weinig grootere, gele, eveneens gefranjede bloemen.
De Limnanthemums houden van een goeden grond en voldoende warmte,
verder stellen zij geen eischen. Lastig is de voortkweeking uit zaden,
die direct na het rijpen moeten gezaaid worden, doch meestal eerst in
de volgende lente kiemen. Voor grootere aquariums zijn ook Nymphæa's
aan te bevelen. De schoonste tropische soorten, die zich kenmerken
door prachtig gekleurde bloemen, zijn voor kamercultuur niet geschikt,
daar zij veel te groot worden en ook een zeer vochtige lucht en warm
water verlangen. De schoonste uitheemsche Nymph voor kleinere aquariums
is de Nymphæa pygmæa, afkomstig uit Oost-Siberië en China. Deze soort
heeft bladeren, die slechts 4-5 cM. doorsnede hebben en bijna gevulde,
witte bloemen met een diameter van ongeveer 4 cM.
Een aardige Nymph, die echter reeds vrij omvangrijk wordt, is de uit
Noord-Amerika afkomstige en bij ons winterharde Nymphæa odorata, met
zeer welriekende, witte bloemen. Een variëteit van den lateren tijd,
de Nymphæa odorata rosea, heeft zacht roode bloemen. Er bestaat van
deze soort ook een witte variëteit met zeer kleine bloemen, de Nymphæa
odorata minor. Een zeer fraaie, geel bloeiende Nymph is de Nymphæa
Marliacea chromatella (Fig. 260). Deze mooie plant is beter geschikt
voor grootere tuin-bassins dan voor een kamer-aquarium. De Nymphæa's
verlangen een zwaren, zeer voedzamen grond; het best is baggergrond,
vermengd met graszodengrond en zand. Den grooteren soorten moet men
een aardlaag van minstens 20 cM. dikte geven. Des winters zijn deze
planten bijna of geheel bladerloos; in het voorjaar beginnen zij
echter reeds vroegtijdig uit te groeien. De voortkweeking geschiedt
door verdeeling van den wortelstok, beter echter door zaden, die
van hun rijping tot het uitzaaien in gesloten, met water gevulde
fleschjes moeten bewaard worden. De kiembladeren der Nymphæa's hebben
een anderen vorm dan de volwassen bladeren, en blijven steeds onder
water. Als een zeer sierlijke plant met drijvende bladeren moet
nog vermeld worden de Sagittaria natans (Fig. 261), die naast de
Vallisneria als een der beste waterplanten is te beschouwen. De jonge
bladeren van deze soort gelijken sprekend op die van de Vallisneria;
een goed groeiende plant vormt echter spoedig draadvormige bladstelen,
die drijvende, ovale bladeren dragen; na korten tijd verschijnen nu
ook de op het water drijvende, lieve, driebladerige, witte bloempjes,
waarvan steeds enkele te zamen vereenigd zijn. De Sagittaria natans
stelt geen bijzondere eischen en kweekt uit zichzelf door uitloopers
gemakkelijk voort. Een zeer interessante soort, die in Polen wordt
aangetroffen, doch daar blijkbaar aan het uitsterven is, is de Trapa
natans. Dit is een éénjarige plant, die drijvende rozetten vormt,
welke door een in den bodem gewortelden, draadvormigen stengel worden
vastgehouden. De bladeren hebben een zeer eigenaardigen, vierhoekigen
vorm. De bloemen zijn onbeduidend, de zaden, waaruit eertijds de
arme landbewoners een soort meel bereidden, zijn tamelijk groot,
vreemd gevormd en van twee of drie groote horens voorzien. Nadat de
zaden rijp geworden zijn, drijven zij eenigen tijd op het water. Tot
het voorjaar bewaart men ze in water op een koele plaats; zij worden
dan in het aquarium geworpen, waarna de kieming spoedig volgt.
b. Inlandsche soorten.
Een der dankbaarste inlandsche aquarium-planten is zeker wel de Alisma
natans, die in jongen toestand lange, onder water groeiende bladeren
heeft. De plant brengt stengels voort, die tot aan de oppervlakte
van het water doorgroeien en in een knop eindigen; uit dezen knop
ontspruiten de ovale, drijvende bladeren en ook de lieve, op het water
drijvende, witte bloemen. In een kamer-aquarium beginnen deze bloemen
reeds vroeg in het voorjaar, omstreeks Maart of April, te ontluiken. De
voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk langs kunstmatigen weg. Men
snijdt den aan de oppervlakte drijvenden stengel onder den knop af en
plant dezen afzonderlijk op. Na korten tijd zal hij wortel hebben en
doorgroeien. Naast de reeds genoemde uitheemsche Limnanthemum komt
ook de inlandsche, de Limnanthemum nymphæoïdes (Fig. 262), als een
fraaie aquariumplant in aanmerking. Zij wordt het meest aangetroffen in
stilstaande of zacht stroomende waters en bloeit daar meestal omstreeks
Juli en Augustus. De vorm der bladeren is juist zooals de gravure
dien aantoont; de bloemen zijn helder geel. Deze fraaie, zeer weinig
eischende plant, kweekt zeer gemakkelijk voort door uitloopers, die
door te weinig ruimte vaak in den bodem verstikken. Deze Limnanthemum
sterft, des winters in een kamer gehouden, niet geheel af. Door vele
liefhebbers van waterplanten, worden ook jonge inlandsche Nymphæa's
in hun kamer-aquariums gekweekt. Zij blijven er wel goed, doch komen
er uiterst zelden tot bloei. Plant men deze Nymphen echter in groote
middendoor gezaagde vaten, die half met goede, vette aarde en half met
water gevuld zijn, dan groeien en bloeien zij uitstekend. Men moet er
op letten, goede gave wortelstokken te planten. De meest voorkomende
soort is de Nymphæa alba, een onzer schoonste inlandsche waterplanten,
die men overal in stilstaand water aantreft.
Een zeer schoone variëteit is de Nymphæa alba rosea, met karmijnroode
bloemen, roode knoppen en roode blad- en bloemstelen. Deze variëteit
is in een Zweedsch meer gevonden. Jammer is het echter, dat zij nog
betrekkelijk weinig voorkomt en daarbij zeer duur is. Een andere
schoone soort is de Nymphæa candida. Deze heeft kleinere bloemen,
die echter bijna geheel gevuld zijn.
Als kleine plant wordt ook wel in de aquariums gekweekt de Nuphar
luteum, evenals de kleinere en zeldzamere Nuphar pumilum. De Nuphars
groeien echter beter buiten in tonnen; in een betrekkelijk klein
aquarium zullen zij nooit haar goudgele bloemen kunnen ontwikkelen. De
behandeling der inlandsche Nymphæa-soorten is juist dezelfde als die,
welke in het vorige hoofdstuk voor de uitheemsche is opgegeven. Een
aardige plant met drijvende bladeren is ook de Potamogeton natans met
een langen drijvenden stengel en lancetvormige bladeren. De tamelijk
onbeduidende bloemaartjes steken boven het water uit. Deze is een zeer
veel voorkomende plant, die men veel in greppels vindt en drogen die
uit, dan verandert zij in een landplant. De voortkweeking geschiedt
door stekken, van den stengel gesneden.
Drijvende waterplanten.
Tot de drijvende waterplanten behooren al die gewassen, welke niet
in de aarde wortelen, doch op het wateroppervlak drijven en waarvan
de vaak lange wortels vrij in het water hangen.
De drijvende waterplanten dragen veel bij tot de versiering der
oppervlakte van het water; zij laten zich echter niet zeer gemakkelijk
kweeken, daar de droge, stoffige kamerlucht zeer nadeelig voor
haar is. Zeer goed groeien eenige inlandsche soorten, de overige
zal men beter in een gesloten aquarium kweeken, of wel, in een met
een glasplaat bedekten schotel. Deze schotels moeten bij warm weder
behoorlijk gelucht en de glasplaat moet dagelijks goed met een doek
afgeveegd worden. Verscheidene onzer inlandsche drijvende waterplanten
zijn éénjarig; zij vormen voor het afsterven winterknoppen of sporen
die men in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem,
zoo mogelijk vorstvrij moet laten overwinteren. In het voorjaar
ontwikkelen deze plantjes zich eerst onder water, spoedig komen zij
echter aan de oppervlakte, en blijven daarop drijven met behulp van
haar met lucht gevulde bladeren of bladstelen.
De uitheemsche drijvende planten zijn voor het meerendeel meerjarig;
tegen den herfst worden zij echter zeer gevoelig, zij moeten dan uit
het aquarium genomen en voorzichtig in potten met gehakt sphagnum
opgeplant worden. De opgepotte planten moet men vochtig en warm,
het best in een woonvertrek onder glas, laten overwinteren.
Vele drijvende planten laten zich zeer gemakkelijk, door haar dikwijls
zeer talrijke uitloopers, voortkweeken.
Het dikwijls slechte groeien der drijvende waterplanten is te wijten
aan het te heldere water in het aquarium, wijl dit te arm aan voedende
bestanddeelen is. Het fraaist ontwikkelen de drijvende planten zich
in vlakke schotels met een weinig aarde op den bodem. De wortels
dringen in deze aarde door en vinden daar rijkelijk voedsel voor een
goeden groei.
a. Uitheemsche soorten.
Een zeer lief drijvend waterplantje is de Azolla caroliniana, afkomstig
uit Noord-Amerika en dat blijkt hier te lande winterhard te wezen. Deze
plant, ook wel bekend onder den naam van "Rood Kroos," is in sommige
slooten zóó sterk ontwikkeld, dat zij er last veroorzaakt. Zij heeft
de eigenaardigheid, binnen gehouden, levendig groen, doch buiten,
vooral in de zon, donkerrood van kleur te worden. Zoowel buiten als
in een kas groeit de Azolla zeer snel en bedekt het water in korten
tijd met een levendig groene laag. In droge kamerlucht daarentegen
groeit zij slecht. Ook wordt zij veel door de visschen opgegeten. In
den herfst ontwikkelt de Azolla zeer kleine sporenhoopjes, die naar
den bodem zakken.
Een andere, zeer fraaie plant is de Pistia Stratiotes (Fig. 263). Deze
plant is een ware cosmopoliet, daar zij overal in stilstaand water
der warmere landen wordt aangetroffen. Dit geelgroene plantje, dat
met zijn aan den voet sterk verdikte bladeren een rozet vormt, behoort
tot de familie der Aroïdeeën, de bloemen zijn echter zeer onbeduidend.
Een eigenaardig verschijnsel is het, dat deze plant, onder water
gedompeld, als met zilver overtogen schijnt, terwijl zij dan weder
bovenkomende, geheel droog blijkt te zijn. Dit wordt veroorzaakt door
zeer talrijke kleine haartjes, die het blad bedekken. De lucht blijft
tusschen deze haartjes hangen, waardoor de zilveren tint ontstaat,
terwijl het water dadelijk van de haartjes afloopt. De voortkweeking
geschiedt zeer gemakkelijk door middel van uitloopers. Des zomers,
wanneer het zeer warm is, groeit de Pistia ook goed buiten, in het
najaar moet men haar echter uit het water nemen, in mos opplanten en
zoo warm laten overwinteren. Een zeer fraaie rozetvormige plant met
niervormige bladeren, dik opgezwollen bladstelen en blauwe bloemen is
de Pontederia of Eichhornia crassipes, afkomstig uit Brazilië. Deze
plant is een uiterst dankbare bloeister. Zij laat zich gemakkelijk door
uitloopers voortkweeken. De overwintering moet warm geschieden en op
dezelfde wijze als met de Pistia. Een eveneens mooie waterplant is de
Salvinia elegans (Fig. 264), afkomstig uit Mexico. Zij behoort onder
de fraaiste waterplantjes. In den herfst sterft zij af, doch vormt
dan talrijke sporenhoopjes; zet men ze echter in vlakke schalen met
de wortels in goede, vochtige veenaarde, dan is zij overblijvend
en blijft, wanneer men haar op een warme plek zet, den geheelen
winter door groen. Als laatste drijvende waterplant willen wij nog de
Trianea bogotensis (Fig. 265), afkomstig uit Columbia, vermelden. De
Trianea groeit goed in een kamer, zij laat zich zeer gemakkelijk door
uitloopers voortkweeken en vormt aardige rozetten, die, wanneer men ze
in een ondiepen schotel met wat aarde op den bodem kweekt, zich zeer
goed ontwikkelen. Onze gravure vertoont een plantje in zijn geheel en
de achterzijde van een der sponsachtige bladeren. De overwintering
geschiedt in vlakke schotels, die met een glasplaat moeten bedekt
en goed warm gezet worden. Ook des winters moet de aarde, waarin zij
met haar wortels staan, goed vochtig gehouden worden.
b. Inlandsche soorten.
Een veel in stilstaand of langzaam vlietend water voorkomende drijvende
waterplant is de Hydrocharis Morsus-ranæ, die aardige, cirkelronde
blaadjes en witte bloempjes draagt. De voortkweeking geschiedt door
zaden, meer echter nog door uitloopers, die sterke exemplaren naar
alle zijden ontwikkelen. Met het begin van den winter sterven deze
planten af, zij vormen echter eerst winterknoppen, die tot de lente op
den bodem blijven rusten. De Hydrocharis verdraagt de kamerlucht zeer
goed en is daardoor een zeer aanbevelenswaardige aquarium-plant. De
meest bekende der inlandsche waterplanten is zeker wel de Lemna
(Eendenkroos), een klein plantje, dat in de stilstaande wateren zeer
algemeen in meerdere soorten voorkomt en dikwijls geheele slooten
met een groene laag overdekt. De voortkweeking geschiedt door de
knopvorming zóó snel, dat de Lemna in korten tijd alle andere planten
overgroeit, wanneer men er niet voor zorgt nu en dan eens wat te
verwijderen. Dit plantje, dat zich ook in de kamer zeer goed houdt,
wordt door talrijke visschen gaarne gegeten. De fraaiste drijvende
waterplant is de in ons land slechts zeldzaam voorkomende Salvinia
natans. Op een paar plaatsen van ons land wordt zij in stilstaand
water aangetroffen. Deze plant komt in een open aquarium niet al te
best vooruit, daar zij de droge kamerlucht niet kan verdragen. Het
best groeit zij in een met een glasplaat bedekte vlakke schaal,
die voldoende gelucht wordt. In den herfst vormt deze Salvinia
sporenhoopjes, waarna zij afsterft. Fig. 266 toont een Salvinia,
aan de bovenzijde gezien, en Fig. 267 dezelfde aan de onderzijde. Op
deze laatste zijn de sporenhoopjes duidelijk zichtbaar.
Een veelvuldig voorkomende inlandsche waterplant is de Stratiotes
aloïdes (Wateraloë); zij vormt in stilstaand water groote bossen,
die door de lange, gezaagde bladeren een zeer eigenaardig voorkomen
hebben. De voortkweeking geschiedt hoofdzakelijk door uitloopers. In
haar bloeitijd verheffen deze planten zich boven het water uit. Laat
in den herfst zinkt de Stratiotes op den bodem en blijft daarin dan
met haar wortels vastzitten. In de kamer ontwikkelt deze plant zich
even goed, doch verkrijgt niet die fraai groene kleur, welke zij
buiten heeft. Zij verdraagt de kamerlucht overigens goed en blijft
ook des winters groen. Een aardig éénjarig plantje, dat vóór het
afsterven winterknoppen vormt, is de Utricularia. Zij behoort tot
de insecten-etende planten en is geheel wortelloos. De bladeren zijn
schubachtig en de zich boven het water verheffende bloemen geel. Deze
plant wordt vooral in veenachtige streken aangetroffen. Als laatste
inlandsche waterplant willen wij nog vermelden de Riccia; deze is
éénjarig, ziet er mosachtig uit en behoort tot de levermossen. Op
zichzelf onbeteekenend, vormt deze plant lange, te zamen hangende,
op het water drijvende bossen, die ook als zuurstofverwekkers groote
waarde hebben.
Het terrarium.
Een der schoonste inrichtingen voor het kweeken van planten hebben
wij in het terrarium. Het terrarium, dat hoofdzakelijk tot het
kweeken van planten moet dienen, gelijkt uiterlijk volkomen op een
kamerkasje. Terwijl men daarin echter slechts in potten staande planten
kweekt, tracht men in het terrarium een stukje landschap na te bootsen,
doordat men de planten er vrij in uitplant, rotspartijtjes of ook wel
met klimplanten omwonden boomstammetjes er in zet en er een kleinen
vijver, een bassintje, niet in laat ontbreken, in welken laatste dan
weder water- en moerasplanten kunnen gekweekt worden. Wil men een
betrekkelijk groote inrichting maken, dan kan het terrarium met het
aquarium vereenigd worden, in welk geval men van een terra-aquarium
spreekt. Zulke terra-aquariums hebben vooral groote waarde voor
dierenliefhebbers, die er niet alleen visschen, doch ook amphibieën
in willen houden.
Al naar de planten of dieren, die men er in wil houden, onderscheidt
men vochtige en droge aquariums, die weder in vochtig-warme
en vochtig-koude, dus ook in droog-warme en droog-koude worden
verdeeld. Het vochtig-warme terrarium dient om er uitheemsche Varens,
bladplanten en Palmen in te kweeken, het droog-warme daarentegen
om er weinig vocht verlangende Cactussen en andere Vetplanten in
te kweeken. In het koude terrarium kweekt men inlandsche of uit
sub-tropische streken afkomstige gewassen. Onze plaat toont een klein,
vochtig-warm, beplant terrarium. Gewoonlijk staan deze terrariums op
elegante ijzeren voetstukken of op een behoorlijk sterke tafel. Al
naar de grootte wordt het geraamte van het terrarium vervaardigd uit
sterk blik, hout of smeedijzer. De ruiten moeten er bij voorkeur
niet met stopverf in vastgezet worden, doch moeten er ingeschoven
of met kleine haakjes aan kunnen bevestigd worden. Het eenzijdige
dak moet zóó gemaakt zijn, dat men het openen kan en aan één zijde
moet zich een deur bevinden, waardoor men, zoo noodig, den planten
frissche lucht kan geven. Houdt men dieren in het terrarium, zoodat
men het niet openen kan, dan moet het zóó gemaakt zijn, dat men er
des zomers een ruit kan uitnemen, die dan door een met gaas bespannen
raampje wordt vervangen. De bodem van het terrarium wordt uit metaal
vervaardigd en mag niet vlak, doch moet een weinig hellend zijn;
op het laagste punt bevindt zich dan een afvoerbuisje, waardoor het
overvloedige water kan wegloopen. De terrariums worden tegenwoordig in
alle soorten vervaardigd en zijn in bijna alle grootere luxe-winkels
verkrijgbaar. Het duurst zijn zeker die, welke verwarmd kunnen worden,
hetgeen door een aangebrachte warmwaterinrichting kan geschieden. Een
dergelijk terrarium heeft echter niet iedere liefhebber noodig;
slechts een dierenliefhebber, die de teerste reptiliën en amphibieën
wil houden, moet zich zulk een aanschaffen. Hij, die zeer fijne
planten in zijn terrarium wil kweeken, kan het zóó laten inrichten,
dat hij op den bodem een platte, van een toe en afvoerbuisje voorziene
warm-waterbus kan inschuiven, welke bus dagelijks enkele malen met
heet water moet gevuld worden. Fig. 268 toont zulk een inrichting ter
verwarming van een terrarium, Fig. 269 een zeer eenvoudig, uit een kist
vervaardigd terrarium, dat door warm water verwarmd kan worden. Hierin
staat reeds de verwarmingsinrichting, die uit sterk zink gemaakt wordt
en juist passen moet. Daar deze waterbus voortdurend onder den druk
van de aarde zou lijden en men haar er ook niet zou kunnen uitnemen,
wordt er een houten rooster op aangebracht, waarop een metalen plaat
wordt gelegd. Fig. 271 toont een dergelijk, uit een kist vervaardigd
terrarium, nadat het beplant en met dieren bevolkt is. Dergelijke
terrariums zijn het eerst door den Heer H. Lachmann in het tijdschrift
"Natur und Haus" aanbevolen.
De beste tijd om het terrarium te beplanten is in de maanden April
en Mei. Op den bodem, die, zooals reeds gezegd is, den vorm van
een bak moet hebben, zet men eerst het schaaltje met water. Hierna
bedekt men de vrijgebleven ruimte met een laag scherven en stukjes
turf, ten einde een goede drainage te verkrijgen. In den omtrek van
het waterafvoerbuisje moet de drainage zóó aangebracht worden, dat
dit niet verstoppen kan. Op de drainage brengt men dan de aarde. De
samenstelling der aarde moet men wijzigen naar den aard der planten,
die men er in kweeken wil; het best doet men echter er een grof,
goed met scherp zand vermengd mengsel voor te gebruiken. Heeft men
een warm, droog terrarium, dan kan men er dien grond inbrengen,
welke is opgegeven in de hoofdstukken, handelende over Cactussen en
Vetplanten. Zulke droge terrariums kan men met rotsjes van tufsteen
heel aardig versieren; in de gaten van deze steensoort groeien de
Succulenten zeer goed. In het vochtig, warme terrarium plant men
een jongen Palm of een struikachtige bladplant en verscheidene der
soorten, die in de hoofdstukken "Kruidachtige Bladplanten voor warme
vertrekken", "Varens" en "Mossen" zijn opgegeven en afgebeeld. Een
zeer mooi effect verkrijgt men nog, wanneer men den bodem van het
terrarium belegt met versche sphagnum-kopjes. Deze kopjes groeien
er zeer goed in door; zij vormen ten laatste een groen tapijt en
voorkomen het uitdrogen der aarde.
Bij het beplanten van het terrarium moet men vooral oppassen er niet
te veel in te zetten; beter is het, de planten zeer wijd uiteen te
planten, opdat zij zich goed kunnen ontwikkelen. Langer dan één jaar
kan men het beplante, warme terrarium niet laten staan, daar de planten
dan te wild dooreengroeien. Elk voorjaar moet men ze er uitnemen en het
geheel opnieuw beplanten; de aarde kan dan tegelijkertijd vernieuwd,
en te groot of leelijk geworden planten kunnen door andere vervangen
worden. De verzorging van het terrarium is zeer eenvoudig. Dadelijk
na de beplanting wordt de aarde zóó aangegoten, dat het overvloedige
water door het afvoerbuisje wegloopt, waaruit men kan opmaken, dat
de aarde in haar geheel goed vochtig is. Voor het vervolg bestaat de
verzorging in hoofdzaak hierin, dat men het vochtige terrarium bij
warm weder enkele keeren per dag bespuit. Ten gevolge van dit spuiten
droogt de aarde zeer weinig uit, zoodat gieten slechts hoogst zelden
noodig is. Ook het droge terrarium mag bij warm weer een enkelen
keer bespoten worden; men moet er echter voor zorgen, dat de aarde
slechts matig vochtig blijft en dat zij des winters geheel opdroogt. De
verdere zorg bestaat in het behoorlijk zindelijk houden der planten en
ruiten, in op tijd luchten en schermen. In den regel behoeven slechts
de vochtige terrariums geschermd te worden; het best doet men dit,
door een raam te laten maken, dat er precies op past, dit met linnen
te laten bespijkeren en het er, zoo noodig, op te leggen.
Wanneer men de planten werkelijk mooi in een terrarium wil zien
ontwikkelen, dan moet men er geen dieren in houden. De reptiliën en
amphibieën, die men in het terrarium kan houden, brengen er wel een
eigenaardig leven aan en maken het interessanter, maar zij beschadigen
den plantengroei eendeels door het afvreten der jonge scheuten, en
anderdeels door hun wroeten in den bodem; ook kan het gewicht van
hun lichaam veel kwaad doen, wanneer zij over bladeren of takken
kruipen. Heeft men een droog terrarium met Cactussen beplant, dan
kan men daarin gerust ook dieren houden, daar de dorens haar voor
afvreten voldoende beschermen.