IV. KALENDER DER MAANDELIJKSCHE WERKZAAMHEDEN.

Januari.

De maand Januari is voor de Kamerplanten nog een zeer slechte

maand. Wel beginnen de dagen reeds een weinig langer te worden en

breekt de zon reeds nu en dan door de wolken, maar het kan nog zeer

koud zijn en wij moeten er dus op letten, dat de vertrekken, waarin

wij planten kweeken, behoorlijk verwarmd worden. Is het zeer koud,

dan moet men, wanneer in de kamers geen vulreguleerkachels staan,

de kachels des avonds laat nog eens goed laten doorbranden, daar

de temperatuur des nachts wel wat lager mag zijn dan overdag, maar

dit verschil toch niet al te groot moet wezen. Ook moet men des

avonds de planten van het venster verwijderen en ze verder in de

kamer zetten. In koude nachten heerscht er bij de vensters altijd

een zeer lage temperatuur; de warmtegraad daalt er aanmerkelijk,

somtijds zóó sterk, dat de aarde in de potten bevriest en de teere

planten doodgaan. De Primula's, die op de vensterbank of tusschen de

dubbele ramen staan, kunnen, wanneer zij overdag niet in de zon staan,

wel eenige graden vorst verdragen, maar men doet toch beter ze in de

kamer te zetten, daar door het bevriezen de potten wel eens kunnen

springen. Heeft men in Januari zachte dagen, dan moeten de kamers

gelucht worden, waartoe men de teere planten eerst in een ander

vertrek zet. Bijzonder voorzichtig moet men gedurende deze maand met

het gieten zijn. Met uitzondering van eenige winterbloeisters en de

in bloei getrokken planten, bevinden zich alle kamerplanten nog in

haar rustperiode. De rustende planten moeten eer droog dan vochtig

gehouden worden, maar men mag ze niet geheel laten uitdrogen, met

uitzondering van de Cactussen en andere vetplanten, die men kurkdroog

kan laten worden. Er wordt dus in het algemeen slechts weinig gegoten;

wanneer men echter giet, moet men goed gieten, d.w.z. zóó dat het

water goed door de geheele kluit heendringt en ten slotte door het

drainage-gaatje wegloopt. Men moet nooit met versch, koud water,

doch altijd met lauw water gieten. De potplanten moet men goed

zindelijk houden, doode twijgjes en verrotte of verdroogde bladeren

moeten steeds tijdig afgesneden worden. Zeer licht ontwikkelen zich,

wanneer men daarop niet let, verschillende ongedierten, of wel, er zet

zich op de bladplanten een laagje stof af. Beide moet men voorkomen,

door iedere week de bladeren aan de boven- en onderzijde met een

spons en lauw water goed af te wasschen. Krijgt het ongedierte toch de

overhand, dan moet men die middelen toepassen, welke in het hoofdstuk

"De vijanden der Kamerplanten" zijn opgegeven, ten einde ze zoodoende

met vrucht te kunnen bestreden. Men moet gedurende deze maand de

hardere planten, die in den kelder overwinteren, niet vergeten, en er

op letten, dat zij nòch verdrogen, nòch bevriezen. Heerscht er zacht

weer, dan moet de kelder, door het openzetten van het keldervenster,

gelucht worden. Heeft men rustende bollen of knollen, dan ziet men

die van tijd tot tijd na en vertoonen zij rotplekken, zoo worden die

dadelijk weggesneden en de wonden met houtskoolpoeder bestrooid.

Het forceeren der planten is nu in vollen gang. In de warme kamer

trekt men Hyacinten, Tulpen, Lelietjes der dalen. Al deze planten

moeten gelijkmatig vochtig gehouden en slechts met lauw water begoten

worden. Ook moet men goed letten op de tusschen de dubbele vensters

staande Hyacinten op glazen; heerscht er langdurige vorst, dan doet

men beter ze in een verwarmde kamer te zetten, daar zij anders licht

zouden bevriezen en daardoor bederven.

Februari.

Gedurende deze maand kunnen de kamerplanten voor het meerendeel nog

behandeld worden zooals voor Januari is opgegeven. Meestal heerscht er

ook nu nog strenge vorst, de tuin ligt nog onder de sneeuw bedolven

en de ruiten zijn vaak nog met ijsbloemen beschilderd. De zon begint

echter langzamerhand meer te schijnen, zij krijgt meer kracht en de

temperatuur stijgt dan ook gedurende de middaguren aanmerkelijk. Bij

de kamerplanten begint het langzamerhand reeds lente te worden,

voor het venster bloeien talrijke geforceerde bolgewassen en in de

bladplanten begint wat leven te komen. Vooral moet men letten op de

harde planten, die in een koude kamer overwinteren. Deze hebben toch

neiging om zwakke, kleurlooze scheuten te vormen en daarom moet de

groei zooveel mogelijk tegengehouden worden. Het vertrek, waarin zij

staan, moet zeer koel, doch vorstvrij gehouden en van nu af aan zoo

dikwijls en zoo rijkelijk mogelijk gelucht worden. De bladplanten,

die in de woonkamer staan, kunnen in deze maand langzamerhand aan den

groei gebracht worden, waartoe men ze wat meer begiet, en bij helder,

zonnig weer nu en dan bespuit. Palmen, grootbladerige bladplanten en

Varens kunnen tegen het eind van deze maand reeds verplant worden,

doch men moet dan, totdat zij weder vaststaan, zeer voorzichtig met

het begieten zijn. Verscheidene bol- en knolgewassen, zooals Liliums,

Canna's en Gesneriaceeën, kunnen reeds opgepot en langzaam aan den

groei gebracht worden. Met het voortkweeken kan men langzamerhand

beginnen. Men zaait nu de zaden van Palmen en Bananen, verder die,

welke langzaam kiemen, zooals die van Acacia's, Canna's, Mimosa's en

ook de zeer fijne zaden waaruit zich slechts langzaam groote planten

ontwikkelen, zooals die van Gesneriaceeën en Begonia's. Ook wordt

het tijd de sporen van Varens uit te zaaien. De noodige aanwijzingen

daartoe vindt men in de hoofdstukken "Het zaaien en uitplanten" en "De

kunstmatige of ongeslachtelijke voortkweeking van Kamerplanten." Over

het vrij moeilijke uitzaaien der Varensporen vindt men de noodige

gegevens in het hoofdstuk "De Varens." De potten met uitgebloeide

bolgewassen worden koel gezet, men geeft dezen laatsten allengs

minder water, ten einde ze te laten opdrogen. De bollen, die reeds

geheel rusten, worden uit de potten genomen, schoongemaakt en droog

weggeborgen. Uitgebloeide Cineraria's, Primula's en Convallaria's

hebben geen waarde meer en kunnen dus weggeworpen worden. De

geforceerde planten staan nu in vollen bloei. Alle, besproken planten

kunnen in deze maand geforceerd worden; men moet er echter om denken,

die, welke geen hooge temperatuur kunnen verdragen, slechts voor het

zonnige venster van een koel vertrek te zetten.

Maart.

De maand Maart is voor hem, die planten in de kamer kweekt, een echte

lentemaand, welke voortdurend werk geeft. Het verplanten, waarmede

men in de vorige maand begonnen is, wordt geregeld voortgezet en

zoo mogelijk beëindigd, zoodat nog in deze maand alle planten,

die er behoefte aan hadden, versche aarde verkrijgen. De zon, die

nu meer en meer kracht begint te krijgen, maakt een geregeld en zeer

oplettend gieten noodzakelijk; ook moeten, bij helder weer, de in warme

vertrekken staande planten een paar keer per dag met den rafraîchisseur

bespoten worden. De koele vertrekken moeten van nu af, bijna dagelijks,

gelucht worden, ten einde de daarin staande harde planten zooveel

mogelijk terug te houden. Wanneer deze, om een regelmatiger vorm te

verkrijgen, ingesneden moeten worden, moet men dit nu doen, voordat

de nieuwe groei begint. Een uitzondering hierop maken de Acacia's en

andere bloemplanten, die nu met knoppen bezet zijn; deze toch mogen

eerst na den bloei ingesneden worden. De potplanten, die haar blad

laten vallen en die men in den herfst in den kelder heeft gezet,

zooals Hortensia's, Fuchsia's, Rozen, enz. worden in de eerste dagen

van deze maand voor den dag gehaald, verplant, ingesneden en voor

het zonnige venster aan den groei gebracht. Zooals reeds gezegd is,

mogen de Hortensia's, wil men mooie bloemschermen verkrijgen, niet

ingesneden worden. Deze planten moeten meermalen bespoten worden,

ten einde te voorkomen, dat er zich ongedierte op nestelt. De jonge

scheuten, die nu verschijnen, kan men ook zeer goed als stekken

gebruiken. Alle gedurende den herfst rustende bol- en knolgewassen,

die nog niet opgeplant zijn, moeten thans aan den groei gebracht

worden. De uitgebloeide Cyclamen gaat men droger houden, opdat zij

langzamerhand haar bladeren verliezen. De rusttijd van dit knolgewas

duurt tot midden in den zomer; het is echter geen volmaakte rusttijd,

daar de wortels in het leven blijven; vandaar dat men de knollen niet

uit den pot moet nemen en ze ook niet geheel moet laten uitdrogen. De

reeds aan den groei gebrachte bol- en knolgewassen worden, zoo noodig,

verplant en de bewortelde stekken opgepot, terwijl de zaailingen

gerepikeerd worden. Deze maand is ook nog zeer geschikt om zaden te

zaaien of stekken te steken. De planten, die warm en licht staan,

niet verplant zijn, en sterk groeien, kan men reeds nu en dan een

weinig gieren. Heeft men in bloei getrokken planten, die uitgebloeid

zijn, dan behandelt men die op de wijze, welke in het desbetreffende

hoofdstuk is opgegeven. Al de vermelde bol- en knolgewassen, staan

thans in bloei; men moet er echter op letten, dat zij tijdig geschermd

worden, daar zij anders veel te snel uitbloeien. Tusschen de dubbele

vensters bloeien nu ook de Hyacinten op glazen, die bij zonnig weer

zooveel water noodig hebben, dat zij wekelijks bijgevuld moeten worden.

April.

Daar de zon in deze maand reeds veel meer kracht begint te krijgen,

moet men er door flink luchten op passen, dat de temperatuur in de

kamers, waarin, wanneer het donker weer is, nu en dan nog gestookt

moet woeden, niet al te veel stijgt. Wanneer de zon helder schijnt,

moeten de planten in het kamerkasje, en ook die, welke voor het venster

staan, geschermd worden. Door de enkele warme dagen mag men zich

niet laten verleiden, de potplanten reeds buiten te zetten. Het weer

toch is in deze maand nog zeer ongestadig en de planten, in gesloten

vertrekken eenigszins gevoelig geworden, kunnen zeer licht het offer

worden van plotseling invallende koude. Anders is het met de harde

planten, die eenige graden vorst kunnen verdragen en in den kelder

werden overwinterd. Deze, zooals Granaten, Laurieren, Oranjeboomen,

Phormiums en anderen, kunnen tegen het midden van de maand op het

balkon of in den tuin gezet worden. De planten, welke in een koude

kamer hebben overwinterd, worden door herhaaldelijk luchten zoodanig

gehard, dat zij tegen het eind van deze maand naar buiten kunnen

gebracht worden. Wordt het weer nog plotseling koud, dan kan men

ze op zij leggen en met een tapijt of eenige doeken overdekken. Het

voortkweeken langs geslachtelijken en ongeslachtelijken weg kan ook

nog in deze maand geschieden. De plantjes, die de vorige maand gezaaid

zijn, zullen wel reeds zóó groot wezen, dat zij afzonderlijk in potjes

kunnen worden uitgeplant. Heeft men zaailingen of stekplantjes van

bossig groeiende planten, en willen zij zich niet vertakken, dan moet

men ze in deze maand den kop afsnijden. Kweekt men voor de versiering

van het balkon klimplanten of éénjarige bloemplanten, zoo moet men die

in het begin van deze maand zaaien; de snelgroeiende zaailingen worden

dan gerepikeerd, of ook wel dadelijk in potjes uitgeplant. Deze jonge

plantjes moeten zonnig gehouden en tijdig aan de buitenlucht gewend

worden, opdat men ze reeds in de volgende maand voor de beplanting der

bakjes moet kunnen gebruiken. In deze maand kan men ook beginnen met

het in orde brengen der aquariums of terrariums. Daar nu in den tuin

reeds vele voorjaarsbloemen bloeien, scheidt men met het forceeren

uit. De uitgebloeide bollen en knollen worden na het afsterven uit

den grond genomen, in de lucht gedroogd en goed droog opgeborgen.

Mei.

Pas in deze maand begint men meer gestadig warm weer te krijgen, maar

niet zelden heeft men in de eerste helft nog last van nachtvorsten,

zoodat alleen de hardere planten buiten mogen gezet worden. Men

behandelt deze op de wijze zooals aangegeven is in het hoofdstuk:

"De Kamerplanten gedurende den zomer." De teedere potgewassen, die

nòch nachtvorst, nòch kouden regen kunnen verdragen, mogen niet vóór

de tweede helft van deze maand buiten gezet worden. Fijnere Palmen,

teere Varens, en warme bladplanten blijven gedurende den geheelen

zomer in de kamer; men moet ze nu echter in een vertrek zetten,

dat veel gelucht kan worden en waar men ze behoorlijk tegen de zon

kan beschermen. Als regel kan men aannemen, dat vóór Pinksteren de

bloemrekjes buiten voor het venster in orde gemaakt en de beplanting

der balkonbakjes uitgevoerd moet worden. In de eerste afdeeling van

dit boek wordt uitvoerig beschreven, hoe een en ander moet worden

uitgevoerd. Wanneer men Primula chinensis voor winterbloei wil kweeken,

dan moeten die nu gezaaid worden. Heeft men bloeiende potplanten,

dan bindt men die behoorlijk op; uitgebloeide moeten, wanneer dit

noodig blijkt, ingesneden worden. De potten moeten steeds zindelijk

gehouden en het opkomende onkruid er tijdig van verwijderd worden. Al

de potplanten moeten gedurende deze maand geregeld begoten worden

en heerscht er zeer warm weer, dan moet men dit twee keer per dag,

des morgens en des avonds, doen. Een herhaald bespuiten der planten

is dan ook hoog noodig.

Juni.

In deze maand is de kamer, waarin men de planten kweekt, betrekkelijk

leeg, de meeste hebben een plaats gevonden op de plantenrekjes

of op de balkons. Van de talrijke teedere planten, die men tot nu

toe in de kamer hield, zooals Palmen en Varens, kunnen er in deze

maand nog verscheidene buiten gezet worden. Den Palmen moet men,

na ze behoorlijk gehard te hebben, een half beschaduwde plaats in

den tuin geven, en de Varens houden het, wanneer men ze onder boomen

zet en herhaaldelijk bespuit, buiten zeer goed uit. Kan men niet over

een tuin beschikken, dan doet men beter deze planten in de kamer te

houden, daar plaatsing op een plantenrekje of balkon minder wenschelijk

is. De meeste Cactussen en Succulenten staan in dezen tijd ook beter

buiten dan in de kamer, men kan ze gerust in de volle zon zetten;

vooral voor de versiering van rotspartijtjes laten zij zich zeer goed

gebruiken. Heeft men goed bewortelde potplanten, dan behoeft men in

deze maand niet zuinig te zijn met gier. Snel groeiende planten, die

men in Maart verpot heeft, zullen nu reeds weder doorgeworteld zijn

en is dit het geval, dan kan men ze nog eens verpotten. Heeft men nog

geen Primula's gezaaid, dan kan men het in het begin van deze maand

nog doen; ook met het uitzaaien van Cineraria's en Muurbloemen moet

men niet langer wachten. Het wordt in Juni ook tijd om de stekken te

snijden van de harde planten, die men wil vermenigvuldigen.

Juli.

In deze maand kan men wel aannemen, dat de meeste bloemtafels leeg

zijn, daar de kamerplanten, zooveel mogelijk, buiten zijn gezet. De

plantjes, die men in de vorige maanden door zaden of stekken

vermenigvuldigd heeft, en die men goed op tijd moet repikeeren

en oppotten, zet men nu het best op de vensterbank, waar men ze,

zoo noodig, tegen de zon moet kunnen schermen. In het begin van deze

maand kan men de zomerstekken snijden van Pelargoniums, die dan zonder

veel moeite wortel maken en nog rijk kunnen bloeien. Voor het stekken

van Rozen is het ook nu de beste tijd. Deze stekken wortelen pas na

vier tot zes weken; men moet ze onder glas steken, in de volle zon

zetten en zeer dikwijls bespuiten. Pelargonium-stekken daarentegen

worden niet gesloten gehouden, zij moeten echter ook een zonnige

plaats hebben, maar mogen slechts weinig bespoten worden. Wil men des

winters Reseda hebben, dan moet die nu gezaaid worden. De hoofdzaak,

waarop men gedurende deze maand te letten heeft, is het herhaaldelijk

begieten en het, zoo noodig, bespuiten der planten.

Augustus.

Ook in deze maand heeft men in de kamer nog niet veel aan de planten

te doen, daar zij voor het meerendeel nog buiten staan. Vooral

moet gelet worden op de zaailingen van Primula's, Cineraria's en

Cyclamen, die herhaaldelijk verplant moeten worden. De in het voorjaar

gezaaide Gesneriaceeën en Begonia's beginnen nu ook langzamerhand te

bloeien. Heeft men oude knollen van Cyclamen, wier rusttijd nu over

is, dan moet men die verplanten en op de vensterbank zetten. Sterk

groeiende planten, zooals Chrysanthemums, moeten in deze maand voor de

laatste maal verpot worden. Ook wordt het nu tijd om Pelargoniums te

stekken, die vrij snel wortel maken, doch niet uitgeplant worden. Men

laat de stekken in de potten, waarin zij gestoken zijn, overwinteren,

om ze in het voorjaar uit te planten. Zoo behandeld, zullen zij reeds

vroeg in de lente bloeien. Van harde planten kan men deze maand nog

stekken sneden; heeft men er stekken van, die in de vorige maand

gestoken en nu beworteld zijn, dan kunnen deze in kleine potjes

uitgeplant worden. Kweekt men klimplanten, dan moet men zorgen,

dat zij geregeld aangebonden worden. Reeds beginnen er hier en daar

zaden te rijpen; deze worden afgeplukt, op een vel papier gedroogd,

in grauw-papieren zakken bewaard en in den winter schoongemaakt. Men

moet er om denken bij iedere zaadsoort den naam te voegen, daar men

ze later niet meer kan onderscheiden. Veel acht moet nog geslagen

worden op het gieten en spuiten, daar deze werkzaamheden ten zeerste

samenhangen met het weer. In deze maand ontvangt men de catalogi van

bolgewassen. Zoodra men die ontvangen heeft, doet men de bestelling,

om in de tweede helft der maand, op de opgegeven wijze, de vroegste

bol- en knolgewassen op te planten.

September.

Langzamerhand beginnen de planten weder in de kamer terug te komen. In

de eerste helft dezer maand toch worden de teerste potplanten, zooals

Palmen, Varens en andere bladplanten, die buiten stonden, weder in de

kamer gebracht. Voordat men ze binnenbrengt, moet de aarde van alle

onkruid gezuiverd, moeten de planten goed gewasschen en de potten

met een boenborstel goed afgeschrobd worden. De planten, die men

nog voorloopig buiten laat staan en die gevoelig zijn voor vocht,

moet men zóó plaatsen, dat zij tegen de overvloedige regens beschut

zijn. Heeft men potgewassen in den vollen grond uitgeplant gehad, dan

moeten die tijdig en voorzichtig weder in potten gezet worden. Bol-

en knolgewassen, die volgroeid zijn en beginnen af te sterven,

moeten langzamerhand minder begoten worden, en ook Camellia's en

Azalea's, die knop gezet hebben, moet men wat minder water geven. In

de kweekerijen vindt men om dezen tijd een grooten voorraad van

kamerplanten voorhanden, zoodat men nu zeer goed de noodige soorten,

vooral de winterbloeisters, kan koopen. De maand September is ook

de meest geschikte om bol- en knolgewassen, die men forceeren wil,

op te planten.

October.

In de maand October krijgt men weer heel wat te doen. Reeds in de

eerste dagen van deze maand moeten alle planten, die nog buiten

staan, met uitzondering van enkele zeer harde, haar winterkwartieren

betrekken. Alvorens dit te doen moeten de planten en potten goed

schoongemaakt en de eersten behoorlijk opgebonden worden. Heeft

men planten, die gedurende den zomer ziek geworden zijn, dan doet

men het best die weg te werpen, daar zij toch den winter niet

goed doorkomen. Zoolang het weer nog niet koud wordt, moet men de

vertrekken, waarin de planten staan, behoorlijk luchten. Bij het

binnenzetten der planten moet men er vooral op letten, dat zij licht

staan en elkander niet, of zoo weinig mogelijk, raken. De planten,

die weinig warmte behoeven, worden in een koele kamer gebracht, waar

slechts in uitersten nood gestookt wordt. Heeft men grootere harde

planten, die zonder schade een paar graden vorst kunnen verdragen,

in kuipen staan, dan laat men die tot het eind van deze maand buiten,

waarna zij in de gang of in een luchtigen kelder gezet worden. Heeft

men geen ruimte genoeg om deze planten behoorlijk te bergen, dan geeft

men ze aan een vertrouwden kweeker om te bewaren. Bol- en knolgewassen,

die afgestorven zijn, worden uit de potten genomen en schoongemaakt,

om ze droog te bewaren. Indien de Fuchsia's, Hortensia's en Rozen

haar bladeren reeds verloren hebben, dan kunnen zij in een vorstvrijen

kelder opgeborgen worden. Kleinere Cactussen en Succulenten, waarvoor

men geen voldoende ruimte heeft, kunnen met de potten in kistjes met

droog zand worden ingegraven, welke men dan ter overwintering boven

op een kast kan zetten in een koele, doch vorstvrije kamer. Planten,

die om dezen tijd bloeien, moeten zoo licht en zonnig mogelijk gezet

worden. Ook bol- of knolgewassen, die men forceeren wil, kunnen nog

geplant worden. Voor het op glazen zetten van Hyacinten is October

ook een zeer geschikte maand.

November.

Het sombere weer, dat meestal gedurende deze maand heerscht, is voor

de kamerplanten niet zeer gunstig, daar het licht rotting veroorzaakt,

wanneer men met gieten niet zeer oppast. Vooral met de knollen der

Cyclamen moet men zeer voorzichtig zijn en er voor zorgen, dat geen

gietwater in het hart der plant komt. De lucht wordt in de kamers,

waarin nu reeds geregeld gestookt wordt, zeer droog; het is daarom

nuttig de Palmen en andere bladplanten herhaaldelijk met een sponsje

en lauw water af te wasschen. Treedt er ongedierte op, dan moet men

dat zoo krachtig mogelijk bestrijden. De vertrekken, waarin de harde

planten staan, moeten met zacht weer gelucht worden. Het is zaak

zeer voorzichtig te zijn met gieten; men gebruikt daartoe slechts

water, dat de temperatuur heeft van het vertrek, waarin de planten

staan, en den planten, die rusten, mag men vooral niet te veel water

geven. Herfstbloeisters, die uitgebloeid zijn, zooals Bouvardia's en

Chrysanthemums, moeten ingesneden en in den kelder gezet worden. De

bolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, bedekt men met flinke

laag blad, ten einde ze voor de vorst te beschermen. Met het forceeren

kan men beginnen, waartoe de Romeinsche Hyacint en de roode en gele

Duc-van-Thol het eerst aan de beurt zijn. Heeft men Hyacinten op

glazen tusschen de dubbele vensters staan, dan moet men die, bij het

intreden van strengere vorst, in de kamer zetten.

December.

Ook voor deze maand gelden de bovenstaande raadgevingen. Men moet er

op letten, dat de planten in de warmere kamer, zoo ver mogelijk van

de kachel verwijderd en zoo dicht mogelijk bij de vensters staan. De

planten, in de koude kamers, veroorzaken al heel weinig moeite;

toch moet in die kamers nu en dan gestookt worden, eerstens om het

indringen van de vorst te beletten en ten tweede om de lucht een weinig

te laten opdrogen. Die, welke in den kelder overwinteren, moeten ook

nu en dan nagezien en begoten worden, ten einde te beletten, dat zij

uitdrogen, waardoor de bast rimpelig wordt, en de plant doodgaat. Bijna

al de potgewassen bevinden zich thans in hun rustperiode. De bol-

en knolgewassen, die men buiten heeft ondergegraven, kunnen licht te

ver uitgroeien; zij moeten op een zachten dag uit den grond genomen

en in de kamer gezet worden, mits men ze nog niet direct in bloei

wil trekken, in welk geval men ze voorloopig in den kelder zet.

Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer · 第 24 / 25 题