is het de beste tijd om ze te verplanten; met die soorten echter,
welke dan juist knoppen of bloemen hebben, moet men wachten,
tot zij uitgebloeid zijn. Het is nòch noodig, nòch geraden de
Cactussen jaarlijks te verpotten; slechts voor jonge planten van
snel groeiende soorten kan dit wenschelijk zijn. Gewoonlijk is het
voldoende jonge planten om de twee en oudere om de drie of vier
jaar te verplanten. Beginnen zij er echter slecht uit te zien en
heeft men reden om dit aan de aarde toe te schrijven, dan mag met het
verplanten niet gedraald worden. De meest geschikte aarde bestaat uit
3 deelen ouden heidegrond, 2 deelen goed verteerden graszodengrond
en 1 deel scherp zand. Natuurlijk zijn er kweekers, die met een
ander grondmengsel ook zeer goede resultaten verkrijgen, wat niet te
verwonderen is, daar Cactussen in dit opzicht zeer gemakkelijk zijn,
en ieder, mits niet te licht, grondmengsel haar past. Vóór dat men ze
verplant, laat men de Cactussen goed opdrogen, opdat de oude aarde
gemakkelijk tusschen de wortels te verwijderen zij. De Cactussen
behooren tot die planten, welke niet veel wortels hebben, en dus
moeten alle gezonde wortels zooveel mogelijk gespaard worden. Wanneer
men de wortels verwondt of er aan snijdt, dan gaan zij licht tot
rotting over; derhalve moet het mes alleen gebruikt worden om zieke,
verdroogde of beschadigde wortels te verwijderen. Nadat men de oude
aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels heeft uitgeschud, zoekt men
een pot om haar in te planten. Gezond en krachtig groeiende planten
kan men potten geven, 3-4 cM. wijder dan die, waarin zij stonden;
zwakke en wortelzieke worden echter gezet in hetzij even groote,
hetzij kleinere potten. Heeft men Cactussen, die zeer breed worden,
dan doet men het best ze in schalen te planten. Door het gebruik van
te groote potten heeft reeds menig liefhebber zijn planten ten gronde
gericht. Juist voor Cactussen met haar, in vergelijking met andere
planten, zwak wortelgestel, zijn te groote potten nadeelig; de wortels
kunnen niet in alle richtingen door de aarde heen, die daardoor niet
opdroogt, verzuurt en zoodoende ziekte van de plant veroorzaakt. De
potten moeten van een goede drainage voorzien worden; hierop legt men
wat grof sphagnum en daarop een laagje aarde. De plant wordt nu zóó
in den pot gehouden, dat zij een juiste houding heeft, waarop de pot
verder met aarde wordt aangevuld, die matig moet worden aangedrukt. Men
mag de Cactussen slechts zóó diep planten, dat de wortels juist met
aarde bedekt zijn. In tegenstelling met andere planten, mogen de
verpotte Cacteeën niet direct worden aangegoten; men laat ze eenige
dagen staan, om ze eerst daarna water te geven. Verplante Cactussen
moeten toch, voordat zij bewijzen van groei beginnen te geven, uiterst
matig begoten worden, dat men bij voorkeur op goed zonnige dagen doet.
De voortkweeking der Cactussen kan langs natuurlijken weg door zaaien
en langs kunstmatigen door stekken of veredelen geschieden. Over
het veredelen van deze planten is zeer uitvoerig in het hoofdstuk:
"De kunstmatige voortkweeking der kamerplanten" gesproken, waarnaar wij
meenen dan ook nu te kunnen verwijzen. De beste maand voor het kweeken
uit zaad is Maart of April. Men neemt potten van 8-10 cM. wijdte,
of, nog beter, kleine vlakke schalen; deze worden tot over de helft
met potscherven en stukjes houtskool gevuld. De beste aarde om er de
fijne, meestal zwarte zaden in te zaaien, is heideaarde, die vrij is
van rottende bestanddeelen, waarbij minstens een vijfde gedeelte fijn,
wit zand wordt gevoegd. Men vult den pot zóó ver met dit aardmengsel,
dat het 1 cM. beneden den rand blijft. De aarde wordt nu gelijkmatig,
doch niet te vast aangedrukt, waarop de zaden niet al te dik worden
uitgestrooid. Zeer kleine zaden worden natuurlijk niet, grootere
met een dun laagje zeer fijne aarde gedekt, daar de teere zaailingen
anders niet door de aardlaag kunnen heendringen en daardoor zouden
verstikken. De zaadpotten worden nu met den rafraîchisseur behoorlijk
bevochtigd, waarbij men er op moet passen, dat zij niet op hoopjes
spoelen, wat zeer gemakkelijk kan gebeuren. De aldus behandelde
zaadpotten worden nu met een glasplaat bedekt en voor een zonnig
venster gezet, daar de zonnewarmte een goeden invloed op de kieming
heeft. Om echter te sterk uitdrogen te voorkomen, legt men, zoolang de
zaden nog niet gekiemd zijn, een vel papier over de potten. Evenals bij
andere zaadpotten worden ook nu de glasplaten er dagelijks afgenomen
om afgedroogd te worden, waarbij men dan zoo noodig de aarde ook
een weinig kan bevochtigen. Jonge kiemplantjes vormen eerst twee
kiemblaadjes, waartusschen dan het kopje of bij blad-Cactussen het
blaadje zich ontwikkelt. Daar er tusschen de plantjes gemakkelijk mos
ontstaat, hetwelk het indringen van de lucht in de aarde belet en den
groei der zaailingen stuit, is het noodig, deze laatsten zoo spoedig
mogelijk te repikeeren. Voor dit repikeeren neemt men potten, die op
dezelfde wijze met aarde zijn gevuld als die, welke voor het zaaien
werden gebruikt. Daar de jonge kiemplantjes zeer teer en daardoor
lastig met de vingers te hanteeren zijn, gebruikt men, om ze uit
den pot te lichten, twee dunne, puntige houten stokjes, die men als
een schaar aan elkander gebonden heeft. Met een ander stokje wordt
een gaatje in de aarde gestoken, waarin het jonge plantje tot aan de
kiemblaadjes gelegd wordt. Bij deze bewerking moet men er op letten,
dat al de wortels rechtstandig in het gaatje komen. De onderlinge
afstand tusschen de gerepikeerde plantjes moet 2-2 1/2 cM. bedragen. De
zoo behandelde plantjes kunnen ongeveer 1 1/2 jaar rustig blijven
staan, waarna zij ieder afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot.
Fig. 185 toont een bakje met gerepikeerde Cactus-zaailingen, die sterk
genoeg zijn om afzonderlijk te worden opgepot. Het voortkweeken uit
zaden is tamelijk omslachtig en vereischt zeer veel zorg; besteedt
men er echter de noodige zorg aan, dan kan men steeds van een gunstig
resultaat zeker zijn. De jonge zaailingen worden in de vensterbank
verder gekweekt, waar zij in den beginne tegen te felle zon moeten
geschermd worden. In den zomer moet men ze rijkelijk begieten en
des winters mogen zij niet zoo droog gehouden worden als de oudere
planten, daar zij nog zeer teer zijn en gemakkelijk verschrompelen. Om
de jonge plantjes en ook zeer zwakke soorten te laten overwinteren,
zijn de kamerkasjes voor Cacteeën zeer aan te bevelen. Deze kasjes
zijn van losse plankjes voorzien, die men er, met de planten er op,
uit kan nemen. Naar onze afbeelding (Fig. 186) is zulk een kasje
gemakkelijk te maken, zij worden op een voetstuk voor het venster of,
wanneer zij zeer smal zijn, in de vensterbank gezet.
Een aardigheid, die nogal interessant is, is het zaaien van kleine,
fijne Cactussen in een medicijn-fleschje. In zulk een fleschje
brengt men een weinig aarde, maakt het voldoende vochtig, waarna
men er eenige zaadkorrels in werpt. Hierna doet men de kurk op het
fleschje, waarna het voor het venster gezet wordt. Daar geen vocht
uit het fleschje verdampen kan, kiemen de zaden er gemakkelijk in en
groeien zoo lang verder, totdat de aarde, waarin zij staan, volkomen
uitgeteerd is. Fig. 187 toont Cactussen, die in zulk een fleschje
gekweekt en ruim anderhalf jaar oud zijn.
De voortkweeking door stekken gaat veel gemakkelijker en veel
sneller. Het stekken van Cactussen gaat gemakkelijker dan bij andere
planten, omdat men zoo min aan de grootte als aan de snede der
stekken gebonden is. Heeft men kogelvormige Cactussen, die meestal
jonge scheutjes maken, dan worden deze eenvoudig van de oude plant
afgebroken. Bij de blad-Cactussen, neemt men enkele samenhangende
bladgeledingen. Men kan er echter ook één nemen en zelfs een stuk
van zulk een geleding zal nog goed groeien. Zuil-cactussen worden
eenvoudig in zooveel stukjes gesneden als men planten verlangt te
verkrijgen. De pas gesneden stekken mogen in geen geval direct in
den grond gezet worden, daar zij dan zeker gaan rotten; men moet er
dus voor zorgen, dit niet te doen, voordat de wond goed opgedroogd
is. Hiertoe legt men de stekken eenige dagen in de vensterbank, zoodat
de zon er op schijnen kan, en al liggen zij een paar dagen langer,
dan zal dit haar geen kwaad doen; ja, men kan zelfs Cactus-stekken,
die maanden droog gelegen hebben, nog met een vrij zeker resultaat
opplanten. Het best wortelen de stekken in goed uitgewasschen scherp
zand. Een schaal of plat kistje wordt, na van behoorlijke drainage
voorzien te zijn, met dit zand, wat niet te vochtig mag wezen, gevuld,
waarop men de stekken er in steekt. Men zorgt er voor, dat zij niet te
diep en ongeveer een vinger breedte van elkander verwijderd komen te
staan. Evenals bij de zaadpotten, is het voorzichtig, ook de stekpotten
met een stolp te bedekken, doch men behoeft ze niet voor de zon te
schermen; die mag er gerust op schijnen. Het zand in de stekpotten
moet tamelijk droog gehouden worden; geheel opdrogen mag het echter
niet. De stekken moeten niet te dikwijls bespoten worden en dan slechts
uitsluitend bij helder weer. Al naar het jaargetijde en de soorten,
gaat de beworteling sneller of langzamer; gewoonlijk duurt deze van
14 dagen tot 6 weken. De goed bewortelde stekken worden voorzichtig
uit de stekpotten genomen en in evenredig groote potten geplant,
waarop zij, nadat zij vast zijn gaan staan, als de andere Cacteeën
behandeld kunnen worden.
Wil men Cactussen met succes kweeken, dan moet men over een zeer
zonnig gelegen venster kunnen beschikken. Deze planten vormen, met
de overige Succulenten, die wij ook later nog zullen bespreken,
een hoogst interessante groep; het zijn bijna de eenige planten,
die zonder eenige bescherming voor een op het Zuiden gelegen venster
goed groeien en bloeien; er zijn toch slechts weinige soorten, die
geschermd willen worden. De hardste kunnen, zoodra er geen nachtvorst
meer te vreezen is, op een naar het Zuiden openliggende plek in den
tuin gebracht worden. Men kan hier de potten tot bijna aan den rand
ingraven, of wel, men gebruikt ze tot het versieren van rotsgroepjes.
Cactussen, die meer warmte noodig hebben en over het algemeen
teerder zijn, moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt
worden. Hiertoe behooren onder andere de Cereus grandiflorus en enkele
andere Cereus-soorten, de Echinocactus Echinocereus-, Pilocereus-
en Mamillaria-soorten. Wie over een warmen bak kan beschikken, zal
zeer goed doen ze des zomers, wanneer het niet al te warm meer is,
daarin uit te planten, waarvan een zeer snelle groei het gevolg zal
zijn. Tot dit doel wordt de bak tijdig in het voorjaar met mest of
met blad aangelegd, en er, al naar de grootte der planten, een laag
aarde van 12-20 cM. dikte opgebracht. Daar de planten niet te ver van
de ramen mogen staan, gaat het niet aan, groote en kleine plantjes
onder hetzelfde raam uit te planten. Is de bak op een temperatuur
gekomen van 75°-80° Fahr. en dampt hij niet meer, dan kan men met het
uitplanten beginnen. Is het weer heel warm, dan kan men de uitgeplante
Cactussen een- of tweemaal besproeien en de ramen op lucht zetten;
slechts de schaduwminnende soorten moeten dan geschermd worden. Men
moet er op letten, dat de aarde niet te veel uitdroogt. Tegen half
September worden de uitgeplante Cactussen weer in potten gezet, en
spoedig daarop kunnen zij haar winterkwartier betrekken. Een bezwaar
is het, dat de planten in het najaar moeten gestoord worden, om ze in
potten te zetten, daar het wel wil voorkomen, dat zij dan niet meer aan
den groei gaan. Dit is de oorzaak, dat veel kweekers hun Cactussen in
de potten laten staan en ze zoo, in den bak ingraven. Zij groeien dan
wel niet zoo snel, doch behoeven in het najaar niet gestoord te worden.
Het gewichtigste bij het kweeken van Cactussen is het juiste
gieten. Hier hangt het gieten toch niet uitsluitend van het jaargetijde
en de groeiperiode af, doch men moet ook rekening houden met de
levensvoorwaarden en den gezondheidstoestand der planten. Is het donker
en kil weer, dan mag men in het geheel niet gieten, terwijl bij helder,
warm weder regelmatig gieten een vereischte is. Van groot belang is
bij de Cactus-cultuur ook het besproeien, dat men zeer goed kan doen
met een zeer fijnen broesgieter. Op avonden na heete dagen moet men
ze ook matig besproeien.
Tegen het einde van September, en bij ongunstig weder nog vroeger, moet
men de Cactussen in de winterkwartieren brengen. De overwintering is,
vooral wanneer zij des zomers buiten gehard zijn, niet zeer lastig. De
teerdere soorten zet men in de woonkamer, de hardere daarentegen in een
achterkamer, die slechts bij intredende vorst gestookt wordt; in geval
van nood kan men echter zelfs de teerste soorten in een vertrek met
een temperatuur van 45°-50° Fahr. laten overwinteren. Het is bijna,
ongelooflijk wat Cactussen, die des zomers goed behandeld zijn, des
winters kunnen verdragen, en met welk een lage temperatuur zelfs de
tropische soorten zich tevreden stellen. Heeft men slechts een koude
kamer voor de overwintering beschikbaar, dan is het voorzichtig de
planten zoo hoog mogelijk te plaatsen, daar de bovenste luchtlagen in
zoo'n vertrek altijd iets warmer zijn de onderste. De fijnere soorten
zet men voor het venster, terwijl men de grovere gerust op een kast
of ergens anders kan laten overwinteren. Heeft een liefhebber des
winters slechts zeer weinig ruimte te zijner beschikking, dan kan hij
de sterkere soorten uit de potten nemen en ze dicht tegen elkander
in een kistje met zandige aarde zetten. Wanneer men de planten in
zulk een kistje slechts den ganschen winter droog laat staan, dan
veroorzaken zij niet de minste moeite. Ik ken een liefhebber, die op
deze wijze in een ongebruikte keuken een zeer groot aantal Cactussen
laat overwinteren. Tegen de wanden heeft hij houten rekken laten
aanbrengen, waar de met zijn Cactussen beplante kistjes des winters
op gezet worden. De ergste vijand gedurende den winter is vocht;
geeft men ze echter een droge standplaats, dan verdragen zij zeer veel.
Hoewel de meeste Cacteeën, evenals bijna alle Succulenten, het best
groeien in de volle zon, zijn zij daarvoor in het voorjaar, wanneer
men ze uit donkere plaatsen haalt, toch zeer gevoelig. Om deze reden
moet men ze dan in den beginne tegen de zon beschermen; langzamerhand
gewent men ze daaraan, zoodat zij die na een week of drie weder
goed kunnen verdragen. Verzuimt men deze voorzichtigheidsmaatregel,
dan zullen zij licht brandvlekken krijgen, die niet alleen de planten
zeer ontsieren, doch ook vaak de oorzaak van ziekte kunnen worden. Deze
ziekte, die roest genaamd wordt, is een der ergste, die bij Cactussen
voorkomt. De groote, bruine of gele vlekken, die zij veroorzaakt,
dringen hoe langer hoe dieper in het weefsel door, en zijn oorzaak,
dat de plant ten laatste sterft. Een andere, nog meer voorkomende
ziekte is de rotting, die echter maar al te dikwijls, vooral des
winters, door onvoorzichtig gieten veroorzaakt wordt. Men onderscheidt
wortel- en stengelrotting. De wortelrotting is niet zoo gevaarlijk;
bemerkt men deze, dan neemt men de aangetaste planten uit de potten,
snijdt de rotte wortels weg, plant ze in versche aarde op, en houdt ze
aanvankelijk droog. Heeft men stengelrotting, dan worden de aangetaste
plekken met een scherp mes weggesneden. Des winters, wanneer zulke
wonden slechts langzaam genezen, zet men de planten daarna zoo droog
mogelijk, om de wond te doen opdrogen; in den zomer is het voldoende
de wond met fijn houtskoolpoeder te bestrooien. Gevaarlijk is het,
wanneer de plant over haar geheel neiging tot rotting toont. Deze
ziekte ontstaat meestal aan den voet der plant, en breidt zich dan
naar boven uit, of zij ontstaat,--wat echter minder voorkomt--, in
den kop en trekt dan naar beneden. In het eerste geval kan men den
kop nog op een behoorlijken afstand van de aangetaste plek afsnijden
en dien als stek behandelen, gewoonlijk echter bemerkt men de ziekte
eerst wanneer het geheele weefsel aangetast en de plant dus verloren
is. Een andere ziekte bij Cactussen is de geelziekte; zij komt slechts
bij enkele geslachten voor (Epiphyllum, Cereus en Phyllocactus) en wel
hoofdzakelijk in den winter. Plotseling worden eenige deelen der plant
geel en sterven spoedig daarna af. Gewoonlijk treedt de geelziekte op
bij planten, die gebrek aan voedsel hebben of die in slechte aarde
staan; het beste middel er tegen is, de plant zoo spoedig mogelijk
in goede aarde te verpotten.
De Cactussen hebben ook talrijke vijanden onder de insecten en
wel hoofdzakelijk in de blad- en schildluizen. Gewoonlijk zijn het
de laatsten, die zeer veel schade kunnen berokkenen. Een der beste
middelen om deze plagen te voorkomen, is het bij helder weder spuiten
en een zoo goed mogelijke behandeling der planten. Zijn deze eenmaal
door insecten aangetast, dan tracht men ze met een kwastje en lauw warm
zeepsop te verwijderen. Een nog zekerder middel tegen deze insecten is
een slappe oplossing van Nicotine-extract, dat in enkele apotheken wel
te verkrijgen is. Zijn de Cactussen door zoogenaamde witte smeerluis
aangetast, dan kan men die door spuiten gemakkelijk verwijderen. Zij
worden daartoe op een helderen dag buiten gezet en met het handspuitje
spuit men met kracht lauw water tusschen de dorens. De diertjes zullen
daardoor weggespoeld worden. Vallen zij op de aarde van den pot,
dan kunnen zij daar gemakkelijk van verwijderd worden. Een minder
schadelijke vijand der Cactussen is de Cactus- of Cochenille-luis
(Coccus cacti). Deze luis komt gewoonlijk voor op een Opuntia-soort
en wordt slechts zelden op andere geslachten aangetroffen. De roode
verfstof, onder den naam Cochenille bekend, bestaat uit niets anders
dan de fijn gewreven lichamen van deze luizen. In ons klimaat teelt
de Cochenille-luis zich slechts zeer langzaam voort, zoodat zij niet
tot de eigenlijke Cactus-vijanden kan gerekend worden. Deze en gene
liefhebber kweekt ze zelf wel als curiositeit op zijn planten.
Van het standpunt eens liefhebbers kunnen de Cacteeën in twee
groote groepen verdeeld worden, namelijk die, welke hoofdzakelijk
om haar fraaie bloemen gekweekt worden, en die, welke men om haar
interessanten vorm of om de dorens verzamelt. Een absolute grens laat
zich echter tusschen beide groepen niet trekken, daar er veel fraai
bloeiende soorten zijn, die een zeer interessant voorkomen hebben,
terwijl enkele, wier vorm hoogst belangwekkend is, somtijds zeer
schoone bloemen voortbrengen. Het is aan geen twijfel onderhevig,
dat er in de familie der Cacteeën prachtig bloeiende soorten zijn;
zij hebben echter allen een gebrek, namelijk den korten duur. Door
elkander genomen, blijven de bloemen niet langer dan 2 à 3 dagen goed,
zelfs bij soorten, waar de knoppen maanden lang tijd hebben om zich
te ontwikkelen. Toch zijn er Cactussen met een zeer langen bloeitijd,
die veroorzaakt wordt doordat zij talrijke knoppen voortbrengen,
die na elkander tot ontwikkeling komen.
Epiphyllum truncatum (Fig. 188) is zeker wel een der meest
voorkomende en dankbaarste uit de groep der fraai bloeiende
Cactussen. Een bijzondere waarde heeft deze plant nog, wijl ze een
echte winterbloeister is. Haar fraai vermiljoenroode bloemen, met
purperen weerschijn, ontwikkelen zich gewoonlijk van Kerstmis af tot
aan de tweede helft van Februari. De Epiphyllum behoort in Brazilië
te huis, waar zij als een onechte parasiet tegen de boomen groeit,
dikwijls in gezelschap van Orchideeën. Zij groeit daar onder de
dichte bladerkroon en tusschen rottende plantenstoffen zeer welig;
bij wijze van uitzondering wordt zij ook wel tegen vochtige wanden
aangetroffen. De in den handel voorkomende Epiphyllums zijn voor
het meerendeel kroonboompjes; die door veredeling op kleine, slanke
stammetjes van andere Cactus-soorten meestal Peireskia's staan. Deze
stamboompjes bieden, met de afhangende twijgen, een fraaien aanblik,
vooral in den bloeitijd, wanneer de laatste stengelgeledingen met
bloemen of knoppen prijken. De uit stek gekweekte Epiphyllums zijn
fraaie, zeer dankbaar bloeiende hangplanten. In de kweekerijen vindt
men, tegenwoordig talrijke variëteiten, die verschillen door de kleur
der bloemen.
De Epiphyllums behooren tot die Cactussen, welke, in tegenstelling
met de meeste andere vertegenwoordigers van deze familie, een
humusrijke aarde, scherming tegen brandende zon, en vochtige lucht
verlangen. Gedurende den groei- en bloeitijd verlangen zij veel water;
ook kan men ze gedurende dien tijd nu en dan gieren.
De rusttijd begint bij de Epiphyllums na den bloei; hij duurt
gewoonlijk tot Mei en men moet dan zeer spaarzaam gieten. Heeft
men veredelde stamboompjes, dan kan zeer dikwijls de dunne stam de
zooveel zwaardere kroon niet dragen, waarom men moet zorgen, dat
hij behoorlijk ondersteund wordt. Een zeer goede wijze daartoe is de
volgende: Men steekt drie of vier stokjes in den pot, onder de kroon
brengt men een ring van dik ijzerdraad, die aan deze stokjes wordt
vastgebonden en waarop de twijgen van de kroon rusten, waardoor hij
voldoende steun verkrijgt en de stam geheel vrij kan blijven.
De Phyllocactussen doen als dankbare bloeisters voor de Epiphyllums
niet onder. Twee der hiertoe behoorende soorten, de Phyllocactus
Russellianus en de Ph. Gærtneri (Fig. 189), gelijken in voorkomen zeer
sterk op de Epiphyllums, maar de bloemen zijn regelmatiger gevormd. De
beide genoemde soorten bloeien eerst tegen het voorjaar, met roode
trechtervormige bloemen. De andere, tot dit geslacht behoorende
soorten hebben zeer groote bladachtige stengels en schoone bloemen;
deze laatste zijn wit, bieden verschillende nuanceeringen van rood of
zijn geelachtig. Somtijds bloeien deze bloemen slechts één nacht, dan
weder vier en twintig uur, terwijl zij bij andere soorten eenige dagen
duren. De middelmatig groote, welsmakende vruchten zijn besvormig en
karmijn- of steenrood. Deze bessen rijpen gewoonlijk na tien of twaalf
maanden en bevatten zwarte, talrijke zaden. De Phyllocactussen worden
nooit door veredeling voortgekweekt, daar de zaden zeer gemakkelijk
opkomen en in korten tijd tot mooie bloeibare planten opgroeien. Ook
het voortkweeken van stek gaat zeer gemakkelijk, zoodat men dan
ook bij de liefhebbers steeds zelfgekweekte planten aantreft. De
Phyllocactussen groeien onder geheel dezelfde omstandigheden als de
Epiphyllums, zoodat zij op geheel dezelfde wijze moeten behandeld
worden. Er zijn zeer veel schoone soorten bekend en de kweekers
hebben door onderlinge kruising nog een aantal zeer fraaie hybriden
gewonnen. Een dergelijke hybride stelt Fig. 190 voor.
Het geslacht Cereus (Zuilcactus) is wellicht het interessantste
geslacht van de familie der Cacteeën. Zeer dikwijls toonen de soorten
onderling veel overeenkomst, dan weder een zeer groot verschil;
zij zijn geribd en vier- of meerhoekig; nu eens kruipend, dan weder
kogelvormig. De ribben of kanten zijn steeds nu eens met zwaardere,
dan weder met zwakkere dorens bezet. De bloemen verschijnen meestal
aan de oudere stengels, en slechts bij uitzondering aan de uiterste
spitsen. Zeer veel Cereus-soorten bloeien eerst op hoogen leeftijd,
anderen echter reeds als jonge planten. De nu eens witte, gele of
roode bloemen kunnen een lengte van 20 cM. bij een doorsnede van 30
cM. bereiken; zij behooren tot de fraaiste, maar, jammer genoeg,
ook tot de vergankelijkste bloemen in het plantenrijk. Van vele
Cereus-soorten ontluiken de bloemen des avonds, om den volgenden
morgen weder te verwelken; andere soorten houden het tot den middag
uit en de bloemen der soorten, die het langst bloeien, duren nooit
langer dan hoogstens drie dagen. De fraaie, eetbare vrucht bereikt
bij enkele soorten de afmeting van een appel; zij rijpt nu eens
na vijf of zes maanden, dikwijls echter pas in het jaar, volgende
op den bloei. De Cereus behoort in West-Indië, Mexico en Brazilië
te huis, waar zij aan de dorre landschappen een zeer eigenaardig
voorkomen geeft. De schoonste soort van dit geslacht is de Cereus
grandiflorus (Koningin van den nacht), Fig. 191. Haar bloemen kunnen
een doorsnede van ruim 25 cM. bereiken, en behooren met haar zuiver
witte bloembladeren, goudgele kelkbladeren en zeer fijnen vanielje-geur
tot de fraaiste aller bloemen; zelfs de schoonste Roos wordt door
dit prachtig natuurgewrocht in de schaduw gesteld. Jammer is het,
dat deze soort nogal behoefte heeft aan warmte, en al groeit zij bij
een goede behandeling ook in een kamer, in bloei komen zal zij daar
zelden of nooit. Van grooter waarde is voor den liefhebber de Cereus
nycticalus, die niet veel minder schoon bloeit dan de voorgaande soort,
doch met een reukelooze bloem. Deze soort is harder dan de voorgaande,
haar witte bloemen zijn grooter en verschijnen bij sterke planten
geregeld iederen zomer.
In den laatsten tijd zijn ook door kruising van beide genoemde soorten
met andere Cereussen schoone hybriden gewonnen, waaronder er zich
bevinden met groote, roode bloemen.
Een andere, onder de liefhebbers zeer verspreide soort, is de Cereus
speciosissimus, die reeds meer dan 100 jaar bekend is. Het is een zeer
fraai bloeiende soort. Zij heeft drie- of vierkantige, vrij sterk
gedoornde stengels, die men het best tegen een waaiervormig hekje
bindt. De werkelijk fraaie, schitterend roode bloemen verschijnen
gewoonlijk in vrij grooten getale gedurende den zomer en duren drie
of vier dagen. Hoe minder men deze soort verplant, hoe beter zij
bloeit; plant men haar in een grooten pot, dan groeit zij wel sterk,
doch bloeit weinig of niet. In den handel zijn veel variëteiten dezer
Cereus verspreid.
De Cereus flagelliformis (Slang-Cactus) is een mooie, reeds
verscheidene tientallen van jaren onder de Cactus-liefhebbers
verspreide soort, met kruipende of hangende stengels, die bezet zijn
met in stervormige bundeltjes vereenigde, bruingele dorens. De tot
8 cM. lange bloemen zijn purper-rozerood en de pas na een jaar rijp
wordende vruchten hebben eenigszins een pruimensmaak. De afbeelding
192 toont een monstrueuzenvorm dezer soort, de Cereus flagelliformis
cristatus, geënt op een Opuntia.
Onder de Zuilcactussen zijn er ook talrijke, die om haar eigenaardige,
fraaie gestalten of wel om de interessante kleur harer dorens
gekweekt worden; deze soorten bloeien echter slechts zelden. Eén
dezer, die dikwijls nogal van vorm verschilt, doch steeds een fraaie,
blauwachtige kleur heeft, de Cereus cyaneus, is voor liefhebbers wel
de meest aanbevelenswaardige.
Onder de Cactus-geslachten, waarbij zeer fraai bloeiende soorten worden
gevonden, kunnen wij nog aanbevelen het geslacht Echinopsis. De hiertoe
behoorende soorten hebben gewoonlijk een kogelvorm, die zich slechts
zelden verlengt; de planten nemen alsdan een eivormige gestalte aan. In
alle gevallen zijn zij veelzijdig en vaak zeer sterk met groote fraaie
dorens bezet. De lichtgroene zijscheuten, die bij oudere planten zeer
talrijk voorkomen, en ook de jonge zaailingen hebben in den beginne
een heel ander aanzien dan de gekarakteriseerde planten. De witte,
rose of roode bloemen verspreiden een heerlijken geur: zij hebben een
lange, trechtervormige bloemkroon. Bij enkele soorten blijven de fraaie
bloemen slechts één nacht, bij andere daarentegen verscheidene dagen
open. Daar de hiertoe behoorende soorten in den voorzomer bloeien,
dan zeer talrijke bloemen voortbrengen en de bloemknoppen dikwijls
vijf à zes maanden noodig hebben om tot ontwikkeling te komen,
gebeurt het vaak, dat men reeds in October of November de knoppen
ziet verschijnen. De snel rijp wordende vrucht is eivormig of rond
en heeft eenigszins het voorkomen van een walnoot. Van de vele,
tot dit geslacht behoorende soorten, zijn er twee hier afgebeeld, de
Echinopsis oxygona in Fig. 184 en de Echinopsis Eyriesii in Fig. 193.
Zeer dankbare, niet onaardig bloeiende planten levert ons het geslacht
Rhipsalis (Roede-Cactus) met vaak zeer dunne, ronde stengels. De
hiertoe behoorende soorten groeien in tropisch Amerika als onechte
parasieten op boomen, en zij houden dus van een tamelijk vochtige
lucht en een humusrijke aarde. Een soort met breedere stengels, die
des winters met licht-stroogele, welriekende bloemen bloeit, is de
Rhipsalis Houlletiana (Fig. 195), terwijl de Rhipsalis dissimilis
(Fig. 196), die ook des winters bloeit, roedevormige stengels heeft.
Onder de vertegenwoordigers der andere Cactus-geslachten worden
nog zeer schoon bloeiende soorten aangetroffen, maar aangezien deze
slechts zeldzaam bloeien, worden zij uitsluitend óf om haar interessant
uiterlijk, óf om haar fraaie dorens gekweekt.
Van deze verschillende Cactussen kunnen wij den liefhebbers zeer
aanbevelen de Echinocereus-soorten, waaronder fraai gedoornde en schoon
bloeiende en de Pilocereus-soorten, die somtijds lange haarvormige
dorens bezitten, zooals bijv. de Pilocereus senilis (Grijsaard), die
geheel met lange, witte dorens bedekt is en daardoor een eigenaardig
voorkomen heeft; ook de Pilocereus Houlleti is zeer fraai. Door haar
sterk gedoornd voorkomen munten uit de Echinocactus-soorten, waaronder
ook fraaie bloeisters worden aangetroffen. Door haar gele dorens is
vooral aanbevelenswaardig de Echinocactus Grusonii, waarvan Fig. 197
een jonge plant vertoont. Een zeer weinig gedoornde, doch met gele
bloemen zeer rijk bloeiende soort is de Echinocactus capricornis,
die met witte puntjes is overdekt.
De Optunia-soorten vormen vaak groote planten met zware, platte
stengelleden; zij bloeien wel fraai, doch tamelijk weinig en brengen
na den bloei eetbare, naar kruisbeien smakende vruchten voort. Op
onze plaat zijn drie soorten afgebeeld: de Opuntia maxima, de
O. senilis en de O. vaginosa. Zeer sierlijke, dikwijls gedrongen
groeiende soorten behooren tot het geslacht Mamillaria, waarvan
de meeste winterbloeisters zijn; enkele hebben eenigszins groote,
de meeste echter slechts kleine bloemen. Verschillende soorten van
dit geslacht zijn hier afgebeeld, namelijk: Mamillaria Celsiana,
M. Schiedeana en M. plumosa (Fig. 199), M. gracilis (Fig. 200) en
M. fuscata, deze laatste als jonge plant veredeld op een Cereus.
Zeer interessante Cactus-geslachten zijn nog Malococarpus, Astrophytum,
Anhalonium en Pelecyphora.
Deze laatste geslachten zijn echter slechts hun aan te bevelen,
die goed met plantencultuur vertrouwd zijn, daar zij lastig in de
cultuur zijn en maar al te vaak, vooral des winters, dood gaan.
Succulenten of Vetplanten.
(Uitgezonderd de Cactussen.)
De Vetplanten, zoowel de inheemsche als de tropische, behooren
tot de hardste en daardoor tot de meest geschikte planten voor
kamercultuur. De bladeren van de meeste tot deze groep behoorende
planten hebben een dikken cylindervorm, en slechts weinige
uitwasemingsorganen; zij zijn vaak bedekt met een wasachtige
afscheiding, en krijgen daardoor dikwijls in plaats van een groene
een blauwachtige, grijze of witte kleur. De geheele bouw van deze
dikbladige planten is er op ingericht, dat zij het hoofd kunnen bieden
aan een langdurige droogte, terwijl zij door overvloedig vocht zeer
gemakkelijk ten gronde gaan. Deze bouw is geheel in overeenstemming
met de dorre, meestal zandige streken, waar zij gevonden worden.
In de cultuur komen de uitheemsche Succulenten tamelijk wel met de
Cactussen overeen; over het algemeen zijn de eersten zelfs nog harder
en hebben zij nog minder behoefte aan warmte. Wil men Succulenten
met succes kweeken, dan heeft men een op het zuiden gelegen luchtige
kamer noodig, daar deze planten des zomers de volle zon en des winters
een zeer lichte standplaats verlangen; hebben zij zulk een standplaats
niet, dan worden zij gemakkelijk door rotziekte aangetast, waardoor zij
zeer licht verloren gaan. Gedurende den zomer moet men den Succulenten
een plaats geven in het bloemrekje voor het venster, op een zonnig
balkon of in den tuin, waar zij voor de beplanting van rotspartijen
en ook voor mozaïekvakken uitstekend gebruikt kunnen worden.
Gedurende den rusttijd, in den herfst en den winter, is het
noodzakelijk, dat de aarde zoo droog mogelijk gehouden wordt, mits men
er slechts voor zorgt, dat zij niet verdrogen en als gevolg daarvan
ineenschrompelen. In haar groeitijd echter moeten zij geregeld begoten
worden; men zorgt er dan voor, dat de aarde niet te droog wordt en
op bijzonder warme dagen is een besproeiing der bladeren des avonds
zeer bevorderlijk voor den groei.
Alle Succulenten moeten in een niet te vetten, kleiachtigen grond
geplant worden; deze grond moet geheel vrij zijn van rottende
bestanddeelen; het best groeien zij in een mengsel van gelijke deelen
oude heide- en broeiaarde, kleiaarde en scherp zand; beter is nog
de kleiachtige grond, die ontstaat bij het afbreken van oude huizen,
door het uit elkander vallen der verweerde steenen. Heeft men jonge
planten, dan moeten zij elk voorjaar verpot worden; oudere exemplaren
daarentegen kan men gerust twee of drie jaar in denzelfden pot laten
staan. De potten, die men gebruikt, moeten in verhouding tot de
plant tamelijk klein zijn, daar de Vetplanten slechts zeer zelden
veel wortels maken en bijna altijd langzaam groeien. Dit is ook de
reden, waarom men de potten van een zeer goede drainage moet voorzien,
opdat het overvloedige water gemakkelijk kan wegloopen, daar anders de
aarde zeer licht zou verzuren en de wortels daardoor zouden afsterven.
De Succulenten laten zich zeer gemakkelijk voortkweeken. Heeft
men soorten, die een wortelstok vormen, dan doet men dit bij het
verplanten door verdeeling daarvan; anderen kweeken bijna vanzelf
voort door wortelscheuten, die men slechts behoeft af te snijden en
op te planten; weer anderen laten zich door stekken vermenigvuldigen,
die juist als Cactus-stekken moeten behandeld worden. Eenige soorten
der Vetplanten, zooals bijv. de Echeveria's, laten zich gemakkelijk
voortkweeken door bladstekken. Hiertoe scheurt men voorzichtig een
blad van de plant en pot dit op, na verloop van korten tijd zal zich
dan een jong plantje aan de basis ontwikkelen.
Onder de Succulenten zijn als zeer harde en mooie kamerplanten enkele
Aloë-soorten zeer in trek. In sommige streken komen deze soorten onder
den naam van "Eksteroogen-planten" voor. Er wordt namelijk beweerd,
dat het bittere sap, dat uit enkele soorten gewonnen wordt, als een
uitnemend middel tegen eksteroogen wordt gebruikt. De tot dit geslacht
behoorende planten zijn meest zeer saprijk en week. De zeer fraai
gedoornde bladeren zijn nu eens éénkleurig, dan weder fraai bont of
ook wel dicht bezet met kleine getinte wratjes. Zeer fraai zijn ook
de meestal op lange bloemstengen verschijnende pijpvormige bloempjes,
die meestal rood of geel, nu en dan groenachtig zijn. Die soorten,
welke stengels vormen, laten zich des zomers gemakkelijk door stekken
voortkweeken; bij de overige geschiedt dit door wortelscheuten. Een
zeer schoone rozet-vormige soort is de Aloë longearistata met groene,
op de achterzijde en langs de randen met mooie dorens bezette
bladeren. De breedbladerige Aloë latifolia groeit struikachtig. De
breede bladeren, die aan de randen gedoornd zijn, zijn omgebogen,
hebben een groene grondkleur, die door talrijke lichte vlekken en
punten wordt afgewisseld. Goed gekweekte planten van deze soort bloeien
geregeld elken zomer. De bloemsteng wordt ongeveer 1/2 Meter lang,
groeit dagelijks ongeveer 4 cM. en is met mooie, geelachtige bloemen
rijk bezet. Een zeer mooie, kleine kamerplant is de Aloë variegata, met
spiraalvormige, rechtop staande, bonte bladeren. Ook de op onze plaat
afgebeelde Aloë arborescens is een mooie, dankbare kamerplant evenals
de Aloë saponaria, met lichtgroene, geelachtige, wit gevlekte bladeren.
Zeer schoone planten bevat ook het geslacht Gasteria. Deze soorten
kenmerken zich meestal door mooi gevlekte bladeren en roode of
groenachtige bloemen. De Gasteria acinacifolia heeft donkergroene
bladeren, waarvan de nerven met paarlachtige wratjes dicht bezet zijn;
ook de Gasteria pulchra, die men nogal eens aantreft, heeft witgevlekte
bladeren en heel aardige pijpvormige bloempjes.
Fraaie Succulenten zijn ook de verschillende in Mexico te huis
behoorende Echeveria's. De planten zijn voor het meerendeel zeer
sierlijk; zij hebben dikke, vleezige bladeren, die rozetvormig
gerangschikt zijn.
Tegenwoordig worden vele soorten van dit geslacht gekweekt om
gebruikt te worden bij het beplanten van rotspartijen en van
mozaïekvakken. Plant men ze echter in kleine potjes, dan maken zij
ook in de vensterbank een zeer aardig figuur. Van de verschillende
soorten van dit geslacht is de Echeveria Desmetiana, met haar
blauwgroene bladeren wel een van de fraaiste. Een zeer mooie
grootbladige soort is de Echeveria metallica, met betrekkelijk
dunne, naar boven omgebogen bladeren, die een metaalachtigen glans
hebben. Streng genomen is dit slechts een variëteit van de Echeveria
gibbiflora; zij vormt vrij groote rozetten en is in jongen toestand
het fraaist; van oudere, leelijk geworden planten snijdt men den kop
af, die daarna als stek wordt behandeld. De Echeveria discolor heeft
donkergroene bladeren en ontwikkelt gedurende den zomer talrijke,
wijd openstaande, oranje bloemen. De Echeveria agavoïdes vormt kleine,
witachtig groene bladrozetten en de Echeveria Scheideckeri is ook
een lieve, mooi bebladerde soort. Verscheidene Echeveria's zijn
uitstekende winterbloeisters zooals de Echeveria fulgens, met vuurroode
bloemen, de Echeveria mucronata, met schitterend roode bloemen en de
Echeveria rosea, met rozeroode bloemen. Ook de Echeveria retusa is een
winterbloeister bij uitnemendheid. Deze soorten hebben een vleezigen
stengel, met betrekkelijk kleine bladeren bezet die in een bloeiwijze
eindigt. Alle Echeveria's moeten vorstvrij en droog overwinteren;
die, welke gedurende den winter bloeien, verlangen gedurende dit
jaargetijde een lichte standplaats, zoo mogelijk voor een op het
Zuiden gelegen raam.
De vermenigvuldiging geschiedt zeer gemakkelijk door kleine
zijscheuten, die, in een potje gestoken, zeer vlug wortel maken,
wanneer men ze een zonnige plaats voor het venster geeft. Men kan ook,
zooals reeds gezegd, is, de bladeren voorzichtig afbreken en die als
stekken behandelen; er ontwikkelt zich dan aan den voet een knop,
die spoedig doorgroeit en een lief plantje vormt.
Veel gelijkenis met enkele Echeveria's hebben de Sempervivums
(Huislook), vooral in de groeiwijze. De saprijke bladeren der
Sempervivum-soorten zijn dun en groen, enkele soorten zijn voorzien
van zwarte spitsen, terwijl bij anderen de geheele plant met een wit
spinnewebachtig weefsel is overtrokken. Verscheidene Huislook-soorten
houden het hier te lande des winters buiten uit; deze worden dan ook
veel voor het begroeien van rotsen en het beplanten van mozaïek-vakken
gebruikt; ook zijn zij zeer geschikt voor de cultuur in kleine
potten. Het gewone Huislook wordt veel aangetroffen op oude muren
en daken. De oude Grieken noemden deze plant Aizoon, de Romeinen
sempervivum, welke beide namen beteekenen: "altijd levend" en welke
slaan op de eigenschap van deze planten, dat zij de grootste droogte
uitstekend kunnen verdragen. Bij de oude Germanen werd het Huislook
"Donnerbart" genoemd, wijl de rozeroode bloemen herinnerden aan den
baard van den Dondergod "Donar".
In de bloemen van deze plant zag men een bliksemafleider en daarom
vaardigde Karel de Groote een bevel uit, dat iedere boer het Huislook
op zijn erf moest hebben. Slechts goed volwassen Sempervivums zijn
bloeibaar; de bloemsteng ontwikkelt zich uit het hart der bladerrozet
en aan haar uiteinde vertakt zij zich meestal, welke zijtakjes dicht
bezet zijn met stervormige bloemen, die bij verschillende soorten
verschillende kleuren hebben. De uitgebloeide plant sterft; zij vormt
echter, voordat zij doodgaat, een groot aantal jonge uitloopers, die
spoedig tot gezonde planten doorgroeien. Een zeer interessante plant
is de Sempervivum arboreum; deze vormt een tot 2 Meter hoogen stam,
die spadelvormige bladeren draagt, welke boven aan den stam fraaie
rozetten vormen. De bloemen zijn zeer sierlijk en geheel geel. Van
deze soort bestaan vele variëteiten met geelbonte, rood gerande
en purperroode bladeren. Laatstgenoemde variëteit, de Sempervivum
atropurpureum, is op onze plaat afgebeeld.
Mooie Succulenten worden ook gevonden in het geslacht Sedum, waarvan
er ook eenigen hier te lande inheemsch zijn.
Reeds bij de Ouden waren deze planten bekend: zij gebruikten de fijn
gestampte, slijmige bladeren als geneesmiddel tegen wonden.
Zoo zou Telephos, de zoon van Hercules, van de wond, welke de speer
van Achilles hem toebracht, genezen zijn door de toepassing van de
gekneusde bladeren eener Sedum, die men later, naar een leiding
daarvan, den wetenschappelijken naam van Sedum Telephium heeft
gegeven. Een zeer fraaie soort is de grootbladige Sedum spectabile,
die volkomen winterhard is, en in den herfst tot aan den grond
afsterft. In de lente vertoonen zich dan kleine bladrozetten boven de
aarde, die spoedig doorgroeien en dan scheuten vormen met heldergroene
bladeren. Deze scheuten worden in den herfst gekroond met schermen van
kleine, rozeroode bloemen. Als bloeiende plant is de Sedum spectabile
zeer fraai en zij is dan ook uitstekend voor potcultuur.
Een zeer schoone soort van den lateren tijd is de Sedum sempervivoides,
afkomstig uit den Kaukasus. Deze soort is tweejarig en wordt uit zaden
voortgekweekt, die in het voorjaar in pannen met zandige aarde gezaaid
en in de kamer tot ontkiemen gebracht worden. De jonge plantjes moeten
spoedig in andere potten gerepikeerd en daarna afzonderlijk in potjes
uitgeplant worden.
Des zomers worden zij in het bloemenrekje gekweekt; daarna laat men
ze in een koele kamer overwinteren en den tweeden zomer zet men ze
weder buiten. Tegen het einde van dezen zomer zullen zij dan met
honderden rozeroode bloemen prijken.
Een half houtachtige, veel om haar bloemen gekweekt wordende Vetplant
is de Kalosanthes coccinea, ook wel Crassula coccinea genoemd. Deze
plant vormt des zomers aan de uiteinden van alle twijgen groote
schermen scharlakenroode bloemen, die, door de zon beschenen,
een schitterend effect maken. Niet minder schoone bloeisters zijn
de Rochea-soorten. Een dezer, de Rochea (Crassula) falcata, heeft
dikke, groote, sikkelvormige bladeren en vormt fraaie schermen van
vuurroode bloemen. Beide laatstgenoemde planten worden tegenwoordig
als marktplanten in grooten getale gekweekt.
Zeer fraaie Succulenten treft men ook aan in het geslacht Crassula
en eenige der hiertoe behoorende kunnen met zeer goed gevolg als
ampelplanten worden gebruikt o.a. de Crassula Cooperi en de Crassula
spathulata, die beiden zeer schoone bloemen voortbrengen. Een zeer
lief miniatuurplantje is de Crassula Bolusii, met, in den winter
verschijnende, zeer kleine, witachtige bloempjes en heel aardige,
bruin gevlekte bladeren.
Planten met zeer interessante en schoone, doch zeer onaangenaam
riekende bloemen zijn de Stapelia's. Er zijn zeer veel soorten van
bekend, met grootere of kleinere, meer of minder interessant gevormde
of geteekende bloemen. Onze afbeelding toont de Stapelia variegata,
die het meest wordt aangetroffen; zij heeft een zwavelgele, met fraaie,
bruine vlekken geteekende bloemkroon.
Interessante soorten omvat ook het geslacht Euphorbia (Wolfsmelk). De
familie der Euphorbiaceeën bevat ruim 3600 soorten van het meest
verschillende voorkomen. Veel meer dan tegenwoordig het geval is,
verdient o.m. de Euphorbia splendens gekweekt te worden. Deze,
en nog eenige andere soorten, bloeien een gedeelte van den winter;
zij verlangen een wintertemperatuur van 60° Fahr.
Interessante Vetplanten zijn ook nog de Kleinia's, waarvan een
fraaie soort, de Kleinia canescens, door Fig. 207 is afgebeeld;
de Mesembryanthemums, waaronder vele fraai bloeiende soorten, en
o.a. de IJsplant; de Mesembryanthemum cristallinum; de Haworthia's
met fraai geteekende bladeren en de Kalanchoë's, die, jammer genoeg,
in deze streken niet zeer dankbaar bloeien.
Wij voegen hieraan nu nog enkele planten toe, die gewoonlijk tot
de Vetplanten worden gerekend, hoewel zij, streng genomen, daartoe
niet behooren, maar toch bijna op dezelfde wijze gekweekt moeten
worden. Van de schoonste en interessantste dier planten noemen
wij in de eerste plaats de Agave's. Dit geslacht bevat meer dan
honderd verschillende soorten en variëteiten, die bijna alle een
verschillend voorkomen hebben. Haar vaderland is hoofdzakelijk Midden-
en Zuid-Amerika. Daar zijn de Agave's nutplanten van groot gewicht:
zij worden er gebruikt voor het maken van ondoordringbare heggen,
de gedroogde bladeren voor dakbedekking, de bladvezels worden tot
touw gesponnen en de punten der bladeren dienen als pennen. Het merg
van deze planten wordt gegeten, terwijl er ook een soort zeep uit
wordt bereid. Door het uitsneden der bloemsteng verzamelt zich in
de ontstane holte een groote hoeveelheid sap, dat, na gisting, een
bedwelmenden nationalen drank oplevert, de zoogenaamde "pulque". De
Agave's zijn stengellooze planten; de in scherpe punten uitloopende
bladeren zijn òf breed en dik en dan meestal langs de randen gewapend,
òf lang en smal, met ongewapende bladranden; steeds vormen zij echter
een rozet. Gewoonlijk worden de Agave's bestempeld met den naam van
"Honderdjarige Aloë". Deze dwaling as hierdoor ontstaan, omdat enkele
soorten sterk op Aloë's gelijken, en wijl het in den volksmond heet,
dat de plant slechts eens in de honderd jaar bloeit. Het zal wel
onnoodig zijn er op te wijzen, dat dit een dwaling is. Gewoonlijk
bloeien de Agave's pas als zij verscheidene jaren oud zijn, en in de
cultuur kan het voorkomen, dat een Agave americana 30 à 40 jaar oud is,
voordat zij bloeibaar wordt. Is de plant eenmaal bloeibaar geworden,
dan verheft zich uit haar hart de krachtige, houtachtige bloemsteng,
die een imposanten indruk maakt. Deze wordt toch ruim 6 Meter hoog
en neemt bij haar ontwikkeling, binnen 24 uren, 30-35 cM. in lengte
toe. Door haar vertakkingen, die horizontaal uitgespreid staan,
waarop weder de bloemen verticaal zijn geplaatst, gelijkt zij op
een reusachtige candelaber. Bij andere soorten is de bloemsteng niet
vertakt; hier heeft zij het voorkomen van een zeer groote bloemaar,
waarvan de bloemen dicht op elkander zitten. Zijn de vruchten eenmaal
tot rijpheid gekomen, dan sterft niet alleen de bloemsteng, maar ook de
geheele plant; er ontwikkelen zich dan echter tal van wortelscheuten,
die, afgesneden, weder tot nieuwe planten opgekweekt kunnen worden.
De Agave's leenen zich bij uitstek voor het beplanten van groote vazen,
die gedurende den zomer op balkons, hekingangen of zuilen worden gezet,
mits deze vazen van talrijke drainage-gaatjes zijn voorzien. Des
winters moeten zij in huis gezet, en kunnen dan gebruikt worden ter
versiering van vestibules. Ook als middenplanten voor mozaïek-vakken
of ter beplanting van rotspartijen zijn zij zeer geschikt.
Van de bekende Agave americana komen eenige bontbladige variëteiten
voor, die wel niet zoo groot worden als de typische soort, doch zeer
fraaie sierplanten zijn. Een zoodanige variëteit toont Fig. 208 in
de Agave americana aureo-marginata. Deze vorm heeft groene bladeren,
omzoomd met een breeden, gelen rand. Een zeer schoone soort is ook
de Agave Verschaffeltii; deze heeft een zeer gedrongen voorkomen en
betrekkelijk breede, sterk bewapende bladeren, die een blauw-grijze
kleur hebben. Een geheel andere groeiwijze heeft de Agave stricta,
met smalle, groene, zeer talrijke bladeren. Een der schoonste en
opmerkenswaardigste soorten is zeker wel de Agave Victoria-Reginæ. De
donkergroene, naar binnen omgebogen bladeren zijn met zuiver witte,
draadvormige strepen geteekend. Deze soort, die nog betrekkelijk
nieuw is, wordt niet groot, daar zij geen grooter diameter dan ±
50 cM. bereikt. De onvertakte bloemsteng daarentegen, die, wanneer de
plant goed doorgroeit, reeds na 6 à 8 jaar kan verschijnen, bereikt een
lengte van 3-4 Meter. Jammer is het, dat deze soort tamelijk duur is,
daar zij geen scheuten maakt en dus steeds uit zaden of ingevoerde
planten moet voortgekweekt worden. Bijna al de bekende Agave-soorten
moeten gedurende den winter zoo goed als geheel droog gehouden worden;
daarbij verlangen zij een zeer lichte plaats, in een vertrek met een
temperatuur van 40°-45° Fahr. Even weinig moeite vereischen ook de
soorten, die tot de geslachten Dyckia en Yucca behooren, welke planten
eenigszins de groeiwijze van een Dracæna hebben. De meest bekende
soort van het eerste geslacht is de Dyckia sulphurea; deze heeft
geelachtige bladeren en des zomers geeft zij chromaatgele bloemen,
die op lange bloemstengen verschijnen. Van het tweede geslacht
wordt vaak aangetroffen de Yucca aloëfolia fol. var., een plant
met lichtgroene bladeren, die geel en rood gerand zijn en die een
eigenaardig voorkomen aan de plant geven. Verscheidene Yucca-soorten,
zooals bijv. de Yucca gloriosa, munten ook uit door haar sierlijke,
groote, witte, klokvormige bloemen, die, op forsche bloemstengen,
midden in het hart der plant verschijnen. De Dyckia's en Yucca's
moeten des winters koel, doch niet geheel droog gehouden worden.
Bladplanten.
Onder bladplanten verstaat men die gewassen, welke hoofdzakelijk ter
wille van hun fraaie bladeren gekweekt worden. Natuurlijk geven ook de
bladplanten, eenige hiertoe gerekende Cryptogamen uitgesloten, min of
meer fraaie bloemen; eenige echter, zooals bijv. de Palmen, bloeien
hier te lande slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet, en bij
allen worden de bloemen door den fraaien bladertooi overschaduwd.
Struik- en boomachtige bladplanten voor koele vertrekken.
Aralia. De Aralia is een zeer dankbare en fraaie bladplant, die men
vaak in de kamer gekweekt aantreft. Het is vooral de Aralia (Fatsia)
japonica uit Japan, met groote, handvormige, glanzend groene bladeren,
die veelvuldig als kamerplant wordt gekweekt. Van deze soort bestaan
ook fraaie bontbladige variëteiten, die wel schooner, doch ook veel
duurder zijn, daar zij zich slechts door stekken laten voortkweeken,
die niet zeer gemakkelijk wortelen. Een andere zeer schoone soort,
die, jammer genoeg, tegenwoordig niet veel meer wordt aangetroffen, is
de Aralia papyrifera, met aan de onderzijde zilverwitte bladeren. Uit
het merg dezer plant wordt in China een soort papier vervaardigd. Er
bestaan nog verscheidene andere soorten van dit geslacht, die zeer
schoone kamerplanten zijn; zoo de Aralia Veitchii, met zeer smalle,
aan de randen gegolfde bladeren, en de Aralia Chabrieri, een zeer
elegante plant met fijne smalle bladeren. [2] Hoewel de Aralia's
veel gekweekt worden, treft men er toch slechts zelden werkelijk
schoone planten van aan. Over het algemeen worden zij veel te warm
gehouden; dit heeft tot gevolg, dat de oudste, dus onderste, bladeren
geel worden en afvallen, terwijl de andere bladeren slap neerhangen,
niettegenstaande zij horizontaal tegen den stengel moeten staan. Al de
genoemde soorten verlangen gedurende den winter een lichte standplaats
in een vertrek met een gemiddelde warmte van 40°-50° Fahr.; alleen de
beide laatstgenoemde soorten verdragen een hoogere temperatuur. De
bladeren moeten stofvrij en zindelijk gehouden en de planten mogen
gedurende den rusttijd slechts weinig begoten worden. Begint in het
voorjaar de nieuwe groeiperiode, dan moeten de Aralia's in goeden
grond, bestaande uit gelijke deelen blad- en broeiaarde, waaraan een
weinig graszodengrond wordt toegevoegd, verpot worden. Gedurende den
zomer worden de planten rijkelijk begoten en wortelen zij door, dan
kunnen zij nu en dan gegierd worden, terwijl zij, wanneer dit noodig
blijkt, nog eens verpot moeten worden. Van Mei tot tegen het einde
van September doet men het best de Aralia's op een half beschaduwde
plek in den tuin of op het balkon te zetten.
De Aralia japonica en Aralia papyrifera laten zich zeer gemakkelijk uit
zaden voortkweeken, die in zaagsel zeer goed kiemen. De bontbladige
soorten en die, waarvan geen zaden te verkrijgen zijn, worden in
de kweekerijen steeds door stekken vermenigvuldigd, die, zooals wij
reeds gezegd hebben, lang niet gemakkelijk wortelen.
Aucuba japonica. De Aucuba japonica is een zeer harde bladplant,
met ovale, groen met geel gevlekte bladeren. Deze plant is reeds
een paar eeuwen bekend; daar zij echter tweehuizig is en alleen de
vrouwelijke plant was ingevoerd, bracht zij eertijds geen vruchten
voort. Sinds de invoering, enkele tientallen van jaren geleden,
van een mannelijke plant, is men er pas in geslaagd haar met fraaie,
koraalroode bessen te kweeken. De Aucuba wordt echter hoofdzakelijk
om haar fraaie bladeren gekweekt, die, in de talrijke variëteiten,
telkens anders geteekend zijn. Zij is een zeer harde sierplant, die,
op niet te koude plaatsen, het hier te lande, in den vollen grond
uitgeplant, zeer goed uithoudt en dan ook geen hooge eischen stelt. Men
kan haar gedurende den winter in den kelder laten overwinteren,
hoewel zij gedurende dit jaargetijde ook zeer goed gebruikt kan
worden ter versiering van vestibules, trappenhuizen en onverwarmde
kamers. Des zomers verlangt zij een zonnige standplaats in den tuin
of op het balkon. Jonge planten moeten jaarlijks, oudere om de twee
of drie jaar verplant worden. Dit verplanten moet zeer voorzichtig
geschieden, daar de vleezige wortels zoo min mogelijk beschadigd
moeten worden; men gebruikt daartoe goede, middelmatig zware aarde
of veengrond, waaraan een weinig graszodengrond wordt toegevoegd. De
voortkweeking geschiedt in het voor- of het najaar door stekken,
die zeer gemakkelijk wortelen. Wordt de Aucuba in een gesloten
vertrek of wel te warm gehouden, dan wordt zij licht door insecten
(hoofdzakelijk schildluizen) aangetast; deze zijn door goed afwasschen
wel te verwijderen, maar zij richten toch altijd belangrijke schade
aan. Tot het verkrijgen van een flinke vertakking moeten de plantjes
herhaaldelijk ingesneden worden. Giert men de Aucuba's gedurende den
zomer enkele keeren, dan geven zij groote, fraai geteekende bladeren.
Coprosma Baueriana. Dit is een lieve halfheester, afkomstig uit
Nieuw-Zeeland, met rondachtige, glanzend witte of gele bladeren,
die aan de randen groen zijn, waardoor zij geheel het voorkomen van
een sierlijke bladplant verkrijgt. De Coprosma is zeer dankbaar;
zij stelt zich gedurende den winter tevreden met een temperatuur van
40°-50° Fahr.; zij groeit des zomers buiten in het bloemenrekje en
laat zich zeer gemakkelijk door stekken voortkweeken.
Heeft men krachtig groeiende planten, dan moeten zij in 't voorjaar
en in den zomer nogmaals verplant worden in goede broeiaarde, waaraan
een weinig graszodengrond wordt toegevoegd.
Eucalyptus. De Eucalyptussen zijn karakteristieke planten van
Nieuw-Holland; zij worden echter ook in Zuidelijk Europa, vooral in
moerassige streken aangekweekt, die zij door haar snellen groei en
sterke verdamping, na enkele jaren aanmerkelijk verbeteren. In haar
vaderland treft men de Eucalyptussen als ware reuzenboomen aan, die een
hoogte van meer dan 100 Meter kunnen bereiken. In haar jeugd hebben
deze planten blauwgroene, zittende of stengelomvattende bladeren, en
eerst later ontwikkelen zich de gesteelde afhangende bladeren. Voor
potcultuur zijn slechts jonge, één-, hoogstens tweejarige planten
geschikt, wanneer zij een goeden pyramidalen vorm hebben. Des winters
moeten zij in koelere vertrekken en des zomers steeds in de open lucht
staan. Gedurende den zomer kunnen zij rijkelijk begoten en moeten zij
eenige keeren in een zeer vetten grond verplant worden. Plant men de
Eucalyptussen des zomers op een gunstige plaats in den tuin uit, dan
kunnen zij in één zomer een hoogte van 4 à 6 Meter bereiken. Stekken
groeien slecht of in het geheel niet, waarom de voortkweeking steeds
uit zaden geschiedt. De bekendste soort is de Eucalyptus Globulus,
met blauwgroene bladeren. De Eucalyptussen behooren tot de familie
der Myrten, en wanneer men de bladeren tusschen de vingers kneust,
verspreiden zij een sterk aromatischen geur. Het aangenaamst is deze
geur bij de Eucalyptus citriodorus, die, in de eerste plaats, voor
potcultuur kan aanbevolen worden.
Eugenia australis. Dit is een harde plant, die mede tot de familie
der Myrten behoort. Zij draagt ovale bladeren, welke niet zoo groot
worden als die der grootbladerige Myrtus en aardige witte bloemen,
die zeer talrijk bij oudere exemplaren, welke niet te dikwijls
ingesneden worden, verschijnen. De jonge bladeren en scheuten hebben
een interessante roodachtige kleur.
De Eugenia australis groeit gemakkelijk en is zeer dankbaar; zij
verdraagt het insnijden zeer goed, zoodat men er gemakkelijk mooie
pyramide- of zuilvormige boompjes van kweeken kan; zij is echter ook
zeer schoon, wanneer men haar vrij laat doorgroeien. Evenals alle
Nieuw-Hollandsche decoratieplanten, verlangen ook de Eugenia's
een mengsel van blad- en heide-aarde, vermengd met een weinig
graszodengrond. In elk voorjaar moeten zij verpot worden, waarbij men
moet oppassen, dat de stam niet in de aarde komt, daar het veeleer
beter is, dat de bovenste wortels vrij liggen. Des zomers moeten zij
nogal rijkelijk des winters echter minder begoten worden, waarbij men
er op moet letten, dat de kluit niet geheel uitdroogt, daar men haar
dan niet gemakkelijk weder vochtig krijgt. Een wintertemperatuur van
40°-45° Fahr. is voldoende. De vermenigvuldiging geschiedt gewoonlijk
door stekken, die in Augustus van het rijpe hout gesneden worden,
en die, gewoonlijk pas na een week of zes, wortel maken.
Evonymus (Kardinaalshoed). Als harde decoratieplant is vooral
de Evonymus japonicus zeer verspreid. Zij heeft ovale, gezaagde,
lederachtige, groene bladeren; ook zijn er een aantal bontbladige
variëteiten bekend. Van nature vormen deze tamelijk kleinbladige
planten magere struikjes; door ze echter in het voorjaar en den zomer
herhaaldelijk in te snijden, verkrijgt men fraaie, bossige planten. De
cultuur, voortkweeking en aanwending is geheel dezelfde als die van
de Aucuba. De Evonymus radicans is een soort met ovaal-elliptische
blaadjes. Haar op den bodem liggende takken maken zeer gemakkelijk
wortel; ook van deze soort is een bontbladige vorm bekend.
Ficus. De Ficussen behooren zeker wel tot de meest geliefde
kamerplanten, en bijna overal treft men de Ficus elastica met haar
groote, lederachtige, glanzend groene bladeren aan.
Heeft deze plant ook al niet direct een zeer elegant voorkomen, zoo
maakt zij toch op een bloemenstandaard, als alleen-staande plant,
een goed figuur, en zij wordt overal met voorliefde gekweekt, daar
zij bij een weinig nauwkeurige behandeling, zich in de kamer flink
ontwikkelt. Daar de Ficus elastica niet vrijwillig zijtakken maakt,
moet men haar, wanneer zij een hoogte van 1 1/2 à 2 Meter bereikt
heeft, den kop afsnijden; zij vormt dan een kroontje en ziet er,
vooral wanneer zij haar bladeren aan den stam heeft laten vallen,
niet onaardig uit. Na verloop van eenige jaren doet men goed de takken
der kroon nogmaals in te snijden. De afgesneden koppen kunnen dan,
voorzien van drie bladeren, weder als stekken dienen. Men steekt
ze, wanneer de wond een weinig opgedroogd is, in een met water
gevuld medicijnfleschje, waarin zij, wanneer men ze voor een zonnig
venster zet, na vier weken geworteld zullen zijn. Ook stengelstukjes,
van één blad voorzien, laten zich zeer goed als stekken gebruiken
(Fig. 23). Deze worden in kleine potjes gezet, matig warm, vochtig
en beschaduwd gehouden. Na eenigen tijd zal het stengeldeel wortel
schieten, het in den bladoksel slapende oog doorgroeien en een nieuwe
plant vormen.
Gewoonlijk gaat het met de Ficussen in de kamer juist als met de
Aralia's; de bladeren staan niet horizontaal tegen den stam, doch
zij hangen er slap bij, wijl men haar te veel begiet en te warm
houdt. De Ficus elastica is volstrekt geen plant voor de warme kamer
als hoedanig zij meestal aanbevolen wordt, doch een wintertemperatuur
van 40°-50° Fahr. is haar voldoende; terwijl zij des zomers in den
tuin of op het balkon kan staan. De kweekers, die in één zomer uit
stekken zeer fraaie planten kweeken, houden de Ficussen gedurende
een groot gedeelte van den zomer buiten, en wel bij voorkeur in de
volle zon. Meestal steken zij de stekken in een warmen bak, harden
ze door veelvuldig luchten, en nemen in het begin van Juni de ramen
er van af. Bij een goede cultuur kan een Ficus vanaf de lente tot den
herfst alle acht dagen een nieuw blad vormen, terwijl de oude bladeren
dan niet geel worden en afvallen. Worden de jonge bladeren kleiner,
hangen de oude slap langs de plant, en worden zij spoedig geel, dan
kan men zeker zijn, dat de plant gebrek heeft aan voedsel en lucht,
of wel dat zij in een te droge of warme lucht staat.
De Ficus moet jaarlijks in de lente in goede, zandige broeiaarde
verplant, gedurende den zomer eenige malen gegierd en zeer dikwijls
bespoten worden, terwijl men haar des winters een paar keer per week
met een zachte spons geheel afwascht, om zeker te zijn, dat zij
goed schoon blijft. Op de bovenvlakte der bladeren toch komt zeer
gemakkelijk stof en aan de onderzijde huist maar al te vaak schadelijk
ongedierte. Koopt men een Ficus, dan is het zaak er vooral goed op te
letten, of aan de onderzijden der bladeren geen ongedierte voorkomt,
wat nog wel eens gebeuren wil.
Een kleinbladerige, minder schoone, maar zeer harde soort is de Ficus
australis, voor welke een wintertemperatuur van 31-45 Fahr. ruimschoots
voldoende is. Deze soort is echter niet gemakkelijk in den handel
te verkrijgen.
Grevillea robusta. Onder de bladplanten voor koudere kamers zijn er
slechts weinigen, die zoo elegant zijn als deze sinds lang bekende,
doch tegenwoordig zeer veronachtzaamde Australische Grevillea. Deze
plant vormt een slanken stam, die dubbel gevinde bladeren draagt,
welke zóó fijn ingesneden zijn, dat zij bijna aan varenbladeren
doen denken. Deze bladeren zijn groot en fraai donkergroen. De jonge
Grevillea groeit onvertakt door; eerst op ouderen leeftijd vertakt
zij zich, zonder echter daardoor aan schoonheid te verliezen. Deze
zeer sierlijke plant, die tegenwoordig dreigt vergeten te worden, is
zeer waard, dat men meer de aandacht aan haar gaat schenken, vooral
ook, omdat zij zich zoo gemakkelijk uit zaden laat voortkweeken. De
cultuur is zeer eenvoudig: des winters verlangt zij een lichte,
koele, des zomers een zonnige standplaats, dan echter bij voorkeur
buiten. Geregeld alle jaar moet zij verplant worden in zandigen
bladgrond vermengd met een weinig graszodengrond; de potten, die men
gebruikt, moeten iets grooter zijn dan die, waarin zij stond. Vooral
des winters moet men met gieten nogal voorzichtig zijn.
Ilex (Hulst). De gewone groene Hulst (Ilex Aquifolium) is een plant,
die het hier te lande zeer goed buiten uithoudt en dan ook zeer
verspreid is. Er bestaan talrijke, zeer fraaie variëteiten van,
met zeer afwijkende en bonte bladeren. Hoewel de typische soort, des
winters buiten gehouden, weinig of niet lijdt, zijn de bontbladerige
variëteiten zwakker, waarom men voorzichtig doet, die in potten of
kuipen te kweeken, ten einde ze des winters binnenshuis te kunnen
zetten. Deze fraaie heesters, waarvan de bladeren zeer stekelig
zijn, verdragen het insnijden heel goed, waardoor er fraai gevormde
exemplaren van kunnen gekweekt worden. Des winters verschijnen aan het
tweejarige hout een aantal roode bessen, die een aardig effect maken
tusschen de bonte bladeren. De zaden kiemen niet gemakkelijk en de
voortkweeking der bonte soorten gaat ook veel beter door veredeling
op de gewone groene Hulst. De Ilex-soorten verlangen een goede, zware
aarde en gedurende den zomer een eenigszins beschaduwde plaats buiten.
Laurus nobilis (Laurier). De Laurier vormt in haar Zuid-Europeesch
vaderland lang niet zoo'n mooien heester als men zich in de noordelijke
streken wel voorstelt. Hier te lande is zij een zeer belangrijke
handelsplant. Meestal wordt zij in pyramide- of kroonvorm gekweekt,
en in kuipen staande is zij dan een zeer sierlijke decoratieplant,
hetzij als koppel- ter versiering van het ingangshek, het terras of het
balkon, hetzij als alleen-staande gazon-plant. Vooral hier te lande
en in België worden de Laurieren in zeer groot aantal gekweekt. Een
liefhebber doet het best zich jonge, goed gevormde pyramide- of
kroonboompjes aan te schaffen; men behoeft er dan slechts voor te
zorgen, de planten door een goede behandeling gezond te houden.
Daar de Laurier een zeer harde plant is, die best enkele graden vorst
kan verdragen, behoort zij onder de eersten, die in het begin van
April buiten worden gezet. Om te beletten dat de kuipen van onderen
rotten, te zorgen dat er geen regenwormen in de kluit dringen en de
toevoer van lucht in de aarde mogelijk te maken, worden de kuipen op
drie of vier baksteenen gezet. Wil men voorkomen, dat de planten bij
zwaren wind omwaaien, dan slaat men drie stevige stokken vlak langs
de kuip, er voor zorgende, dat zij er niet boven uitsteken. Het is
nu een voorname zaak er op te letten, dat de kuipplanten goed begoten
worden. Als regel giet men eens per dag, bij voorkeur des avonds; is
het weer echter zeer warm, dan moet men des morgens nog eens gieten;
ook moet men van tijd tot tijd gieren. Van veel belang is het ook,
dat men dagelijks, na het gieten, de kronen goed natspuit. Verzuimt
men dit spuiten, dan worden de bladeren zeer spoedig door schild-
en bladluizen aangetast, die in zoo grooten getale kunnen optreden,
dat de plant doodgaat.
Zorgt men voor geregeld gieren, dan kunnen de Laurieren zeer lang
in dezelfde kuip blijven staan; gewoonlijk verplant men ze eerst,
wanneer de kuip verrot is, of wanneer de kluit zóó zwaar beworteld
is, dat het water er niet meer in doordringt. Zeer moet men er ook
op letten, dat kroon of pyramide haar vorm behouden, waarom men ze
elken zomer behoorlijk moet insnijden; dit geschiedt het best tegen
het einde van Augustus, wanneer de scheuten volgroeid zijn.
Na het insnijden hebben de oogen nog volop tijd om zich goed te vormen,
zoodat zij in het voorjaar direct gaan doorgroeien. De overwintering
van de Laurier geschiedt het best in een half vorstvrijen kelder of
schuur. Bij strenge vorst moet men er op letten of zij niet àl te
koud staan. Veel licht hebben zij des winters niet noodig.
Melaleuca. De Melaleuca-soorten, die in grooten getale in Australië
worden gevonden, behooren tot de familie der Mirten en kenmerken zich
alle door lancetvormige blaadjes, die des winters aanblijven. De
bloemen, die pas aan oudere planten verschijnen, gelijken zeer op
die van de Callistemon; zij zijn echter lang zoo schoon niet en bij
sommige soorten zelfs tamelijk onbeduidend. De Melaleuca's hebben
dan ook slechts waarde als harde decoratieplanten, geschikt voor
versiering van koelere kamers. De behandeling is juist dezelfde als
die van de Eugenia's.
Het ook tot de familie der Mirten behoorende geslacht Leptospermum,
waarvan de soorten ook in Australië te huis behooren, heeft evenals
de Melaleuca's lancetvormige blaadjes, maar kenmerkt zich door witte
bloemen. Deze planten laten zich op dezelfde wijze kweeken en zijn
voor hetzelfde doel geschikt. De voortkweeking geschiedt, evenals
bij de Melaleuca's, uit stekken in de maand Augustus.
Pittosporum. Verscheidene der in China en Japan thuis behoorende
Pittosporum-soorten zijn fraaie decoratie-planten. Men zou deze
heesters ook onder de bloemplanten kunnen rekenen, want zij brengen
lieve bloemschermpjes voort, bestaande uit witte bloempjes, die een
heerlijken oranje-geur verspreiden; doch zij bloeien pas op tamelijk
hoogen leeftijd, wanneer de planten veel te groot geworden zijn
voor de kamer. De Pittosporum is een harde plant; zij moet gekweekt
worden in heide-aarde, vermengd met een weinig graszodengrond. Des
winters wordt zij in een koud, doch vorstvrij vertrek gezet, en
des zomers houdt men haar bij voorkeur buiten. De meest voorkomende
soort is de Pittosporum Tobira, met glanzend groene, lederachtige
omgekeerd-eironde bladeren. In de Europeesche tuinen wordt slechts één
variëteit gevonden, met geelachtige bloemen; er moet echter in Japan
een veel mooiere voorkomen, met zuiver witte bloemen. De voortkweeking
geschiedt in Augustus door middel van stekken.
Struik- en boomachtige bladplanten voor warme vertrekken.
Acalypha. De tot dit geslacht behoorende planten, die zich door de
fraaie teekening van haar bladeren kenmerken, zijn half heesters, die
in Nieuw-Caledonië en op de Fidji-eilanden worden aangetroffen. Zij
hebben gezaagde, ovale en hartvormige bladeren.
De bekendste en zeker ook wel de schoonste soort is Acalypha musaica
met gele bladeren, die zeer fraai met rood gemarmerd zijn; bij andere
soorten zijn de bladeren rose of donkerrood. Deze planten, die niet
zeer gevoelig zijn en midden in den zomer ook wel buiten gekweekt
kunnen worden, ontwikkelen zich vooral zeer fraai, wanneer men ze in
het kamerkasje kweekt. Zij groeien zeer goed in broeiaarde, houden
van veel spuiten en over het algemeen van een vochtige lucht. Plaatst
men ze in te droge lucht, dan worden de bladeren spoedig door thrips
en roode spin aangetast. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar
door kruidachtige stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.
Coffea arabica (Koffieboom). Deze tropische nutplant is een uitstekende
kamerbladplant; zij wordt echter, jammer genoeg, niet veel daartoe
gebruikt. De Koffieboom, die feitelijk slechts een heester vormt,
welke zelden hooger dan 3 à 4 Meter wordt, is in jongen toestand een
zeer fraaie kamerplant; zij vormt dan meestal een stammetje, waarvan
horizontale takjes afstaan, zoodat zij een zuiveren pyramide-vorm
heeft. De bladeren zijn ovaal, aan de punt toegespitst en glanzend
groen. Is de plant eenmaal vrij groot, en goed ontwikkeld, dan
geeft zij in den zomer kleine, witte bloempjes, die een jasmijngeur
verspreiden. Op deze bloempjes volgen eerst groene, later roode bessen,
die ieder twee zaadkorrels bevatten. Deze vruchten worden ook in de
kamer rijp. Uit de zaden, die ook in den handel verkrijgbaar zijn,
kan men zeer gemakkelijk jonge plantjes kweeken. Zoodra de zaden goed
rijp zijn, moeten zij gezaaid worden in potten, die gelijkmatig warm
en vochtig gehouden worden. De kieming heeft dan pas na vier à zes
weken plaats.
Fig. 214 vertoont een jonge Coffea arabica en het opmerkenswaardigst
daaraan zijn de kiembladeren, die buitengewoon groot worden en geheel
het voorkomen van gewone bladeren verkrijgen. Wil men Koffieboompjes
uit zaden kweeken, dan moet men die in een zaadhandel koopen,
aangezien de gewone ongebrande koffieboonen in de meeste gevallen niet
kiemkrachtig meer zijn. Een Koffieboom verlangt een lichte, tamelijk
warme standplaats; gedurende den zomer heeft hij echter veel frissche
lucht noodig. De bladeren moeten dikwijls bespoten en afgesponsd
worden, opdat de plant niet aangetast wordt door ongedierte, iets wat
anders zeer gemakkelijk gebeurt. Des zomers kan men rijkelijk gieten;
des winters daarentegen moet men veel spaarzamer met water zijn. Zeer
nuttig is het, de planten des zomers eenige malen met een aftreksel
van hoornspaanders te begieten. Een andere goede Coffea-soort voor
de kamer is de Coffea liberica, die veel grooter bladeren heeft. Ook
van deze soort kan men in een goeden zaadhandel zaden verkrijgen.
Cycas revoluta (Sagopalm). Niettegenstaande haar Hollandschen naam
heeft deze plant niets gemeen met de echte Palmen. De Cycas levert
de bladeren, als Palmtakken bekend, die tegenwoordig zeer veel
bij begrafenisplechtigheden worden gebruikt. Juist om die bladeren
wordt deze plant tegenwoordig in zeer grooten getale gekweekt. Deze
bladeren hebben eenigszins het voorkomen van die van een Vederpalm;
zij zijn glanzend groen, stijf en daardoor tamelijk broos. Een Cycas
groeit slechts één keer per jaar uit; zeer dikwijls echter rust zij
daarna één, somtijds zelfs twee jaar. Gewoonlijk begint zij in den
voorzomer uit te groeien. Uit het hart der plant ontwikkelt zich dan
een groot aantal bladeren, soms wel veertig te gelijk; deze ontrollen
zich juist als varenbladeren; in den beginne zijn zij lichtgroen en
week, later worden zij donkergroen en vrij stevig. Een Cycas zal haar
nieuwe kroon niet licht in een kamer ontwikkelen; zij heeft daartoe de
warme, vochtige kaslucht noodig; reden waarom zij voor kamercultuur
feitelijk niet geschikt is. Is zij eenmaal uitgegroeid, dan heeft
zij nòch zeer vochtige lucht, nòch veel warmte noodig, zoodat zij
dán aan alle eischen van een gemakkelijke kamerplant voldoet, en er
dan ook zeer geschikt voor is. Zoodra de kroon geheel ontwikkeld is,
heeft zij niet veel water meer noodig en vooral des winters moet men
met gieten uiterst voorzichtig zijn.
Pandanus (Schroefpalm). Evenals de Cycas heeft ook de Pandanus niets
met de eigenlijke Palmen gemeen, en het is slechts de volksmond, welke
deze plant dien naam gegeven heeft. De Pandanussen zijn fraaie, zeer
aanbevelenswaardige kamerplanten, met schroefvormig ingeplante, lange,
elegant gebogen bladeren. Aan de bladranden en aan de onderzijde van
den middennerf hebben verscheidene soorten groote, scherpe dorens. De
in den handel het veelvuldigst voorkomende soort is de Pandanus utilis,
afkomstig van Madagascar. Deze soort heeft lange, groene bladeren,
die zeer smalle, roode randen hebben; zij vertakt zich, in een kamer
gekweekt, niet, maar kan er een fraaie bladerkroon vormen. Een zeer
schoone bont-bladerige soort is de Pandanus Veitchii met witbonte
bladeren; ook de Pandanus javanicus heeft bonte bladeren, die echter
veel sterker gedoornd zijn. De beide laatstgenoemde soorten worden
door de zijscheuten, die zich veelvuldig vormen en die als stekken
behandeld worden, voortgekweekt; eerstgenoemde soort vermenigvuldigt
men door ingevoerde zaden. De voortkweeking van Pandanussen in de
kamer is echter niet geraden, daar zij bijna altijd mislukt.
Een gezonde, goed ontwikkelde Pandanus, die men het best tegen het
najaar koopt, is een zeer fraaie plant om vrij op een bloemstandaard
geplaatst te worden. Gedurende den winter heeft zij geen behoefte aan
veel licht en men kan haar het geheele jaar door in de kamer houden. De
bladeren moeten elke week met een sponsje afgewasschen worden. Men
begint daartoe aan den bladvoet en wascht naar de spits toe, daar
men anders kans heeft zich aan de dorens te verwonden. Veel spuiten
behoeft men den Schroefpalm niet te doen, daar het niet wenschelijk
is, dat zich water in den kop verzamelt, waardoor deze zou kunnen
verrotten. De aarde moet matig vochtig gehouden worden; des zomers
kan men wat meer gieten dan 's winters, mits men er voor zorgt,
dat er geen water in het plantenschoteltje blijft staan, wat hoogst
nadeelig is. Is het noodig haar te verpotten, dan doet men dit bij
voorkeur in het voorjaar, en gebruikt men daartoe goede broeiaarde,
vermengd met graszodengrond. Men moet er voor zorgen, haar niet al
te diep te planten, wat men, met het oog op de luchtwortels, die
zich aan den stam vormen, al zeer licht zou doen. Daar de bladeren
gemakkelijk brandvlekken krijgen, moet men haar des zomers goed tegen
de zon schermen.
Pogostemon Patchouli. De Patchouli is een kleine, tamelijk onbeduidende
halfheester, welks bladeren een sterk aromatischen reuk hebben,
door den één meer bemind dan door den ander. In de parfumerie spelen
deze bladeren een zeer groote rol, en in gedroogden toestand vormen
zij, als middel tegen mot, een niet onbelangrijk handelsartikel. De
bladeren zijn, vooral wanneer zij jong zijn, niet onaardig en daar
zij in een warm vertrek groeit, vindt men ze hier en daar nog wel als
kamerplant. Zij verlangt een voedzame aarde, doch stelt verder geen
bijzondere eischen en laat zich zeer gemakkelijk uit stek voortkweeken.
Kruidachtige bladplanten voor koele vertrekken.
Carex japonica fol. var. Deze plant, die tot de familie van de
Rietgrassen toehoort, is pas betrekkelijk korten tijd in den handel,
en daardoor nog lang niet algemeen verspreid; zij bezit echter
zooveel goede eigenschappen, dat zij niet warm genoeg kan aanbevolen
worden. De ongeveer 4 m.M. breede bladeren van dit bonte plantje
kunnen 75 cM. lang worden, en hangen dan elegant gebogen over den
pot heen. Zij ontspruiten uit den wortelstok en zijn helder groen met
een lichtgelen rand. Een eigenaardige schoonheid verleenen ook nog de
bloemaren aan deze plant, hetgeen op de gravure duidelijk zichtbaar is.
De bonte Carex is een ijzersterke kamerplant, die uitstekend voor
de bloemtafel geschikt is. Over het algemeen ziet men haar voor een
warme kasplant aan, en kweekt men haar dus in een vochtig warme lucht;
dit is echter geenszins noodig, daar zij zelfs zonder bedekking eenige
graden vorst kan verdragen en dan ook beter voor de koelere vertrekken
geschikt is. De Carex verlangt in goede broeiaarde geplant te worden,
en verdraagt des zomers zeer veel water. Door verdeeling en ook uit
zaden laat zij zich zeer gemakkelijk voortkweeken.
Farfugium grande. Een der allerbeste en hardste kamerplanten is zeker
wel de uit China afkomstige Farfugium. De bladeren ontspruiten direct
uit den wortelstok en staan op lange, sappige stelen; zij zijn tamelijk
groot, onregelmatig van vorm, en met gele vlekken bezet. Deze plant
is zeer geschikt voor den beginnenden liefhebber, die nog niet op de
hoogte is van al de eischen, door de planten gesteld. Daar zij flink
groeit, moet men haar in tamelijk groote potten zetten, bij voorkeur
in zeer voedzame broeiaarde, vermengd met een goede hoeveelheid
graszodengrond. Voor het begieten behoeft men niet bevreesd te zijn,
daar zij tamelijk veel water kan verdragen. Des zomers verlangt
de Farfugium een luchtige, tegen te scherpe zon beschermde plaats;
het best doet men, haar in den tuin of op het balkon te plaatsen.
Des winters stelt zij geen hooge eischen, daar men haar in een koude,
doch ook in een matig warme kamer kan laten overwinteren, terwijl zij
ook met een minder lichte standplaats tevreden is. Oude exemplaren kan
men in het voorjaar bij het verplanten door scheuring vermenigvuldigen.
Gynura aurantiaca. De Gynura is een sierlijke, kruidachtige
Oost-indische bladplant, met ovale, dicht behaarde bladeren, die in
jeugdigen toestand door haar blauw-violetten glans de opmerkzaamheid
trekken. Door haar fraaie kleur heeft men gemeend deze plant voor
mozaïek-vakken te kunnen gebruiken; zij bleek daarvoor echter
ongeschikt te zijn en is thans bijna geheel uit de cultures verdwenen.
Toch is de Gynura als kamerplant zeer aan te bevelen; zij groeit
in bijna iederen voedzamen grond zeer goed, krijgt vooral in de zon
een zeer fraaie kleur en kan des zomers voor het venster staan. De
kruidachtige stengelspitsen groeien als stekken zeer goed en leveren
spoedig jonge plantjes.
Ophiopogon. Verschillende Japansche Ophiopogon-soorten zijn harde
potplanten, die in de kamer zeer duurzaam zijn. Zij zijn door haar
elegante grasachtige, nú eens groene, dán weder bonte bladeren
uitstekend geschikt voor bloemtafels, kamerkasjes en terrariums. De
schoonste en meest bekende soort is zeker wel de uit Japan ingevoerde
Ophiopogon Jaburan fol. var., door Fig. 216 afgebeeld. Deze plant,
met fraaie, groen met geel gestreepte bladeren en niet onaardige
blauwe bloempjes, is werkelijk hard, en kan jaar in, jaar uit in een
warm vertrek gehouden worden. Het liefst overwintert zij echter in
een koel vertrek, een eigenschap van bijna alle Japansche planten;
des zomers geeft men haar dan een plaatsje in het bloemenrekje
voor het venster. Hoewel men de Ophiopogon veelal als kleine plant
aantreft, laat zij zich toch, wanneer men haar jaarlijks in goede
aarde verplant, tot een werkelijk schoon exemplaar aankweeken. De
voortkweeking geschiedt door verdeeling der oude planten, waarbij de
dikke wortelstok met een, scherp mesje doorgesneden moet worden.
Plectogyne (Aspidistra) elatior. Wanneer men den naam van deze plant
hoort en de gravure er van ziet, dan zal men haar direct als een
oude bekende herkennen. Wie toch kent deze kruidachtige plant niet;
wie heeft haar nooit in de kamer gekweekt? De uit China en Japan
afkomstige Aspidistra [3] is goed ontwikkeld, een werkelijk schoone
plant. De bladeren, die bij de typische soort groen, bij de ééne
variëteit groen met gele of witte strepen en bij de andere groen met
witte vlekken zijn, ontspruiten uit een wortelstok, die zich even onder
de oppervlakte van de aarde bevindt. Een zich ontwikkelend blad is met
een steunblad omgeven, waaruit het langzaam te voorschijn komt. De nu
en dan verschijnende bloemen zijn onbeduidend; zij zitten vlak tegen de
aarde aan den wortelstok en hebben een lichtgroene kleur. Deze plant
schijnt geheel ongevoelig te zijn voor een donkere standplaats, droge
kamerlucht en stof; ook schijnt te veel warmte haar niet te hinderen;
dit neemt evenwel niet weg, dat men beter doet haar goed te behandelen,
geregeld te begieten, de bladeren schoon te houden en ze op een lichte
plaats te zetten. Het is voldoende, wanneer men haar eens om de twee
jaren verpot, waartoe men een mengsel gebruikt van blad- en broeiaarde;
heeft men dit niet, dan kan men ook lichten tuingrond gebruiken. Het
best overwintert zij in een vertrek met een temperatuur van 45°-50°
Fahr. De voortkweeking geschiedt door verdeeling der planten.
Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch Vlas). De Phormium is een zeer
fraaie plant, met lange, zwaardvormige, groene bladeren, die voor
een gedeelte uit een zeer taaie vezelstof bestaan, welke voor het
vervaardigen van touw wordt gebruikt. Het is een harde plant, die,
in een kuip gekweekt, zeer geschikt voor decoratie is.
Er bestaan talrijke variëteiten van met fraaie bont gestreepte
bladeren. Zeer goed laat zich de Phormium des winters gebruiken tot het
versieren van vestibules en trappen, terwijl zij des zomers buiten wil
staan. Een eigenlijke kamerplant is zij dus niet. Voor het verplanten,
dat bij oude exemplaren slechts weinig noodig is, wordt goede, zware
grond gebruikt. De vermenigvuldiging geschiedt bij de groene soort
door zaden en verdeeling, maar bij de bonte variëteiten uitsluitend
door deeling.
Reineckia carnea. Dit is een sierlijke, in China inheemsche,
kruidachtige bladplant, die zeer hard is en zich daardoor uitstekend in
de kamer laat kweeken. Zeer mooi vooral is de witbonte variëteit. De
Reineckia heeft vleeschkleurige bloempjes, die, zooals ook de gravure
aantoont, in aartjes vereenigd zijn en haar waarde nog verhoogen. Wij
durven gerust het kweeken van dit lieve plantje, dat de kweekers
veel tot het beplanten van jardinières gebruiken, aanbevelen. Plant
men haar in goede aarde, in potten van 10-12 cM. wijdte, dan zal
zij zich spoedig zeer fraai ontwikkelen. Des winters verlangt zij
een temperatuur van 45°-50° Fahr.; zij verdraagt echter zeer goed
de temperatuur van een niet te warm woonvertrek, en wordt liefst op
een eenigszins beschaduwde plek gezet. De voortkweeking geschiedt
gemakkelijk door verdeeling der moederplant. Staat zij op een vochtige
plaats, dan maken de scheuten reeds wortel, wanneer zij nog aan de
moederplant zitten.
Kruidachtige bladplanten voor warme vertrekken.
Begonia Rex (Bladbegonia). Behooren de Knol- en Heesterachtige
Begonia's tot de schoonste en dankbaarste bloemplanten, de
z.g.n. Bladbegonia's moeten zeker tot de allerfraaiste bladplanten
gerekend worden, die voor kamercultuur geschikt zijn. Hoewel ook de
Bladbegonia's bloemen voortbrengen, worden zij toch uitsluitend ter
wille van haar schoone bladeren gekweekt. Deze Begonia's behooren tot
de fraaiste en duurzaamste planten, waarmede men de kamer gedurende den
herfst en den winter versieren kan. Het was ongeveer in het jaar 1850,
dat de Bladbegonia's haar glanspunt bereikten, evenals dit nu met de
Knolbegonia's het geval is. Geheel uit de mode geraakt zijn zij echter
niet. Ook tegenwoordig is het nog steeds een zeer gezochte marktplant;
daar men echter in de fabrieken van kunstbloemen de Bladbegonia's beter
dan eenig andere plant kan namaken, vindt men nu meer nagemaakte dan
echte Begonia's in de kamers. Natuurlijk is dit zeer te betreuren,
te meer, daar die metalen planten, die nooit veranderen, juist niet
geschikt zijn, om den smaak van het publiek te verbeteren. Er bestaat
een zeer groot aantal prachtige variëteiten, die zeer groote bladeren
maken, welke met de fraaiste kleuren geteekend zijn. Tegenwoordig
heeft men ook een éénkleurige variëteit, de Begonia "Perle de Paris",
een zeer teere soort met zilverwitte bladeren. Een zeer interessante
soort is ook de Begonia Comtesse Louise Erdody, waarvan de bladeren
aan den voet spiraalsgewijze gewonden zijn. In tegenstelling met de
Knolbegonia's groeien de Bladbegonia's het gansche jaar door. Zij
verlangen zandige heideaarde, een warme standplaats en een niet te
droge lucht; verder moet men ze tegen te scherpe zon beschermen en
ze vooral niet bespuiten. Zeer interessant is de voortkweeking dezer
planten, hetgeen door de bladeren geschiedt. Men snijdt daartoe een
goed volwassen blad met een stukje steel af, en geeft dit met een
scherp mesje aan de ondervlakte eenige insnijdingen in de hoofdnerf,
bij voorkeur daar, waar deze zich vertakt. Het op deze wijze ingesneden
blad wordt nu zoodanig in een, met een glasplaat bedekten, schotel
gelegd, dat de steel in de aarde staat en de ingesneden hoofdnerf op de
aarde komt te liggen. Om het oplichten te voorkomen, legt men kleine
steentjes of scherven op de bovenzijde van het blad. Na eenige weken
zullen zich aan al de insnijdingen en ook aan den bladvoet knoppen
vormen, die zich spoedig ontwikkelen en dan heel aardige jonge plantjes
worden. Jammer genoeg slaagt deze wijze van voortkweeken meestal in
een kamer niet al te best, daar den liefhebber de daartoe zeer noodige
bodemwarmte ontbreekt. Toch is het wel waard, er de proef eens mede te
nemen. Schijnt de zon, dan moet het op de beschreven wijze neergelegde
blad daartegen geschermd worden. Het gieten mag alleen maar langs
den potrand gebeuren, opdat de bladvlakte niet vochtig wordt.
De Bladbegonia's zijn kruidachtige planten met een dikken, vleezigen
wortelstok. Men kan ze zeer lang goed houden, wanneer zij in het
voorjaar verplant worden in een mengsel van heide- en broei-aarde,
waaraan wat hoornspaanders zijn toegevoegd. Des winters moet men ze
slechts matig begieten. Heeft men hardere variëteiten, dan groeien zij
ook zeer goed buiten, mits men ze op een beschaduwde plek zet. Naast
de Begonia Rex zijn er nog verscheidene kruidachtige Begonia's, die om
de bladeren gekweekt worden. Eenige daarvan groeien tamelijk hoog op,
en hebben fraai geteekende of gevlekte bladeren, van andere hardere
soorten daarentegen zijn deze groot en groenachtig. Tot deze laatste
behoort de Begonia rubella, (Fig. 221.)
Coleus. Van de Coleus behooren verscheidene soorten op Java thuis,
en van deze stammen al de prachtige variëteiten, die tegenwoordig
gekweekt worden, af. De hardere soorten spelen een voorname rol
bij het aanleggen van mozaïek-vakken; de teerderen, waarvan vele
zich door werkelijk prachtige kleuren onderscheiden, vormen zeer
schoone potplanten, die des zomers zeer goed achter een zonnig,
gesloten venster groeien. Terwijl de Coleus des zomers op een warme
standplaats zeer goed groeit, vooral, wanneer men ze verscheidene
malen in goede broeiaarde verpot, ze rijkelijk giert en begiet,
is zij in den winter zeer gevoelig, zoodat zij moet overwinteren in
een vertrek met een gemiddelde temperatuur van 65° Fahr. Is men nu
zeer voorzichtig met gieten en let men goed op het ongedierte, dan
zullen zij wellicht goed den winter doorkomen; zeker is dit echter
niet. Het best doet men in het voorjaar jonge planten te koopen, die
zeer goedkoop zijn. Het schoonst is de Coleus met roode bladeren,
die bij eenige grootbladerige soorten bijna de afmeting van een
Ficus-blad kunnen bereiken. De bloemen zijn zeer onbeduidend en
verschijnen slechts bij zeer groote planten of bij die, welke gebrek
aan voedsel hebben. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk door
stekken, die binnen enkele dagen wortel maken.
Curculigo recurvata. De Curculigo is een der fraaiste kruidachtige
planten voor warme vertrekken. Op lange, grootvormige bladstelen
draagt zij bladeren, die tot een Meter lengte kunnen bereiken, met
een gegolfde oppervlakte en van een frisch groene kleur, die bij
een teerdere soort met gele strepen wordt afgewisseld. Door deze
elegant omgebogen bladeren is de Curculigo uitstekend geschikt voor
vrijstaande plant op een standaard. Op de bloemtafel kan men haar als
middenplant gebruiken, doch men moet er dan voorzichtig mede zijn;
door het gieten toch, wordt licht tegen de bladeren gestooten, die
dan zeer gemakkelijk knakken. Een natuurlijk verschijnsel is het,
ook bij gezonde planten, dat de bladspitsen dor en zwart worden; zij
mogen daarom echter niet afgesneden worden. Dicht aan den wortelhals
verschijnen, half tusschen schutbladeren verborgen en tot een dichten
bundel vereenigd, de gele bloemen, die volstrekt geen waarde aan de
plant geven.
De Curculigo is niet zeer teer; zij verdraagt de droge kamerlucht heel
goed en ontwikkelt in één zomer drie tot vier fraaie, groote bladeren,
wanneer men ze in het voorjaar behoorlijk verpot heeft in met wat
graszodengrond vermengde heide-aarde. Bij het verplanten kunnen de
talrijke worteluitloopers afgesneden en in een afzonderlijk potje
opgeplant worden. Zorgt men er niet voor, dat de bladeren goed zuiver
gehouden worden, en vergeet men ze bij warm weder aan beide zijden te
bespuiten, dan warden zij spoedig door ongedierte aangetast. Wanneer
men te veel giet, wordt de Curculigo wortelziek; de frisch groene
bladeren verkrijgen dan een geelachtige, ongezonde kleur.
Fittonia. De Fittonia's zijn sierlijke, kruidachtige, bont geaderde
bladplanten, welke ieder, die haar ziet, direct bevallen. Evenals
zooveel andere fraaie bonte bladplanten zijn ook de Fittonia's zeer
gevoelig; zij houden van schaduw, warmte en vochtige lucht, waarom
men ze het best kan kweeken in het kamerkasje of het terrarium. Plant
men ze in het terrarium uit, dan ontwikkelen deze over den bodem
kruipende planten, die niet veel hooger dan 10 cM. worden, zich
zeer fraai; wil men ze in potten houden, dan groeien zij het best
in platte schalen. De grond, dien men ze geeft, moet vooral poreus
wezen; het best gebruikt men grove stukjes heide-aarde, waar de
fijne bestanddeelen uit gezeefd zijn, vermengd met stukjes turf en
een weinig zand. De potten moeten van een goede drainage, bestaande
uit scherven en stukjes houtskool, voorzien worden. Staan zij in
een vochtig warme lucht, dan hebben de Fittonia's geen behoefte aan
veel licht. Des zomers moeten zij rijkelijk, des winters spaarzamer
begoten worden. In den handel treft men twee soorten aan, namelijk
Fittonia argyroneura, een tamelijk teere soort, met zeer fraaie, wit
geaderde bladeren, en Fittonia Verschaffeltii, een hardere soort,
met grootere, rood geaderde bladeren. Van beide soorten zijn de
bloemen onbeduidend. De voortkweeking geschiedt door stekken, die,
in het kamerkasje, gemakkelijk wortel maken.
Maranta. De Maranta's zijn prachtige bladplanten, afkomstig uit
tropisch Amerika; het is echter jammer, dat zij zoo gevoelig zijn
voor droge kamerlucht. Van de talrijke soorten, waaronder er zijn
met zeer schoon geteekende bladeren, die in de kassen der groote
liefhebbers worden gekweekt, zijn slechts zeer weinigen voor
kamercultuur geschikt. Deze planten verlangen een zeer vochtige
lucht en een beschaduwde standplaats. Staan zij in de zon, of is de
aarde een weinig te droog, dan rollen de bladeren zich direct op; en
staan zij in een te koud vertrek, dan worden zij wortelziek. De beste
soorten, voor kamercultuur zijn Maranta Lietzeï, die tamelijk hoog
opgroeit en kleine, groene, mooi geteekende bladeren draagt, alsook
de laag blijvende Maranta Kerchovei. Beide soorten laten zich door
verdeeling zeer gemakkelijk voortkweeken. Een der schoonste soorten,
die het bij een zorgzame behandeling eenigen tijd in de kamer uithoudt,
is de in Fig. 225 afgebeelde Maranta zebrina.
De Maranta's moeten geplant worden in grove broeiaarde, vermengd met
wat graszodengrond, zand en stukjes houtskool. Het meest durf ik de
Maranta Kerchovei aanbevelen, die zich, door haar gedrongen groei,
uitstekend leent voor het kamerkasje.
Musa (Banaan). De Musa's zijn kruidachtige gewassen, met zulke
groote bladeren, dat zij slechts als jonge plantjes voor kamercultuur
geschikt zijn; worden zij grooter, dan deugen zij er niet meer voor,
ook omdat de bladeren zeer gemakkelijk inscheuren, en de plant dan
haar sierlijk voorkomen verliest. Lastig in de cultuur zijn de meeste
Musa's niet. Zij verlangen een zeer vette aarde, moeten des zomers
veel begoten en gegierd worden, terwijl er voor moet worden gezorgd,
dat zij een luchtige standplaats hebben. Des winters moeten zij
tamelijk warm gezet en vooral droog gehouden worden. Geeft men ze te
veel water, dan worden dadelijk de wortels ziek. De bekendste soort is
zeker wel de Musa Ensete (Abessinische Banaan). Deze soort wordt veel
gebruikt om des zomers in parken te worden uitgeplant. Geeft men ze
een goeden bodem en standplaats, dan kunnen zij, zoo behandeld, in één
zomer reusachtige afmetingen verkrijgen. Des winters kan zij slechts
dàn binnenshuis gebruikt worden, wanneer men over zeer groote salons
te beschikken heeft. Andere schoone soorten zijn: Musa Cavendishii
(M. chinensis), M. paradisiaca en M. zebrina.
Panicum plicatum. Dit is een heel aardige, kruidachtige plant, die
tot de familie der Grassen behoort en welker bladeren wel eenigszins
doen denken aan die van een Curculigo, doch van kleinere afmeting
zijn. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk uit zaad voortkweeken,
dat ook in de kamer rijpt. Ongeveer veertien dagen na het uitzaaien
kiemt het zaad, en de jonge plantjes groeien gewoonlijk zóó snel, dat
men ze al zeer spoedig in potjes met broeiaarde kan uitplanten. Deze
Panicum is een zeer elegante plant voor de bloemtafel, daar zij zich
rijkelijk uit den wortelstok vertakt. De geheele verzorging bestaat
in het meermalen verpotten in zeer voedzamen grond, het gelijkmatig
begieten en het geven van een goede, lichte standplaats.
Peperomia. De Peperomia, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben,
was een mooie bloemplant; er zijn echter verscheidene soorten,
die als bladplanten in aanmerking komen, en die bijzonder geschikt
zijn voor het kamerkasje of het terrarium. De Peperomia's, die meest
gestreepte bladeren hebben, moeten op dezelfde wijze behandeld worden
als de Fittonia's; alleen zijn zij veel minder gevoelig.
Een zeer lieve soort is Peperomia Verschaffeltii, die tamelijk
gemakkelijk groeit.
Andere fraaie soorten zijn nog Peperomia marmorata, met gemarmerde
bladeren, en Peperomia metallica, waarvan de bladeren een metaalglans
bezitten. De wijze van voortkweeken is reeds vroeger vermeld.
Phrynium variegatum. Deze plant is in den laatsten tijd zeer verspreid
geworden. Zij heeft groen-, wit- en geelbonte bladeren en is een der
fraaiste kruidachtige bladplanten voor warmere vertrekken. Zij kan
zeer gevoeglijk tot de Maranta's gerekend worden en is slechts op
streng wetenschappelijke gronden van dit geslacht gescheiden. Men
behandelt deze Phrynium, die zich tamelijk goed in de kamer houdt,
op dezelfde wijze als de Maranta's. De voortkweeking geschiedt door
de verdeeling der oude planten.
Sanchezia nobilis. Wanneer men plezier heeft in bladplanten met
geelbonte bladeren, dan moet men niet verzuimen zich de Sanchezia
nobilis aan te schaffen. Zij heeft tamelijk groote, eironde, groen
met geel gestreepte bladeren. Zeer mooi is deze plant vooral in
jongen toestand, wanneer zij nog tot op den pot toe met bladeren
bezet is. Oude planten ruimt men liefst op, na ze den kop te hebben
afgesneden, die, als stek behandeld, zeer gemakkelijk wortel maakt. De
bloemen gelijken eenigszins op die van de naverwante Justicia,
doch bij goed gekweekte planten krijgt men ze niet te zien. De jonge
Sanchezia's moeten herhaaldelijk ingesneden worden, om goede, bossige
exemplaren te verkrijgen; overigens is de behandeling dezelfde als
die van de Justicia.
Strobilanthes Dyeriana. Deze Strobilanthes is een nog tamelijk nieuwe
plant; zij heeft ongeveer 15 cM. lange bladeren, die grof gezaagd
zijn en een blauwpaarsachtige kleur hebben.
De kleur der bladeren is het, die haar tot een prachtige bladplant
maakt; de slechts zelden verschijnende bloemen zijn violetkleurig
en trechtervormig.
Plaatst men de Strobilanthes voor een zonnig venster, dan groeit zij
zeer gemakkelijk; men kan haar echter ook met succes in den tuin,
vooral in mozaïek-vakken, gebruiken. Zij wil gekweekt worden in
zandige broeiaarde en laat zich goed door stekken voortkweeken.
Palmen.
De Palmen zijn de "Koningen van het plantenrijk"; zij zijn de
edelste vertegenwoordigers der tropische planten en tegelijkertijd
de elegantste en meest trotsche bladplanten voor de kamer. Langen
tijd heeft men de bruikbaarheid der Palmen voor de kamer bestreden;
langzaam maar zeker hebben zij zich echter een der eerste plaatsen
onder de kamerplanten weten te veroveren. De Palm is het zinnebeeld
van kracht en schoonheid, en de meeste der meer dan duizend bekende
soorten, die bij voorkeur in keerkringslanden gevonden worden,
ontwikkelen een buitengewone pracht.
Er zijn toch soorten onder, waarvan een enkel blad een breedte kan
bereiken van twee Meter, bij een lengte van acht à tien Meter. In
de cultuur ontwikkelen de Palmen zich natuurlijk niet tot zulke
reusachtige afmetingen; in de kamer worden zij slechts zelden zóó
groot, dat zij lastig worden, doch in de groote palmenkassen der
Botanische Tuinen kan men exemplaren vinden met hooge, slanke stammen,
gekroond door een reusachtige bladermassa, die ons dan ook eenigszins
het idee geven van de grootsche pracht, die deze planten op haar
natuurlijke groeiplaats ten toon spreiden.
Hoewel het aantal tegenwoordig in cultuur zijnde Palmen niet
gering is, zijn er toch niet veel van die soorten, welke meestal in
Botanische Tuinen gekweekt worden, welke voor kamerplanten geschikt
zijn. Met slechts enkele is dit het geval, maar die enkele kan men zich
gemakkelijk aanschaffen; zij worden tegenwoordig in zeer grooten getale
gekweekt, men kan ze in alle afmetingen verkrijgen en de prijzen zijn
niet meer buitensporig hoog.
De Palmen, voor kamercultuur geschikt, hebben lang niet zulk
een behoefte aan warmte, als men algemeen gelooft; enkele soorten
overwinteren zeer goed in een temperatuur van 40°-45° Fahr., en het
is zelfs mogelijk een enkele soort onder zeer goede bedekking des
winters buiten uitgeplant te laten staan. Wanneer een Palm in de kamer
niet groeien wil, en ten slotte doodgaat, dan gelooft men gewoonlijk,
de schuld in de te lage temperatuur te moeten zoeken; meestal echter
schuilt die in te veel warmte. Deze hoogere temperatuur zal op zichzelf
de plant weinig kwaad doen, maar zooals die heerscht in een kamer met
een droge, stoffige lucht, is zij voor Palmen steeds zeer verderfelijk.
Slechts een goed onderhouden, ongeschonden Palm, die zóó schoon
ontwikkeld is, dat hij als middenplant voor de bloemtafel of als
alleenstaande plant op een bloemenstandaard kan gebruikt worden, is
werkelijk schoon; is hij echter onregelmatig ontwikkeld en heeft hij
half verdorde bladeren, dan ontsiert hij een kamer meer dan elke andere
plant. Wil men zijn kamers met fraaie Palmen versieren, en wil men er
pleizier van hebben, dan moet men reeds met het koopen voorzichtig
zijn. De beste tijd om Palmen te koopen is de herfst, daar men dan
in de kweekerijen goed geharde planten vindt. Men kiest bij voorkeur
die soorten, welke aan het einde van dit hoofdstuk worden opgegeven
en die voor de kamer geschikt zijn. Vooral moet men er op letten,
dat de planten in niet te kleine, doch in goed geëvenredigde potten
staan, en ook, dat zij niet doorgeworteld zijn, daar men ze anders
dadelijk, of korten tijd na het koopen moet verplanten, terwijl dit
pas noodig moet wezen, wanneer zij goed aan de kamer gewend zijn. De
bladeren der Palmen moeten geheel gaaf zijn, d.w.z. zij moeten geen
dorre punten hebben, of de punten moeten niet bijgesneden zijn; ook
moeten zij vrij van ongedierte wezen, dat zich bij voorkeur achter
op de bladeren of op de bladstelen nestelt.
Werden de gekochte planten in een warme kas of bak gekweekt, dan moet
men ze nog eenige weken in de kweekerij laten, opdat de kweeker ze
langzamerhand kan afharden.
Heeft men eenmaal een Palm gekocht, en dien goed ingepakt aan huis
laten bezorgen, dan wil men hem niet alleen goedhouden, doch ook gaarne
zien, dat hij doorgroeit. De zorg, die men er dan aan moet besteden,
is tamelijk eenvoudig. Men zet de plant op een lichte plaats, zoo dicht
mogelijk voor het venster van een vertrek, dat over dag een temperatuur
heeft, van 55°-60° Fahr., welke des nachts kan vallen op 45°-50° Fahr.;
terwijl zij voor enkele soorten nog lager kan zijn. Men moet er nu voor
zorgen, dat zij nòch aan tocht, nòch aan stof wordt blootgesteld,
waartoe men haar, o.a. wanneer het vertrek schoongemaakt wordt,
tijdelijk in een andere kamer moet zetten, die voldoende verwarmd is,
terwijl zij eerst dàn weder op haar oorspronkelijke plaats mag gebracht
worden, wanneer het vertrek weer op temperatuur is gekomen. Eenmaal in
de week wascht men haar met een spons en lauw warm water voorzichtig
af, er voor zorgende, dat de bladeren niet scheuren; ook moet men
des winters de bladeren één keer per dag met den rafraîchisseur van
onder en van boven bespuiten. Wordt zij aangetast door ongedierte,
dan wordt dit met de middelen, vermeld in het hoofdstuk over deze
plagen, bestreden. Het verdorren der bladspitsen heeft bij de Palmen
een natuurlijk verloop, maar gewoonlijk gebeurt dit in de kamer
veel meer dan in de kas. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in
den veel langzameren groei in de kamers en ook in de droge lucht,
waaraan de planten zijn blootgesteld. De meest afdoende middelen,
om dit dor-worden zooveel mogelijk te voorkomen, zijn: de planten
niet te warm te zetten, de bladeren wekelijks af te wasschen en ze
dagelijks te besproeien. Verdorren de punten zóó sterk, dat de plant
er een minder fraai voorkomen door verkrijgt, dan neemt men een schaar
en knipt ze zoodanig af, dat het blad zoo weinig mogelijk van zijn
vorm verliest. Slechte bladeren worden met een scherp mes onder bij
den bladsteel afgesneden.
De Palmen groeien in den winter slechts zeer weinig; in Maart beginnen
zij weder langzaam aan den groei te komen. Niettegenstaande zij dus
een werkelijken rusttijd hebben, mag men de aarde in de potten nooit
droog laten worden. De groote bladeren verdampen toch heel wat water,
dat door wortels moet aangevoerd worden. Gedurende den winter moet
men ze steeds begieten met water, dat minstens de temperatuur heeft
van het vertrek, waarin zij staan, daar te koud water zeer licht
wortelziekte kan veroorzaken.
Des zomers is de behandeling der hardere soorten zeer eenvoudig,
wanneer men over een tuin kan beschikken, waarin zij ter versiering
goed gebruikt kunnen worden. Van Juni tot September groeien de
hardere soorten zeer goed buiten, als men ze op een beschutte,
half beschaduwde, plek zet. De Palmen, die ook des zomers in de
kamer blijven, moeten tegen scherpe zon geschermd worden, daar de
bladeren anders licht brandvlekken bekomen, en daardoor hun schoonheid
verliezen. Verder moeten zij dagelijks, al naar het weer donker of
helder is, een, twee of drie keer flink bespoten worden, terwijl men
ze ook rijkelijk moet begieten. Bij het gieten moet men er vooral op
letten, dat de, er onderstaande bakjes niet vol water blijven staan,
zooals maar al te vaak gebeurt. Direct, wanneer de planten na het
gieten uitgezakt zijn, moeten de bakjes geledigd worden.
Goed gezonde en bewortelde Palmen kan men des zomers minstens één keer
per week gieren. Verdunde koemest is hiertoe zeker het meest geschikt;
levert het gebruik hiervan in de kamers bezwaar op, dan moet men zich
met kunstmeststoffen behelpen.
Terwijl jongere Palmen ieder voorjaar moeten verpot worden, kunnen de
oude exemplaren, wanneer zij voldoende bemest worden, drie tot vier
jaren in denzelfden pot of kuip blijven staan. Bij het verplanten moet
men zeer voorzichtig zijn. De Palmen toch bezitten een zeer sterk
wortelgestel, lange zware hoofdwortels, die soms tien of vijftien
maal in den pot rondgegroeid zijn, zij hebben daarbij betrekkelijk
zeer weinig haarwortels. Nadat men den te verplanten Palm uit den pot
genomen heeft, wordt de kluit voorzichtig losgemaakt; men mag echter
aan de gezonde wortels in het geheel niet snijden, daar de ingesneden
Palmwortels zich meestal niet vertakken, doch geheel afsterven. Daar
deze lange hoofdwortels zich altijd onder aan de kluit ophoopen,
en er zich in het midden slechts weinig wortels bevinden, wordt het
gebruik van potten, die hooger zijn dan wijd, wel eens noodig. Men
vermijde het gebruik van zulke potten echter zooveel mogelijk, en
gebruike in geen geval de leelijke buisvormige potten, die wel in
den handel voorkomen. Sommige Palmsoorten ontwikkelen wortels uit
den stam, die dezen ten laatste uit de kluit tillen, zoodat zij dan
geheel vrij in de lucht staan. Zulke wortels behoeft men bij het
verplanten niet onder de aarde te brengen, daar zij zich na korten
tijd met een kurkhuid bedekken; wil men ze toch voedsel doen opnemen,
dan bedekt men ze met een laagje mos, dat goed vochtig gehouden wordt.
Voor het bevestigen van dit mos gebruikt men het best dun koper- of
looddraad. Van veel belang is de grondsoort, die men bij het verplanten
gebruikt, daar deze geregeld moet worden naar den gezondheidstoestand,
den leeftijd en de sterkte der plant. Heeft men jongere of zieke
Palmen, dan wordt lichtere, heeft men oudere en gezonde planten,
dan wordt zwaardere aarde gebruikt.
Drie- à vierjarige Palmen worden geplant in een mengsel van twee
deelen blad- of heide-aarde en één deel broeiaarde. Is de plant ouder,
dan gebruikt men meer broeiaarde en voegt, al naar de grootte van het
exemplaar, meer of minder graszodengrond aan het aardmengsel toe. Heeft
men planten in kuipen, dan kan dit mengsel bestaan uit gelijke deelen
bladaarde, broeiaarde en graszodengrond. Aan het grondmengsel worden
nog een hoeveelheid zand en eenige hoornspaanders toegevoegd. Daar de
Palmen in de kamer slechts langzaam groeien, moet men niet te groote
potten gebruiken. Bij het verplanten moet de aarde tamelijk vast
aangedrukt worden. Na het verplanten worden ze goed aangegoten en
voorloopig gesloten gehouden, d.w.z. volstrekt niet voor een geopend
venster gezet. Totdat zij beginnen door te groeien, moet men matig
zijn met gieten, doch des te meer spuiten.
De meeste Palmen zijn boomachtig; zij vertakken zich niet, men kan
ze dus niet door stekken, maar slechts langs den natuurlijken weg,
door middel van zaden, voortkweeken. Daar de Palmen in de grootere
kassen slechts zeer zeldzaam bloeien, en deze nog lang niet altijd
vrucht dragen, moeten de zaden dus uit het land van oorsprong worden
ingevoerd. Gewoonlijk ontvangt men de zaden nog omgeven met het
verdroogde vruchtvleesch. Daar de Palmzaden tamelijk spoedig hun
kiemkracht verliezen, moeten zij dadelijk na ontvangst in den grond
gebracht worden. Wil men ze in de kamer zaaien, dan doet men het best
een platten schotel of anders een 10 cM. wijden pot te nemen. Nadat
men den pot goed van drainage voorzien heeft, wordt het te gebruiken
grondmengsel niet te vast daarop gelegd en de pot daarmede bijna tot
den rand toe gevuld. In plaats van aarde, die niet erg voor warmte
toegankelijk is, gebruikt men bij voorkeur turfmolm, zaagsel of
kokos-vezel om in te zaaien, welk materiaal vóór het gebruik goed
vochtig moet gemaakt worden.
Heeft men de zaden van het hen omgevende vruchtvleesch ontdaan,
dan worden zij één voor één, dicht tegen elkaar in den grond gelegd,
daarna nog met een laagje gedekt en ten slotte flink aangedrukt. De
zaadpotten worden nu steeds matig vochtig en zeer warm gehouden;
het best zet men ze in het kamerkasje; heeft men een warmere plaats
dan daar, ook al is die minder licht, wat geen bezwaar is, daar de
zaden toch tamelijk lang werk hebben voordat zij kiemen, dan is dit
nog veel beter. Fig. 227 vertoont een enkelen pot met goed opgekomen
Palmzaden, alsook twee opgenomen zaailingen. Hebben de zaailingen de
grootte, zooals op de gravure staat, bereikt, dan worden zij uit den
pot genomen en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. Voor dit eerste
oppotten gebruikt men zandige blad- of heide-aarde. Men moet nu vooral
voorzichtig zijn, dat de zaadkorrel niet afbreekt, daar deze de jonge
plant gedurende den eersten tijd nog gedeeltelijk voedt. Men neemt een
niet te klein stekpotje, brengt daarin drainage, doet er wat aarde
in en houdt dan den zaailing er zóó in, dat de zaadkorrel onder den
rand komt te liggen. Het potje wordt nu geheel met aarde aangevuld,
die goed aangedrukt moet worden, waarna de opgepotte zaailing goed
wordt aangegoten.
Het kweeken van Palmen uit zaden is, wanneer men het in de kamer
moet doen, wel zeer interessant, maar niet erg loonend. Afgezien
nog daarvan, dat onder de betrekkelijk ongunstige omstandigheden
de kieming zeer lang duurt of wel geheel mislukt, moeten de jonge
zaailingen noodzakelijk in het kamerkasje worden gezet, waarin zij
zich nog zeer langzaam ontwikkelen. Bij slechts zeer weinig soorten
brengen de Palmzaailingen direct hun gekarakteriseerde bladeren voort;
de meeste maken de eerste twee, drie jaren lange smalle bladeren,
zooals op onze gravure zijn te zien, en die, al naar de soorten,
wat smaller of wat breeder zijn. Men moet bij in de kamer gekweekte
zaailingen veel langer op het eerste goed ontwikkelde blad wachten
dan bij in de kas gekweekte.
De Palmen worden in twee groepen verdeeld: die met vedervormige en die
met waaiervormige bladeren. Uit beide groepen willen wij slechts die
soorten vermelden, welke voor de kamer geschikt zijn en die men overal
goedkoop kan verkrijgen. De schoonste en dankbaarste Vederpalmen voor
de kamer behooren tot het geslacht Kentia.
De Kentia's behooren in Nieuw-Holland te huis. Ongeveer vijftig
jaar geleden werden zij nog tot de duurste soorten gerekend; sedert
dien tijd zijn er echter groote massa's goede zaden van ingevoerd,
waardoor zij veel goedkooper zijn geworden. Een der meest bekende en
gezochte soorten is de Kentia Balmoreana, (Fig. 228). Men kan op de
gravure de meest kenmerkende eigenschappen van het gansche geslacht
zien, namelijk de fraaie, licht gebogen bladeren, met de naar beide
zijden afhangende zijblaadjes en het flinke, krachtige voorkomen der
geheele plant. Naast deze soort wordt de Kentia Forsteriana het meest
aangetroffen, en zij verdient deze onderscheiding ten volle, daar zij
door haar lange bladstelen een zeer elegante verschijning is. Veel
gelijkenis met de Kentia's hebben de Areca's. Is de kleur der bladeren
bij de eerstgenoemde soorten eenigszins geelachtig, bij de laatste is
die donkergroen. De slanke bladeren zijn over het algemeen grooter;
de bladstelen en ook de vederblaadjes zijn eenigszins wit bestoven,
wat men zoo mogelijk niet moet afwasschen.
De schoonste en beste soort voor kamercultuur is de Areca Baueri. Uit
Fig. 229 kan men duidelijk zien, dat ook dit een zeer schoone soort
is. Deze van het eiland Norfolk afkomstige soort is tegenwoordig
zeer gezocht.
Een Areca Baueri, op een standaard geheel vrij staande, is een
prachtige kamerversiering, en, wat hoofdzaak is, zij is dit niet voor
eenige dagen, maar voor zeer langen tijd, wanneer men haar voorzichtig
en met overleg behandelt. Ook de stijvere Areca sapida (Fig. 230)
is een mooie en zeer dankbare kamerplant.
Zeer dicht aan het geslacht Areca sluit zich het geslacht Hyophorbe
aan. Een der hiertoe behoorende soorten, de Hyophorbe indica, in
den handel ook wel als Areca lutescens bekend, is een zeer goede
kamerplant. Deze soort groeit eenigszins bossig, wijl zij verscheidene
stengels vormt.
De voor kamercultuur meest bekende Vederpalmen behooren zeker wel tot
het geslacht Phoenix, waarvan zeer veel soorten in cultuur zijn. Het
zijn alle zeer elegante Palmen, met gootvormig gevouwen vederblaadjes
en aan den voet gedoornde bladstelen. Aan deze dorens kan men,
wanneer men niet voorzichtig is, zich vrij erg bezeeren.
De echte Dadelpalm, Phoenix dactilifera, laat zich gemakkelijk kweeken
uit de pitten der in den handel voorkomende dadels.
Deze zaden hebben voor hun kieming geen behoefte aan veel warmte;
des zomers kiemen zij zelfs wel buiten. De schoonste soorten
van het geslacht zijn Phoenix tenuis, met zeer fijne bladeren;
Phoenix rupicola, een zeer elegante soort, en Phoenix leonensis,
die niettegenstaande haar groote vederblaadjes, toch zeer sierlijk is.
Ook onder de Cocos-soorten treft men zeer fraaie kamerplanten
aan. Terwijl de echte Kokospalm, de Cocos nucifera, in de kamer in
het geheel niet en in een kas uiterst moeilijk te kweeken is, zijn
er andere soorten, die zeer dankbaar zijn. De Cocos Weddeliana,
afkomstig uit Brazilië, is zeker wel een der beste en te gelijk
een der mooiste Palmen voor de kamer. De fraaie, elegante bladeren
van deze soort zijn aan de bovenzijde glanzend groen en aan de
onderzijde zilverwit. Zij verkiest een kleiachtige aarde, voorzichtige
begieting en een eenigszins koele standplaats, daar zij anders spoedig
wortelziek wordt. In de laatste jaren wordt de Cocos Weddeliana in
zeer grooten getale gekweekt en overal voor kamercultuur aanbevolen,
zoodat men er jonge planten van vindt in bijna iedere uitstalling der
grootere bloemenwinkels. Een zeer dankbare kamerplant is ook de Cocos
Romanzoffiana; deze is afkomstig uit de gematigde streken van Brazilië
en vormt zeer lange bladeren, met elegant afhangende vederblaadjes.
Zeer sierlijke Palmen zijn ook eenige soorten van Chamædorea, van
wier slanke stammen wandelstokken worden gemaakt. Zij worden nog
betrekkelijk weinig gekweekt, hoewel zij in de kassen gemakkelijk
bloeien en zaad geven. De meest bekende soorten zijn de Chamædorea
Ernesti-Augusti en de Chamædorea elegans.