absolute rustperiode, wat niet wegneemt, dat zij toch wel degelijk
rusten. Zij behouden echter gedurende haar rusttijd de bladeren. De
bollen worden gekweekt in een mengsel van blad- en broeiaarde, ouden
graszodengrond en zand. Men behoeft ze niet alle jaar te verplanten,
wanneer men ze in haar groeitijd nu en dan giert. Bij het verplanten,
dat met het begin van den groeitijd moet gebeuren, schudt men al de
oude aarde tusschen de dikke wortels weg, en snijdt de zieke wortels
met een scherp mes af. Gedurende den rusttijd wordt weinig gegoten,
ook behoeft men haar dan geen lichte plaats te geven. Bij het begin
van den groeitijd zet men de planten voor het venster van een vertrek,
dat op 60°-65° Fahr. verwarmd wordt. Des zomers heeft zij zooveel
water noodig, dat men den pot in een schotel met water kan zetten.
Een zeer goede soort om in de kamer gekweekt te worden is de Pancratium
caribæum van de Canarische eilanden; ook de Pancratium speciosum van
de Antillen is een zeer dankbare en fraaie plant.
De voortkweeking van deze planten geschiedt het best door
kweekbolletjes, die bij het verplanten van de moederplant worden
afgenomen en afzonderlijk in potjes worden geplant.
Lilium (Lelie). De Lelies, de overal bekend en in trek zijnde
bolgewassen, behooren tot de familie der Liliaceeën. Deze prachtige
bloemplanten, die vooral voor den tuin groote waarde hebben, worden in
Japan met groote voorliefde gekweekt en van daar in grooten getale
in Europa ingevoerd. Zij ontwikkelen somtijds stengels van een
aanmerkelijke lengte, die met lancetvormige bladeren bezet zijn en
die dikwijls door tal van rijke, groote, zeer fraai gekleurde bloemen
gekroond worden. De zes bloemdekbladeren, die de bloem vormen, geven
haar nu eens het voorkomen van een pijpvormigen trechter, dan weer
zijn zij elegant teruggeslagen en de stamper en meeldraden steken
dan boven de fraai gevormde bloem uit.
Van de meer dan vijftig bekende Leliesoorten worden er slechts eenige
in potten gekweekt. Fraaie potplanten vormen de Lilium Harrisii,
met groote, trechtervormige, witte bloemen; de Lilium tigrinum,
met donkeroranje, van binnen met scharlakenrood gespikkelde bloemen;
de talrijke variëteiten der Lilium speciosum, met witte, vaak rose en
rood gespikkelde bloemen, welke soort ook wel voorkomt onder den naam
Lilium lancifolium, en eindelijk de fraaiste van alle Leliesoorten, de
Lilium auratum, met zeer groote witte bloemen, waarvan de bloembladeren
met purperroode stippels en gele strepen geteekend zijn. Deze soort,
waarvan ook enkele variëteiten bestaan, is zeer welriekend.
De bollen van deze Leliesoorten zijn ieder voorjaar bij goede
zaadhandelaars verkrijgbaar. In Japan worden talrijke Leliesoorten
niet alleen als sierplanten, doch ook als voedingsgewassen gekweekt,
waarvan de bollen gegeten worden.
De potcultuur der Lelies is zeer eenvoudig. Daar deze planten slechts
voor versiering van het balkon, de veranda of den tuin kunnen dienen
en in den zomer bloeien, begint zij pas in het voorjaar. Wij schaffen
ons dus sterke en vooral goed gezonde bollen aan, en planten die,
waartoe men potten gebruikt, die, al naar de grootte der bollen,
een doorsnede moeten hebben van 15 à 18 cM. Als aarde gebruikt men
een goed met zand vermengden, voedzamen grond. Een mengsel van goede
bladaarde met veel ouden, verteerden koemest is zeer geschikt. Bij
het oppotten der Leliebollen moeten wij met een eigenaardigheid
er van rekening houden; zij toch onderscheiden zich van de andere
bolgewassen daardoor, dat er zich uit de schijf slechts zeer weinig
duurzame wortels ontwikkelen; het meerendeel der wortels, die voor
de voeding der plant zorgen, ontspruit onder aan den stengel, dien
de bol voortbrengt. Deze wortels vormen als het ware een krans boven
den bol en sterven te gelijk met den stengel af. Om nu te zorgen,
dat de stengels deze wortels in voldoende mate voortbrengen, moeten
de bollen zóó diep geplant worden, dat later hun voeten diep genoeg
in de aarde komen te staan.
Nadat wij in den ledigen pot de drainage gelegd hebben, brengen wij
er een aardlaagje in van ongeveer 3 cM. dikte in. Op dit aardlaagje
strooit men een laagje goed zuiver zand van ongeveer 1 cM. dikte. De
vrij groote bol wordt nu zóó op dit zandlaagje gezet, dat de wortels,
die er zich aan bevinden, gelijkmatig in de rondte verdeeld zijn. Zijn
wij zoover, dan wordt de pot, tot op die hoogte, verder aangevuld,
zoodat de bol ongeveer ter halver hoogte in de aarde komt te staan
(Fig. 123). De zoo opgeplante bollen, die dus in slechts half gevulde
potten staan, worden matig vochtig gehouden en het best gezet op de
vensterbank van een niet al te warme kamer. Bij het intreden van
meer gestadig warm weer, worden zij op het balkon gezet. Spoedig
komt er nu groei in de bollen en beginnen zij een flinken scheut
voort te brengen. Is deze scheut zoover gegroeid, dat hij boven den
potrand uitsteekt, dan vult men den pot van lieverlede met aarde aan,
zoodat ten laatste slechts de gewone gietrand overblijft. Na zulk
een planting staan de voeten van de stengels in de aarde en kunnen
daarin rijkelijk wortel schieten.
Wil men zijn Lelies des zomers goed doen groeien, dan moet men
ze een zonnige standplaats geven in den tuin of op het balkon;
ook flink begieten en nu en dan gieren, is voor de ontwikkeling
zeer bevorderlijk; verplanten des zomers moet daarentegen vermeden
worden. Na het uitbloeien beginnen de Lelies langzamerhand af te
sterven; men giet dan ook steeds wat minder. Zijn de stengels geheel
afgestorven, dan worden de bollen uit de potten genomen en de doode
scheuten dichtbij den bol afgesneden. De bollen overwinteren het best
in een vorstvrijen kelder op een laag maar even vochtig wit zand,
daar zij niet goed verdragen geheel droog te overwinteren.
Heeft men zeer voedzame aarde gebruikt, dan kunnen de Leliebollen
er wel twee zomers in blijven staan. De stengels worden dan, zoodra
zij afgestorven zijn, gelijk met de aarde afgesneden. De potten laat
men daarna op een vorstvrije plaats overwinteren, en worden juist
zóó vaak begoten, dat de aarde niet geheel uitdroogt. Beginnen in
het voorjaar de jonge scheuten zich te ontwikkelen, dan zet men de
potten dadelijk buiten en geeft ze meer water. Later, wanneer de
stengels in vollen groei zijn, worden zij nu en dan gegierd. Sommige
Leliesoorten ondergaan deze behandeling liever, dan jaarlijks uit de
potten te worden genomen.
Enkele Lelies en daaronder ook de Lilium Harrisii, kan men, om ze reeds
vroeg in het voorjaar in bloei te hebben, reeds in den herfst oppotten;
zij groeien dan op een lichte koele standplaats den geheelen winter
door en zullen reeds in April of Mei bloeien. Toch is deze wijze van
behandelen voor den liefhebber, die zijn planten in de kamer kweekt,
niet aan te bevelen, omdat zij daar sterk van luis te lijden hebben.
De vermenigvuldiging der Lelies geschiedt door kweekbolletjes,
die zich bij enkele soorten o.a. bij de Lilium tigrinum ook in de
bladoksels ontwikkelen. In een tuin is de voortkweeking wel mogelijk,
omdat de bollen daar den winter door onder bedekking overblijven,
in een kamer is zij echter onuitvoerbaar.
Polyanthes tuberosa (Tuberoos). Onder de zeer gezochte zomer- en
herfstbloeisters neemt de Tuberoos zeker een voorname plaats in. De
Polyanthes behoort in Amerika en Afrika tehuis. Het is een bolgewas,
met lange, smalle, groene bladeren. Uit het midden der bladerrozet
verheft zich een bebladerde bloemsteng, die wel 75 cM. hoog kan
worden en die een dichte aar van witte, zeer welriekende bloemen
draagt. Bij den stamvorm zijn deze bloemen enkel en niet zoo heel
fraai. In Zuid-Frankrijk wordt deze enkelbloemige soort in het groot
voor de parfumerie-fabrieken gekweekt en van daar worden zij ook in den
naherfst in grooten getale naar de bloemenmarkten der groote steden
verzonden. Voor potcultuur wordt uitsluitend de gevulde variëteit
gebruikt. De schoonste en rijkst bloeiende variëteit draagt den naam
"The Pearl"; zij is van Amerikaanschen oorsprong en wordt van daar
zeer veel naar Europa verzonden.
De cultuur der Tuberoos is niet lastig. De bollen komen van den
naherfst tot het voorjaar in den handel voor, en worden tegen het
begin der lente opgepot. Men gebruikt voor het opplanten een met
veel zand vermengden goeden blad- of boschgrond, waar een weinig
graszodengrond aan toegevoegd kan worden; de te gebruiken potten
moeten ongeveer 12 cM. wijd zijn. In deze potten kan men een of twee
bollen planten, die zóó opgepot moeten worden, dat de hals van den bol
uit de aarde steekt. De bollen, die niet dadelijk, maar meestal pas
na eenige weken beginnen te groeien, moeten in den beginne slechts
zeer matig begoten worden, terwijl men ze een warme standplaats
voor het venster eener gestookte kamer moet geven. Zijn de bollen
eenmaal flink aan het uitgroeien, dan kunnen zij rijkelijk begoten
worden; zij behoeven dan geen warme standplaats meer te hebben,
en kunnen van Juni af in een zonnig plantenrekje voor het venster,
of op het balkon geplaatst worden. Nu en dan gieren met zeer slappe
koegier is zeer bevorderlijk voor den bloei. Het komt wel eens voor,
dat de hoofdscheut niet doorgroeit, terwijl zich een groot aantal
secondaire scheuten ontwikkelen. In zulke gevallen moeten de jonge,
kweekbolletjes direct weggebroken worden.
In Juli of Augustus, somtijds zelfs pas in September, is de groei
zoover gevorderd, dat de bloemknoppen, die in den beginne groen zijn
en later pas wit worden, sterk beginnen te zwellen. Tegen dezen tijd
moeten de stengels aan stokjes gebonden worden, ten einde te voorkomen,
dat zij buigen of afknakken. Plant men de bollen, die zeer lang droog
kunnen liggen, te laat in het voorjaar op, dan mislukt de cultuur,
wijl dan de ontwikkeling der knoppen in de sombere maand October valt,
en deze bij voortdurend donker weer niet open komen, doch beginnen
te rotten. Daar de bladeren der Tuberoos zeer gemakkelijk breken,
waardoor de plant minder mooi wordt, moet men zeer voorzichtig met haar
omgaan. De uitgebloeide Tuberoos heeft geen waarde meer, daar de bol,
na gebloeid te hebben afsterft. Men kan ze dus niet voortkweeken,
maar moet ieder jaar bloeibare bollen aankoopen.
Sternbergia. Dit lieve, tot de Amaryllideeën behoorende bolgewas
behoort in Zuid-Europa te huis. De Sternbergia's zijn planten, waarvan
de bloemen in den herfst vóór de bladeren verschijnen. De meest
bekende soorten zijn Sternbergia lutea en Sternbergia dalmatica. In
het begin van September worden de, gedurende den zomer rustende,
vrij groote bollen in betrekkelijk kleine potten geplant en reeds
tegen het einde van dezelfde maand vertoonen zich de eerste, gele
bloemen, waarvan iedere knol er van drie tot vijf voortbrengt. In
den vorm gelijken de bloemen op die van den Crocus. Geeft men den
Sternbergia's een koele, doch vorstvrije standplaats, dan zal de bloei
tot Januari toe duren, Nadat zij gebloeid hebben, moet men doorgaan met
de planten te begieten, daar zich dan pas de smalle bladeren beginnen
te ontwikkelen. Zijn de planten tegen den zomer afgestorven, dan worden
de bollen uit de potten genomen, in de lucht gedroogd, schoongemaakt
en bewaard tot September, wanneer zij opnieuw opgeplant moeten worden.
Vallota purpurea. De Vallota is weer een dier schitterende geslachten,
waaraan de familie van de Amaryllideeën zoo rijk is. Deze werkelijk
dankbare bloeister is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Uit een
niet zeer zwaren bol ontwikkelen zich, lange, stevige donkergroene
bladeren, uit welker midden in Augustus of September, de ongeveer 20
cM. lange, krachtige bloemsteng ontspruit, die talrijke, zeer fraaie,
roode bloemen draagt. Er zijn verscheidene variëteiten van bekend,
ook een met witte bloemen.
De cultuur is zeer eenvoudig. In de eerste plaats moeten wij er op
letten, dat de Vallota niet absoluut rust. Wel heeft zij gedurende
den winter haar rusttijd, doch zij verliest dan nòch geheel haar
wortels, nòch al haar bladeren, zoodat zij ook gedurende dezen tijd
niet geheel droog mag gehouden worden, hoewel zij dan met een minder
lichte standplaats in een koel vertrek tevreden is. Begint de Vallota
in het voorjaar uit te groeien, dan moet zij voorzichtig verplant
en daarna op een lichte plaats gezet worden. Hoewel een jaarlijks
verplanten wel wenschelijk is, is het voor de plant toch niet streng
noodzakelijk. Vele liefhebbers houden hun Vallota's jarenlang in
denzelfden pot, bemesten ze des zomers niet en verkregen toch zeer
bevredigende resultaten. Tegen het einde van Mei zet men de Vallota
op een eenigszins beschaduwde plek van het bloemenrekje buiten voor
het venster; hier zal zij dan ook later haar bloemen ontwikkelen.
De bollen der Vallota hebben een sterke neiging tot het vormen
van kweekbolletjes. Wil men sterke bollen hebben, dan moet
men die kweekbolletjes niet laten doorgroeien, maar ze tijdig
verwijderen. Breekt men de kweekbolletjes voorzichtig weg en plant
men ze gezamenlijk in een pot of schaal, dan kan men, wanneer zij
het tweede jaar in afzonderlijke potjes worden geplant, er voor het
venster zeer goed bloeibare bollen van kweeken.
In de laatste jaren wordt de Vallota meer en meer op waarde geschat
en de bollen worden zelfs in grooten getale ingevoerd. Aangezien deze
ingevoerde bollen echter droog en zonder wortels in den handel komen,
moet men, tot zij uitgroeien, zeer voorzichtig met de behandeling zijn.
Veltheimia viridifolia. De Kaap de Goede Hoop, het vaderland van
zoovele schoone bolgewassen, is het ook van deze Veltheimia. De plant
is reeds zeer lang bekend, en ook een zeer dankbare winterbloeister;
toch is zij lang niet zoo algemeen verspreid als zij verdient. Uit den
bol ontspruiten lange, breede, gootvormige bladeren, die aan den rand
licht gegolfd zijn. Tusschen deze bladeren verheft zich de bloemsteng,
die van 25-40 cM. hoog kan worden. De bloemsteng heeft een lichtbruine
kleur met groene vlekken, terwijl zij met een blauwachtig was overtogen
is. Deze bloemsteng draagt een dichte aar van pijpvormige, hangende,
zalmkleurige bloemen, die een lengte hebben van 5-7 cM. en geheel
reukeloos zijn. De bloeitijd, die zeer lang duurt, valt gewoonlijk
in den winter.
De cultuur der Veltheimia is zeer dankbaar. Van af Juli tot in
September zijn de bollen in volmaakte rust, men neemt ze niet uit
de potten, hoewel zij in het geheel niet gegoten mogen worden. In
September worden de bollen in behoorlijk groote potten verplant,
waartoe men bij voorkeur zandige compostaarde gebruikt. Bij het
verplanten neemt men den bol uit den ouden pot, schudt de aarde
tusschen de wortels weg, snijdt de doode wortels af en plant hem weder
zoodanig op, dat hij half boven de aarde uitsteekt. Tot laat in den
herfst houdt men de verplante bollen buiten; daarna worden zij in een
vertrek gezet, liefst voor het raam, met een gemiddelde temperatuur
van 50° Fahr. Hier komt de Veltheimia in bloei en wel gewoonlijk op
een tijd, dat de andere bolgewassen nog pas in knop zijn.
Na afloop van den bloei moet men doorgaan met haar te begieten,
daar de eigenlijke rusttijd pas in den zomer begint.
De vermenigvuldiging geschiedt door kweekbollen, die de plant zeer
gewillig voortbrengt.
Wil men fraaie planten kweeken, dan laat men de jonge bollen aan de
moederplant zitten. Zij zijn dan binnen een paar jaar bloeibaar en
men krijgt zoodoende exemplaren, die met zes en meer bloemstengen
kunnen bloeien.
Aroideeën of Aäronskelkachtige planten.
De familie der Aroideeën is een zeer interessante, die meer dan 500
bekende soorten telt en die tot de groote groep der Eénzaadlobbige
planten behoort. De Aroideeën zijn over de geheele aarde verspreid;
de fraaiste soorten vindt men echter in de tropische streken der
Oude en Nieuwe Wereld. Het zijn gewoonlijk kruidachtige planten met
knolvormige, klimmende of kruipende wortelstokken, of met zeer weeke
stammen, en ze behooren meestal in de tropische wouden thuis. De
meeste soorten worden in haar vaderland aangetroffen op moerasachtige
bodems, waarboven zij zich vaak door haar luchtwortels verheffen, om
zich zoodoende aan andere planten vast te hechten of tegen stammen van
boomen op te klimmen. Eenige soorten, met een knolvormigen wortelstok,
groeien bij voorkeur in drogere streken. Enkele van deze laatsten zijn
in de tropen zeer nuttig; men verbouwt ze er als voedingsgewassen en
de knollen zijn, gekookt of geroosterd, een zeer goed voedsel.
De bloemen van alle Aroideeën zijn klein en onbeduidend; zij zitten
op een vleezige, onverdeelde kolf, die in de meeste gevallen door een
scheedevormig schutblad omgeven wordt. Dit schutblad, dat de bloemkolf
in den beginne omgeeft, maar later terugslaat of zich oprolt, verleent
aan de planten haar groote waarde. Al die soorten, welke in de kamer
of de plantenkas rijk bloeien en zich onderscheiden door fraaie
witte, rose, roode, donkerbruine of gele bloemscheeden, worden tot
de bloem-Aroideeën gerekend. Naast deze fraai bloeiende staan andere,
waarvan de bloemscheeden een onbeteekenende, somtijds leelijke, groen-
of geelachtige kleur hebben, maar die dan door de trotsche houding of
groote afmeting der bladeren een hooge waarde bezitten. Zoowel onder
de schoon bloeiende als onder de schoonbladerige Aroideeën zijn er,
jammer genoeg, slechts weinige, die als kamerplanten een burgerrecht
verkregen hebben. Onder de bekendste schoon bloeiende soorten behoort
zeker wel de Calla (Richardia) æthiopica, algemeen bekend onder den
naam van Aäronskelk.
Deze plant, afkomstig van de Kaap de Goede Hoop, heeft lang gesteelde,
pijlvormige, glanzend groene bladeren, waartusschen zich de vaak een
Meter hoog wordende bloemstelen verheffen, die de bloemkolven dragen,
welke van groote, witte, welriekende, peperhuisvormige bloemscheeden
omgeven zijn. De bloeitijd valt in de lente of den zomer, doch kan
door een goede cultuur ook naar den winter verplaatst worden. Wanneer
men de Calla goeden voedzamen grond geeft, dan is zij een flinke
groeister. Het best kweekt men haar in een mengsel van gelijke deelen
broeiaarde en veengrond, waar natuurlijk een voldoende hoeveelheid
zand aan moet worden toegevoegd. In het voorjaar, zoodra zij nieuwe
bladeren begint te maken, moet zij verpot worden. De pas verplante
Calla geeft men een lichte standplaats in een matig verwarmd vertrek;
zij maakt dan spoedig wortels in de nieuwe aarde, en verlangt
dan zeer veel water. Des zomers eischt zij zooveel water, dat het
geraden is de potten in gewone schoteltjes te zetten en deze steeds
met water gevuld te houden. Zoolang men de Calla in de kamer kweekt,
moet zeer gelet worden op de bladluizen, waardoor zij vaak aangetast
wordt. Zoodra eenigszins vast warm weer intreedt, zet men haar in het
bloemenrekje voor het venster, op het balkon of in den tuin. Behalve
op behoorlijke begieting en bemesting moet men des zomers ook letten
op tijdige verwijdering der kweekknollen, die in grooten getale zich
ontwikkelen en de moederplant aanmerkelijk verzwakken. Uit deze
kweekknollen kunnen weder jonge planten opgekweekt worden. In den
herfst begint de rusttijd der Calla; zij wordt dan minder begoten en
overwintert in een koele, doch vorstvrije kamer. Het is niet geraden
haar des winters zóó droog te houden, dat zij haar bladeren verliest en
tot op den knol afsterft. Heeft men goed gekweekte en sterke planten,
dan ontwikkelen zich vaak reeds in Januari en Februari de eerste
bloemknoppen tusschen de bladeren. Deze planten zet men warmer,
waardoor een vervroegde bloei verkregen wordt. Gewoonlijk wordt de
Calla te warm gehouden; zij vormt dan lange bladstelen, die meestal
te zwak zijn om de bladeren te dragen en dus omknikken. Ook zullen
zulke planten zeer zwak of in het geheel niet bloeien.
Men heeft in den laatsten tijd verschillende variëteiten van de
Calla gewonnen, waaronder wel het meest uitmunt de "Little Gem,"
een laag blijvende, doch zeer rijk bloeiende variëteit. Ook de Calla
Childsiana, een uit Amerika stammende soort, is in korten tijd zeer
populair geworden. Haar bloemscheede is schitterend wit, groot en mooi
naar buiten omgeslagen. Een andere, die ook zeer veel aangetroffen
wordt, is de Calla æthiopica albo-maculata, die wit gevlekte bladeren
heeft. Deze in al haar afmetingen kleinere, doch veel stevigere plant,
is reeds lang bekend. De pijlvormige bladeren zijn geelachtig groen
met talrijke witte vlekken; de bloemscheeden zijn aan de buitenzijde
evenzoo licht geelgroen, aan de binnenzijde echter wit. Deze variëteit
sterft in het najaar, dus tegen den rusttijd, geheel af. De vlakke,
zware knollen laat men droog en vorstvrij overwinteren; zij worden in
Februari of Maart in zeer voedzamen grond opgepot en voor het venster
gezet, waar zij weder spoedig zullen uitgroeien. Bij het oppotten
moet men er op letten, dat de knollen geheel onder de aarde komen
te liggen. De cultuur is overigens geheel dezelfde als die van den
stamvorm. Beide planten zijn ook voor het aquarium te gebruiken.
Evenals de Calla's behandelt men ook de in de laatste tijden ingevoerde
Arum-soorten met fraaie bloemen, die een zeer donkerbruine, ja somtijds
zelfs een bijna zwarte bloemscheede hebben. De meest bekende van
deze soorten is de uit Palestina afkomstige Arum sanctum, ook wel
Arum palæstinum genaamd. Hoewel deze geen moerasplant is, moet zij
gedurende haar groeitijd zeer veel begoten worden. De Arum sanctum
rust in den zomer; de knollen worden in den herfst opgepot en in een
matig warme kamer gekweekt. De zeer fraaie bloemen verschijnen dan
gewoonlijk in April of Mei.
Terwijl de thans behandelde Aroideeën alle des zomers buiten willen
staan, zijn er bij de Anthuriums planten, die zeer schoon bloeien,
doch het geheele jaar door in de kamer moeten gekweekt worden. De
Anthuriums zijn kruidachtige planten, waarvan de bloemen door het
zachte rose of het vurige rood der bloemscheeden groote waarde
bezitten. Eenige soorten, die, jammer genoeg, uitsluitend in kassen
moeten gekweekt worden, munten ook uit door prachtig gevormde of
geteekende bladeren. Voor kamercultuur is zeer aanbevelenswaardig de
Anthurium Scherzerianum, een plant, die een niet te grooten omvang
krijgt, hard is en dankbaar bloeit. Fig. 132 vertoont een oud fraai
specimen van deze soort.
De Anthurium Scherzerianum, is afkomstig uit Guatemala en is kenbaar
aan haar lange, zeer donkergroene, lederachtige bladeren. De bloemen
verheffen zich op lange stelen boven de bladeren. De bloemkolf is
in verschillende bochten gewonden en de teruggeslagen, dikwijls
aan de spits eenigszins opgerolde bloemscheede prijkt met het
schoonst denkbare rood. De oorspronkelijke soort is door de kweekers
aanmerkelijk verbeterd. Men heeft variëteiten gewonnen, waarvan de
bloemscheeden alle tinten, van het zachtste rose tot het donkerste
rood, doorloopen; ook zijn er met geheel witte bloemscheeden en
met rood en wit gevlekte. Al deze variëteiten zijn echter tamelijk
zeldzaam en dan ook zeer duur.
Daarentegen is de zoogenaamde grootbloemige variëteit, de Anthurium
Scherzerianum grandiflorum, met een zeer groote, fraai roode
bloemscheede, vrij algemeen verspreid.
Men kweekt deze planten het best in vlakke potten of schalen. Bij
het verplanten moet men zeer voorzichtig zijn met de dikke, vleezige
wortels, daar die zeer broos zijn en dus gemakkelijk afbreken. De
potten moeten goed gedraineerd zijn. Voor het verplanten gebruikt
men zeer grove, vezelige heiaarde of boschgrond, gehakt sphagnum en
kleine stukjes graszodengrond. Bij dit grondmengsel voegt men een
goede hoeveelheid scherp zand, benevens stukjes houtskool. Deze aarde
moet niet te vast aangedrukt worden. Bij het verplanten moet men er
ook nog voor zorgen, dat de Anthurium flink boven den pot uitgeplant
wordt. Goed bewortelde planten verlangen veel water, des zomers moeten
zij vaak bespoten worden, terwijl men ze tegen te felle zon moet
schermen; des winters moeten zij in een gemiddelde temperatuur van
65°-70° Fahr. staan. De bloemen verschijnen het geheele jaar door,
en, kan men de Anthurium in een kamerkasje zetten, dan zal zij bij
voorkeur in den nawinter bloeien.
De vermenigvuldiging geschiedt door deeling van de oude plant; het
zaaien der in de roode bessen zittende zaden is voor kamercultuur
niet aan te bevelen.
Een plant, die men in de handelscatalogi vaak vindt opgegeven,
is de Anthurium Dechardii of juister Spathiphyllum Dechardii. Deze
heeft vrij groote, vlakke groene bladeren, die op stelen van 20 à
25 cM. lengte staan. De bloemen zijn aan de buitenzijde groenachtig,
aan de binnenzijde daarentegen porseleinwit. Het is een voor de kamer
zeer aanbevelenswaardige plant, die op dezelfde wijze als de vorige
Anthurium moet gekweekt worden.
Eenige overeenkomst met deze plant heeft de Spathiphyllum cannæfolium;
zij verschilt van haar door de iets langere bladeren en bladstelen,
terwijl de bloemen aan binnen- en buitenzijden wit, en zeer welriekend
zijn. Zij groeit zeer goed op een lichte standplaats in een warme
kamer.
Onder de Aroideeën, die veel voor de schoone bladeren gekweekt worden,
nemen de verschillende soorten van het geslacht Philodendron een
voorname plaats in. Deze soorten onderscheiden zich door een groot
verschil in groei en in bladvorm. Dikwijls hebben zij een zeer fraaie
groeiwijze, vaak zijn het echter snel groeiende lianen, die tegen
de vochtige muren der kassen opklimmen, waaraan zij zich met haar
dikke luchtwortels vasthechten. Van het eenvoudigste, gaafrandige,
lancetvormige tot het fraaiste dubbel gevinde blad vindt men in het
geslacht Philodendron vertegenwoordigd. De geschiktste soort voor de
kamer is de Philodendron pertusum, een plant, waarvan de juiste naam
Monstera deliciosa is, doch die onder eerstgenoemden naam het meest
wordt aangetroffen.
Onze figuur 134 toont een bloeiende plant, die als zoodanig echter
uitsluitend in kassen voorkomt, wijl zij in bloeienden staat voor
de kamer te groot is. Figuur 135 toont een jonge, uit stek gekweekte
plant, zooals men ze in de kamer nu en dan wel aantreft. De vruchten
van deze Monstera's zijn zeer geurig en worden in de tropen veel
gegeten. De Monstera met haar glanzend, donkergroene, fraai verdeelde
bladeren, die haar de grootste waarde verleenen, behoort wel tot een
der beste kamerplanten. Zij heeft niet zeer veel licht noodig en kan
vooral des winters op een tamelijk donkere plaats staan, terwijl zij
zich ook niet erg gevoelig betoont voor stof en droge kamerlucht,
zoodat zij al de eigenschappen van een goede kamerplant bezit.
De Monstera moet jaarlijks verpot worden in zeer voedzame, doch niet
te zware aarde, terwijl zij het geheele jaar door in de kamer moet
worden gehouden.
De voortkweeking, die in de kamer maar zelden zal gelukken, wordt in
de kweekerijen bewerkstelligd door den kop van de plant af te snijden
en dien als te steken. De oude stam zal dan eenige zijscheuten maken,
die, zoodra zij sterk genoeg zijn, ook weer als stekken kunnen gebruikt
worden. Vaak komt het voor, dat de stekken, voordat ze gesneden worden,
reeds beworteld zijn, daar ieder blad bij zijn ontwikkeling gewoonlijk
een luchtwortel medebrengt. Het snijvlak der stekken maakt geen wortels
en groeit ook niet dicht, maar sterft zeer langzaam in, wat niet belet,
dat de stekplanten zeer goed groeien. Een zeer fraaie kamerplant is
ook de Monstera (Philodendron) bipinnatifida uit Brazilië, met groote,
diep ingesneden en doorboorde bladeren.
Een andere zeer goede kamerplant, tot de familie der Aroideeën
behoorende, is de Colocasia odora. Deze, die uit Oost-Indië afkomstig
is, kan somtijds zeer groote, lang gesteelde bladeren dragen. Haar
cultuur is eenvoudig, daar zij in de zon zoowel als in de schaduw goed
groeit en zelfs midden in den zomer buiten kan staan. Zij verlangt
een goeden, doch vooral niet te zwaren grond en des zomers zeer veel
water. Van belang is het, dat men haar bladeren vrij van stof houdt,
en er voor zorgt, dat zij in een eenigszins gelijkmatige temperatuur
Staat.
Zeer schoone bladplanten, die veel gekweekt worden, en vooral als
jonge planten, uitstekend voor de bloemtafel geschikt zijn, zijn de
Dieffenbachia's. De bloem van deze Zuid-Amerikaansche plant is zeer
onbeduidend; zij is geelachtig groen en komt niet voor, waarom men dan
ook meestal de knoppen niet tot ontwikkeling laat komen, maar ze uit
de plant breekt, voordat zij opengaan. De waarde der Dieffenbachia's,
die in veel soorten gekweekt worden, is gelegen in de fraaie, meestal
zeer mooi gekleurde of gevlekte bladeren. Zeer schoon zijn vooral
die soorten, welke gevlekte bladeren dragen, wijl deze vlekken vaak
ook op de bladstelen voorkomen. De figuren 136 en 137 toonen twee
jonge Dieffenbachia's, namelijk de Dieffenbachia Baumannii en de
zeer schoone Dieffenbachia magnifica. In de kweekerijen worden deze
planten door stekken en ook door stamstukjes voortgekweekt. Voor deze
laatste methode snijdt men den stam in juist zooveel stukjes als er
zich oogen op bevinden en legt deze bij voorkeur in verwarmd zand;
ieder oog zal dan uitgroeien en een jonge plant vormen. In de kamer
gaat het voortkweeken, zoowel op de eene als op de andere wijze, echter
niet best en is daarom niet aan te raden. Het best doet een liefhebber
met zich in het najaar jonge Dieffenbachia's aan te schaffen en ze
een lichte plaats in het woonvertrek te geven. Des winters worden ze
matig begoten en de teere bladeren vaak afgewasschen. Het verplanten
geschiedt in het voorjaar in zeer voedzamen, doch niet te zwaren
grond. Ook des zomers moeten de Dieffenbachia's in de kamer gekweekt
worden; zij verlangen dan rijkelijk water en moeten dikwijls bespoten
worden, terwijl men ze tegen felle zon moet schermen. Alleen als jonge
planten verdienen de Dieffenbachia's aanbeveling; worden zij ouder,
dan vormen zij een dikken, vleezigen stam en maken kleinere bladeren;
zij zijn dan niet mooi meer, daar zij ook vaak krom groeien.
De fraaiste en allersierlijkste geteekende planten onder de Aroideeën
zijn zeker wel de Caladiums. Daargelaten enkele groenbladerige soorten,
zijn de Caladiums alle, zeer fijne, uiterst teere planten. Deze
bewonderenswaardige planten, uit tropisch Amerika, behooren tot de
knolgewassen: haar bloemen zijn onbeduidend en moeten dan ook tijdig
weggebroken worden. De bladeren, die meer of minder breed, maar steeds
pijlvormig zijn, prijken bijna altijd met de fraaiste kleuren. De
groene kleur der bladeren gaat somtijds geheel verloren en daarvoor
treden dan in de plaats wit, karmijn, purper, rose of geel. Somtijds
zijn de bladeren éénkleurig, dan weder gevlekt of gestippeld, of
wel tegen de grondkleur der bladeren vertoonen de nerven zich in een
geheel andere kleur en leveren zoo een interessant gezicht op.
Des winters rusten de Caladiums; de knollen moeten dan droog en
warm bewaard worden. In het voorjaar plant men ze op in met zand
vermengden turfmolm. Houdt men ze daarop warm, en in den beginne
slechts matig vochtig, dan zal het niet lang duren of ze beginnen
uit te groeien. Zoodra zij goed teekenen van leven gaan geven,
neemt men de knollen uit den turfmolm en plant ze in niet te groote
potten in een mengsel van ruwen boschgrond, vermengd, zoo mogelijk,
met wat turfstrooiselmest, gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Voor
een goede ontwikkeling is het zeer raadzaam, dat ze des zomers vaak
worden verpot, terwijl ook goed gezorgd moet worden voor scherming
tegen de zon.
Beginnen de knollen pas uit te loopen, dan kan men ze vermenigvuldigen
door ze in zooveel stukken te snijden als er oogen op zitten. De
snijvlakken moeten dan goed met fijne houtskool bepoeierd
worden. Jammer is het, dat de Caladiums een gesloten, vochtig warme
lucht verlangen, zoodat zij moeilijk voor kamerdecoratie gebruikt
kunnen worden. Haar cultuur is slechts mogelijk in een kamerkasje,
mits dit niet te klein zij, daar verscheidene soorten ruim 60 cM. hoog
en zeer breed worden. Men heeft er, vooral in de laatste jaren,
werkelijk prachtige variëteiten van gewonnen, met bijna transparante
bladeren. Een zeer lieve miniatuursoort is de Caladium argyrites met
groene, wit gevlekte bladeren. Een andere witbonte variëteit is onlangs
in den handel gebracht onder den naam Caladium liliputense, terwijl nog
enkele andere kleine variëteiten in de kassen der kweekers voorkomen.
Bromeliaceeën of Ananasachtige planten.
De familie der Bromeliaceeën staat in schoonheid en eigenaardigheid
zeker niet veel achter bij die der Orchideeën. Zij komen in dezelfde
streken voor, leven onder gelijke omstandigheden en worden niet
zelden tezamen op dezelfde boomen aangetroffen. Terwijl men vroeger
de Bromeliaceeën uitsluitend aantrof in Botanische Tuinen, vindt men
ze tegenwoordig reeds in de kassen van veel kweekers en liefhebbers,
en sinds het bekend geworden is, dat het zeer dankbare en sterke
kamerplanten zijn, begint men ze hier en daar reeds in de vertrekken
te zien. In Parijs worden enkele Bromeliaceeën-soorten reeds op de
markten verkocht, waartoe zij te Versailles in grooten getale worden
gekweekt. Ook in België en Engeland beginnen zij meer en meer veld
te winnen, en wij hopen van harte, dat het niet lang meer zal duren,
dat zij ook hier naar waarde worden geschat. Algemeen bekend is zeker
wel de vrucht van de gewone Ananas. Deze soort, die in West-Indië en
Centraal Amerika thuis behoort, wordt al naar den vorm en de grootte
der vrucht, in talrijke variëteiten gekweekt. Ook een bontbladerige
vorm van deze soort wordt als sierplant aangetroffen; deze is echter
te gevoelig en ook te duur om haar als kamerplant aan te bevelen.
De Bromeliaceeën behooren, evenals de Cactussen, uitsluitend in
tropisch en sub-tropisch Amerika tehuis. Volgens Prof. Witmack
worden zij het meest aangetroffen in Zuid-Amerika en wel speciaal in
Brazilië en Columbië, dus in het Amazone-gebied; doch ook West-Indië,
Guyana, Peru, Chili en Argentinië zijn rijk aan soorten. De meeste
Bromeliaceeën zijn zoogen. epiphyten, d.w.z. planten, die op andere
levende gewassen leven, doch nooit met haar wortels daarin doordringen
om er voedsel aan te onttrekken. Sommige soorten groeien in de diepe
schaduw der oerwouden, andere vindt men in de kronen van groote
boomen, of boven op hooge bergen, zoo o.a. boven op de Itatiaia in
Brazilië (3000-3300 M.) en op de Andes van Peru, tot een hoogte van
4300 M. Andere soorten leven weder in den bodem of op rotsen en deze
hebben het liefst een lichte, droge standplaats; het zijn in hoofdzaak
die van de Mexicaansche hoogvlakten. Zoo bij voorbeeld is de Guzmannia
tricolor een der soorten, die volgens André in een droge, dorre streek
wonen en zeer goed in de brandend heete lucht bloeien. Het is een
ongeveer 30 cM. hoog wordende kamerplant met zeer interessante bloemen.
De wortels van de Bromeliaceeën zijn over het algemeen zeer weinig
ontwikkeld, en vooral is dit het geval bij de op boomen groeiende
soorten; vele hebben slechts als zaadplantjes enkele worteltjes
en leven verder geheel wortelloos, haar voedsel geheel opnemende
uit de vochtige lucht. In de Botanische Tuinen ziet men deze hoogst
interessante, maar uit een tuinbouwkundig oogpunt waardelooze planten,
vaak jarenlang tegen een stukje kurkschors gehecht, uitstekend
groeien. De meeste Bromeliaceeën hebben riem- of lijnvormige,
ongesteelde bladeren, die aan den voet meestal verbreed zijn. Bij
enkele soorten zijn zij zeer fraai geteekend. Tusschen de bladeren en
in het hart der plant verzamelt zich water, dat er zelfs in het droge
jaargetijde nog te vinden is. De bloemen der Bromeliaceeën zijn zeer
interessant en de bloeiwijze is vaak prachtig, door de schoon gekleurde
schutbladeren, die de bloemen omgeven, terwijl ook vaak, wanneer zij
gaan bloeien, de hartbladeren een zeer schoone kleur aannemen.
Jammer is het, dat bij enkele soorten de bloemen maar zeer kort,
vaak niet langer dan enkele uren, duren, maar daar staat tegenover,
dat meestal de bloemen aan een zelfde bloeiwijze na elkander openkomen,
zoodat de bloei dan toch vrij lang duurt. Bij enkele soorten hebben ook
de vruchten een zeer fraai voorkomen. Talrijke Bromeliaceeën zijn reeds
zonder bloemen waard om gekweekt te worden zoowel om haar houding,
als om den vorm en de kleur harer bladeren, en haar geheele voorkomen,
waarin het eigenaardige karakter dezer familie zich afspiegelt. De
Bromeliaceeën kunnen een zeer aardige afwisseling geven aan de in de
kamer gekweekte planten. De grootere soorten maken een zeer fraaie
figuur op een bloemstandaard of op een bloemtafel, terwijl de kleinere
op de vensterbank en de kleinste in het kamerkasje of het terrarium
aangename verschijningen zijn, die zeer goed kunnen wedijveren met
de fraaiste bladplanten, en dikwijls bloeien in een jaargetijde,
dat zeer arm aan bloemen is.
Uit de hiervoor beschreven levenswijzen en groeiplaatsen zal al wel
gebleken zijn, dat niet alle Bromeliaceeën op gelijke wijze behandeld
moeten worden. De zeer harde, veel ruimte eischende Ananas-soorten
zijn evenmin als kamerplanten aanbevelenswaardig als de uiterst
teere soorten, die men er onder vindt en het zou dus nutteloos zijn
te beproeven, die in de kamer te kweeken. Die soorten echter, welke
voor kamercultuur geschikt zijn, kunnen bijna alle op dezelfde wijze
behandeld worden. Het lastigste gedeelte der cultuur van Bromeliaceeën
is de behandeling der zaden en zaadplantjes, maar men doet het best
dit aan een kweeker van beroep over te laten. Een liefhebber moet
goed bewortelde planten koopen, die dan, voorzichtig behandeld,
hem veel genot kunnen verschaffen, daar zij zich tot fraaie planten
zullen ontwikkelen.
Voor het kweeken van Bromeliaceeën kan men slechts een kamer
gebruiken, die des winters geregeld verwarmd wordt en een gemiddelde
temperatuur heeft van 60°-65° Fahr. Het best plaatst men ze hier op
standaards, die voor verscheidene planten zijn ingericht of anders
op de vensterbank, doch dan zóó, dat zij de ruiten niet aanraken. In
den winter moet er op gelet worden, dat zij vooral niet aan tocht-
of temperatuurschommelingen zijn blootgesteld, daar de Bromeliaceeën
dit evenmin verdragen als andere tropische planten. Moeten dus voor
het schoonmaken der kamer de vensters geopend worden, dan zorgt
men de planten tijdelijk te verwijderen. De Bromeliaceeën zijn zeer
zindelijke planten, die bij een goede behandeling, absoluut vrij van
ongedierte blijven. Daar droge lucht voor veel soorten verderfelijk
kan zijn, moet men ze niet slechts des zomers, maar ook op heldere
dagen des winters met den rafraichisseur herhaaldelijk spuiten, of
wel ze met een spons aan de onder- en bovenzijde der bladeren nu en
dan afwasschen. Zaak is het te zorgen, dat zij van het voorjaar tot
aan den herfst niet aan de volle zon zijn blootgesteld, waarom er
voor behoorlijke scherming moet gezorgd worden. Veel soorten rusten
gedurende den winter en moeten dan natuurlijk veel minder begoten
worden; andere daarentegen groeien en bloeien juist in dien tijd en
deze moeten natuurlijk behoorlijk vochtig gehouden worden. Bij een
beetje oplettendheid kan men al heel spoedig bemerken, welke soorten
rusten en welke doorgroeien.
De beste tijd om de meeste Bromeliaceeën te verplanten is vroeg in het
voorjaar. Daar het planten zijn, die zeer weinig wortels bezitten,
moet men met het verpotten voorzichtig zijn, slechts kleine potten
gebruiken en, moet men ze in grootere potten zetten dan moge deze
slechts weinig grooter zijn dan die, waarin ze gestaan hebben. Daar
de meeste soorten in haar natuurlijken toestand op boomen en andere
planten groeien, moet men ze een zeer lichte grondsoort geven. Het
best zet men ze in zeer ruwen bosch- of vezelgrond, vermengd met
gehakt sphagnum en stukjes houtskool. Door zeven verwijdert men alle
fijnere deelen uit deze aarde, waarna men er nog wat zand doorheen
mengt. Zeer goed doet men ook door, wanneer men het voorhanden heeft,
enkele stukjes half verteerd hout bij het grondmengsel te voegen;
men moet er echter op letten, dat deze niet beschimmeld zijn. Bij
het verplanten moet men zooveel mogelijk van de oude aarde uit
de wortelkluit verwijderen, waarbij vooral opgepast moet worden,
dat men de jonge gezonde wortels niet beschadigt. Heeft men de te
gebruiken potten gereinigd, dan worden die van een zeer goede drainage
voorzien, waarop men er een laagje aarde in brengt, dat met de hand
goed vastgedrukt wordt. In de zoo klaargemaakte potten houdt men dan de
planten met de linkerhand en wel zóó, dat zij slechts iets dieper komen
te staan, dan zij oorspronkelijk stonden; met de rechterhand vult men
dan den pot verder aan, er voor zorgende, dat de aarde goed tusschen
de wortels wordt verdeeld en dat zij behoorlijk wordt aangedrukt. Na
het verpotten worden de planten flink aangegoten, waarbij men zorgt,
dat het water goed door de aarde trekt.
Van de talrijke geslachten, die de familie der Bromeliaceeën rijk is,
zijn het vooral de geslachten Vriesea en Tillandsia, die ons fraaie
kamerplanten leveren. De meest bekende is zeker wel de Vriesea
splendens, met fraaie bladeren, die een groene grondkleur hebben,
waarover donkerbruine dwarsstrepen loopen. Midden uit de bladerrozet
ontspringt de bloeiwijze, die een lange spitse aar vormt, bestaande
uit menieroode schutbladeren, welke dakpansgewijze over elkander
liggen, en waartusschen de gele bloemen verschijnen, die echter van
zeer korten duur zijn.
Deze bloeiwijze ontwikkelt zich gewoonlijk in December, en duurt zeer
lang. Een andere, eveneens in den winter bloeiende soort, die veel
gekweekt wordt, is de Vriesea brachystachys. Deze vormt slechts een
kleine bladerrozet van licht geelgroene bladeren, uit welker midden
de bloeiwijze verschijnt, die ook uit dicht op elkander geplaatste
schutbladeren bestaat, welke aan den steel donker vermiljoenrood en aan
de uiteinden goudgeel zijn. De geheele bloeiwijze heeft den vorm van
een platten, driehoekigen kam; zij is ongeveer 5 à 6 cM. hoog en staat
op een bloemsteng van 15 à 20 cM. lengte. In de laatste jaren is een
zeer groote soort in den handel gekomen, de Vriesea hieroglyphica. Deze
vormt een bladroset, die wel een hoogte kan bereiken van 1 Meter. De
bladeren zijn licht geelgroen en met bruine vlekken geteekend. Deze
vlekken herinneren sterk aan de karakters van het oud Egyptische
schrift. Een zeer fraaie plant is ook de Vriesea fenestralis, waar
op een lichtgroenen ondergrond een aantal donkergroene in elkander
loopende vierkantjes zichtbaar is. Zeldzamer dan deze soort is de
V. Saundersii. Deze soort heeft blauwgroene bladeren, die eenigszins
dof en aan den voet en de onderzijde met donkere vlekken geteekend
zijn. De op een flinke bloemsteng staande bloemen zijn door gele
schutbladeren omgeven.
In de laatste jaren zijn door verscheidene kweekers, vooral te
Versailles en te Luik, prachtige hybriden gewonnen. Een der fraaisten
is zeker wel de Vriesea fulgida, met een donkerroode, groote bloeiwijze
en de Vriesea leodiensis, met een fraaie, scharlakenroode en gele
bloeiwijze.
Al de Vriesea's hebben gootvormige bladeren, die elkander aan den
voet omgeven. Tusschen deze bladeren en in het hart verzamelt zich,
door het spuiten en gieten, een hoeveelheid water, dat men, zoolang
het niet te vuil wordt, er rustig in moet laten staan, daar de planten
dit zeer gaarne schijnen te willen.
Onder de Tillandsia's, die geschikt zijn voor kamercultuur, komt
in de eerste plaats de fraaie Tillandsia Lindenii in aanmerking. De
donkergroene bladeren van deze plant zijn door roodachtige overlangsche
nerven geteekend. De bloemen, die prachtig blauw zijn met een wit
hart, duren niet lang, doch verschijnen na korte tusschenpoozen,
zoodat de plant toch zeer lang bloeit.
Een andere zeer sierlijke soort, die uitstekend voor het kamerkasje
geschikt is, is de Tillandsia dianthoïdea. Deze kan men in een houten
mandje met wat sphagnum of anders op een stukje kurkschors kweeken. Zij
heeft lichtgroene, wit bepoederde bladeren, en haar kleine, blauwe
bloemen worden door prachtige, lichtrose schutbladeren omgeven.
Als kamerplanten zijn onder de Bromeliaceeën nog zeer dankbaar de
Æchmea fulgens, de Billbergia amoena en de Billbergia nutans. Deze
laatste plant bloeit zeer elegant en is een uitstekende kamerplant, te
meer, daar de bloeitijd tegen Kerstmis valt. De lichtblauwe bloemen,
met donkerblauwe randen, worden door fraaie, roode schutbladeren
gedeeltelijk omgeven.
Een andere zeer schoone soort, die uitstekend voor de kamer geschikt
is, is de Caraguata cardinalis. Deze vormt een fraaie, lichtgroene
bladerrozet. Uit het hart ontspringt de bloeiwijze, die, wanneer
zij geheel volwassen is, een zuiveren stervorm heeft, en prachtig
vermiljoenrood is, waartusschen de goudgele bloemen een fraai effect
maken. Een andere soort, zeer goed geschikt voor terrariums, is
Cryptanthus zonatus, met bruinachtige bladeren, waarover zilverwitte
strepen loopen, of Cryptanthus bivittatus, met lichte en donkerroode
overlangsche strepen.
De familie der Bromeliaceeën is zóó rijk aan soorten, dat het
onmogelijk is hier de voornaamste er van te vermelden.
Alle soorten, die voor kamercultuur in aanmerking komen, zijn zonder
stengel. De bloeiwijzen ontspringen midden uit de rozet, die door
de bladeren wordt gevormd. Na den bloei kan de moederplant dus niet
langer meer doorgroeien, en na verloop van eenigen tijd gaat zij dan
ook dood. Aan haar voet of tusschen haar bladeren ontstaan echter
één of meer zijspruiten, waardoor men de plant kan voortkweeken. Men
laat daartoe de zijscheuten, zoolang dit noodig is, aan de moederplant
zitten, en snijdt ze eerst af, wanneer zij behoorlijk wortels gemaakt
hebben, waarop men ze afzonderlijk kan oppotten. Hebben zich echter
meerdere scheuten ontwikkeld, dan kan men, door deze voorzichtig van
elkander te nemen, enkele planten meer verkrijgen. De vermenigvuldiging
door zaden kan den liefhebber niet aangeraden worden.
Gesneriaceeën.
Zonder twijfel behooren onder de schoonst bloeiende kamerplanten ook
tal van Gesneriaceeën. Deze familie is tamelijk groot; zij omvat
ruim 30 geslachten en eenige van die geslachten kan men in iedere
kweekerij vertegenwoordigd vinden.
Voor zoover deze planten voor kamercultuur geschikt zijn, zijn het
allen kruidachtige gewassen, meest met knollen (Fig. 145) of met
schubachtige wortelstokken (Fig. 146). De bladeren zijn veelal sterk
behaard en fraai van vorm, en bij eenige geslachten zijn zij zóó fraai
geteekend, dat ook de niet bloeiende plant als een fraaie sierplant
kan gelden. De grootste waarde hebben de Gesneriaceeën echter om
haar bloemen, die bijna altijd pijpvormig zijn met trompetvormige
opening; zij munten vooral uit door haar schoone kleuren, die vaak
door groote vlekken en strepen afgewisseld worden en zeer terecht
elks bewondering wekken.
Al de Gesneriaceeën, die in hoofdzaak gekweekt worden, zijn
sierlijke gewassen. Jammer is het, dat deze planten, die allen
in de tropen thuis behooren, niet best bestand zijn tegen droge
lucht, temperatuurswisselingen en tocht. Zij behooren dus niet tot
die planten, welke een pas beginnend liefhebber aanbevolen kunnen
worden. Toch kunnen zij, wanneer men ze van een kweeker in bloei koopt
en deze ze eerst een weinig hardt, het vrij lang onder de ongunstigste
omstandigheden van een kamer uithouden, wat niet wegneemt, dat het
voortkweeken uit zaden, of het aan den groei brengen van wortelstokjes
in de kamer vrij wel tot de onmogelijkheden behoort. In een kamerkasje
van niet te kleine afmeting geplaatst, behooren de Gesneriaceeën tot
de dankbaarste planten.
Alle Gesneriaceeën laten zich betrekkelijk gemakkelijk uit zaden
voortkweeken. Wij verschaffen ons daartoe, in een vertrouwbaren
zaadhandel, de zaden, die in ons land evengoed verkrijgbaar zijn als
in het buitenland. Deze zaden worden meestal verkocht in zeer kleine
hoeveelheden, in dubbel papier verpakt. Zij zijn daarbij als stof
zoo fijn, zoodat een pakje schijnbaar niet heel veel bevat. Het beste
zaait men in Februari op potten, die daartoe met zeer fijn gezeefde
heide- of bladaarde vooruit zijn klaargemaakt. Bij het zaaien moet
men er op letten, dat de zaden gelijkmatig uitgestrooid en, zooals
alle fijne zaden, niet met aarde bedekt worden. De zaadpotten dekt
men met een glasplaat, plaatst ze in het kamerkasje, terwijl zij met
den rafraîchisseur zoodanig worden bespoten, dat de aarde gelijkmatig
vochtig blijft. Zorgt men er voor, dat zij niet door de zon worden
beschenen, dan volgt de kieming meestal na 2 of 3 weken. Zooals
alle uit kleine zaden gekiemde plantjes, zijn de zaailingen van
Gesneriaceeën in den aanvang zóó klein, dat men ze nauwelijks met het
ongewapende oog kan zien. Het opkweeken van zulke kleine plantjes is
altijd zeer moeilijk, daar het eerste repikeeren zeer veel geduld en
geoefendheid vereischt. Nadat men ze verscheidene malen gerepikeerd
heeft, zijn de zaadplantjes eindelijk groot genoeg om afzonderlijk in
potjes te worden gezet. Zijn zij eenmaal zóó ver, dan gaat de cultuur
meestal sneller en voorspoediger en na nog eenige keeren verpot te
zijn, beginnen zij meestal in het midden van den zomer te bloeien.
Ook langs kunstmatigen weg laten de Gesneriaceeën zich gemakkelijk
voortkweeken. Het eenvoudigst gaat dit, door bladeren af te snijden en
die als stekken te behandelen. De soorten, die een kruidachtigen stam
hebben, vermenigvuldigt men door stekken, en ten laatste laten die,
welke schubachtige wortelstokjes hebben, zich ook zeer gemakkelijk
voortkweeken, doordat men deze in stukjes snijdt en ieder stukje op
zichzelf als plant behandelt.
De knollen en wortelstokjes, die wel niet alle, doch zeer vele
Gesneriaceeën bezitten, moet men in een warm vertrek droog laten
overwinteren. De knollen moeten geheel droog bewaard worden, de
wortelstokjes daarentegen legt men in potten met zand, dat nu en
dan een weinig begoten wordt, om het slap worden te voorkomen. Al
naardat men de planten vroeger of later in bloei wil hebben, moeten
zij tusschen de maanden Februari en April opgepot worden. In iederen
pot, van 8 cM. doorsnede, worden één knol of enkele wortelstokjes
geplant. De potten moeten goed gedraineerd en met losse, zandige
heiaarde gevuld worden, waar men de knollen voorzichtig indrukt,
zoodat zij geheel onder de aarde komen te liggen. Bij het oppotten
der rhizomen handelt men op de volgende wijze: De pot wordt niet
geheel met aarde gevuld, men legt er de wortelstokjes in, vult
hem verder aan en drukt de aarde daarna matig vast. De opgepotte
knollen en wortelstokjes worden in den beginne gesloten gehouden
en slechts matig begoten; zoodra zij zich beginnen te ontwikkelen,
kan men iets meer gieten, en zijn zij eenmaal uitgegroeid, dan is een
rijkelijke begieting noodig. Voor een goeden groei is het geraden de
planten later nog in potten van 12 cM. wijdte te verplanten. Voor dit
verplanten gebruikt men een goeden, voedzamen grond, o.a. 2 deelen
hei-, één deel bladaarde en 1/2 deel, bestaande uit broeiaarde,
kleigrond en zand. In een kamerkasje, waarin een vochtige lucht
is, dat bij warm weer gelucht en bij zonneschijn geschermd wordt,
zullen de Gesneriaceeën, wanneer men ze gelijkmatig vochtig houdt,
zeer goed groeien. Worden zij direct aan de zon blootgesteld, dan
verbranden zij zeer gemakkelijk; staan zij in te droge lucht, dan
worden zij door ongedierte aangetast, dat zich van de sterk behaarde
bladeren, die ook zeer slecht tabaksrook verdragen, moeilijk laat
verwijderen. Beginnen de Gesneriaceeën in het najaar af te sterven,
dan gaat men ze langzamerhand minder water geven.
Aan een practischen, ervaren liefhebber kan de cultuur dezer planten
zeer aanbevolen worden, en er zijn er dan ook velen, die ze jaarlijks
uit zaad opkweeken en zeer goede resultaten verkrijgen.
De bekende en meest verspreide Gesneriaceeën zijn zeker wel de
Gloxinia's, ware prachtplanten, die des zomers onder de rijkst
bloeiende kamerplanten kunnen gerekend worden. Oorspronkelijk waren het
niet zulke schoone planten; de bloemen stonden steil rechtop of hingen
naar beneden en waren zeer ongelijk van vorm. Uit deze minder fraaie
soorten heeft men de tegenwoordige prachtvariëteiten gewonnen. De,
op flinke stelen staande, bloemen treft men aan in alle kleuren
tusschen zuiver wit, het vurigste rood of het diepste paars. Men heeft
variëteiten met éénkleurige bloemen en ook met bloemen, die gestippeld,
gestreept, getijgerd of geaderd zijn. Onder de éénkleurige bloemen
zijn de zuiver witte en de vurigst roode verreweg de schoonste.
Naast de Gloxinia's zijn de Tydæa's vrij algemeen verspreid. De
knikkende bloemen staan in de bladoksels op dunne bloemsteeltjes. Zij
danken haar groote waarde aan de prachtig geteekende, omgeslagen
bloemkroon, waarop werkelijk schoone kleuren gevonden worden. Slechts
weinig schooner zijn de in de laatste jaren meer en meer verspreid
rakende Gesneria's, die nu eens knollen, dan weder wortelstokjes
bezitten, zoo mede de Achimenes uit Centraal-Amerika, met opvallend
grooten en fraai ontwikkelden bloemzoom en de dichtbehaarde Isoloma
hirsuta, waarvan men ook rijk bloeiende hybriden gewonnen heeft. Men
kan deze laatste, een zeer harde en niet veel warmte behoevende plant,
het geheele jaar door aan den groei houden en zeer gemakkelijk door
stekken of verdeeling der wortelstokjes voortkweeken.
Zeer interessante en in de laatste jaren zeer in trek gekomen
Gesneriaceeën zijn de Streptocarpussoorten. Eenige dezer bijv. de
Streptocarpus Wendlandii, bezitten slechts één enkel blad, dat op een
zeer kort vleezig stengeltje staat, over den potrand heen hangt en een
lengte van 60 cM. bij een breedte van 40 cM. kan bereiken. Dit aan de
bovenzijde matgroen en aan de onderzijde violetpurper gekleurd blad,
wordt over zijn volle lengte door de forsch ontwikkelde middennerf
doorsneden. Jammer is het, dat de punt van het blad nooit geheel gaaf,
doch altijd min of meer afstervende is. Aan den voet van het blad
ontspruiten talrijke bloemstelen, die een groot aantal middelmatig
groote, lichtblauwe met rose of wit geteekende bloemen dragen. De
plant ontleent haar geslachtsnaam aan de vrucht, die lang, dun en
spiraalsgewijze gedraaid is.
Een geheel ander voorkomen hebben de veelbladige Streptocarpus, waarvan
tegenwoordig zeer schoone hybriden gewonnen zijn en die daardoor
zeer gezocht worden. De bloemen zijn 4-5 cM. lang en prijken in alle
kleuren, tusschen wit, donkerrood en paars, terwijl zij zeer dikwijls
fraai gestreept zijn. De stand der bloemen, die zeer lang duren,
is aan ééne plant nu eens horizontaal, dan weder geheel verticaal.
Een zeer interessante invoering van den lateren tijd is de
Saintpaulia ionantha: dit is een kruidachtig plantje, doch zonder
knol of wortelstok. De bladeren van deze uit Afrika afkomstige
plant gelijken op die van de Gloxinia, doch zijn veel kleiner. De
bloemen zijn niet, zooals bij de meeste Gesneriaceeën, pijpvormig,
doch daarentegen vlak. Bij een oppervlakkige beschouwing gelijken
zij sterk op die van het gewone welriekende Viooltje en zij trekken,
door haar fraaie blauwe kleur, direct de aandacht. Hoewel eerst
sedert betrekkelijk korten tijd bekend, is de Saintpaulia ionantha
reeds in alle voorname kweekerijen voorhanden; men ziet haar op bijna
alle Tuinbouwtentoonstellingen en overal wordt zij om haar liefelijke
verschijning en haar fraaien bloei ten zeerste bewonderd. Een bijzonder
groote waarde als kamerplant heeft zij slechts dán, wanneer men haar
in een kamerkasje of onder een stolp kan kweeken. Hoewel de Saintpaulia
betrekkelijk gemakkelijk in de cultuur is, verdraagt zij toch de droge
kamerlucht niet. Behandelt men haar echter op deze wijze, dan zal
men er een zeer dankbare plant in vinden, die niet te veel warmte
vereischt en winter en zomer steeds doorbloeit. De voortkweeking
geschiedt zeer gemakkelijk door bladstekken en ook door zaden. Men
moet er om denken, dat de Saintpaulia geen bepaalden rusttijd heeft,
en dus niet droog mag gehouden worden.
Als fraaie en dankbare Gesneriaceeën moeten ten laatste de Nægalia's
nog aanbevolen worden. De tot dit geslacht behoorende planten hebben
schubachtige wortelstokjes. De bloemen zijn eenigszins uitgerekt
klokvormig; zij gelijken min of meer op die van een Gesneria, maar
staan in rechtopstaande trossen boven de plant uit. In schoonheid
kunnen deze bloemen niet met die van de Tydæa's wedijveren, wat
niet wegneemt, dat een bloeiende Nægelia een zeer fraaien aanblik
oplevert. Niet alleen echter door de bloemen, maar ook door de bladeren
munten de Nægelia's uit. Deze zijn hartvormig, dicht behaard, dikwijls
zeer fraai rood en met een opvallende nervatuur, waardoor de plant
reeds als bladplant waarde heeft. Onder de Nægelia's zijn de Nægelia
zebrina en de Nægelia cinnabarina wel de schoonsten. Er zijn in den
laatsten tijd ook veel schoone variëteiten van gewonnen. De Nægelia's
zijn zeer geschikt voor wintercultuur. Wil men gedurende den winter
bloeiende planten er van hebben, dan moeten de wortelstokjes tot Juli
droog gehouden en dan eerst opgeplant worden. Wil men de Nægelia's
echter des zomers in bloei hebben, dan moeten zij, te gelijk met de
andere Gesneriaceeën in de maanden Februari tot April aan den groei
gebracht worden.
Orchideeën.
De tropische en subtropische Orchideeën behooren tot die fraaie
planten, welke in betrekkelijk korten tijd, om zoo te zeggen, de
geheele beschaafde wereld veroverd hebben. Wij behoeven slechts den
naam uit te spreken, en de meeste liefhebbers halen zich tooverachtig
fraaie planten voor den geest. De familie der Orchideeën is zeer groot,
zij omvat meer dan 400 geslachten, waarvan er verscheidenen weder in
ondergeslachten verdeeld worden. Tot deze geslachten behooren ongeveer
10.000 soorten, waarvan er 80 procent in de tropen tehuis behooren,
terwijl er in Europa slechts een 400-tal wordt gevonden. Op de Alpen
groeit de kleine Chamæorchis alpina, en de noordelijkste is de lieve
Calypso borealis. Ook in ons land komen enkele fraaie Orchideeën voor,
hoewel deze in pracht door de tropische soorten verre overtroffen
worden.
De geschiedenis van de tropische Orchideeën, namelijk de wijze,
waarop zij zich in alle Europeesche tuinen verspreid hebben, omvat
zeker eenige der belangrijkste bladzijden uit het geschiedboek van den
Tuinbouw. Er zijn niet veel meer dan honderd jaar verloopen, sedert de
eerste tropische Orchidee levend in Europa werd ingevoerd en dat was
nog niet eens een schoone soort. Eenige jaren later werden in Engeland
nog een paar soorten ingevoerd, maar, aangezien deze planten in den
beginne door de kweekers geheel verkeerd behandeld werden, leverde
de cultuur niets dan teleurstelling op. Eerst in het vierde tiental
jaren van de 19e eeuw werden de Orchideeën langzamerhand meer naar
haar eisch behandeld; in 1840 nam het tijdperk een aanvang, waarin
onverschrokken verzamelaars de fraai bloeiende soorten begonnen op
te zoeken en naar Europa te zenden.
Het is dus pas ongeveer vijftig jaar geleden, dat slechts weinigen
dezer planten bekend waren, en thans worden over de 2000 verschillende
soorten in de kassen gekweekt.
De Orchideeën behooren tot die planten, welke de kweekers nòch langs
natuurlijken, nòch langs kunstmatigen weg in voldoenden getale kunnen
voortkweeken. Daar nu de aanvrage van jaar tot jaar grooter werd, en
er ook thans een zeer groote vraag naar is, zijn de speciaalkweekers
dezer planten genoodzaakt jonge tuinbouwkundigen naar de tropen
te zenden, ten einde ze daar te verzamelen. Wanneer men bedenkt,
hoeveel kosten daarmede gepaard gaan, en welke groote gevaren aan dit
verzamelen verbonden zijn, dan zal men het zeer begrijpelijk vinden,
dat zeldzame of moeilijk te verkrijgen soorten dikwijls met zeer groote
sommen moeten betaald worden. Niet weinig soorten echter zijn in zulk
een aantal ingevoerd, dat zij in haar vaderland zeldzaam beginnen
te worden, terwijl zij in Europa algemeen verspreid zijn. Dergelijke
soorten zijn niet hoog in prijs; voor een bloeiend exemplaar er van
behoeft men vaak slechts eenige guldens te geven. Verscheidene van
deze soorten zijn dan ook voor kamercultuur geschikt.
Slechts weinige plantenliefhebbers, die in de gelegenheid geweest zijn
schoone Orchideeën in haar bloemenpracht te bewonderen, zullen den
wensch hebben kunnen onderdrukken, om ook te beproeven enkele dezer
fraaie planten te kweeken. Gaarne getroost zulk een liefhebber zich
een niet onbeduidend geldoffer, wanneer hij maar zekerheid heeft,
dat dit offer niet tevergeefs gebracht wordt. Wanneer men toch
van plantenliefhebberij genoegen wil smaken, dan moet zij ook goede
resultaten opleveren. De gekochte plant moet niet slechts eenige dagen
of weken gezond blijven, maar zij moet verder groeien en bij herhaling
bloeien; zij moet voldoende levenskracht bevatten. Voldoet zij aan
deze eischen, dan zal zij de liefhebberij steeds aanwakkeren. De meeste
liefhebbers denken van de Orchideeën, dat het zeer slechte kamerplanten
zijn en dat zij slechts onder een hooge temperatuur groeien. Deze
gedachte nu is, zooals wij hopen te kunnen bewijzen, geheel verkeerd.
De Orchideeën zijn over den geheelen aardbodem verspreid; de fraaiste
soorten worden echter aangetroffen in de niet buitengewoon warme
streken van Amerika; in streken, waar de temperatuur zelden boven 85°
Fahr. stijgt en niet onder 55° Fahr. daalt.
Natuurlijk moeten de prachtige tropische en subtropische Orchideeën
onder toestanden gekweekt worden, welke eenigszins overeenkomen
met, die, onder welke zij in haar vaderland groeien, en men moet
voor kamercultuur dan ook die kiezen, welke een temperatuur kunnen
verdragen van 60°-65° Fahr. Toch zullen de meeste Orchideeën zich op
de bloemtafel of de vensterbank niet te huis voelen; en dat wel om
verschillende redenen. Het verderfelijkst voor deze teere planten is
de droge kamerlucht, en dit wordt ons terstond duidelijk, wanneer
wij bedenken, dat de meeste soorten voorkomen in de oerwouden,
waar zij eensdeels groeien tegen de met mos bedekte stammen
der boomen, anderdeels in den humusrijken grond, onder de dichte
bladerkronen. Evenals voor droge lucht, zijn de Orchideeën ook zeer
gevoelig voor tocht en temperatuurswisselingen. Om al deze redenen
doet men het best ze in een kamerkasje te kweeken. (Zie Fig. 152),
voorstellende een dergelijk kasje, gevuld met Orchideeën. Welke
plantenliefhebber zal geen genoegen hebben in een dergelijk
miniatuur-kasje, gevuld met fraaie, zeldzame planten. Zulk een kasje
behoeft niet verwarmd te worden, daar men de planten er in zet, om
ze een voldoend vochtige atmosfeer te geven, en ze tegen schadelijke
invloeden te beschermen en niet om ze een hoogere temperatuur te
verschaffen. Het kasje, zooals het is afgebeeld, heeft aan den bezitter
uitstekende diensten bewezen. Het is zeer eenvoudig doch netjes,
heeft een eenzijdig dak en de voorste ruiten kunnen er uit geschoven
worden. De bodem bestaat uit een blikken bak, die gevuld wordt met
vochtigen turfmolm of gruis van cokes, waar de potten ingegraven
kunnen worden. Aangezien de turfmolm of cokes steeds water uitdampt,
is de atmosfeer in het kasje voortdurend voldoende vochtig. Men
kan zulk een kasje op de bloemtafel zetten, maar beter is het er
een afzonderlijken standaard voor te laten vervaardigen. Behalve
Orchideeën kan men in zulk een kasje, aangenomen dat zij behoorlijk
verzorgd worden, met het meeste succes fijne bonte bladplanten en
sierlijke tropische Varens kweeken. Is het warm en helder weer, dan
moeten de bladeren en schijnknollen der Orchideeën dagelijks een paar
keeren bevochtigd worden. Hiertoe gebruikt men een handspuitje met
fijne broes of een goeden rafraîchisseur. Houdt men op deze wijze de
lucht voldoende vochtig, dan zal men ook weinig of geen last hebben
van ongedierte. Heeft men bloeiende planten, of zulke, welke jonge
scheuten hebben, dan moet men met dit spuiten uiterst voorzichtig
zijn. Komt er toch water op de bloemen, dan krijgen deze licht vlekken
en worden leelijk en komt er water in de jonge scheuten, dan gaan deze
zeer spoedig tot rotting over, waardoor de planten veel lijden. Het
spreekt vanzelf, dat men voor het gieten en spuiten slechts water
mag gebruiken, dat minstens de temperatuur heeft van het vertrek,
waarin de planten staan.
Het gieten, dat reeds bij gewone planten uiterst voorzichtig moet
geschieden, vereischt bij de Orchideeën bijzondere zorg. Zijn zij
in haar groeitijd, dan moeten zij rijkelijk water hebben; zijn zij
daarentegen in haar rustperiode, dan moeten zij zeer matig of in het
geheel niet begoten worden. De groeitijd begint met het maken van jonge
scheuten, waaruit zich de bladeren en schijnknollen ontwikkelen, of
met het vormen van bloemknoppen. Van een voldoenden groei der bladeren
en schijnknollen hangt de bloei voor het volgende jaar af. De groei-
en rusttijd zijn voor verschillende geslachten verschillend, daar men
het geheele jaar door bloeiende Orchideeën heeft; natuurlijk zijn die
soorten het meeste waard, welke zich midden in den winter met bloemen
tooien. Zijn de jonge bladeren volgroeid, dan krijgen zij in de meeste
gevallen een eenigszins donkerder kleur; de schijnknollen, wanneer de
plant deze vormt, nemen in omvang toe en eindelijk houden ook zij op
met groeien; langzamerhand ziet men den geheelen groei verminderen en
de plant treedt haar rusttijd in. Deze rusttijd is slechts bij enkele
soorten een volmaakte; de in de kamer gekweekte soorten behouden haar
bladeren en wortels, zoodat zij, hoewel uiterst voorzichtig, toch nu
en dan gegoten moeten worden. Vóór alles moet men zorgen, rustende
Orchideeën niet door te veel warmte en vochtigheid tot een ontijdigen
groei aan te zetten; een dergelijke handeling is tegen de natuur der
plant en heeft meestal zeer noodlottige gevolgen. Een voorname zaak
is ook het op den juisten tijd schermen van het kasje tegen de zon,
waarvoor men dun, niet te licht gekleurd doek gebruikt. De meeste
Orchideeën kunnen de volle zon niet verdragen; maar evenmin kunnen
zij voldoende licht missen; daarom moet men er op letten ze nòch te
vroeg, nòch te laat tegen de zon te schermen.
De Orchideeën worden in twee hoofdgroepen verdeeld: de epiphytische
en de terrestische. De eersten groeien als schijn-woekerplanten
tegen de stammen van boomen, de laatsten als gewone planten in de
aarde. Wanneer de haar omgevende lucht voldoende vochtig is, behoeft
men zich voor de eerste groep niet bijzonder veel moeite te geven. Men
bevestigt ze met koperdraad tegen een stukje hout of kurkschors;
zij hechten zich daar dan met haar dikke, vleezige, broze wortels
tegen vast en groeien zoo jaar in, jaar uit, dat het een lust is. Ik
heb veel vertegenwoordigsters van het geslacht Oncidium op stukjes
eikenhout zien kweeken; zij groeien er uitstekend tegen, ontwikkelen
somtijds meterlange bloemstengels, dicht bezet met veelal kleine,
op insecten gelijkende bloempjes en wekken de verwondering op van
vaklieden en leeken. Zeer veel worden de epiphytische Orchideeën
ook gekweekt in potten, voorzien van gaten, meer nog in mandjes
van draad of kurkschors en zeer dikwijls in vierkante mandjes, die
van even dikke houten stokjes gemaakt worden. (Fig. 157 en 159.) De
openingen in deze mandjes worden met sphagnum dichtgestopt, waarna
men de planten er in zet. Het aardmengsel, waarin men ze plant, moet
zeer licht en vezelachtig wezen. Het best doet een liefhebber zich bij
een vertrouwbaren kweeker bereiden Orchideeën-grond aan te schaffen;
kan hij die niet verkrijgen, dan zoekt hij in een bosch plekken
met inlandsche Varens op, steekt die met de wortels uit den grond,
en trekt die wortels met de er tusschen zittende aarde in stukjes,
hierdoorheen mengt hij gehakt sphagnum en half verteerde bladaarde,
waar alle fijne deelen uitgezeefd zijn, alles in gelijke deelen;
wordt hierbij voldoende scherp zand en stukjes houtskool gevoegd,
dan heeft men een zeer goede aarde voor Orchideeën. Vroeger werden
onder dit grondmengsel nog stukjes turf en potscherven gemengd; de
ondervinding heeft echter geleerd, dat dit ondoelmatig was, waarom
men er van is teruggekomen.
De Aard-Orchideeën worden gewoonlijk in meer vlakke dan hooge potten
gekweekt (Fig. 153). Voor deze soorten gebruikt men een grondmengsel,
bestaande uit grove blad- of heideaarde, met wat verteerden kleigrond
en scherp zand vermengd. De meeste Orchideeën kan men enkele jaren
in denzelfden pot laten staan, mits men ze in haar groeiperiode nu
en dan met een zeer slappe gier begiet; moeten zij echter verpot
worden, dan moet dit zeer voorzichtig geschieden, daar de stijve,
broze wortels volstrekt niet beschadigd mogen worden.
Moet een Orchidee verplant worden, dan neemt men haar tegen het
einde van den rusttijd uit den pot, maakt met een houtje de kluit
een weinig los, waarbij meestal de oude aarde grootendeels tusschen
de wortels uitvalt. Men plant haar nu zóó op, dat zij niet te vast
komt te staan, d.w.z. dat het grondmengsel niet te vast om de plant
aangedrukt wordt. Is men met het verplanten gereed, dan wordt de plant
voorzichtig aangegoten, waarop men de aarde met de groeispitsjes van
levend sphagnum bedekt. Deze spitsjes zullen in zeer veel gevallen
doorgroeien, zoodoende aan de plant een frisch voorkomen geven en
het te snelle uitdrogen verhinderen.
Daar het aantal bekende Orchideeën tegenwoordig zoo ontzettend
groot is, gaat het natuurlijk niet, om een eenigszins uitvoerige
beschrijving der beste soorten te geven; wij bepalen ons dus tot de
opgave van die soorten, welke als kamerplanten aan te bevelen zijn.
Onder de voor kamercultuur geschikte Orchideeën nemen de Cypripediums
een eerste plaats in. De bloemen van dit geslacht kenmerken zich allen
door het eigenaardig gevormde lipje, dat den vorm van een muiltje
heeft. Zeer vele soorten van dit geslacht zijn voor kamercultuur
goed geschikt, met uitzondering echter van die, welke in Europa en
Noord-Amerika te huis behooren. Al deze soorten moeten in den tuin
uitgeplant worden, waar zij een fraai effect kunnen maken.
Wij hebben drie soorten van Cypripediums afgebeeld; ten eerste de
Cypr. insigne (Fig. 154), die zeker wel de meest verspreide mag
genoemd worden; dan de Cypr. barbatum, met zeer fraai geteekende
bladeren en bloemen (Fig. 155) en de Cypr. Siebertianum (Fig. 156),
een in België gewonnen hybride, die genoemd is naar den heer Siebert,
directeur van den Palmengarten te Frankfurt. Er zijn meer dan 30
Cypripediumsoorten bekend, die te huis behooren in tropisch Amerika
en Azië. Bij deze soorten moet nog gevoegd worden een groot aantal
variëteiten en een nog grooter aantal zeer fraaie bastaarden, die in
de kweekerijen gewonnen zijn. Deze laatsten zijn meestal zeer kostbaar.
De Cypripediums behooren tot de terrestische Orchideeën. Het zijn
kleine planten, zonder schijnknollen, doch met mooi geteekende
bladeren, en zeer fraaie, reukelooze, meestal op een stevigen steel
alleen staande bloemen. Deze verschijnen gewoonlijk gedurende
den winter en haar waarde wordt nog verhoogd, door haren langen
bloei. Iedere bloem blijft gemiddeld twee maanden en nog langer
goed. De hardere soorten, die zeer geschikt zijn voor kamercultuur,
stellen zich meestal tevreden met een wintertemperatuur van 50°-55°
Fahr., en daar het geen hooge planten zijn, zijn zij zeer goed
geschikt voor het kamerkasje. De Cypripediums moeten in niet te diepe
potten, die goed gedraineerd zijn, geplant worden; als aarde gebruikt
men heideaarde, die met wat kleigrond en gehakt sphagnum vermengd
wordt. Zij willen geregeld bespoten en tamelijk goed vochtig gehouden
worden, terwijl het zeer goed is ze, wanneer zij in vollen groei zijn,
nu en dan slap te gieren. Voor licht en lucht moet goed gezorgd worden,
en men moet er op letten, dat zij in haar rusttijd wel minder begoten,
doch niet geheel droog gehouden mogen worden.
Zeer sierlijke en schoone, ja somtijds prachtige kamerplanten levert
ook het geslacht Odontoglossum. De meeste soorten van dit geslacht
behooren te huis in de koele en vochtige bergstreken der Cordilleras,
in Mexico, Nieuw-Granada, Peru en Guatemala. Er zijn thans meer dan
100 soorten bekend, die op een hoogte tusschen 1000 en 2000 Meter,
hetzij op boomen, hetzij op met humus bedekte rotsen voorkomen. De
meest verspreide Odontoglossum is zeker wel de O. crispum, die ook wel,
ter eere van de prinses van Wales, O. Alexandræ wordt genoemd. Van
deze fraaie soort bestaan zeer veel variëteiten, welker bloemen in
grootte en kleur sterk afwisselen. Gewoonlijk zijn zij zuiver wit, met
onregelmatige bruinroode vlekken; tegen het einde van haar bloeitijd
krijgen zij een roseachtigen tint. De bloeitijd valt in den winter en
het voorjaar. Een lieve, voor het kamerkasje zeer geschikte soort is
de Odontoglossum Rossii majus, met haar variëteiten. Dit is een lief
plantje, dat zijn vrij groote bloemen alleen of bij paren op dunne
steeltjes draagt. Een derde, voor de kamercultuur zeer geschikte,
soort is de Odontoglossum grande, met groote, gele met kastanjebruin
gestreepte of gevlekte bloemen.
Een derde aanbevelenswaardig geslacht is de Oncidium, dat uit ruim 300
soorten bestaat, welke bijna alle epiphytisch leven. Dit geslacht
behoort te huis in de bergstreken van Zuid- en Midden-Amerika,
West-Indië en Mexico, waar het tot op een hoogte van 4000 Meter wordt
gevonden. De verschillende soorten vertoonen onderling een verschil,
zooals slechts bij weinig geslachten wordt aangetroffen. De sierlijke,
bontgekleurde, somtijds welriekende en vaak op insecten gelijkende
bloemen verschijnen aan lange bloemtrossen, en trekken door haar
liefelijk voorkomen de algemeene aandacht. Een der beste soorten is
zeker wel de Oncidium incurvum, ook wel bekend als O. albo-violaceum;
zij draagt talrijke, wit met lichtpaarse bloemen, die zeer welriekend
zijn en somtijds aan een Meter langen bloemsteel verschijnen.
De Odontoglossums en Oncidiums verlangen dezelfde behandeling; zij
hebben geen van beiden behoefte aan veel warmte, doch verlangen een
vochtige en zeer frissche lucht. De kleinere soorten kweekt men het
best tegen stukjes hout of kurkschors, en anderen in uit houten stokjes
vervaardigde mandjes; ook kan men ze in potten kweeken, mits deze goed
van drainage voorzien worden en de planten hoog boven de potten uit
worden geplant. Deze geslachten willen tamelijk veel bespoten worden.
Prachtige bloeisters, met groote, meest fraai paarse bloemen, zijn
de Cattleya's; zij hebben groote schijnknollen en dikke, stijve
bladeren, waartusschen de veel op bladeren gelijkende bloemscheeden
verschijnen, waaruit later de bloemen zich ontwikkelen. De afbeelding
(zie Fig. 160) vertegenwoordigt Cattleya Harryana, waarschijnlijk een
natuurlijke hybride uit Nieuw-Granada. Het geslacht Lælia sluit zich
bij het voorgaande aan. Beide geslachten behooren zeker wel onder
de schoonsten van de familie der Orchideeën; beiden verlangen echter
nogal warmte en kunnen niet gekweekt worden in een lagere temperatuur
dan 60° Fahr. Zij zijn overigens niet zeer lastig en groeien uitnemend
op stukken schors, of in mandjes. Een ander geslacht, dat in dezelfde
temperatuur moet gekweekt worden, is Vanda. Dit geslacht bestaat uit
niet veel soorten, die met uitzondering van een Australische, allen
in den Maleischen Archipel te huis behooren. Zij vormen vaak tamelijk
hooge stammen, die rijkelijk luchtwortels maken. Zij worden gekweekt
in mandjes of potten met gaten en moeten uitsluitend in sphagnum
geplant worden. Een der sierlijkste soorten is Vanda coerulea, met
schoone hemelsblauwe bloemen.
Een eenigszins gematigde temperatuur verlangt de op boomen groeiende
Anguloa Clowesii, met welriekende, tulpvormige, citroengele bloemen,
die in het voorjaar verschijnen. Een uitstekende winterbloeister is de
Lycaste Skinneri, uit Guatemala. Deze soort is zeer gemakkelijk in de
cultuur en bloeit uiterst dankbaar. Zij heeft groote bloemen, die, al
naar de variëteit, lichter of donkerder rood zijn. Nog vindt men goede
kamerplanten onder de geslachten Coelogyne, Cymbidium, Dendrobium,
Epidendrum, Miltonia, Rodriguezia, Stanhopea en Zygopetalum.
Klimplanten.
De klimplanten, waarvan prachtige soorten in de tropen voorkomen, mogen
ook in de kamer niet ontbreken. In haar vaderland klimmen haar dunne,
slanke stengels met de meest verschillende organen tegen de boomen op;
zij slingeren zich van stam tot stam tot zelfs boven in de kronen der
hoogste boomen. Jammer is het, dat een liefhebber de fraaist groeiende
soorten niet kan kweeken. Hij moet toch rekening houden met de ruimte
en vooral met de hoogte der vertrekken, en het gedempte licht in de
kamers is voor deze planten zeer noodlottig. Hij moet zijn wenschen
beperken tot enkele minder welig groeiende soorten. Zeer goed laten
zich klimplanten gebruiken om de gevels der huizen te versieren;
neemt men daartoe snel groeiende soorten, dan zijn die weldra met
het weligste groen bedekt. Vooral voor landhuizen is dit zeer aan te
bevelen. In de kamer echter mag een liefhebber niet te veel van de
klimplanten vergen; zij vervullen hier een tamelijk bescheiden rol en
mislukken dan ook nog wel eens; reden waarom men er voor moet zorgen,
dat zij desnoods gemist kunnen worden, zonder daardoor een stoornis
in het arrangement te veroorzaken. Gewoonlijk worden de klimplanten,
die men in een kamer kweekt, tegen hout of draadfiguren geleid. Hoe
samengestelder de daarvoor gebruikte voorwerpen, des te meer moet
men de slanke stengels heen en weer buigen, des te slechter groeit de
plant en des te minder fraai is haar voorkomen. De beste plaats voor
klimplanten is de vensterbank en plaatst men ze daar, dan behoeft men
langs het venster slechts draden te spannen, waartegen de stengels dan
in de meeste gevallen vanzelf opklimmen. Heeft men diepe vensterbanken,
dan kan men het geheele vensterkozijn met een hekwerk van draad of
bamboe doen bekleeden en de klimplanten zullen daar dan zeer welig
tegen op groeien. Onze gravure (Fig. 161) toont een venster waartegen
op deze wijze een der meest geliefde klimplanten, de Passiebloem,
is opgeleid en deze levert een inderdaad prachtig gezicht op. Wanneer
de klimplanten niet ter versiering van het venster gebruikt worden,
leidt men ze meestal tegen rekjes op, die aan haakjes bevestigd worden;
deze rekjes kunnen uit ijzeren staafjes of uit gekruist ijzerdraad
bestaan (Fig. 162-163), of ook wel uit plantenstokjes, die men,
zooals Fig. 164 aangeeft, waaiervormig aan elkander bevestigt. De
verschillend gevormde rekjes, die wel in den handel verkrijgbaar zijn,
zijn om de reeds genoemde redenen niet genoeg af te keuren.
Onder de klimplanten voor de warme kamer komt het allereerst in
aanmerking de Clerodendron Balfourii (Thomsonii). Deze fraaie
plant draagt frisch groene bladeren en trossen bloedroode bloemen,
die omgeven zijn door groote, eenigszins opgeblazen, zuiver witte
kelken. De kelken blijven nog aan de plant hangen, wanneer de bloem
reeds lang uitgebloeid en afgevallen is. Deze Clerodendron is een zeer
dankbare bloeister. In den herfst laat zij haar bladeren vallen, en
men moet haar dan, in een slechts matig warm vertrek, vrij droog laten
overwinteren. Reeds vroeg in het voorjaar kan men haar insnijden en
verplanten, waarop zij weder op een zoo licht mogelijke plaats wordt
gebracht. Spoedig begint zij nu uit te groeien en weldra verschijnen,
na de eerste bladeren, ook de bloemen.
Een van de meest in trek zijnde klimplanten is zeker wel de Hoya
carnosa (Wasbloem). Deze plant is afkomstig uit Indië; zij heeft
een vleezigen en sappigen stengel, eivormige, dikke, glanzend-groene
bladeren en zeer licht rose, welriekende bloemen, die het voorkomen
hebben, alsof zij uit was geboetseerd zijn. Vandaar ook haar naam.
De bloemen vormen schermen en scheiden rijkelijk honig af, die dan als
druppels aan de bloemen hangt. Na den bloei moet men de steeltjes,
waaraan de bloemschermpjes zaten, niet afsnijden, daar deze de
eigenschap bezitten, ieder jaar nieuwe schermen voort te brengen.
De Wasbloem wordt zeer veel, vooral op het platteland, aangetroffen,
en, hoewel haar scheuten tot 6 Meter lang kunnen worden, kweekt
men ze toch meestal tegen waaiervormige houten rekjes. Deze moeten
echter voldoende sterk gemaakt worden, daar een groote plant met haar
dikke bladeren en stengels tamelijk zwaar is. Hoewel de Hoya pas als
oudere plant bloeit, is zij toch ook jong een aanbevelenswaardige
kamerplant; immers zij heeft een zeer eigenaardig voorkomen, en is in
alle opzichten bestand tegen droge lucht, stof en andere ongunstige
invloeden, waarvan de meeste kamerplanten zoozeer te lijden hebben.
De fraaiste bloeisters onder de klimplanten zijn zeker wel de
Passiflora's (Passiebloemen). Zij behooren te huis in de tropen en
haar bladeren hebben eenige overeenkomst met die van de klimop. Door
de schoone kleurschakeeringen harer bloemen, die wel is waar snel
uitbloeien, door de elegante bladeren en door het geheele voorkomen
der plant, zijn zij een zeer fraai sieraad voor de kamer. De
naam Passiflora wordt afgeleid van de woorden passio, het lijden,
en flos, de bloem. De in het jaar 1654 te Sienna overleden pater
J.B. Ferari, vergeleek toch de verschillende bloemdeelen der gewone
blauwe Passiebloem (Passiflora coerulea) met de werktuigen, waarmede
Christus gemarteld werd.
De Passiebloem moet gekweekt worden in een krachtigen, voedzamen
grond. Eenige soorten, zooals de Passiflora coerulea en de Passiflora
hybr. Constance Elliot, zijn zeer hard en kunnen des zomers zelfs
ter versiering van de veranda of het balkon gebruikt worden. Staan
zij op een zeer beschutte plek en worden zij goed gedekt, dan kan
men ze zelfs buiten laten overwinteren. Een der schoonste soorten,
die het gansche jaar in de kamer goed groeit, is de Passiflora
hybr. Impératrice Eugénie, die groote, lichtblauwe bloemen heeft.
Onder de klimplanten voor de warme kamer zijn er ook enkele, die
uitsluitend ter wille van haar bladeren gekweekt worden, en hieronder
behooren de tegenwoordig zeer gezochte Asparagus-soorten. Deze kan men
zeker wel tot de sierlijkste planten rekenen. Zij hebben fijn loof, dat
uit zeer kleine naaldjes bestaat, die een frisch groene kleur hebben,
terwijl zij zich nu en dan met kleine, zwak welriekende bloempjes
tooien. Hoewel de Asparagus het best groeit, wanneer zij in een kas
wordt uitgeplant, houdt zij zich toch in een kamer met slechts lage
winter-temperatuur zeer goed, en zijn er onder de klimplanten maar
weinigen, die, in een pot voor het venster geplaatst, een fraaier
effect maken. De meest aanbevelenswaardige soorten zijn de Asparagus
plumosus en Asparagus plumosus nanus. De laatste groeit als jonge plant
zeer gedrongen, doch vormt ouder geworden flinke lange ranken. Zeer
goed groeit ook in een vertrek de Asparagus Sprengeri.
Een met de Asparagus zeer na verwante klimplant, die echter veel
grootere bladeren, doch even dunne twijgjes heeft, is de Medeola
(Myrsiphyllum) asparagoïdes. Sinds eenige jaren is deze plant zeer
verspreid geraakt, en haar stengels worden vooral veel gebruikt
voor tafelversiering. In een gesloten vertrek groeit de Medeola
vooral des zomers niet best. Voor het venster van een kamer, dat
veel gelucht wordt, groeit ze echter uitstekend; vooral, wanneer men
loodrechte draden van uit den pot spant; waar zij dan snel tegen op
zal klimmen. De Medeola heeft een knolvormigen wortelstok en is dus
een overblijvende plant; toch doet men beter ieder jaar jonge planten
uit zaad te kweeken. De harde zaden worden in Februari gezaaid. In
een warme kamer geplaatst, zullen ze in een paar weken kiemen.
Zoodra zij groot genoeg zijn, worden de jonge plantjes in kleine
potjes gezet en in den loop van het voorjaar verplant in potjes, die
een wijdte hebben van 10-12 cM. De beste grondsoort is een mengsel
van gelijke deelen blad- en heidegrond, waarbij een weinig scherpzand
wordt gevoegd.
Veel klimplanten voor de koelere kamers, die des zomers veel gelucht
worden, kunnen ook voor de bekleeding van veranda's en balkons
gebruikt worden.
Bijzondere aanbeveling verdient de Cobæa scandens. Deze plant is
afkomstig uit Mexico; zij heeft gevinde, in een rank eindigende
bladeren en groote, klokvormige bloemen, die, wanneer zij ontluiken,
lichtgroen, later echter fraai donkerpaars zijn. De afbeelding
(Fig. 170) toont een jonge plant, die nog geen bloemen draagt en die
in horizontale richting is geleid. Deze wijze van leiden is beter
dan verticaal, de groei is dan niet zoo welig, doch de bloei veel
rijker. Zeer sierlijke bloeisters met kleine pijpvormige bloemen
zijn de Maurandia's, die ook in Mexico te huis behooren. Verder zijn
als klimplanten zeer aan te bevelen de Lophospermum scandens, met
mooie bladeren en zeer fraairoode, pijpvormige bloemen; de Thunbergia
alata, met gele of witte bloemen, die een zwart hartje hebben; verder
verschillende soorten van Ipomæa (Winde) met groote, verschillend
gekleurde bloemen en de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen), met
trosjes donkervermiljoenroode bloemen. Tot de éénjarige klimplanten
behoort ook nog de Lathyrus odoratus, waarvan vooral de zoogenaamde
Eckfordsche variëteiten met groote witte, gele, roode en blauwe
bloemen, die zeer welriekend zijn, aanbeveling verdienen. Deze
Lathyrus wordt niet zeer hoog, hoogstens 1 1/2 Meter, en zij is
dus zeer geschikt om hekjes en balustraden te bekleeden. De harde,
erwtvormige zaden worden in April direct in de bakjes gezaaid. Voor
het bekleeden van vensters is zeer aan te bevelen de Tropæolum
(Oost-Indische kers), die met zeer groote, donkerroode bloemen
bloeit. Een zeer aanbevelenswaardige soort is vooral de Tropæolum
Lobbianum, daar dit ook een uitnemende winterbloeister is. Deze soort
laat zich uitsluitend door stekken voortkweeken. Een zeer schoone,
houtachtige klimplant, voor koude, doch zeer zonnig gelegen vertrekken,
is de Solanum jasminiflorum, waarvan de in trossen verschijnende
witte, inwendig gele bloemen zeer veel overeenkomst hebben met die
van den Aardappel. Deze plant verlangt voedzame aarde en in haar
groeiperiode rijkelijk water, terwijl zij in den zomer ook nu en dan
gegierd kan worden.
Onder de, slechts om haar bladeren gekweekt wordende klimplanten
mag zeker de Hedera (Klimop) niet vergeten worden. De verschillende
Klimopsoorten zijn uitstekende kamerplanten en vooral de groenbladige
komt daarvoor in aanmerking. In Duitschland vindt men op het platteland
dikwijls Klimop in de kamers gekweekt, waarvan de takken niet alleen de
vensters omlijsten, maar zelfs den geheelen zolder met een groen kleed
bedekken. Hieruit kan men wel opmaken, dat deze plant, die ook vaak
in de bosschen voorkomt, geen groote behoefte heeft aan licht. Hoewel
de Klimop een plant is, die onze winters uitstekend verdraagt, en dan
ook veel voor het bekleeden van buitenmuren wordt gebruikt, gewent
zij zich toch zeer goed aan de kamer; alleen moet zij des winters
niet staan in een vertrek, dat gesloten gehouden en verwarmd wordt.
Zeer fraai zijn de kleinbladige en bontbladige Klimopsoorten, waarvan
sommigen zeer veel wit en geel in de bladeren hebben. Een dergelijke
soort, wellicht de schoonste van alle bontbladige Klimopsoorten, is
de Hedera maderensis fol. var. Wil men met het kweeken van Klimop
succes hebben, dan moeten de planten zeer zuiver gehouden worden;
door onophoudelijk afwasschen moet men stof en ongedierte geregeld
verwijderen.
Naast de Klimop is de Ampelopsis quinquefolia (Wilde Wingerd) de
meest gebruikte plant, om in de steden de veranda's en balkons te
bekleeden. Wil men Klimop of Wilde Wingerd voor dit doel gebruiken,
dan worden zij in bakjes geplant, waarin zij verscheidene jaren kunnen
blijven staan. De Ampelopsis moet ieder voorjaar flink ingesneden
worden. Gedurende den winter bedekt men de bakjes met een oud kleed of
met droog blad, of wel, men zet ze tot het voorjaar in een luchtigen
kelder.
Een, om haar bladeren, zeer lieve klimplant is de Pilogyne suavis,
een plant, die tot de familie der Pompoenen behoort. Zij is afkomstig
van de Kaap de Goede Hoop, heeft fraaie bladeren en onbeteekenende,
witachtige bloempjes, die zeer aangenaam rieken. Deze plant, die zich
gemakkelijk door stekken laat voortkweeken, verlangt een voedzame
aarde. Zij groeit voor het zonnige venster van een gesloten kamer
evengoed als buiten, en zij is een van de weinige klimplanten, die
ook des winters doorgroeien.
Zeer veel gelijkenis met de Pilogyne, die zich slechts door
stekken laat voortkweeken, wijl zij geen zaden geeft, heeft de
Melothria abyssinica, die zeer gemakkelijk uit zaad kweekt. Dit is
een betrekkelijk nieuwe klimplant, die ter wille van haar schoone
bladeren gekweekt wordt. Zij bloeit zeer rijk met kleine, stervormige
bloempjes, die later door oranje vruchtjes worden gevolgd.
Een, om haar bladeren, zeer fraaie klimplant is ook de Mikania
scandens; zij heeft Klimopvormige bladeren en laat zich zeer
gemakkelijk uit stek voortkweeken. Er bestaat een variëteit van
met wit- en roodbonte bladeren; deze is zeer fraai, maar zeer zwak
en gevoelig. Voor het bekleeden van veranda's en balkons kunnen wij
ten slotte nog zeer aanbevelen de Humulus japonicus en haar witbonte
variëteit. De eerste groeit zeer snel en is veel sterker dan de tweede,
die echter met haar bonte bladeren een zeer fraai effect maakt. Beiden,
de Humulus japonicus en haar variëteit, laten zich zeer gemakkelijk
uit zaden voortkweeken, die in de tweede helft van Maart bij voorkeur
warm moeten gezaaid worden.
De overblijvende, houtachtige klimplanten worden, evenals de
kruidachtige, door stekken voortgekweekt; de éénjarige of als zoodanig
behandelden daarentegen, zooals de Cobæ, Lophospermum, Maurandia,
Melothria, Humulus en Lathyrus, doet men het best ieder jaar uit zaden
te kweeken. De zaden worden in Februari of Maart gezaaid en voor het
venster gezet; zoodra zij opgekomen zijn, worden zij gerepikeerd, of,
zoo de zaailingen sterk genoeg zijn, direct in potjes gezet. Is het
noodig, dan worden zij nog eens verpot, voordat men ze in het begin
van Mei buiten zet. Tegen het einde van Mei kunnen de zoo opgekweekte
klimplanten in de bakjes worden uitgeplant, waarin zij dan spoedig
flink zullen doorgroeien. Heeft men gemakkelijk groeiende klimplanten
zooals Ipomæa, Phaseolus of Tropæolum, dan kunnen de zaden tegen half
April, direct in de bakjes worden gezaaid.
Hang- of Ampelplanten.
Tusschen de, in het vorige hoofdstuk besproken klimplanten en
die, welke wij hang- of ampelplanten noemen, bestaat een werkelijk
verschil. Zeer veel liefhebbers kennen het verschil niet tusschen klim-
en hangplanten; zij meenen, dat de klimplanten ook als hangplanten
kunnen dienst doen, dat men ze niet alleen voor het bekleeden van
een veranda of balkon, maar ook voor het beplanten van een ampel kan
gebruiken. Deze opvatting is echter geheel verkeerd. Een klimplant
toont altijd de neiging ergens tegen op te willen klimmen en hoe
steiler dit voorwerp is, des te sterker is haar groei. Worden toch de
scheuten van een klimplant in horizontale richting geleid, dan wordt
de groei veel minder en laat men ze hangen, dan groeien zij bijna
in het geheel niet meer. Enkele klimplanten kunnen echter wel als
hangplanten gebruikt worden, zooals enkele Vitis-soorten en de Ficus
repens, welke laatste slechts in warme kassen tegen vochtige stammen
of muren opklimt, in een pot gekweekt, echter geheel het voorkomen
van een hangplant aanneemt. Het is echter niet te weerleggen, dat
een als hangplant gekweekte klimplant tegen haar natuur in wordt
behandeld en dat zij nooit een volmaakte ontwikkeling zal bereiken.
De eigenlijke hangplanten toonen nooit neiging om te klimmen; het
zijn meestal kruidachtige planten, die naar haar voorkomen in drie
groepen kunnen ingedeeld worden. De eerste groep bezit grasachtige,
direct uit den wortelstok spruitende halmen, die niet sterk genoeg
zijn, om zichzelf rechtop te houden en dus naar beneden hangen. Bij de
tweede groep kruipen de stengels in haar natuurstaat over den grond
en de derde groep vormt, evenals de aardbeien, ranken, waaraan op
bepaalde afstanden jonge planten ontstaan.
Al deze drie soorten van hangplanten kunnen in een kamer op dezelfde
wijze gebruikt worden. In een voor het venster hangenden ampel maken
alle hangplanten een schoon effect; maar men kan ze ook gebruiken
langs de kanten van bloemtafels, bloemrekjes en bakjes, die door haar
een schilderachtig voorkomen verkrijgen.
De eerste der bovengenoemde groep van hangplanten wordt in de kamer
vertegenwoordigd door het geslacht Isolepis. Er zijn twee soorten,
de Isolepis pygmæa en de Isolepis gracilis. Beide soorten, die
veel op elkander gelijken, komen zeer veel voor; het zijn, met
haar aan het eind van den halm zittende onbeduidende bloempjes,
dankbare kamerplanten. Daarbij stellen zij geen zeer hooge eischen;
zij verlangen een lichte plaats, in den zomer veel lucht en in den
winter slechts matig warmte, en, daar zij tot moerasgewassen behooren,
moeten zij in haar groeitijd volop water hebben. Het best doet men
deze planten steeds in bakjes met water te zetten. Zeer fraai groeien
zij in een zoogenaamd goudvisschenglas. Dergelijke glazen zijn voor
de goudvisschen werkelijke martelwerktuigen, en moesten in beschaafde
gezinnen niet meer voor het houden van dieren gebruikt worden. Een
dergelijk glas vult men met water en zet dan in den nauwen hals een
pot met Isolepis, waaruit men den bodem geslagen heeft. De wortels
groeien in het glas en de planten zullen vooral dan weelderig groeien,
wanneer men om de twee of drie weken een zeer kleine hoeveelheid
chemischen kunstmest in het water doet. Iedere pot met Isolepis
bevat een zeer groot aantal dicht te zamen groeiende grasplanten,
waarvan de middelste geel worden, wanneer men haar niet ieder jaar
uit den pot neemt en in vier, vijf of zes stukken verdeelt. Nadat
men dan de halmen teruggesneden heeft, wordt ieder deel in een
ongeveer 10 cM. wijden pot, in goede, zandige broeiaarde, niet te
vast, opgepot. Zeer spoedig zullen de zoo behandelde planten jonge
wortels maken en welig doorgroeien.
Van vele der tot de tweede groep behoorende ampelplanten hebben wij
reeds vroeger melding gemaakt, zoo o.a. van de Pelargonium peltatum en
van twee soorten Campanula's. De meest bekende der hiertoe behoorende
ampelplanten zijn de uit Amerika stammende Tradescantia's. Deze zeer
bekende hangplanten worden overal gekweekt en zijn in alle kweekerijen
te verkrijgen. De bekendste soort is de Tradescantia guianensis,
met groene bladeren, waarvan ook variëteiten met geel- en witbonte
bladeren bestaan. Zeer aanbevelenswaardig zijn de Tradescantia zebrina
en de Tradescantia multicolor, beiden met zeer fraaie bont gestreepte
bladeren. De Tradescantia's groeien in de kamer zeer goed, hoewel men
ze ook des zomers buiten kan houden. Men plant ze in goede broeiaarde
en geeft ze, als moerasplanten, volop water. Hangt men ze in de zon,
dan verkrijgen de bladeren een fraaien glans. Het best doet men de
Tradescantia's jaarlijks uit stekken te kweeken, waarvan men er
verscheidene in een 10 cM. wijden pot kan steken. Zij groeien in
ieder jaargetijde zeer gemakkelijk en maken reeds na weinige dagen
volop wortels.
Meer warmte dan de Tradescantia verlangt de Oplismenus (Panicum)
variegatus met groene, wit gestreepte bladeren. Het best groeit
deze plant in het kamerkasje, wanneer men haar jaarlijks uit stekken
kweekt, waarvan er meerdere in een 10 cM. wijden pot kunnen gestoken
worden. Ook de Oplismenus bemint zeer veel vocht en wil herhaaldelijk
bespoten worden. Eene hardere, eveneens bontbladige, grassoort is de
Stenotaphrum glabrum. Zij is uit Amerika afkomstig, heeft smalle,
wit en groen gestreepte bladeren en groeit in de warme en koude
kamer. Zij verdraagt uitstekend de volle zon en laat zich gemakkelijk
door stekken voortkweeken.
Een minder bekende, zeer schoon bloeiende ampelplant is de Lotus
peliorhynchus, een vlinderbloemige plant, afkomstig van Teneriffe. Zij
heeft grijsgroene, somtijds bijna zilverwitte twijgen en zeer
dunne blaadjes, die eenigszins op Asperge-blaadjes gelijken. De
fijne bladeren, die slechts zeer weinig water uitdampen en de
dichte beharing, die den dauw vasthoudt, zijn oorzaak, dat deze
plant op bijna naakte rotsen kan leven, in een land, waar somtijds
verscheidene maanden achtereen geen regen valt en waar de dauw de
eenige verfrissching voor de planten is. De inlanders noemen deze
plant Pico de Paloma, d.w.z. Duivensnavel. De onderste einden van de
twijgen tooien zich des zomers met scharlakenroode vlinderbloemen,
die in dichte bosjes bij elkander staan. Deze schoone ampelplant groeit
in bijna iedere aardsoort; zij verlangt 's winters slechts zeer weinig
warmte en staat des zomers het liefst buiten in het plantenrekje, mits
dit beschaduwd is. De voortkweeking geschiedt door stekken of zaden.
Een zeer schoone hangplant, is de Asparagus Sprengeri. De gravure
(Fig. 175) toont duidelijk aan welk een fraaie plant zij vormt. Deze
Asparagus moet men koud overwinteren, zij wil des zomers buiten
gekweekt worden; ook houdt zij er van, in groote potten met zeer
voedzamen grond te staan, en verlangt des zomers veel water. De
voortkweeking geschiedt door zaden.
Een zeer lief hangplantje is de Fuchsia procumbens, die in het najaar
haar bladeren laat vallen en die men in een vorstvrijen kelder
kan laten overwinteren. Zij heeft kleine blaadjes en zeer kleine,
aardig gekleurde bloempjes, waarop vrij groote, gedeeltelijk door
de bladeren bedekte roode bessen volgen. Deze plant laat zich uit
zaden voortkweeken.
Een zeer sierlijke hangplant vinden wij onder de Selaginella's en
wel: de Selaginella cæsia. Deze heeft zeer dunne stengels, die overal
luchtwortels maken, en door kleine, staalblauwe, glanzende blaadjes
als met schubben bedekt zijn. Zij wil in de schaduw en zeer vochtig
staan. Men moet haar planten in groven heidegrond, en een plaats
geven in het kamerkasje. De voortkweeking geschiedt zeer gemakkelijk
door stekken.
Twee vrij algemeen voorkomende planten, die ook wel in het wild worden
aangetroffen, zijn zeer geschikte ampelplanten; namelijk: de Lysimachia
nummularia (Penningkruid), waarvan vooral de geelbladige variëteit zeer
in trek is, en de Galeobdolon luteum, waarvan een bontbladige variëteit
in sommige streken veel als ampelplant wordt aangetroffen. Beide
planten groeien ook goed in de kamer; zij stellen bijna geen eischen
en laten zich gemakkelijk door stekken voortkweeken. Eerstgenoemde
plant kan men ook door deeling van den wortelstok vermenigvuldigen.
Twee andere, veel verspreide ampelplanten zijn de Vinca minor en de
Vinca major (Maagdepalm), waarvan ook bonte variëteiten bestaan. Hoewel
deze planten veel in potten gekweekt voorkomen, hebben zij toch
grooter waarde ter versiering van den tuin.
Onder de verschillende Succulenten (Vetplanten) worden ook eenige
zeer lieve ampelplanten aangetroffen o.a. de Othonna crassifolia,
die zich door dunne, neerhangende stengeltjes, die dicht met kleine
cylindervormige bladeren bedekt zijn, kenmerkt; ook de buiten
overblijvende Sedum Sieboldii en haar bonte variëteit zijn als
hangplanten zeer in trek. Deze laatsten sterven in het najaar tot
aan den grond af, en kunnen dan in den kelder overwinteren.
Beide soorten staan gaarne in de zon; zij groeien zelfs in mageren
grond en moeten des winters, evenals alle andere Vetplanten, droog
gehouden worden. Men kan beide soorten zeer gemakkelijk door stekken
voortkweeken.
Onder de hangplanten, die tot de derde groep behooren, en die,
evenals de aardbeien ranken maken, is wel het meest bekend de Fragaria
indica. Deze plant houdt het bij ons des winters buiten uit; zij vormt
lange ranken, die met jonge plantjes bezet zijn, en bloeit zeer rijk
met kleine, gele bloempjes. Op de bloemen volgen aardige besjes, die
het voorkomen hebben van kleine aardbeien, doch geheel smakeloos zijn.
Een zeer verspreide plant is ook de Saxifraga sarmentosa, afkomstig uit
China en Japan. Zij heeft sterk behaarde, sierlijk geaderde bladeren
en maakt talrijke, roodachtige ranken. In het voorjaar brengt deze
plant groote, rechtop staande bloemtrossen voort, met kleine, witte of
rose bloempjes. Een bonte vorm, de Saxifraga sarmentosa var. tricolor
heeft zeer fraaie, wit, groen of geelbonte bladeren, doch is zeer
zwak en groeit slecht. De Saxifraga groeit in bijna iedere aardsoort
en houdt niet van veel warmte. Als derde rankenvormende ampelplant
kan aanbevolen worden de Chlorophytum Sternbergianum. Deze plant,
die tot de familie der Liliaceeën behoort, groeit in een gesloten
kamer zeer goed.
Al de rankenvormende hangplanten laten zich gemakkelijk voortkweeken;
men neemt eenvoudig de aan de ranken hangende plantjes, die meestal
reeds beworteld zijn, en plant ze afzonderlijk in potjes, waarin zij
dadelijk zullen doorgroeien.
Van de klimplanten, die ook als hangplanten gebruikt kunnen worden,
kan gerust de Ficus repens worden aanbevolen, waarvan ook een zeer
kleinbladige variëteit de Ficus minima bestaat. Beide behooren in
Japan thuis; zij groeien zeer gemakkelijk in de kamer, doch laten
zich zonder kamerkasje niet licht uit stekken voortkweeken.
Zomerbloemen.
Onder den naam Zomerbloemen verstaan de meeste liefhebbers die planten,
welke binnen den tijd van één jaar, eigenlijk tusschen de Lente en den
Herfst, haar volkomen ontwikkeling bereiken. In dezen betrekkelijk
korten tijd worden zij gezaaid, bloeien zij, geven zij zaad om ten
slotte te sterven. Tot de Zomerbloemen worden ook wel eenige tweejarige
planten gerekend, die zeer vroeg in het voorjaar gezaaid, in den loop
van den zomer nog bloeien en ook wel eenige kruidachtige gewassen,
die dan als éénjarig worden behandeld, daar zij de overwintering in
de kamer niet loonen.
Bijna al de tot deze categorie behoorende planten zijn voor
kamerplanten minder geschikt, daar deze gedeeltelijk lieve,
gedeeltelijk prachtige of met kleurrijke bloemen bloeiende planten
veel lucht en zon moeten hebben, waardoor zij dus in een gesloten
vertrek niet best willen groeien. Het zijn echter bij uitstek geschikte
tuinplanten.
Enkele soorten van Zomerbloemen, waarvan prachtige variëteiten
gewonnen zijn, die echter niet altijd uit zaad constant blijken,
worden in potten gekweekt en buiten in het bloemenrekje voor het
venster geplaatst.
Hiertoe behooren o.a. de gevuldbloemige Petunia's en Verbena's,
die, wil men ze zuiver houden, door stekken moeten worden
voortgekweekt. Deze soorten zijn ook zeer goed om er de bakjes mede
te beplanten. In deze bakjes kan men de Zomerbloemen alleen gebruiken,
of wel te zamen met Pelargoniums, Fuchsia's, Heliotropen, enz.
Enkele Zomerbloemen vormen als zaailingen reeds dadelijk penwortels;
deze laten zich zeer slecht verplanten, en moeten dus direct in
de bakjes gezaaid worden. Van deze planten is er slechts één met
succes voor potten of bakjes te gebruiken, namelijk de Reseda odorata
(Reseda), een plant, die meer om den aangenamen geur, dan wel om het
fraaie voorkomen der bloemen gekweekt wordt.
Met uitzondering van deze moeten de voor de bakjes bestemde
Zomerbloemen vroegtijdig gezaaid worden; de zaailingen worden dan een-
of tweemaal gerepikeerd en tegen het einde van Mei in de voor haar
bestemde bakjes geplant. Daar men de Zomerbloemen, om ze tijdig in
bloei te hebben, zeer vroeg moet uitzaaien, en ze meestal uit warmere
landen afkomstig zijn, dus ons voorjaarsklimaat niet kunnen verdragen,
moeten zij in een warmen bak uitgezaaid worden.
Het opkweeken van dergelijke jonge planten is eigenlijk meer het
werk van den kweeker, die aan al haar eischen kan voldoen en in
het voorjaar, tegen billijken prijs, sterke, jonge planten kan
leveren. Aangezien echter menig liefhebber er pleizier in heeft,
zelf zijn Zomerbloemen te kweeken, willen wij in het kort mededeelen,
hoe dit moet geschieden.
In Januari of Februari, wanneer de groote zaadhandelaars hun
catalogi hebben uitgegeven, moet de liefhebber zijn benoodigde zaden
bestellen. Met het zaaien begint men in Maart. Dit zaaien doet men
op de wijze, zooals in het daarover handelende hoofdstuk is aangegeven.
Gewoonlijk zaait men op gezeefde, zandige broeiaarde, in vlakke
schalen of houten kistjes. Men moet er voor zorgen, dat iedere soort
afzonderlijk blijft. Dit gaat gemakkelijk, door grootere kistjes met
stokjes in vakken te verdeelen. De stokjes worden daartoe eenvoudig op
de van te voren vlak gemaakte en matig aangedrukte aarde gelegd. Zeer
fijne zaden, zooals bijv. Lobelia, die in het geheel niet gedekt
worden, zaait men het best in afzonderlijke potten. De zaadpannen
worden, nadat men gezaaid heeft, voor een venster van een niet te
warm vertrek gezet. De aarde wordt met den rafraîchisseur of een
fijnen broesgieter zóó aangegoten, dat zij matig vochtig blijft
en men bedekt ze, zoolang de zaden niet opgekomen zijn, wanneer
de zon schijnt, met een vel papier. Heeft men te dicht gezaaid,
zoodat de opkomende kiemplantjes elkander dadelijk raken, dan moet
men ze onverwijld uitdunnen, door de zwakste plant voorzichtig uit
te trekken. Lang kan men de opkomende zaailingen niet laten staan;
zij moeten spoedig in andere potten of bakjes gerepikeerd worden, wat
ook tot de vorming van haarworteltjes bijdraagt. Dit repikeeren is
bij zeer kleine kiemplantjes tamelijk moeilijk; bij grootere echter
gemakkelijk. Langzamerhand moeten de zaailingen aan de lucht en zon
gewend worden, om te voorkomen, dat zij uit haar kracht, doch stevig
en gedrongen groeien en tegen Pinksteren kan men ze dan in de voor
haar bestemde bakjes uitplanten.
De bakjes, die van een goede drainage moeten voorzien worden, vult
men met voedzamen grond, die matig aangedrukt wordt; zij worden zóó
hoog gevuld, dat er niet meer dan een gietrand vrij blijft. Het
best geschikt is een mengsel van vier deelen broeiaarde met één
deel graszodengrond en 1/2 deel zand, waaraan wat duivenmest of
hoornspaanders worden toegevoegd. Heeft men de bakjes klaargemaakt,
dan worden de zaadplanten voorzichtig uit de schalen genomen, waarbij
men er voor zorgt, dat de aarde tusschen de worteltjes blijft zitten,
waarna zij in de bakjes worden geplant. Voor ieder plantje maakt men
met het repikeerhoutje een gaatje, houdt het daar met de linkerhand zóó
diep in, dat het met de onderste bladeren op de aarde komt te rusten,
en drukt daarna met de rechterhand de aarde goed om de wortels aan. Op
deze wijze plant men den eenen zaailing na den anderen, totdat het
bakje gevuld is, waarna de plantjes goed aangegoten worden, waartoe
men natuurlijk een fijnen broesgieter moet gebruiken.
Men moet de jonge plantjes vooral niet te dicht planten. Heeft men een
bakje van 1 Meter lengte, dan zijn 15 plantjes ruim voldoende om het
te vullen. Staan de bakjes vrij, zoodat de planten over de randen heen
kunnen hangen, dan kan men iets dichter planten; staan zij echter tegen
een hekje of balustrade, dan doet men het best klimplanten te gebruiken
en er blijft dan voor de Zomerbloemen geen voldoende ruimte over.
Als zomerbloemen, die uitstekend voor bakjes geschikt zijn, kunnen
aanbevolen worden de witte en de blauwe variëteiten van Ageratum;
de Callistephus (Aster) chinensis, waarvan talrijke variëteiten met
prachtig gevulde bloemen bestaan; ook zijn er in den laatsten tijd
schoone enkele vormen van gewonnen. Men moet de Asters niet te vroeg,
pas in Mei, zaaien, daar het echte najaarsbloemen zijn. Verder kunnen
aanbevolen worden: Lobelia Erinus, lieve gedrongen plantjes, die met
witte of blauwe bloempjes als overdekt kunnen zijn; Matthiola annua
(Zomerviolieren), waarvan veel schoone, enkele en gevulde variëteiten
bestaan; Mimulus hybridus, met geel en bruin gestippelde of gevlekte
bloemen; Petunia hybrida, voornamelijk de variëteiten met groote,
gevulde en gefranjede bloemen; Phlox Drummondii (Vlambloem), met vurig
gekleurde bloemen; Verbena hybrida, zeer rijkbloeiende planten, met
blauwe, witte en roode bloemschermen; Zinnia hybrida, bij voorkeur
de gevuldbloemige variëteiten.
De Zomerbloemen groeien alleen goed op een zonnige, luchtige
standplaats. Plant men ze in goede, voedzame aarde, en zorgt men voor
een regelmatige begieting, dan zijn het zeer dankbare bloeisters,
vooral wanneer men er om denkt ze des zomers ook nu en dan te
gieren. Veel zorg vereischen zij dan overigens niet. De bakjes
moeten vrij van onkruid gehouden worden; des zomers na een warmen,
zonnigen dag, besproeit men ze met een gieter; de hoog opgroeiende
bloemstengels moeten aan stokjes gebonden, de slechte bladeren en
uitgebloeide bloemen tijdig afgesneden worden. De Zomerbloemen bloeien
even dankbaar als de Fuchsia's, Pelargoniums en Begonia's, en eerst een
sterke vorst maakt een einde aan haar bloei. Zijn zij eenmaal bevroren,
dan maakt men de bakjes leeg, droogt ze en laat ze zoo noodig verven,
waarop zij tot de tweede helft van Mei van het volgende jaar worden
bewaard, ten einde ze dan weder met jonge plantjes te vullen.
Cacteeën.
Tot de interessantste gewassen van het plantenrijk behooren
ongetwijfeld de vertegenwoordigers van de, aan soorten zoo rijke
familie der Cacteeën, er zijn dan ook niet weinig liefhebbers, die
deze planten met voorliefde kweeken. Tusschen de jaren 1830-1850
namen de Cactussen een voorname plaats onder de kamerplanten in.
In de Botanische Tuinen en de plantencollecties van voorname
liefhebbers vond men toen ter tijde zeer uitgebreide verzamelingen
dier planten.
Op dezen bloeitijd volgde een tijd, waarin zij geheel veronachtzaamd
werden; de slechts om haar interessant voorkomen belangwekkende
soorten verdwenen geheel, en slechts eenige fraai bloeiende konden
zich eenigszins handhaven. In de laatste jaren begint echter de
liefhebberij voor deze planten weder aanmerkelijk te herleven.
De Cactussen behooren tot die planten, welke er zich uitstekend
toe leenen om in de kamer voor het venster gekweekt te worden, en,
groeien zij ook langzaam, de liefhebber kan er verscheidene tientallen
van jaren genoegen van hebben, daar zij, bij een eenigszins juiste
behandeling, een zeer langen levensduur hebben. Het is bekend,
dat de Cacteeën, die in haar vaderland op een zeer onvruchtbaren,
zandigen bodem groeien, slechts zeer weinig eischen stellen. Bij het
verplanten en bij de geheele behandeling dier planten moet men zeer
voorzichtig zijn, daar veel soorten scherpe dorens bezitten, waaraan
men zich licht kan verwonden; vooral moet men voorzichtig zijn, dat
er geen dorens onder de nagels of in een der handgewrichten komen,
daar ze dan pijnlijke verzweringen kunnen veroorzaken. Behandelt men
Cactussen, dan is het voorzichtig steeds een pincet bij de hand te
hebben, ten einde de in de huid geraakte dorens dadelijk te kunnen
verwijderen. Er zijn echter ook veel soorten, die geheel zonder of met
zeer onschuldige dorens gewapend zijn, en die men dus zonder gevaar
met de bloote hand kan aanraken. Moet men sterk gedoornde soorten
behandelen, dan doet men het wijst òf een goeden leeren handschoen
aan te trekken òf zich van een stuk leer te bedienen, waarmede men
de plant vasthoudt (Fig. 184).