Augustine Guinoisseau, met witte bloemen.
Camoëns (Fig. 87), rose bloemen met gelen grond.
Caroline Testout, met prachtige vleeschkleurig-rose
bloemen.
Kaiserin Augusta Victoria (Fig. 88), met prachtige
bloemen, uitwendig wit, inwendig lichtgeel.
La France, prachtige lichtroode bloemen.
William Francis Bennet, met karmijnroode bloemen.
Remontantrozen (Rosa hybrida bifera).
Alfred Colomb, met vuurroode bloemen.
Foliis tricoloribus (Fig. 90), met donkerroode bloemen
en fraaie geel-wit-bonte bladeren.
Baronne de Rothschild, met rose bloemen.
Frau Karl Druschki, met groote sneeuwwitte bloemen.
Général Baron Berge (Fig. 91), met granaatroode
bloemen.
Jean Lambert, met hoogroode bloemen.
Jules Margottin, met kersroode bloemen.
Paul Neyron, met donkerroode, zeer groote bloemen.
Pierre Notting, met zwartachtig roode bloemen.
Van Houtte, met vuurroode bloemen.
Victor Verdier, met schitterend karmijnroode bloemen.
Rosmarinus officinalis (Rozemarijn). De Rozemarijn werd vroeger bijna
overal aangetroffen, tegenwoordig echter veel minder, en alleen hier
en daar in dorpen kan men haar nog wel eens vinden. Het is een klein
struikje, met glimmende, naaldvormige blaadjes en kleine lilakleurige
bloempjes. Haar vaderland is Zuid-Europa en de Levant. Er bestaan twee
variëteiten van: een met wit- en een met geelbonte blaadjes. In haar
vaderland groeit de Rozemarijn in een drogen bodem. Dit sierplantje
moet in goede, zware aarde geplant; het kan des zomers buiten staan
en ook buiten uitgeplant worden; des winters verlangt het een koel
vertrek. De Rozemarijn is wel een zeer bescheiden, tevens een zeer
harde, maar zeker ook een uitnemende kamerplant.
De voortkweeking geschiedt door stekken, die zeer gemakkelijk wortelen.
Salvia. Van dit geslacht zijn vele soorten bekend, die zich alle
onderscheiden door den aromatischen geur harer bladeren, en vele ook
door de fraaie kleur van haar bloemen. Voor venster- en balkon-cultuur
moeten wij er in de eerste plaats twee aanbevelen. De Salvia patens,
uit Mexico, vormt een kleinen Meter hoogen half-heester, met hoekige
bladeren en groote aren van prachtig blauwe bloemen. De bloeitijd van
iedere bloem afzonderlijk is slechts zeer kort, wat niet wegneemt,
dat de plant bijna den geheelen zomer onafgebroken doorbloeit, daar
de knoppen zich pas na elkander openen en de bloemstelen zeer rijk
met knoppen bezet zijn. Een nog dankbaarder bloeiende soort met roode
bloemen is de Salvia splendens, uit Brazilië. Beide soorten, waarvan de
eerste een knolvormigen wortelstok heeft, rusten des winters volkomen:
zij laten dan al haar bladeren vallen en kunnen in een luchtigen kelder
of een koele achterkamer bijna geheel droog overwinteren. Wanneer
men de planten vroeg in het voorjaar diep insnijdt, in goede voedzame
aarde verplant en voor een zonnig venster in een warm vertrek plaatst,
dan groeien zij zeer spoedig uit. Van de jonge scheuten kan men
er nu enkele als stekken gebruiken, die zeer spoedig en gemakkelijk
wortelen; ook de vermenigvuldiging uit zaden gaat zeer goed. Gedurende
den zomer verlangen deze Salvia's zeer rijkelijk begoten te worden, en
kweekt men ze in potten, dan moeten zij meermalen verplant en gegierd
worden. Een heel aardige, doch zeer onbeduidend bloeiende soort is
de bonte variëteit van de Salvia officinalis. Deze heeft gele, witte
en groene bladeren. Zij moet in een zeer koude kamer overwinteren,
daar zij dan haar fraai gekleurde bladeren behoudt.
Sparmannia africana. De Sparmannia is een Kaapsche plant, die tot
de familie der Lindeboomen behoort. Zij heeft groote, viltachtige,
eenigszins hartvormige bladeren van lichtgroene kleur en vrij groote,
gedurende den winter en het vroege voorjaar verschijnende bloemen. Deze
bezitten witte bloembladeren en verkrijgen door de purperkleurige
helmknopjes een zeer eigenaardig aanzien. Er is ook een variëteit met
gevulde bloemen van bekend. De Sparmannia neemt, zonder twijfel, een
eerste plaats onder de kamerplanten in. Deze plant, die, des zomers
in den tuin uitgeplant, zich tot een grooten struik ontwikkelt,
kan ook het geheele jaar door in de kamer gekweekt worden. Daar
wordt zij natuurlijk lang zoo sterk niet; zjj krijgt dan echter
zeer groote en fraaie bladeren, waardoor zij geheel het voorkomen
van een prachtige bladplant heeft. Heeft men, om deze plant buiten
te kweeken, geen beschutte plek in den tuin of een zonnig gelegen
balkon, dan houdt men ze beter in de kamer, bij voorkeur voor een
geopend venster. De Sparmannia verlangt een grooten pot en goede, zware
aarde; een grondmengsel, bestaande uit broeiaarde en graszodengrond,
waarbij eenige hoornspaanders of wat schapenmest gevoegd worden, zal
haar zeker wel aanstaan. Gedurende den zomer moet men haar zeer veel
begieten en, wanneer zij in vollen wasdom is, rijkelijk gieren. Goed
onderhouden exemplaren moeten twee keer per jaar verpot worden.
Des winters kan men de Sparmannia, al naar verkiezing, in een koud
of warm vertrek kweeken. Doet men het in een warme kamer, dan zal
zij weinig of niet rusten. Plaatst men haar des winters in een
kamer met een temperatuur van 55° Fahr., geeft men haar daarbij een
lichte standplaats en wordt zij op zonnige dagen nu en dan bespoten,
dan zullen zich enkele bloemtrossen ontwikkelen. Kweekt men deze
plant in een warm vertrek, dan moet men haar zeer goed in het oog
houden en vooral op ongedierte letten, waardoor zij zeer licht wordt
aangetast. Pas gekochte planten hebben meestal eenigen tijd noodig,
voordat zij aan de kamer gewend zijn.
De vermenigvuldiging geschiedt door stekken, die men van de
twijgspitsen of van korte zijscheuten snijdt. De groote bladeren,
die aan de stekken zitten, worden op de helft ingekort, waarna men
iedere stek afzonderlijk in een klein, met zandige heide- of bladaarde
gevuld potje zet. Onder glas geplaatst, wortelen deze stekken in zeer
korten tijd. De bewortelde stekken kunnen dadelijk in potten van 10
à 14 cM. wijdte worden geplant.
Veronica (Eereprijs). Van het geslacht Veronica, waartoe ook enkele
hier te lande inheemsche soorten behooren, hebben die, welke op de
Australische eilanden gevonden worden, als harde kamer-, decoratie-
of bloemplanten een niet onbelangrijke waarde. De bladeren van deze
groenblijvende planten zijn meestal glimmend en lederachtig, zij zijn
òf groot en dan lancetvormig òf klein, in welk laatste geval de plant
wel eenige overeenkomst heeft met een Mirt.
De kleinbladerige, laag groeiende soorten bloeien slechts zelden, en
hebben kleine, onaanzienlijke bloemen; de grootbladerige daarentegen
hebben tamelijk groote, uit de bladoksels ontspruitende aren, uit
talrijke, blauwe of witte reukelooze bloempjes bestaande. Bijna
in ieder jaargetijde verschijnen die bloemaren; nu eens zijn zij
rijkelijk, dan weder spaarzaam aan de plant te vinden; zonder bloemen
zijn zij echter slechts bij uitzondering.
De struikachtige Veronica is zeer hard en kan dan ook in een
vorstvrijen kelder of achterkamer overwinteren. In het voorjaar
wordt zij flink ingesneden, en daarna voorzichtig in voedzame aarde
verplant. Bij dit verplanten moet men voorzichtig zijn, de weeke
viltachtige wortels, die langs den binnenkant van den pot groeien,
niet te veel te beschadigen. Deze planten stellen geen bijzonder hooge
eischen; zij groeien in de volle zon en ook in halfschaduw, voor het
venster, op het balkon of in den tuin. Zij worden slechts zelden door
ongedierte aangetast. Des zomers, wanneer zij in haar groeiperiode
zijn, verlangen zij volop water en nu en dan een weinig gier.
De voortkweeking geschiedt door stekken; deze worden van de
toppen der scheuten gesneden en wortelen in enkele dagen. De jonge
stekplantjes worden herhaaldelijk verpot, terwijl men ze zóó dikwijls
de kopjes innijpt, totdat zij goed vertakt zijn. Hierdoor wordt in den
beginne de bladontwikkeling wel een weinig vertraagd. Uit de talrijke
grootbladerige soorten hebben de kweekers fraaie bastaarden gewonnen,
die zeer rijk bloeien en als veelgezochte kamerplanten in vrij grooten
getale voorkomen.
Viburnum Tinus. Deze heester behoort in Zuid-Europa thuis en is
onder den naam Laurus Tinus vrij algemeen bekend. Hij is na verwant
aan onzen gewonen Sneeuwbal en onderscheidt zich door donkergroene,
langwerpig-ovale bladeren en fraaie, kleine, witte bloemen. Deze
bloempjes zijn in schermpjes vereenigd en verschijnen in het
voorjaar. Geeft men hem echter een warme standplaats, dan zullen de
twijgspitsen zich reeds in den winter met bloemen tooien en dikwijls
zullen zij dan zóó rijk bloeien, dat de bladeren door de bloemen aan
het gezicht onttrokken worden. Deze Viburnum wordt meestal als struik
gekweekt, in welk geval hij in het voorjaar of den zomer door middel
van stekken wordt vermenigvuldigd, welke stekken men òf in de aarde
steekt, òf, juist als de Oleander, in een fleschje met water. Kweekt
men hem echter als kroonboompje, dan moet hij op den gewonen Sneeuwbal
veredeld worden, wat men het beste in een kweekerij laat doen.
De meest geschikte grond is goede bladaarde, waardoor een derde
klei- of graszodengrond wordt gemengd. Na den bloei worden de
planten gesnoeid, waarbij men vooral op den vorm moet letten;
hierna worden zij in betrekkelijk kleine potten verplant en met
Mei, op een tamelijk zonnige plek, buiten gezet. Tot midden in den
zomer wordt rijkelijk gegoten; hierna begint men minder te gieten,
ook al hangen de jonge blaadjes in den beginne wat slap. Door deze
behandeling wordt de te sterke bladvorming gestremd, en begint de
bloemknopvorming, waarom het toch eigenlijk te doen is. Tegen den
herfst zijn de bloemknoppen reeds duidelijk te zien. Heeft men zieke
exemplaren, dan is het raadzaam ze een zomer in den tuin te planten;
zij zullen zich dan weder flink ontwikkelen, doch den eersten daarop
volgenden winter zal men weinig of geen bloemen hebben. Viburnums,
zonder bloemknoppen kan men zeer goed in een luchtigen kelder laten
overwinteren; zijn zij echter goed geknopt, dan moet men ze in een
koele, lichte kamer zetten. Hoewel men den bloei kan bespoedigen,
door ze in een warm vertrek te houden, is dit minder raadzaam, omdat
de planten daar zeer licht door thrips worden aangetast.
Des winters moet men met gieten zeer voorzichtig zijn, omdat de
Viburnum, hoe hard zij ook is, vooral als oudere plant, in haar
rusttijd zeer gevoelig is voor te veel water. Zij wordt dan niet
alleen gauw ziek, maar gaat ook gemakkelijk dood.
Struikachtige bloemplanten voor warme vertrekken.
Aphelandra. Onder de fraaie, kleine bloemplanten voor warme vertrekken
nemen de Aphelandra's, naast de verderop te behandelen Justicia's,
een belangrijke plaats in. Deze kleine, tropisch-Amerikaansche
struikjes groeien in de kamer zeer goed. Zij munten niet alleen uit
door hun dikwijls fraai gekleurde of geteekende bladeren, maar ook
door de fraaie uit de toppen der takjes ontspruitende bloemaren. Deze
bloemaren bestaan uit schitterend roode, dakpansgewijze over elkander
liggende schutbladeren, waartusschen zich de pijpvormige, gele of
roode lipbloempjes ontwikkelen.
Een zeer mooie soort is de Aphelandra aurantiaca, waarvan vooral
een, uit Mexico afkomstige, variëteit, de A. aurantiaca Roezlii
veel gekweekt wordt. De bladeren van dit fraaie plantje hebben een
grijsgroene kleur en worden door zilverkleurige aderen doorsneden. De
bloemen zijn fraai oranjerood. Andere soorten van dit geslacht zijn
in den handel moeilijk of in het geheel niet te verkrijgen.
De Aphelandra's moeten des winters in een vertrek staan, dat een
temperatuur heeft van 55°-65° Fahr. Des zomers mag de warmtegraad wel
10° hooger zijn. Het dankbaarste zijn jonge planten, die in goede,
niet te lichte aarde moeten gekweekt worden. De potten mogen niet
wijder zijn dan 10 à 12 cM. In den groeitijd moet men ze veel water
en ook nu en dan wat gier geven.
Na den bloei ontstaan er ter weerszijden van de bloemaar jonge
scheuten, die gemakkelijk doorgroeien en ook wel weer tot bloei
komen. Deze tweede bloemen zijn echter lang zoo mooi niet als de
eerste; ook verliest de plant haar fraai voorkomen, zoodat men wijzer
doet de oude planten, nadat het zaad rijp geworden is, weg te werpen.
De voortkweeking geschiedt het gemakkelijkst door zaden, die ook in
de kamer rijp worden. Ook door middel van stekken laten zij zich
vermenigvuldigen. De zaad- en stekpotten moeten, totdat men jonge
plantjes heeft, gesloten en warm gehouden worden.
Franciscea. De Franciscea dankt haar naam aan keizer Frans II,
onder wiens regeeringstijd zij in Brazilië gevonden werd. De enkele
soorten van dit geslacht hebben langwerpige, lederachtige, lichtgroene
bladeren en blauwe of violette bloemen, die tamelijk groot zijn,
vlak uitstaan en een vreemden geur verspreiden. Hoewel deze fraaie
struiken gedurende den winter bloeien, zijn zij toch maar weinig
bekend en worden zij slechts zelden in kamers gekweekt.
De Franciscea moet het geheele jaar door in de kamer gekweekt
worden. Des winters verlangt zij een temperatuur van 60°-65° Fahr.,
des zomers moet zij flink geschermd en het vertrek, waarin zij staat,
ruimschoots gelucht worden. Evenals talrijke warme bloemplanten,
houden de Franciscea's er veel van bespoten te worden. Groeien zij
goed, dan kunnen zij een paar keer per jaar in goede nogal zware
aarde verplant worden. Vertoont zich ongedierte, dan moet dit dadelijk
verwijderd worden.
De vermenigvuldiging geschiedt door stekken. Dit is echter den
liefhebber niet aan te raden, daar zij wel op een warme standplaats
wortelen, doch zich in de kamer niet tot bloeibare planten laten
opkweeken.
Gardenia. Onder de bloemplanten, bekend om haar fraaie, zeer
welriekende bloemen, nemen de Gardenia's zeker wel een eerste plaats
in. Ter wille van de fraaie, schoon gevormde, schitterend witte,
zeer welriekende bloemen, maken wij van deze plant melding, hoewel
zij voor kamercultuur verre van dankbaar is. De Gardenia's vormen
kleine struiken, met vrij groote, glanzend groene, ei-lancetvormige
bladeren. De eigenlijke bloeitijd valt in den herfst; toch verschijnen
de bloemen, bij een goede cultuur, hoewel niet zoo talrijk, het
gansche jaar door. Bij zonnig weer opent de Gardenia-bloem zich zeer
gemakkelijk, bij donker weer echter slecht. Hoofdzakelijk worden de
gevuldbloemige variëteiten van twee soorten gekweekt, namelijk van
de Gardenia florida en de Gardenia radicans.
Eigenlijk is de cultuur der Gardenia's zoo erg moeilijk niet;
zij worden het geheele jaar door in het vertrek gehouden, dat des
zomers rijkelijk gelucht en des winters op een temperatuur van 60°
Fahr. verwarmd wordt. Gedurende den zomer willen zij rijkelijk begoten
en bespoten en bij scherpe zon beschermd worden; des winters geeft men
haar minder water en spuit men slechts bij helder weer. Men lette er
vooral op, voor het spuiten en gieten kalkvrij water te gebruiken. De
verplanting geschiedt in het voorjaar, in zandigen bladgrond, waar
men een weinig ouden graszodengrond doorheen kan mengen.
Jammer is het, dat de Gardenia sterk door insecten, bij voorkeur
thrips en wolluis wordt aangetast; deze zijn het, die de cultuur zoo
ondankbaar maken, daar zij juist in de droge kamerlucht bijna niet
met goed gevolg te bestrijden zijn.
Gezonde, bloeiende exemplaren zijn prachtig, doch ook niet-bloeiend,
is de Gardenia een zeer mooie plant. De voortkweeking geschiedt in
het voorjaar door stekken, die warm gehouden moeten worden.
Hibiscus rosa chinensis. Deze Hibiscus vormt een middelmatig grooten
struik, die waarschijnhjk uit Zuid-China en Noordelijk Indië afkomstig
is. Tegenwoordig wordt zij daar overal gekweekt aangetroffen, in
het wild vindt men haar er echter niet meer. Zij vormt een fraaie
plant met vrij groote, glanzend groene bladeren en schoone enkele
bloemen, waarvan de kleuren afwisselen tusschen het zachtste rose
en het vurigste rood. In vorm en grootte komen deze bloemen veel
overeen met die van onze enkelbloemige stokrozen, tot welker familie
de plant dan ook behoort. De bloeitijd valt in de zomermaanden,
en deze Hibiscus biedt, wanneer zij met haar fraaie bloemen prijkt,
een prachtigen aanblik.
Lastig om te kweeken is de Hibiscus niet, maar om haar stuggen groei is
de plant toch niet zoo aanbevelenswaardig als de bloemen wel verdienen.
In het voorjaar verplant men de Hibiscus in zeer voedzamen met
eenige hoornspaanders doormengden grond; zij wordt dan tegelijkertijd
flink ingesneden. Men kan ze den geheelen zomer door in een zonnig
gelegen vertrek kweeken, wanneer men er voor zorgt het rijkelijk te
luchten. Dikwijls spuiten zal den groei zeer bevorderen en ook het
optreden van schild- en groene luis, waardoor deze plant gemakkelijk
wordt aangetast, voorkomen. Gedurende den groeitijd verlangt de
Hibiscus rijkelijk water; ook kan men haar gerust enkele malen goed
gieren. Wil men ze in den herfst in bloei hebben, dan wordt zij in
Mei verplant, waarop men door matig gieten den groei zooveel mogelijk
tracht tegen te houden. Zoodra men meer gaat gieten, begint zij zich
krachtig te ontwikkelen; in Juli worden de scheuten weer ingesneden,
waarop in October en November de bloemen zullen verschijnen. In dezen
aan bloemen armen tijd zijn zij dan natuurlijk dubbel welkom. Des
winters moet de Hibiscus slechts matig begoten en niet te warm
gehouden worden.
De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, die men
van de jonge scheuten snijdt. In het kamerkasje of onder een stolp
groeien deze stekken zeer gemakkelijk.
Jasminum. Deze plant mag niet verward worden met een zeer veel in de
tuinen gekweekten fraaien bloemheester, die zeer ten onrechte onder
den naam Jasmijn bekend is.
Van de vele echte Jasminum-soorten, die zich door meestal kleine,
witte of gele, doch zeer sterk riekende bloemen onderscheiden, zijn
slechts twee soorten zóó fraai, dat zij waard zijn in de kamer gekweekt
te worden. Dit zijn de Jasminum grandiflorum en de Jasminum Sambac. De
eerste is een zeer slanke, ijle, groen blijvende struik met gedeelde
bladeren en groote stervormige bloemen, zij komt in geheel tropisch
en subtropisch Azië voor. De tweede soort, de Jasminum Sambac is,
vooral bij hen, die Indië bezochten, meer algemeen bekend onder den
naam "Melatti". Het is een struik met glanzend groene, eivormige
bladeren en zeer welriekende, witte bloemen. Van deze soort wordt
tegenwoordig meestal de gevuldbloemige variëteit gekweekt.
De Jasminums zijn oorspronkelijk klimplanten, en hoewel de bloemen
betrekkelijk klein zijn, brengen zij door haar fijnen geur bijna
iedereen in verrukking. In potten gekweekt, ontwikkelen zij zich
slechts tot kleine struikjes, die men aan een stokje opbindt. Zij
moeten geplant worden in lichten grond; heidegrond, veengrond of
bladaarde passen haar goed. Des zomers zet men ze in een lichte,
luchtige kamer, des winters in een matig warm vertrek.
De voortkweeking geschiedt door stekken of afleggers.
Justicia. Het naar den Schotschen kweeker James Justice genoemd
plantengeslacht omvat verscheidene fraaie soorten, die alle op dezelfde
wijze behandeld moeten worden. Zij vormen aardige struikjes, met
gesteelde, langwerpige bladeren en lieve, aan de spitsen verschijnende
bloemaren. Deze bloemaren worden door fraai gevormde, met groote
schutbladeren omgeven, lipbloempjes gevormd.
De nevenstaande gravure, Fig. 93, is die der Justicia coccinea uit
Suriname, met fraaie, scharlakenroode bloemen, die gewoonlijk in het
voorjaar, in de maanden April en Mei, verschijnen. De Justicia carnea,
met vleeschkleurige bloemen, is uit Brazilië afkomstig; deze soort
bloeit gewoonlijk in het midden van den zomer, terwijl de Justicia
speciosa, uit Bengalen, met haar rozeroode bloemen een zeer schoone
herfstbloeister is.
De Justicia's zijn zeer dankbare kamerplanten, die het geheele jaar
door in de kamer kunnen gekweekt worden. Zij verlangen een lichte
standplaats en een temperatuur van 60°-65° Fahr. Wanneer de planten
uitgebloeid zijn, ontwikkelen zich onder de bloemaar, dus uit de oksels
der bovenste bladeren, jonge scheuten, die vroeger of later weder
bloeibaar worden. Voor deze jonge scheuten geldt hetzelfde, wat wij
gezegd hebben omtrent die, welke zich bij de Aphelandra's ontwikkelen.
De Justicia's worden gedurende het voorjaar in goede broeiaarde
verplant. Ten einde fraaie, bossige planten te verkrijgen, die rijk
bloeien, moet men ze na het verpotten flink insnijden, zoodat er op
iedere twijg niet meer dan twee paar bladeren blijven staan. Zijn
de planten flink aan het doorgroeien, dan kan men ze vrij geregeld
gieren; worden zij zorgvuldig begoten, bij helder weer bespoten en
bij te scherpe zon geschermd, dan blijven zij vrij van ongedierte en
zullen zich spoedig tot fraaie planten ontwikkelen.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door kleine stekjes,
die zeer gemakkelijk wortelen.
Poinsettia pulcherrima. De Poinsettia is een echte winterbloeister,
daar de bloeitijd in December begint en pas in Januari eindigt. Deze
zeer fraaie, gewoonlijk slechts ½ à ¾ Meter hoog wordende struik is
afkomstig uit Mexico, Guatemala en Costa-Rica. De weinig houtachtige
twijgen zijn hol en scheiden bij de minste verwonding een wit melksap
af. Hiermede moet men zeer voorzichtig zijn, daar dit melksap een
vrij sterk bloedvergif is, en, in wonden komende, een gevaarlijke
ontsteking kan veroorzaken. De bladeren zijn vaak verschillend
gevormd, meest echter ovaal. In de laatste helft van den herfst
ontstaan aan de spitsen der twijgen eigenaardig gevormde knopjes,
die steeds duidelijker worden. Deze groene knopjes worden de weinig
beteekenende bloemen, die echter door een aantal spiraalsgewijze
ingeplante schutbladeren omgeven zijn. In de donkere najaarsdagen
groeien deze schutbladeren langzaam door; spoedig beginnen zij zich
te kleuren en tegen Kerstmis zijn de dicht bijeen zittende groene
bloempjes omringd door een grooten krans van prachtige, vuurroode
bladeren, die aan de plant een groote waarde geven en door de meeste
leeken voor bloembladeren worden aangezien. Hebben de bloemen haar
vollen wasdom bereikt, dan beginnen deze schutbladeren langzaam
te verwelken; zij vallen te gelijk met de gewone bladeren af en de
Poinsettia treedt haar rustperiode in.
De rustende Poinsettia kan op iedere plaats in een matig warme kamer
overwinteren. In Maart zet men de planten voor een zonnig venster van
een warme kamer, nadat men de kale stengels flink heeft ingesneden,
waarop men weder geregeld begint te gieten. Aanvankelijk moet dit
gieten zeer voorzichtig geschieden; beginnen zich echter de jonge
scheuten te ontwikkelen, dan kan men rijkelijk water geven. De weder
bebladerde Poinsettia wordt nu zeer voorzichtig verplant in bladaarde,
vermengd met wat kleigrond en zand. Men moet ze nu langzamerhand aan
frissche lucht gewennen en in Juni voor een druk gelucht wordend
venster zetten. Om een goeden groei te bevorderen, moet men ze
gedurende den zomer zooveel mogelijk zon geven en overvloedig
begieten. In September worden de planten voor het zonnige venster
van een warme kamer gezet en hier worden zij, indien men wil dat de
schutbladeren zich goed zullen ontwikkelen, minstens één keer per
week gegierd.
In het voorjaar steekt men stekken van de jonge scheuten, die, wanneer
zij op een warme plaats onder glas staan, in 2 à 3 weken beworteld
zijn. Snijdt men de planten niet in, dan zullen zij op één scheut
doorgroeien en zeer mooie exemplaren vormen.
Thyrsacanthus rutilans. De Thyrsacanthus is een krachtige halfheester
uit Zuid-Amerika, die in één zomer ½ à ¾ Meter hoog kan worden. Een
goed ontwikkelde plant maakt van het einde van den zomer tot het
begin van den winter fraaie, afhangende bloemtrossen, die onstaan
uit de bladoksels der lancetvormige bladeren. Iedere tros is 20-30
cM. lang en bestaat uit 12-16 donker-karmijnroode bloemen.
Deze plant moet gekweekt worden in met heide- of bladaarde vermengden
graszodengrond; men zet haar in een warme kamer en beschermt haar
tegen te felle zon. Een rijkelijk begieten en geregeld gieren zal
den groei zeer bevorderen, zoodat de planten spoedig een krachtig
voorkomen krijgen. Na den bloei rust de Thyrsacanthus geruimen tijd,
zoodat zij dan slechts matig begoten mag worden, niettemin moet men
haar steeds op een lichte plaats laten staan.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door middel van stekken.
Kruidachtige bloemplanten voor koele vertrekken.
Agapanthus umbellatus. De Agapanthus, waaraan wij een groote gravure
wijden, is een zeer schoone bloemplant, afkomstig van de Kaap de
Goede Hoop. Deze prachtige plant vormt uit den wortelstok een groot
aantal scheuten met lange, riemvormige, zachte bladeren, waaruit
in den zomer krachtige bloemstelen te voorschijn komen, die groote
schermen van lichtblauwe bloemen dragen. Een minder schoone variëteit
heeft witte bloemen.
Een dankbare plant is de Agapanthus eerst, wanneer men haar in een
kuipje kweekt. Zij eigent zich dan bijzonder voor zonnige balkons
of veranda's; ook kan men haar dan als alleen staande plant in den
tuin gebruiken. Des winters is zij uitstekend geschikt om de gang te
versieren, hoewel zij ook in een luchtigen kelder kan overwinteren.
Gewoonlijk wordt de Agapanthus geheel verkeerd behandeld; men gelooft
toch algemeen, dat zij slechts dán bloeit, wanneer men haar gebrek
laat lijden, waarom zij meestal eerst verplant wordt, als de dikke
vleeschachtige wortels den pot hebben doen barsten of de kuip geheel
gevuld hebben. Bij een dergelijke behandeling zien de planten er
echter steeds armoedig uit; zij geven slechts kleine schermpjes met
15 à 20 bloemen; terwijl de ondervinding leerde, dat zij bij een goede
behandeling schermen kunnen maken met 180-220 bloemen, welke schermen
dan een trotschen aanblik opleveren. Om een dergelijk resultaat te
verkrijgen, moet de Agapanthus minstens om het andere jaar verpot
worden in den meest voedzamen grond; gedurende den zomer moet zij veel
begoten en gegierd worden, terwijl zij een zonnige standplaats moet
hebben. De afbeelding toont een plant, die reeds twee jaar buiten is
uitgeplant; in den winter wordt zij met een doorgezaagde ton bedekt,
die bij intredende vorst geheel met mest wordt omgeven. Een plant,
die zich op deze wijze buiten laat overwinteren, kan natuurlijk den
winter ook zeer goed in den kelder doorbrengen. Zij verliest dan,
evenals buiten overwinterd, al haar bladeren, wat echter volstrekt
niet schaadt.
Gedurende den winter moet zij zeer spaarzaam begoten worden.
Het is den liefhebber niet geraden oude planten door deeling
te vermenigvuldigen, omdat juist groote planten het dankbaarste
bloeien. De voortkweeking uit zaden gaat zeer langzaam.
Calceolaria hybrida. De Calceolaria's zijn zoogenaamde tweejarige
planten; zij worden in den zomer uit zaden gekweekt, groeien den
winter door, bloeien in het voorjaar en sterven na zaad gemaakt
te hebben af. Deze algemeen bekende bloemplanten hebben groote,
lichtgroene bladeren, die grootendeels op den pot blijven liggen. Op
sterke stelen verheffen zich de bloemen, die zeer talrijk zijn, boven
de bladrozet; zij hebben een ballonachtig, opgeblazen voorkomen en
zijn geheel reukeloos. Men onderscheidt hooge, middelmatige en lage
variëteiten en naar de kleur der bloemen getijgerde en gevlekte.
De zeer fijne zaden worden in Juli en Augustus gezaaid op gezifte,
zandige heide- of bladaarde; de zaden worden niet gedekt, matig vochtig
gehouden, beschaduwd en koel gezet. De zeer kleine zaailingen moeten
een paar keer gerepikeerd worden, totdat zij groot genoeg zijn om
in afzonderlijke potjes geplant te worden. Al naar den groei der
plantjes zal het noodig zijn ze nog een- of tweemaal te verpotten,
waarvoor een mengsel van gelijke deelen heide-, blad- en broeiaarde,
benevens zand uitstekend geschikt is.
De cultuur is niet zeer gemakkelijk, wat veroorzaakt wordt door het
meermalen repikeeren en verplanten en ook, doordat de planten zeer
koel en toch vorstvrij gehouden moeten worden, daar zij anders door
insecten worden aangetast en daardoor zeer lijden. Voorzichtiger doet
de liefhebber, zich in het voorjaar de tamelijk goedkoope Calceolaria's
in bloeibaren toestand aan te schaffen; zij verlangen dan rijkelijk
water benevens een lichte en luchtige standplaats.
Een in vollen bloei zijnde Calceolaria levert een prachtig gezicht op.
Campanula (Klokjesbloem). Onder de vele één- en tweejarige Campanula's,
die zeer veel tot tuinversiering gebruikt worden, bevinden zich ook
eenige soorten, die uitstekend geschikt zijn voor kamercultuur. De
fraaiste hiervan is zeker wel de Campanula pyramidalis, een tweejarige
plant, die des zomers een pyramidevormige bloeiwijze ontwikkelt, welke
1 à 1 1/2 M. hoog kan worden, en die uit fraaie, groote, witte of
blauwe bloemen bestaat. De zaden, die de plant rijkelijk voortbrengt,
worden tegen het einde van Augustus of begin September in potten
gezaaid. Deze zaadpotten moeten koud overwinterd worden; men kan ze
zelfs des winters buiten houden. In de lente worden de zaailingen
gerepikeerd, om ze daarna afzonderlijk in potjes uit te planten.
Wanneer men deze plantjes in goede aarde geplant heeft, en men geeft
ze een goede, zonnige standplaats voor het venster, dan zullen eenige,
er van reeds in het najaar bloeien, de meeste, echter in den daarop
volgenden zomer.
Een zeer fraaie ampelplant is de Campanula fragilis, die den geheelen
zomer door talrijke platte, lichtblauwe, stervormige bloemen geeft;
ook de C. garganica van het Garganusgebergte in Apulië is voor dit doel
uitstekend geschikt. Deze beide hangende soorten hebben rondachtige
bladeren. Zij laten zich beide zeer gemakkelijk door wortelspruiten
vermenigvuldigen. In enkele streken worden deze drie Campanula-soorten
zeer veel gekweekt, en hij, die eenmaal met haar cultuur begonnen is,
zal deze niet gemakkelijk meer opgeven.
Cheiranthus Cheiri (Muurbloem). De, om den heerlijken geur harer
bloemen, algemeen in trek zijnde Muurbloem komt op zeer enkele plaatsen
van ons land in het wild voor, o.a. op de ruïne van Brederode. Men
onderscheidt stam- en struik-Muurbloemen. Van beide soorten, waarvan
de eerste slank, de laatste bossig groeit, heeft men weder hooge en
lage, enkele en gevulde variëteiten.
De Cheiranthus wordt in het voorjaar gezaaid in een pot, die buiten
voor het venster wordt geplaatst, of wel, men zaait ze direct in den
tuin uit. De jonge plantjes worden, wanneer zij een paar centimeters
hoog zijn, gerepikeerd op een afstand van 25-35 cM., bij voorkeur op
een goed toebereid vakje in den tuin. Hier worden zij, zoo noodig,
rijkelijk begoten en in het najaar zeer voorzichtig in behoorlijk
groote potten gezet. Voor dit opplanten wordt broeiaarde of goede
bladgrond gebruikt. De overwintering geschiedt nu in een kouden
kelder of achterkamer. Krachtige planten kunnen dan van Februari af
voor een zonnig venster in bloei getrokken worden. De Muurbloem stelt
zeer weinig eischen; zij is zeer hard en uitstekend geschikt voor de
voorjaarsbeplanting van balkonbakjes en bloemvakken.
Chrysanthemum indicum. De Chrysanthemums zijn overal bekende en bijna
door iedereen beminde bloemplanten, en kunnen tegenwoordig met alle
recht als echte modeplanten beschouwd worden. De bekwame kweekers
hebben ze tot op een zeer hoogen trap van volmaaktheid weten te
brengen, en de bloei, die in den laten herfst en den vóórwinter valt,
heeft deze planten zeer bemind gemaakt. Wij willen hier niet ingaan
op de tegenwoordig ontelbare variëteiten, die, al naar de vorm der
bloemen, in verschillende groepen worden verdeeld, daar het beter is,
dat ieder liefhebber ze naar zijn eigen smaak in de verschillende
kweekerijen uitkiest. Wij zullen ons dus uitsluitend met de cultuur
bezighouden. Als een echte vaste-plant sterft de Chrysanthemum na
den bloei tot op den wortelstok in. De uitgebloeide scheuten worden
dan tot op den pot toe afgesneden en slechts de jonge scheuten, die
dan dikwijls reeds zijn te voorschijn gekomen, laat men staan. Deze
jonge scheuten moeten in het volgend jaar de bloeiende planten leveren,
terwijl de uitgebloeide moederplant dan naar den mesthoop verhuist. Er
zijn twee wegen om de Chrysanthemums te vermenigvuldigen: òf wij
werpen de oude planten dadelijk weg, na de jonge scheuten afgesneden
te hebben, die als stekken gedurende den winter zeer goed wortelen;
òf wij kweeken de oude planten tot Februari in het venster van een
koude kamer, om dan eerst met het snijden der stekken te beginnen.
De liefhebber doet het beste met het stekken tot de eerste dagen van
Februari te wachten. Men gebruikt daartoe uitsluitend de scheuten,
die uit den pot zijn ontsproten; die, welke zich aan de nog voorhanden
zijnde oude stengels hebben ontwikkeld, worden bij voorkeur niet
gebruikt. De stekjes worden met een scherp mesje gesneden en 6 à 8
te zamen rondom den rand van een 10 cM. wijden pot gestekt. De beste
aarde om in te stekken is zandige broei- of bladaarde. De beworteling
geschiedt zeer goed voor het venster van een koele kamer, maar steeds
in gesloten lucht, zoodat iedere pot met een stolp moet bedekt worden.
Het is niet raadzaam de stekken te warm te houden, daar zij dan minder
krachtige planten vormen. Nadat zij geworteld zijn, kan men de stolpen
er af nemen en de jonge plantjes zoo koel mogelijk houden. Tegen
het einde van Maart worden de stekken uit de stekpotten genomen en
ieder afzonderlijk in een potje van 6-7 cM. wijdte geplant. De jonge
Chrysanthemums worden nu voor het venster van een dikwijls geluchte,
koele kamer gezet, waar zij spoedig flink zullen doorgroeien.
Jonge planten, moeten zoodra zij drie volkomen ontwikkelde bladeren
gevormd hebben, daarboven ingenepen worden. Gewoonlijk zullen zich
dan drie scheuten ontwikkelen, die men laat doorgroeien, totdat
zij weder drie volgroeide bladeren hebben, waarna zij nogmaals
ingenepen worden. Op deze wijze verkrijgt men mooie planten met 8
à 9 scheuten. Eenige er van kan men echter laten doorgroeien, om er
kroonboompjes van te maken (Fig. 96).
In het begin van Mei, wanneer er geen nachtvorsten meer te vreezen
zijn, graaft men de jonge planten op een vak in den tuin in. Dit
vak moet goed op de zon liggen. Om de vier à zes weken moeten de
planten nu geregeld verpot worden; dit moet zoo voorzichtig mogelijk
geschieden, daar de wortels niet beschadigd mogen worden. Iederen keer
gebruikt men potten, die slechts weinig grooter zijn dan die, waarin
zij stonden. De aarde, die men gebruikt, moet zoo voedzaam mogelijk
wezen, het beste is een mengsel van broeiaarde, graszodengrond en
verteerden koemest, waarbij rijkelijk zand en wat hoornspaanders
of beendermeel wordt gevoegd. Heerscht er warm weer, dan moeten de
Chrysanthemums 's morgens en 's avond begoten en bespoten worden;
en 2 à 3 weken na het verpotten moet men ze weder minstens één keer
per week gieren. Een plant, die zoo sterk groeit, mag het, vóór alles,
niet aan voedsel ontbreken.
Kweekt men struikvormige Chrysanthemums, dan behoeft men er niet
anders aan te snijden, dan hiervoor vermeld is. Wanneer men dit mooi
vindt, kunnen de Chrysanthemums ook in waaier-, scherm- of kogelvorm
gekweekt worden, door er een aantal stokjes bij te steken en hier de
takken aan te binden. Dit veroorzaakt echter veel moeite, het eischt
veel handigheid en het kan niet werkelijk mooi genoemd worden. Het
gemakkelijkst kweekt men nog kleine kroonboompjes (Fig. 96). Hiertoe
gebruikt men de stekplantjes van krachtige soorten, die toonen flink
te willen doorgroeien. Bij deze stekplantjes zet men stokjes, die juist
zoo lang moeten zijn, als men het stammetje hoog wil laten worden. Aan
deze stokjes worden de jonge plantjes gebonden; men zorgt er nu voor,
alle zijscheuten, zoodra die ontstaan, geregeld weg te breken. Zijn
de plantjes eindelijk zóó lang geworden, dat zij even boven de stokjes
uitsteken, dan snijdt men hun de koppen af. Er zullen zich dan spoedig
een aantal zijscheuten ontwikkelen. Van deze zijscheuten behoudt men
de bovenste, die het kroontje moeten vormen; de overige worden weer
weggesneden. Uit deze zijscheuten worden, wanneer zij lang genoeg
zijn, weder de koppen gesneden, ten einde mooie dichte kroontjes
te verkrijgen. Wenscht men groote bloemen te hebben, dan moeten,
zoodra de knopvorming begint, steeds al de zijknoppen weggebroken
worden, zoodat men op iederen scheut slechts één knop behoudt en al
het voedsel der plant ten gunste dezer knoppen komt. Deze bewerking
past men zoowel op de kroonboompjes als op de struiken toe. Van
grootbloemige soorten kan men op de volgende wijze reusachtige bloemen
verkrijgen. In Maart of April snijdt men van sterke scheuten stekken,
die, zoodra zij beworteld zijn, in potten van 10 cM. wijdte worden
gezet. Deze zomerstekken laat men op één scheut doorgroeien, door alle
zijscheuten tijdig te verwijderen; aan dezen éénen scheut laat men,
zoodra de knoppen goed zichtbaar zijn, slechts den sterksten zitten;
al de andere worden weggebroken. Behandelt men de plant goed en laat
men het haar aan niets ontbreken, dan zal die ééne knop zich tot een
bloem van buitengewone afmeting en pracht ontwikkelen.
De Chrysanthemum heeft zeer veel vijanden, waaronder luizen, larven
en meeldauw wel de ergste zijn. Deze vijanden tasten haar echter
dàn alleen aan, wanneer zij, door een fout in de kweekwijze, niet
goed groeit.
Zoodra er in het najaar nachtvorsten komen, moet men de Chrysanthemums
in een zonnige, doch koele kamer zetten; en wordt er bij vorstvrij
weer voor goed luchten gezorgd, dan zullen de bloemen zich spoedig
gaan ontwikkelen. Geeft men ze echter te veel warmte, of lijden zij
gebrek aan frissche lucht of water, dan gaan zij in de kamer zeer snel
achteruit en de bloemen zullen niet goed openkomen. Ook de afgesneden
bloemen duren in een warm vertrek slechts kort; in een koude kamer
kan men ze echter tamelijk lang goed houden.
Cineraria hybrida. De Cineraria behoort tot de familie der
samengesteld-bloemigen en de meeste thans gekweekte soorten stammen van
de Cineraria cruenta, een op de Canarische eilanden te huis behoorende
soort af. Het is een tweejarige, dankbare bloemplant, met groote,
zeer ruwe bladeren. De op krachtige stelen verschijnende bloemen
kenmerken zich door de prachtige kleuren der straalbloempjes, die
nú eens rood, blauw of violet, dán weder zuiver wit zijn, terwijl
ook meerdere kleuren in een bloem kunnen voorkomen. De bloemen
zijn meestal reukeloos; soms echter onderscheiden zij zich door
een aangenamen geur. Men kweekt tegenwoordig lage, middelmatige en
hooge variëteiten. De fraaiste zijn zeker wel de middelmatig hooge
verscheidenheden zooals er een in Fig. 98 is afgebeeld.
De cultuur der Cineraria is juist dezelfde, die wij vermeld
hebben voor de Calceolaria. Zij is echter in sommige opzichten
gemakkelijker, daar de zaden grooter zijn, zoodat men die wijder
uit elkander kan zaaien. De kiemplantjes zijn ook grooter dan bij de
Calceolaria's, zoodat zij heel wat gemakkelijker te repikeeren zijn;
ook is één keer repikeeren meestal voldoende, omdat men ze hierna
wel in afzonderlijke potjes kan uitplanten. Het best kweekt men de
Cineraria in goede broeiaarde. Zij wordt in September gezaaid, en
groeit den geheelen winter flink door, wanneer men haar een lichte,
koele, doch vorstvrije standplaats geeft en het haar niet aan water en
gier laat ontbreken. Somtijds begint zij in Januari reeds te bloeien;
de normale bloeitijd valt echter in de maanden Maart en April. Sterke
exemplaren moeten enkele malen verpot worden, totdat zij in potten
staan van ongeveer 16 cM. wijdte. Houdt men de Cineraria's te warm en
geeft men ze geen frissche lucht genoeg, dan worden zij weldra door
insecten aangetast, die dikwijls de fraaiste en schoonste exemplaren
ten gronde richten; zelfs treden dan wel larven op, die in de bladeren
leven en deze geheel verwoesten. Vorst verdraagt de Cineraria in het
geheel niet. Een liefhebber zal verstandig doen deze planten eerst
tegen het einde van September te zaaien, ze in kleine potten te laten
overwinteren en vroeg in het voorjaar te verplanten; zij kunnen dan,
wanneer de nachtvorsten voorbij zijn, ter versiering van het balkon
gebruikt worden. De beste plaats voor bloeiende Cineraria's is in
een breede vensterbank; voor een bloemtafel zijn zij minder geschikt,
omdat zij, daarin geplaatst, te weinig licht en lucht verkrijgen.
Dianthus (Anjelier). Door haar heerlijken geur, haar prachtige kleuren
en het fraaie voorkomen der geheele plant, is de Anjelier langen tijd
de lieveling van alle plantenliefhebbers geweest; te meer, omdat zij
zich ook gemakkelijk laat kweeken. Zij moge tijdelijk door de mode
verdrongen, zijn, telkens wordt zij weder in eere hersteld.
Dianthus Caryophyllus (Grasanjelier). Deze is zeker wel de oudste der
Anjelieren, die voor venstercultuur gebruikt worden. Het vaderland van
deze soort, die nu en dan ook in het wild groeiend wordt aangetroffen,
en dan kleine, donker-lilakleurige bloemen heeft, is zuidelijk
Europa. In de cultuur hebben zich talrijke variëteiten gevormd, die
door fraaie kleuren en gevulde bloemen uitmunten. De gevulde Anjelieren
geven gemakkelijk zaad; men kan ze dus uit zaad voortkweeken, doch
de zaailingen zijn niet constant, d.w.z. dat zij lang niet altijd de
eigenschappen bezitten, die de moederplant kenmerken. Wel verkrijgt
men uit een zaaisel planten met fraai gevulde of gekleurde bloemen,
doch er zijn er ook vele onder, die enkel zijn en haar schitterende
kleuren verloren hebben. Een liefhebber, die zijn Anjelieren wil
voortkweeken en zeker wil zijn, bepaalde variëteiten te behouden,
moet dit doen door middel van afleggers (Zie Fig. 27). Deze wijze
van voortkweeken doet men gedurende of na den bloei, men gebruikt
er jonge scheuten voor, die niet meer zullen bloeien. De afleggers
wortelen gewoonlijk na 5 of 6 weken; zij worden dan van de moederplant
afgesneden, en afzonderlijk in kleine potjes opgepot. In deze potjes
laat men de jonge afstammelingen overwinteren, waartoe men ze niet vóór
November in een luchtigen kelder of een koele achterkamer zet. Reeds
vroeg in het voorjaar moeten deze jonge Anjelieren verpot worden. Men
gebruikt hiertoe potten van 13 cM. wijdte en plant ze in een mengel
van 2/3 broeiaarde, 1/3 klei- of graszodengrond en een weinig scherp
zand. Dadelijk na het verplanten worden zij buiten voor het venster of
op het balkon geplaatst. Ook de oudere planten moeten tijdig verpot
en buiten gezet worden. De door afleggers verkregen planten geven
gewoonlijk in het eerste jaar slechts zeer weinig bloemen; in het
tweede jaar bloeien zij echter volop. De bloemstelen zijn zeer dun
en kunnen veelal de zware, gevulde bloemen niet dragen; ook breken
zij zeer gemakkelijk, waarom het voorzichtig is ze aan dunne stokjes
te binden. De Grasanjelier is ook uitstekend geschikt, om in bakjes
uitgeplant te worden. Heeft men soorten met sterk gevulde bloemen,
dan wil het wel voorkomen, dat de kelk berst; de bloemen worden
dan eenzijdig en verliezen veel van haar net voorkomen. Men kan dit
kwaad gemakkelijk keeren, door om iederen knop een guttapercha bandje
te leggen.
De Grasanjelieren, die door vele kweekers aan de markt gebracht
worden, zijn vaak in haar volle kracht uit den vrijen grond opgestoken
planten. Deze zijn wel in den beginne zeer fraai, doch verwelken
spoedig; reden waarom een liefhebber wijs doet, zijn Anjelieren zelf
langs kunstmatigen weg te kweeken; hij is dan zeker, in het tweede
jaar prachtig bloeiende planten te hebben.
Dianthus Caryophyllus semperflorens. (Remontant Anjelier.) Deze
variëteit, ongeveer 40 jaar bekend, is waarschijnlijk in Frankrijk
gewonnen. Zij is tegenwoordig zeer in trek en wordt in zuidelijk
Europa in het groot gekweekt, ten einde de bloemen des winters op de
markten der groote noordelijke steden te brengen. Deze worden hier te
lande bij duizenden ingevoerd, en spelen een zeer voorname rol bij de
bloemenbinderij. Ook als potplant wordt deze Anjelier veel gekweekt;
zij is dan een zeer in trek zijnde winterbloeister.
Ofschoon de Remontant-Anjelier in de laatste jaren door verschillende
kweekers zeer verbeterd is, hebben haar bloemen toch niet die schoone
kleuren en fraaie teekening, welke der Grasanjelier eigen is; zij
heeft echter de zeer goede eigenschap, dat zij bijna het geheele jaar
door bloeit en juist in het laatste gedeelte van den herfst en het
eerste gedeelte van den winter het rijkst, een tijd, waarin bloemen
steeds zeer welkom zijn.
De Remontant-Anjelier wordt in Januari of Februari uit stekken
voortgekweekt, die men snijden moet zooals Fig. 22 aantoont. Deze
stekken zet men vlak aan den rand van een met zandige aarde gevulden
pot; de stekpot wordt op een lichte, warme plaats gezet en slechts even
vochtig gehouden. Nog zekerder is men van het wortelen der stekken,
wanneer men op de volgende wijze te werk gaat. Men neemt een pot
van 10 cM. en een tweeden van 7 cM. wijdte, van welken tweeden het
drainagegaatje met een kurkje, of beter nog met een weinig cement,
waterdicht toegemaakt wordt. Is het cement goed opgedroogd, dan
legt men in den grooten pot een laagje scherven en brengt men er
zooveel aarde in, dat de kleinere pot, er ingezet, juist met den
rand gelijk komt. De ruimte tusschen de twee potten wordt dan met
aarde gevuld, waarin de stekken gestoken worden. Is dit geschied, dan
wordt de binnenpot met water gevuld en, wanneer dit noodig blijkt,
water bijgegoten. Door de poriën van den binnenpot dringt nu juist
zooveel water als de stekken noodig hebben, zoodat deze in het geheel
niet behoeven begoten te worden (Fig. 100). Op deze wijze behandeld,
wortelen de stekken vrij zeker binnen 4 à 6 weken.
De cultuur van de Remontant-Anjelier is juist dezelfde als die van de
Grasanjelier: zij wordt in dezelfde aarde geplant, ook in het voorjaar
verpot en daarna buitengezet. Om te voorkomen, dat de stekplanten
reeds in den zomer bloeien, snijdt men er den kop uit; zij maken
dan zijscheuten, die pas in het najaar in bloei zullen komen. De
Remontant-Anjelier moet natuurlijk niet in den kelder overwinteren
daar zij des winters bloeit, maar voor een zonnig venster van een
matig warme kamer.
Dianthus Margaritæ. Dit is een nog betrekkelijk nieuwe variëteit,
met zeer fraaie bloemen. Deze laat zich zeer goed door zaad
vermenigvuldigen daar een zaaisel bijna uitsluitend planten met
gevulde bloemen oplevert. De Dianthus Margaritæ wordt in de maand
Maart gezaaid in potten, die men voor het venster zet; de opkomende
zaailingen worden gerepikeerd, in kleine potjes geplant en gedurende
den zomer nogmaals verpot. Kweekt men ze tot aan het intreden van
nachtvorsten buiten, dan zullen deze Anjelieren zich in 8 à 9 maanden
tot bloeibare planten ontwikkelen. De eerste bloemen vertoonen zich
gewoonlijk laat in den herfst; de eigenlijke bloei begint echter pas
in de maanden Maart, April of Mei. De overwintering moet op een lichte,
vorstvrije plaats geschieden.
Men onderscheidt lage, halfhooge en hooge Dianthus Margaritæ; die
alle tamelijk kleinbloemig zijn, en dus slechts door den bloei van
elkander verschillen; anders is dit met de Malmaison-variëteiten,
die zich door zeer groote bloemen onderscheiden.
Ten laatste moeten wij nog melding maken van Dianthus fruticosus
(Boom-Anjelier). Deze vormt een houtachtigen stengel, en wordt in de
kamer het best tegen hekjes gekweekt; zij blijft verscheidene jaren
goed, wordt ongeveer één Meter hoog en bloeit in alle jaargetijden.
Alle Anjelieren worden gemakkelijk door ongedierte en andere ziekten
aangetast, wanneer men ze des winters te veel begiet, of in dit
jaargetijde de bladeren vochtig maakt en ook, wanneer men ze een te
warme, besloten standplaats geeft. Des zomers moeten zij alle buiten
gekweekt en rijkelijk begoten en gegierd worden.
Mimulus moschatus (Muskusplant.) Dit is een tamelijk onbeduidend
plantje, met kleine, gele bloempjes, maar om zijn sterken muskusgeur
wordt het dikwijls gezocht. Behalve de oorspronkelijke soort, worden
twee variëteiten gekweekt; een zeer gedrongene, de M. moschatus
compactus, en een met groote bladeren, de M. moschatus Harrisonii.
De Muskusplant is winterhard; zij wordt echter steeds in potten
gekweekt en wel in veen- of broeiaarde. De voortkweeking geschiedt
zeer gemakkelijk door zaden, stekken of deeling der oude plant. In het
najaar sterft zij bijna geheel af en de overblijvende wortelstok wordt
dan droog in den kelder bewaard. In het voorjaar wordt zij verplant
en voor het venster aan den groei gebracht; gedurende den zomer zet
men haar buiten voor het venster. De muskusplant wil gedurende haar
groeitijd gaarne op een half beschaduwde plek staan en dan rijkelijk
begoten worden.
Myosotis (Vergeet-mij-niet). Als winterbloeister heeft vooral veel
waarde de Myosotis oblongata vera, een plantje met lichtblauwe
bloemen. Men zet haar gedurende den winter, zoo mogelijk, zonnig,
koel en geheel vorstvrij, daar zij zeer gemakkelijk bevriest, de
bloemen zullen dan in Februari zeer talrijk verschijnen.
Zijn de oude planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden
zij teruggesneden, waarop zij gemakkelijk zullen uitloopen. Deze
uitloopers worden als stekken gebruikt en zijn ze beworteld, dan kan
men de moederplanten wegwerpen. De stekken wortelen op een koele,
schaduwrijke plaats zeer gemakkelijk; zij worden in den loop van den
zomer herhaaldelijk in voedzamen grond geplant, rijkelijk gegierd en
voortdurend tamelijk zonnig gehouden.
Een niet minder fraaie soort is de Myosotis azorica. Deze kweekt
men met haar variëteiten uit zaad en pot ze op in 10-12 cM. wijde
potten. De bloemen verschijnen in de lente en toonen het schoonste
blauw van alle Vergeet-mij-niet-soorten.
Primula (Sleutelbloem). De Primula's zijn prachtige, zeer dankbare
planten, die ons voor een gedeelte in het voorjaar in den tuin, voor
een ander gedeelte gedurende den herfst en den winter, in de kamer
door haar fraaie bloemen veel genot verschaffen.
De belangrijkste Primula, voor het kweeken in de kamer, is de Primula
chinensis (Fig. 101). Iedere liefhebber kent zeker deze fraaie
bloemplant, met haar mooi ingesneden groote bladeren, die altijd zeer
fijn en dicht behaard zijn. Van deze Primula worden vele variëteiten
gekweekt, die zich òf door den vorm en de insnijdingen der bladeren,
òf door de bloemen, òf door de kleuren onderscheiden. Zoo heeft men
verscheidenheden met gaafrandige en gefranjede bloemen; andere met
witte, gele, verschillende tinten van roode, blauwe en gestreepte
bloemen, terwijl weer andere variëteiten zich onderscheiden door
enkele of gevulde bloemen.
Deze Primula is een overblijvende plant; zij wordt echter meestal als
éénjarig behandeld, omdat zij het eerste jaar het mooist bloeit. Hoe
grooter en talrijker de bloemen en hoe beter ontwikkeld de bladeren
zijn, des te mooier is de plant. De liefhebber doet verreweg het
wijst de Primula's in het najaar te koopen; alle bloemisten kweeken
ze in grooten getale, waardoor zij steeds goedkoop te verkrijgen
zijn. Wenscht men ze zelf te kweeken, dan moet men onderscheid maken
tusschen enkele, half gevulde en geheel gevulde Primula's. De laatste
toch kunnen niet uit zaad, maar moeten door stekken voortgekweekt
worden.
Wil men de Primula chinensis uit zaad kweeken, dan moet men zich goed
versch zaad aanschaffen en dit in potten met goede zandige heideaarde
uitzaaien. Bedekt men deze zaadpotten met een glasplaat, en zet men ze
op een beschaduwde plek van de vensterbank, dan zullen de zaden in 2
à 3 weken kiemen. De jonge kiemplantjes worden gerepikeerd, later in
kleine potjes uitgeplant en in den loop van den zomer in potten van 10
cM. wijdte geplant, waarin zij dan bloeien. De beste aarde, die men
voor het oppotten en verpotten gebruiken kan, is zandige broeiaarde,
en wil men goed groeiende Primula's bemesten, dan gebruikt men daartoe
Peru guano. Een weinig van deze meststof wordt gelijkmatig over den
pot verdeeld en met wat aarde gedekt. De Primula's moeten voor het
venster van een goed gelucht vertrek gekweekt worden en bij scherpe
zon mag men vooral niet vergeten, ze behoorlijk te schermen.
De voortkweeking der gevulde Primula's gaat lang zoo gemakkelijk
niet. Zijn de planten in het voorjaar uitgebloeid, dan worden zij
goed schoongemaakt en voor het venster van een niet-verwarmde kamer
gezet. Hier ontspruiten dan zijscheuten, die men afsnijdt en als
stekken gebruikt. De stekken zet men in een schotel, die 6 à 7 cM. hoog
is, geen drainagegaatjes heeft en tot op de helft met goed gewasschen
zand is gevuld. Is men hiermede gereed, dan giet men zooveel water in
de schaal, dat de stekken ongeveer een centimeter diep er in staan. De
stekken mogen nu niet gedekt, maar moeten zoo zonnig mogelijk geplaatst
worden; en past men goed op, door tijdig alle rottende bladeren te
verwijderen, dan is men vrij zeker, dat zij wortel zullen maken. De
goed bewortelde stekken moeten uiterst voorzichtig in potjes gezet
worden, waarna men ze evenals de jonge zaailingen kan behandelen.
De Primula chinensis is een zeer schoone winterbloeister, die van
November tot diep in den winter onafgebroken haar bloemstengels
tusschen de bladeren ontwikkelt. Des winters houdt men de planten
slechts matig vochtig; bij het gieten moet er dan vooral op gelet
worden, dat nòch het hart der plant, nòch haar bladeren vochtig worden.
Zij moet voor een zonnig venster van een koele kamer geplaatst
worden en de gemiddelde temperatuur mag hier in geen geval hooger
zijn dan 45° à 46° Fahr. Geeft men te veel warmte, dan verzwakken de
planten en worden de bloemen kleiner. Zonder veel schade te lijden,
kan een Primula hoogstens een paar graden vorst verdragen, waarom
zij een uitstekende plant is om tusschen dubbele vensters gekweekt
te worden, waar men ze tusschen uit neemt, wanneer er een koude
nacht te verwachten is. Hebben ze een weinig van de vorst geleden,
dan mogen zij nòch warm, nòch in de zon gezet worden. Daar de ruimte
tusschen de dubbele vensters meestal niet groot genoeg is, worden de
Primula's dikwijls in pijpvormige potten (Fig. 102) gezet, die niet
alleen zeer leelijk, maar ook vaak van porselein vervaardigd zijn,
waardoor het toetreden van lucht tot de wortels verhinderd wordt. In
plaats van deze pijpvormige potten doet men veel beter, hoekige potten
(Fig. 6) te nemen, en deze, zoo noodig, nog op een stekpotje te zetten,
zoodat de potten dan niet tusschen het raamwerk, maar tusschen de
ruiten komen te staan, waar zij natuurlijk meer ruimte hebben.
Zeer dikwijls wordt de Primula chinensis wankelend en zakt zij naar
één zijde over; het gevolg hiervan, dat de wortelhals zeer dun is. Dit
bezwaar kan men gemakkelijk verhelpen, door een paar dunne stokjes,
6 à 7 cM. lang, rechts en links, vlak langs de plant in de aarde te
steken, waardoor zij den noodigen steun verkrijgt.
Primula obconica. Deze Primula, die in 1883 uit China werd ingevoerd,
is ook een zeer dankbare winterbloeister. Zij laat zich zeer
gemakkelijk uit zaad vermenigvuldigen, wat men echter ook kan doen,
door de oude plant te verdeelen. Des zomers moet de Primula obconica
buiten gekweekt worden, des winters in een koel vertrek. De bloemen
van deze soort zijn wit of zacht lila; er zijn in den laatsten
tijd echter mooie grootbloemige verscheidenheden in verschillende
kleuren van gewonnen, wier bloemen in grooten getale op dunne slanke
stoeltjes staan. Jammer is het, dat enkele menschen er last van hebben,
dat deze plant een huidonsteking bij hen veroorzaakt. Zij, die dit
bemerken, moeten haar zonder handschoenen niet aanraken. Bemerkt men
de ontsteking, dan wrijve men de aangedane plek goed in met een watje
met alcohol van 96° (spiritus fortior) en wassche daarna de plek met
zeep goed af.
Behalve de genoemde, zijn bijna alle Primula's voor potcultuur
geschikt. Ook de Primula acaulis (Gewone Sleutelbloem) en Primula
Auricula (Aurikel) laten zich, in potten gekweekt, zeer goed in een
koel vertrek tot bloei brengen.
Soldanella alpina. Deze allerliefste, tot de familie der Primula's
behoorende Alpenplant, heeft niervormige blaadjes, waarboven de
sierlijke bloemstengeltjes zich verheffen, waaraan in April en Mei
kleine purper-violette klokvormige bloempjes hangen, die met een rand
van franje versierd zijn.
In goede tuinaarde geplant, groeit de Soldanella ook zeer goed in
potten, die des zomers buiten, des winters voor het venster van een
koudere kamer moeten gezet worden. Hier bloeit zij dan gewoonlijk
reeds vroeg in het voorjaar. De vermenigvuldiging geschiedt gemakkelijk
uit zaden of door scheuren der oude planten.
Kruidachtige bloemplanten voor warme vertrekken.
Begonia. De Begonia's, die hier besproken worden, behooren tot
die groep, die, in tegenstelling met de algemeen bekende soorten,
geen knollen vormen. Ook deze Begonia's nemen een eerste plaats in
onder de talrijke fraaie bloemplanten, die voor kamercultuur geschikt
zijn. Het aan soorten zeer rijke geslacht Begonia's vormt een familie
op zichzelf, die der Begoniaceeën. Van de ongeveer 350 bekende
Begonia-soorten behooren ongeveer twee derden in tropisch-Amerika
thuis; de andere zijn uit Oost-Indië, Madagascar en ook uit China en
Japan afkomstig. Alle Begonia's hebben, afgezien van de meer of minder
fraaie bloemen, één algemeen kenmerk, namelijk: dat het blad scheef
hartvormig is, waaraan zij den in Duitschland algemeen bekenden naam
"Schiefblatt" te danken hebben. De soorten onderling verschillen
echter zeer.
De kweekers verdeelen de Begonia's in drie zeer groote groepen,
namelijk de Knolbegonia's, de stengelachtige Begonia's en de
Bladbegonia's. Op dit oogenblik willen wij ons slechts bezighouden met
stengelachtige Begonia's, terwijl wij de beide andere groepen in de
hoofdstukken "Bol- en Knolgewassen" en "Bladplanten" meer uitvoerig
zullen behandelen. De stengelachtige Begonia's vormen dikwijls
krachtige, zeer groote planten, die zich in de kamer vaak zeer fraai
ontwikkelen. Zijn zij uitstekende planten om in de vensterbank te
kweeken, wanneer zij tegen te scherpe zon geschermd worden, nog meer
waarde hebben die soorten, welke, in de kamer gekweekt, des winters
bloeien. Het zijn dan ook deze, waarmede wij ons op dit oogenblik
zullen bezighouden.
In vergelijking met de Knolbegonia's hebben de stengelachtige Begonia's
gewoonlijk slechts betrekkelijk kleine bloemen.
Hoewel de bloemen dezer soorten door kruisbevruchting in afmeting en
kleur zeer zijn verbeterd, zijn zij toch nog altijd niet groot. Als
vergoeding daarvoor mag zeker wel de buitengewone bloemrijkheid
gelden. Het is toch geen zeldzaamheid, dat er 30 à 40 bloemen aan
één stengel voorkomen. Enkele der stengelachtige Begonia's worden
tamelijk hoog; snijdt men ze echter dikwijls in, dan vormen zij fraaie
halfkogelvormige planten, die reeds door de dikwijls fraai gekleurde
of geteekende bladeren een zeer schoon gezicht opleveren. Terwijl
de meeste Knolbegonia's met zeer weinig warmte tevreden zijn en
in een gesloten vertrek niet best willen groeien, zijn de meeste
stengelachtige Begonia's juist zeer goede kamerplanten. Een zonnig
gelegen woonvertrek met een wintertemperatuur van 60°-65° Fahr. is
uitstekend geschikt voor de cultuur dezer planten, mits men ze een
lichte plaats op de vensterbank of anders in de nabijheid van een
raam kan geven.
De voortkweeking geschiedt het best en snelst door middel van stekken,
die meestal zeer gemakkelijk wortelen; doch ook door zaad kan men ze
in de kamer voortkweeken. Dit moet juist op dezelfde wijze behandeld
worden als dat der Knolbegonia's. Wanneer men de zaden vroegtijdig
in Februari of Maart uitzaait, dan is deze cultuur zeer aangenaam,
daar de zaailingen snel groeien en meestal, eens gerepikeerd, groot
genoeg zijn om afzonderlijk in potjes te worden gekweekt.
De stengelachtige Begonia's worden gewoonlijk in het voorjaar een
weinig ingesneden en daarna verplant, terwijl zij dan midden in den
zomer nog eenmaal verplant moeten worden. Het beste grondmengsel is
zeker: gelijke deelen broei-, heide- of bladaarde, waarbij 1/10 scherp
zand wordt gevoegd. Gedurende den groeitijd moet overvloedig gegoten
worden. Tot de fraaiste winterbloeisters onder de stengelachtige
Begonia's behooren: Beg. albo-picta met wit gevlekte bladeren en zuiver
witte bloemen; Beg. fuchsioïdes, een zeer bekende soort, met fraaie,
donkergroene bladeren en donker-karmijnroode bloemen; Beg. Schmidtii,
een sierlijke plant met donkergroene, aan de achterzijde roodachtige
bladeren en rose bloemen; Beg. Erfordia, een nieuwe hybride, met
karmijnroode bloemen en zwak behaarde bladeren en bladstelen. Al
de hier opgenoemde soorten kenmerken zich door tamelijk kleine
bladeren. Schoone soorten met grootere bladeren zijn: Beg. Credneri,
een ongeveer 1 M. hoog wordende nieuwe hybride met metaalachtig
glanzende bladeren, die getoond heeft uitstekend te zijn voor
kamercultuur; Beg. hybr. President Carnot met saprijke dikke bladeren,
die, volgroeid, zilverwitte vlekken hebben en rosekleurige bloemen;
Beg. incarnata superba, een ongeveer 40 cM. hoog wordende plant,
met bronsachtige, behaarde bladeren en witte bloemen; Beg. metallica,
een zeer bekende soort met groote metaalachtig glanzende bladeren (de
bloemen zijn rose, met een donkerroode sterk behaarde achterzijde);
Beg. Scharffiana, een soort, die 30 cM. hoog wordt, met groote dikke
fluweelachtige bladeren, waarvan de bovenzijde smaragdgroen en de
onderzijde purperbruin is. De vrijstaande bloemen zijn groot en zuiver
wit. Tot deze Begonia's behoort ook nog de Begonia semperflorens
met haar verschillende variëteiten. Deze Begonia heeft kleine, uit
de bladoksels ontspringende witte en rose bloemen, waarmede de plant
somtijds rijk getooid is. Zij wordt zeer veel in den tuin gebruikt,
doch ook voor potcultuur is zij uitstekend geschikt. Van deze soort
zijn in de laatste jaren een paar zeer goede variëteiten in den
handel gebracht en wel de Beg. semperflorens Lambertus met witte,
eenigszins grootere bloemen en de Beg. semperflorens atropurpurea
(Vernon) met fraaie, roode bladeren en schitterend roode bloemen.
Een geheel nieuwe variëteit is de Beg. semperflorens Teppichkönigin;
deze wordt slechts weinige centimeters hoog, draagt fraaie, rose
bloemen en is een zeer sierlijk bloemplantje. De Beg. semperflorens
hebben gewoonlijk een knolvormig verdikten wortelstok; dikwijls sterven
zij na den bloei, in het najaar, bijna geheel af; zij moeten dan
droog en wat koeler gehouden worden. Verplant men ze in het voorjaar
en snijdt men ze, wanneer de stengels niet afgestorven zijn, daarna
goed in, dan groeien zij spoedig weer uit en dragen binnenkort weder
bladeren en bloemen. Op dezelfde wijze moet ook de Beg. Weltoniensis
behandeld worden; dit is een oude, zeer geliefde plant met tamelijk
kleine bladeren en zacht rose bloemen.
Clivia (Imantophyllum.) De familie van de Amaryllideeën, waartoe ook de
Clivia behoort, bevat een zeer groot aantal fraaie bloemplanten. Onder
al deze gewassen neemt de Clivia, een kruidachtige plant, een der
eerste plaatsen in; zij is een duurzame en zeer dankbare plant,
die ook in de kamer zeer goed tot bloei komt. Er komen in den
handel twee soorten voor, namelijk de Clivia nobilis een soort, die,
niettegenstaande haar naam, niet zeer aanbevelenswaardig is en ook niet
veel meer wordt aangetroffen, en de algemeen verspreide Clivia miniata.
De laatstgenoemde, uit Port-Natal afkomstig, is een pracht-plant
van den eersten rang. Bij deze plant ontspruiten de scheuten met
riemvormige, ongeveer 5 cM. breede, donkergroene, elegant gebogen
bladeren direct uit de dikke, vleeschachtige wortels. Alleen reeds om
haar schoone bladeren is zij een aanbevelenswaardige kamerplant. Maar
ook is zij een dankbare bloeister, die in den winter of de lente, en
dan dikwijls weder midden in den zomer, haar bloemen ontwikkelt. Op
een, tusschen de bladeren ontspruitenden bloemsteel van ongeveer
35 à 40 cM. hoogte, ontwikkelt zich een groot bloemscherm, dat uit
minstens 12 à 15 groote, menieroode bloemen bestaat. In de laatste
jaren zijn er zeer schoone variëteiten van gewonnen, met meer of
minder donkerrood gekleurde bloemen, waarvan er vaak 30 tot 40 op
één bloemsteel vereenigd zijn. Daar de bloemen zich op één scherm
niet alle te gelijk openen, maar dit na elkander doen, duurt den bloei
verscheidene weken. Bevruchten wij de bloemen, door met een penseeltje,
gedurende de middaguren, wat stuifmeel op den stempel te brengen,
dan zullen zich groote roode bessen ontwikkelen, die zeer lang duren
en een fraai voorkomen aan de plant geven.
De Clivia is een zeer harde plant, die men desnoods gedurende den
zomer buiten kan kweeken, doch het gansche jaar door in de kamer
gehouden, groeit zij ook zeer goed, mits men er voor zorgt, dat zij
noch in de volle zon, noch te warm staat; daar zij in het eerste
geval brandvlekken krijgt, en in het tweede geval door insecten
wordt aangetast.
De dikke vleezige wortels der plant toonen reeds aan, dat zij een
zwaren, voedzamen grond verlangt. De jonge planten moeten jaarlijks,
de oudere om de twee jaar in zulke aarde verplant worden. Houdt men
haar gelijkmatig vochtig en vooral zindelijk, dan ontwikkelt de Clivia
van 4-6 bladeren per jaar.
Des winters behoeft men haar geen hoogere temperatuur te geven dan,
45° Fahr., hoewel de Clivia's ook zeer goed voor het venster van
een verwarmde kamer groeien. In elk geval is het voorzichtig de koud
gehouden planten wat warmer te zetten, zoodra men bemerkt, dat zich
tusschen de bladeren een jonge bloemsteng bevindt. Warm gehouden,
bloeien deze planten vaak reeds tegen Kerstmis of Nieuwjaar.
De vermenigvuldiging der Clivia geschiedt door middel van uitloopers,
die men, bij het verpotten, zóó afsnijdt, dat er eenige wortels
aan zitten. Deze scheuten worden dan in betrekkelijk kleine potten
opgepot. Ook kan men oude planten zeer goed scheuren, wanneer men
zorgt, de beschadigde wortels met een scherp mesje weg te snijden. Ook
uit zaden kan men zeer goed jonge planten kweeken, welke echter pas
na verloop van enkele jaren bloeibaar worden.
Hedychium. De Hedychiums zijn fraaie, Indische planten, met knolvormige
wortelstokken, waaruit zeer sterke, met ongeveer 12 cM. lange bladeren
bezette stengels ontspruiten. Iedere krachtig ontwikkelde stengel
vormt, nadat hij volwassen is, aan den top een mooie, dikwijls uit
zeer welriekende bloemen bestaande aar. De meest verspreide soort is
de Hedychium Gardnerianum, met citroengele bloemen.
De Hedychiums verlangen een zeer voedzame, zware aarde; zij moeten
gedurende haar groeitijd rijkelijk begoten worden, terwijl zij des
winters betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden moeten worden,
wijl zij dan wel rusten, doch niet afsterven. Des zomers kan men
deze plant ook wel buiten kweeken; des winters moet zij echter op
een lichte plaats in de warme kamer worden gezet.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door scheuren der oude
plant.
Impatiens Sultani. Deze Impatiens is een der fraaiste soorten voor
de kamer; zij behoort op Zanzibar en in tropisch Afrika thuis. De
gemakkelijke groei en de onophoudelijke ontwikkeling der schitterend
roode bloempjes maken haar tot een der sierlijkste bloemplanten. De
bloemen staan vrij boven de bladeren uit, wat een aanmerkelijk voordeel
van deze soort boven vele andere Balsaminen is, welker bloemen onder
de bladeren verborgen liggen.
Beter nog dan in een kas groeit de Impatiens Sultani, wanneer
zij voorzichtig behandeld wordt, vóór een op de morgenzon gelegen
venster. Zij groeit en bloeit daar onophoudelijk, winter en zomer door,
waardoor zij zeer veel genoegen verschaft. Zij moet in zeer voedzamen
grond gekweekt worden, terwijl men haar des zomers zeer rijkelijk en
des winters spaarzaam moet begieten.
Eenige jaren geleden is een nieuwe soort, de Impatiens Holstii in den
handel gebracht, waarvan fraaie verscheidenheden zijn gewonnen. Ook
deze zijn voor kamercultuur zeer goed geschikt.
De vermenigvuldiging geschiedt door zaaien en stekken. De stekken maken
zeer gemakkelijk wortel en de algemeene opinie is, dat stekplanten
beter bloeien dan zaadplanten.
Mimosa pudica (Kruidje-roer-mij-niet.) Deze Mimosa is een overblijvend
plantje uit Brazilië, dat echter meestal als éénjarig wordt
behandeld. De lichtpaarse, kogelvormige bloemhoofdjes onderscheiden
zich slechts door de kleur van die der Acacia's, aan welk geslacht zij
dan ook zeer nauw verwant is. De fraaie, dubbel gevederde bladeren zijn
lichtgroen van kleur. Zeer interessant is het Kruidje-roer-mij-niet
door de gevoeligheid der bladeren. Het geringste tochtje en de minste
aanraking veroorzaken het te-zamen-buigen en neerhangen der blaadjes en
bladstelen. De snel op elkander volgende bewegingen zijn drievoudig;
de kleine zijblaadjes buigen zich naar elkander toe, en richten zich
tegelijkertijd naar voren, zoodat zij elkander gedeeltelijk bedekken,
daarna buigen zich de vederblaadjes dragende bladstelen naar beneden
en ten slotte gaat het geheele blad langs de plant hangen. Na een
korten tijd nemen de bladeren hun gewonen stand weder in. Op welk
punt men het blad ook aanraakt, de gevoeligheid plant zich over het
geheele blad voort. Gedurende den nacht hangen de blaadjes dezer
Mimosa slap bij de plant neer; een toestand, dien men met slapen zou
kunnen vergelijken. Oude bladeren verliezen hun gevoeligheid en ook
de jonge blaadjes doen dit, wanneer men ze te veel aanraakt.
Het Kruidje-roer-mij-niet verlangt veel vochtigheid en ook een vochtige
lucht, zoodat het bijna uitsluitend in het kamerkasje moet gekweekt
worden. In Februari of Maart worden de zaden, nadat zij een paar dagen
in lauw water geweekt zijn, gezaaid. Zij hebben dan een temperatuur van
ongeveer 65° noodig om te kiemen. De jonge zaadplantjes kunnen spoedig
afzonderlijk opgepot, en moeten later in potjes van 10 cM. wijdte
gezet worden. Men moet zorgen voor een voedzamen grond en voor een
rijke begieting. Het is een zeer ondankbaar werk, deze plantjes te
laten overwinteren, waarom men beter doet jaarlijks jonge plantjes
uit zaad te kweeken.
Peperomia resedæflora. Deze Peperomia is een kleine, maar zeer
dankbare plant, met lichtgroene, wortelstandige, bijna geheel ronde
bladeren. Boven deze bladeren verheffen zich des zomers lange,
bebladerde bloemstengels, die kleine, witte bloemaartjes dragen,
welke bij oppervlakkige beschouwing aan de bloemtrosjes van Reseda
doen denken.
Deze Peperomia moet in zandige broeiaarde gekweekt worden, terwijl
men haar des winters warm en tamelijk droog moet houden. Des zomers
groeit en bloeit zij uitstekend voor het venster, hoewel men haar,
mits op een beschaduwde plek, ook buiten kan zetten.
De voortkweeking geschiedt in het voorjaar door stekken, die bestaan
uit één blad met een stukje van den stengel. Deze stekken zet men
ieder afzonderlijk in een potje en plaatst ze daarna in het kamerkasje.
De tusschen het blad en den stengel gezeten knop zal spoedig gaan
doorgroeien, wortel schieten en een jonge plant vormen. Ook door de
verdeeling der oude plant kan men haar vermenigvuldigen.
Pilea muscosa (Kanonnierplantje.) De kanonnierplantjes zijn
schijnbaar onbeduidende, tot de brandnetels behoorende plantjes. Zij
zijn aanbevelenswaardig door haar gemakkelijke cultuur en door een
interessante eigenschap. Dompelt men een, met haar bijna onzichtbare
bloemknopjes dicht bezette plant in koud water, en haalt men haar
direct weder daaruit, dan breken weldra de meeldraden uit de knoppen;
de helmknopjes springen met een ruk open en werpen het zeer fijne
stuifmeel uit, dat dan als een plotseling verschijnend rookwolkje
uit het plantje schiet. Dit kan zóó sterk geschieden, dat de plant
als het ware in een rookwolk is gehuld.
In goede aarde geplant, groeit de Pilea, die des winters slechts matig
vochtig moet gehouden worden, zeer gemakkelijk voor het venster. De
voortkweeking kan op iederen tijd van het jaar geschieden door stekken,
die vlug wortelen.
Torenia. Door de pracht van haar zeer sierlijk gekleurde bloemen heeft
de uit Azië afkomstige Torenia een groote waarde als bloemplant. De
bloemen zijn trechtervormig en aan de voorzijde wijd uitgespreid;
zij zijn schitterend blauw met een witte vlek in de keel. De kleine
plantjes, die ovale blaadjes bezitten, hebben echter nogal behoefte
aan veel warmte.
De voortkweeking geschiedt door stekken, doch de liefhebber doet veel
wijzer, deze planten in het voorjaar uit zaad te kweeken en ze in het
najaar weg te werpen, daar de overwintering in een kamer niet altijd
gelukt. Enkele soorten der Torenia o.a. de Torenia asiatica heeft
hangende stengels, en kan dus zeer goed als ampelplant gebruikt worden.
Men moet de Torenia dikwijls verpotten in goede broeiaarde en haar
en lichte plaats voor een zonnig venster geven.
De aanbevelenswaardigste soort is Torenia Fournieri. Men kan deze
soort direct zaaien in de potten, waarin zij moeten bloeien. Deze
potten moeten niet wijder zijn dan 10 cM.; men vult ze tot op 3
cM. onder den rand met aarde, waarop dan gezaaid wordt. Van de
opkomende zaailingen laat men de drie sterkste in den pot staan en
trekt de andere er uit. Zijn de plantjes groot genoeg geworden,
dan vult men den pot tot op een gewonen gietrand met aarde aan,
om zoodoende de plantjes goed vast te zetten.
Vinca rosea. Deze sierlijke plant, die ook wel voorkomt onder den
naam Lochnera rosea, wordt ongeveer 30 à 40 cM. hoog. Zij is uit
Zuid-Afrika afkomstig. De bladeren zijn glad en glanzend groen, de
bloemen schitterend rood of wit; deze ontwikkelen zich van het begin
van den zomer tot diep in October.
De Vinca rosea is een zeer dankbare kamerplant: zij heeft des zomers
gaarne volop water, een zonnige standplaats en goeden, voedzamen grond.
De voortkweeking geschiedt door stekken. Ook als éénjarige plant kan
men haar zeer goed behandelen, in welk geval zij in het voorjaar uit
zaden moet gekweekt worden.
Bol- en Knolgewassen.
Amaryllis. Het geslacht Amaryllis behoort tot de groote familie der
Amaryllideeën, die zeer schoone bloemplanten bevat. Vroeger omvatte
dit geslacht veel meer soorten dan tegenwoordig, nu de meeste tot
andere geslachten gebracht zijn. Het tegenwoordige geslacht Amaryllis
omvat nog slechts de Amaryllis Belladonna met haar variëteiten.
De Amaryllis Belladonna is wel niet een onzer fraaiste kamerplanten,
maar als herfstbloeister is zij toch lang niet verwerpelijk. Zij
is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. De ontwikkelde bol, die des
zomers in volmaakten rusttoestand verkeert, is vrij groot en eenigszins
peervormig. Op een bloemsteng van 50 à 60 cM. hoogte ontwikkelt zich
een bloeiwijze van 4 tot 8, gewoonlijk zacht riekende bloemen. Deze
bloemen komen, wat den vorm betreft, volmaakt overeen met de gewone
Lelie; zij zijn echter niet zoo groot. Bij de oorspronkelijke soort
is de kleur zacht rose, maar men heeft thans ook variëteiten met
vuurroode, purperkleurige en witte bloemen. De groote, donkergroene
bladeren der Amaryllis ontwikkelen zich te gelijk met of na den
bloei; zij zijn tamelijk talrijk en groeien den geheelen winter en
de geheele lente door, sterven dan langzaam af, waarna de bol weder
zijn rustperiode intreedt.
De cultuur dezer plant moet zich natuurlijk naar de hier beschreven
levenswijze regelen. De bollen worden tegen het einde van den
rusttijd, in Augustus, alleen of met meerdere te zamen, in niet te
groote potten gezet. Men gebruikt daartoe zandigen, niet te lichten
grond. Na opgepot te zijn, zet men ze voor het zonnige venster van
een goed gelucht vertrek, en begiet ze slechts matig, zoo lang,
totdat de bloemsteng zich vertoont. De uitgebloeide planten laat
men in een koude, doch vorstvrije kamer overwinteren, zij worden
matig vochtig gehouden. Zoodra de bladeren beginnen af te sterven,
houdt men met gieten op; zijn zij geheel verdord, dan wordt de bol
uit den pot genomen, goed schoongemaakt en tot aan den planttijd,
half Augustus, droog bewaard.
Zeer groote waarde als kamerplanten hebben de nieuwere variëteiten
van de reeds zeer lang in trek zijnde Amaryllis-soorten, die
zich door roode of rood met wit gestreepte reusachtige bloemen
onderscheiden. Deze soorten sterven niet geheel af, hoewel zij
ook tot de bolgewassen behooren. Deze zeer fraaie bloemplanten,
die in den winter en de lente haar bloemen ontwikkelen, dragen in
de kweekerijen den naam van Amaryllis, hoewel zij eigenlijk tot het
geslacht Hippeastrum behooren.
De zeer schoone variëteiten stammen van verschillende soorten, waarvan
tegenwoordig nog slechts de Hippeastrum vittatum gekweekt wordt. Al de
variëteiten hebben zeer groote, trechtervormige bloemen, die uit zes
bloembladeren bestaan. De kleuren varieeren in alle tinten tusschen
het zachtste en het vurigste rood.
De schoonste en schitterendste Hippeastrum-variëteiten, die groote,
rechtop staande bloemen dragen, zijn gewoonlijk niet gemakkelijk
te kweeken, en hebben veel warmte noodig. Eenige meer bescheiden
variëteiten zijn echter niet zoo moeilijk.
Bij de cultuur van alle Hippeastrums moet men er op rekenen, dat
zij een goede, zware aarde verlangen, samengesteld uit 1/3 blad-,
1/3 broei- en 1/3 graszoden- of kleigrond, vermengd met een goede
hoeveelheid zand, terwijl zij in haar rusttijd nooit geheel haar
wortels verliezen. Des zomers kweekt men haar voor het geopende
venster of in het bloemenrekje; zij verlangen dan rijkelijk water en
bescherming tegen de te scherpe zon; zij ontwikkelen dan een aantal
riemvormige bladeren. Zoodra zij in het najaar ophouden met groeien,
moet men beginnen minder te gieten. Vóórdat de koudere nachten
beginnen, zet men de planten in een vertrek met een gemiddelde
temperatuur van 50° Fahr. Een bijzondere plaats hebben zij niet
noodig. Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de Hippeastrums niet
volmaakt, daar de wortels niet afsterven; men moet ze dus des winters
ook een weinig begieten. Veel water mogen zij echter niet hebben, en
de aarde moet altijd meer droog dan vochtig zijn. Soorten, waarvan
de bladeren afsterven, worden minder, die, welke ze behouden, iets
ruimer begoten. De potten met kleine, nog niet bloeibare bollen,
kunnen tot aan de lente in een koele achterkamer blijven staan, de
bloeibare planten kunnen echter, na eenigen tijd gerust te hebben,
in een warmer vertrek gezet worden. Het ligt in de hand van den
liefhebber om den bloei te bespoedigen of te vertragen. Zet men de
bollen warm, zonder ze te begieten, dan zullen de bloemstengen zich
weldra vertoonen. Een spoedige bloei wordt zeer zeker bereikt, wanneer
men de warm staande bollen zóó lang droog houdt, totdat de bloemsteng
geheel voor den dag getreden is en aan den top de door een schutblad
omgeven knoppen toont. Van nu af aan moet geregeld gegoten worden,
natuurlijk met water, dat de temperatuur van het vertrek heeft. De
bloemsteng zal zich dan flink gaan ontwikkelen, en, al naar de soort,
zullen de bladeren gelijktijdig of pas na den bloei verschenen. Het
is geraden, wanneer men op kamercultuur aangewezen is, de bollen niet
vóór Maart warm te zetten, ten einde den bloei tot die maand tegen
te houden.
Nadat de bloei geëindigd is, begint het tweede gedeelte der cultuur. De
bollen moeten nu verplant worden. Men neemt ze uit de potten, schudt
al de oude aarde tusschen de vleezige wortels uit en snijdt met een
scherp mesje alle zieke wortels weg. De nieuwe pot moet zoo groot zijn,
dat de wortels er gemakkelijk in passen, doch meer niet; ook moet hij,
vóór het gebruik, goed schoongemaakt worden.
Bij het planten moet men er op letten, dat slechts de wortelhals van
den bol onder de aarde komt, hij zelf moet er bovenuit steken.
De zoo verplante Hippeastrum wordt goed aangegoten en totdat zij
doorgeworteld is voor het gesloten venster van een warme kamer
gezet. Van Juni af kunnen zij, wanneer men ze langzaam aan de lucht
gewend heeft, buiten gezet worden.
Een groote fout in de cultuur bestaat daarin, dat de liefhebbers
hun bollen geen rust geven, en ze van het begin van den winter af
te warm en te vochtig houden. Deze behandeling zullen zij één winter
verdragen; doet men het een tweeden winter weer, dan worden de bollen
zwak, zij ontwikkelen zieke bladeren en bloeien niet meer.
Wil men de Hippeastrum in de kamer vermenigvuldigen, dan kan men
daartoe de kleine bolletjes nemen, die zich tegen den ouden bol aan
ontwikkelen. Deze worden steeds bij het verplanten van de moederbol
afgenomen. Er gaan echter verscheidene jaren mede weg, eer men van
een kweekbol een bloeibaren bol verkrijgt.
Begonia. Hebben wij in een voorgaand hoofdstuk de stengel-Begonia's
behandeld, thans zullen wij het een en ander mededeelen over de
Knolbegonia's.
De Knolbegonia's hebben zich in de laatste jaren, door haar uitstekende
eigenschappen als bloemplanten een eerste plaats veroverd, zoowel
onder de pot- als onder de tuinplanten. De oorspronkelijke, uit Amerika
afkomstige soorten bezaten geen zeer hooge waarde; zij hadden lange,
kruidachtige stengels, kleine, spitse bladeren en weinig beteekenende,
uit vier smalle bloemblaadjes bestaande, hangende bloemen. Uit deze
weinig fraaie soorten zijn, door de volharding der kweekers, de thans
algemeen verspreide rassen ontstaan, met groote flinke bladeren en
prachtige, rechtop staande, schitterende bloemen.
De tegenwoordige Knolbegonia is in al haar vormen het product der
kweekerskunst. Engelsche, Fransche, Belgische en Hollandsche kweekers
hebben haar tot haar tegenwoordigen trap van volmaaktheid gebracht. De
uit haar vaderland ingevoerde Knolbegonia kenmerkte zich wel door een
zeer dankbaren bloei, maar haar bloemen waren, zoals wij reeds gezegd
hebben, klein. Door kruising der verschillende soorten en variëteiten
onder elkander trachtte men daarvan grootbloemige verscheidenheden
te verkregen. Van het jaar 1870 af zijn de op deze wijze verkregen
variëteiten zeer snel op elkander gevolgd. In het jaar 1882 kwam de
te St.-Louis de Potosi gevonden Begonia Martiana gracilis in den
handel. Deze rechtop groeiende soort met ronde knollen, vleezige,
glanzende, metaalachtige bladeren en rose bloemen, die gedrongen in
de bladoksels zitten, is zeker wel een der schoonste oorspronkelijke
soorten en heeft dan ook niet weinig tot het winnen der nieuwere
variëteiten bijgedragen.
In de laatste 6 à 8 jaar zijn de Knolbegonia's bijna tot den hoogsten
trap van volmaaktheid gebracht; de stoutste verwachtingen der kweekers
zijn overtroffen, want geen ander plantengeslacht heeft in zoo'n
betrekkelijk korten tijd zulk een groote verandering ondergaan. Wanneer
men de uit haar vaderland ingevoerde soorten met de tegenwoordige
hybriden vergelijkt, dan houdt men het bijna voor onmogelijk, dat
de meest beredeneerde kruisingsmethode en de zorgvuldigste keuze der
hybriden een plantengeslacht in korten tijd zoo geheel hebben kunnen
wijzigen. In haar tegenwoordigen vorm is de Knolbegonia zoo'n schoone
plant en heeft zij zooveel waarde, dat zij zonder twijfel een door
de liefhebbers meest gezochte plant zal blijven. De bloemstelen, die
uit de bladoksels spruiten, dragen verscheidene bloemen en zoowel
mannelijke als vrouwelijke, want de bloemen zijn éénslachtig. De
mannelijke bloemen verschijnen het talrijkst en zijn ook het
schoonst. De kleur der bloemen doorloopt alle tinten tusschen het
zachtste rose en het donkerste rood; ook gele en witte bloemen worden
aangetroffen, doch niet zoo talrijk. De fraai gevormde bloemen kunnen,
bij een goede behandeling, een doorsnede bereiken van 16-18 cM. Ook de
gevuldbloemigen zijn in de laatste jaren veel verbeterd, en vooral die
zijn zeer schoon, welke regelmatig gevormd zijn en goed rechtop staan.
Zooals bekend is, wordt een gevulde bloem gevormd door de vergroeiing
van de meeldraden, zoodat slechts de mannelijke bloemen tot gevulde
kunnen overgaan, terwijl de vrouwelijke steeds enkel blijven; er
komen echter wel planten voor, die uitsluitend gevulde mannelijke
bloemen dragen.
Alle Begonia's hadden een gebrek, dat aan zeer vele fraai gevormde of
gekleurde bloemen eigen is: zij waren geheel reukeloos. De nieuwste
gebeurtenis op het gebied der Begonia-cultuur is het vinden van een
welriekende Begonia. De nu bestaande welriekende Begonia's hebben
alle een stammoeder in de Begonia Baumannii. Volgens een bericht in de
Revue horticole werd deze soort gevonden door Dr. Sell in Cochabamba
(Bolivia), die er in 1886 de eerste zaden van zond aan den heer
Baumann, te Bollweiler in den Elzas. Ter eere van dezen heer draagt
de Begonia dan ook zijn naam. In haar moederland moet deze soort zeer
groote knollen vormen, ongeveer ter grootte van een meloen, met een
gewicht van 375 gram. De bladeren zijn slechts zeer weinig scheef,
eerder niervormig; de bloemen zijn, wat erg jammer is, niet zeer
groot, rose, zij verspreiden een zeer aangenamen geur. Door deze
soort met grootbloemige Knolbegonia's te kruisen, heeft men in den
laatsten tijd variëteiten gewonnen met betrekkelijk groote bloemen,
die zeer aangenaam rieken en waarvan de bloemen evenals bij de Begonia
Baumannii hoog boven de bladeren uitsteken.
Niet alleen in het verkrijgen van goede soorten, maar ook in de
cultuur is men veel vooruitgegaan. Terwijl men vroeger aannam, dat
een Knolbegonia, om goed te groeien, steeds in eene warme kas moest
staan, maar daarmede natuurlijk weinig resultaten verkreeg, kweekt
men ze tegenwoordig met uitstekende resultaten des zomers buiten.
Wanneer een mooie plant algemeen verspreid zal raken, dan moet zij
eenvoudig en gemakkelijk te kweeken zijn, veelzijdig gebruikt kunnen
worden en zich kenmerken door een langen en rijken bloei. Aan al deze
eigenschappen voldoet de Knolbegonia. Daargelaten nog, dat zij in den
tuin veelvuldig gebruikt kan worden tot het beplanten van bloemvakken
en rabatten, zoowel op een zonnige als op een half beschaduwde plek,
is zij een uitnemende plant voor de beplanting van bakjes en voor
potcultuur. In potten gekweekt, wil de Knolbegonia des zomers gaarne
buiten voor het venster staan, en daar zij voor haar snellen groei
en rijken bloei veel voedsel noodig heeft, moet men haar meermalen
verpotten in voedzame met wat zand vermengde broeiaarde, terwijl zij
dan ook veelvuldig begoten en gegierd moet worden.
In het laatste gedeelte van den herfst, wanneer de Knolbegonia haar
volle ontwikkeling heeft bereikt, houdt zij op met groeien; zij begint
zich dan voor te bereiden voor haar rusttijd. Zoodra men bemerkt,
dat zij ophoudt met groeien, geeft men haar minder water, en wanneer
de bladeren en stengels beginnen af te vallen, laat men haar geheel
opdrogen. Is de aarde geheel opgedroogd, dan neemt men de knollen uit
de potten, om ze op een vorstvrije plaats te laten overwinteren. Het
is raadzaam, de knollen, nadat men ze uit de potten genomen heeft,
in kistjes met droog zand te leggen; zij overwinteren dan beter. Toch
gebeurt het nog wel eens, dat er knollen gedurende den winter verloren
gaan; dit is niet altijd te voorkomen, maar het is daarom raadzaam
ze gedurende den winter nu en dan na te zien om de rottende tijdig
te kunnen verwijderen. Een Begonia-knol kan zeer lang, tot in Mei,
bewaard worden. Wij kunnen hem echter reeds in Januari aan den groei
brengen, al naardat men hem vroeger of later in bloei wenscht te
zien. De knollen, die men aan den groei brengt, worden zoodanig in
met zandige heideaarde gevulde potten gezet, dat zij niet geheel met
aarde bedekt zijn, daar zij dan gemakkelijker uitgroeien. Later, bij
het verplanten, kan men ze geheel onder de aarde brengen. De potten
moeten in den beginne gelijkmatig vochtig gehouden, voor het venster
van het woonvertrek gezet en tegen te felle zon geschermd worden. De
opgepotte Begonia-knollen groeien gewoonlijk pas na eenigen tijd
uit; eerst vormen zich wortelspitsjes, daarna knoppen, waaruit dan
ten laatste de bladeren verschijnen. Zijn zij eenmaal uitgegroeid,
dan gaat de groei zeer snel, het eene blad volgt op het andere, en na
enkele weken draagt zelfs het kleinste knolletje krachtige scheuten
en fraaie bloemen. Zoolang een opgepotte Begonia-knol hard blijft,
kan men zeker zijn, dat hij nog gezond is, ook al wacht hij tamelijk
lang met uitgroeien.
Zeer interessant en dankbaar is de cultuur van Knolbegonia's uit
zaad. De stoffijne zaden moeten zeer voorzichtig gezaaid worden,
wat men het best doet in schotels, die goed gedraineerd en met een
zeer fijn gezeefd grondmengsel gevuld zijn. Voor aarde gebruikt men
het best bladgrond, vermengd met veel zand. Ook kan men de zaden
uitzaaien op een stukje vezelgrond of een schijfje losse turf, dat
men in een schotel legt. Voor het gieten behoeft men dan slechts
wat water in den schotel te gieten, dat dan door den turf wordt
opgezogen. De beste tijd om te zaaien is einde Februari of begin
Maart. Na de zaden gezaaid te hebben, worden de schotels met een
glasschijf gedekt, voor het venster van het woonvertrek gezet en
tegen te felle zon beschermd. Bij een gemiddelde temperatuur van 60°
Fahr. kiemt het zaad in hoogstens 14 dagen. De nu opkomende zaailingen
zijn zeer fijn en vooral moet men dus, wanneer zij dicht op elkander
staan, zeer voorzichtig zijn met gieten, daar zij zeer gemakkelijk
wegrotten. Om dit te voorkomen, is het voorzichtig niet te lang
met repikeeren te wachten. Dit moet uiterst voorzichtig geschieden,
aangezien de zaailingen, zooals gezegd is, zeer klein, maar ook zeer
broos zijn. Men repikeert de plantjes in dezelfde aarde, waarop men
gezaaid heeft, en plant ze op een onderlingen afstand van ongeveer 1
cM. uit. Zoodra zij zóó groot geworden zijn, dat zij elkander raken,
moet men weder repikeeren; zij kunnen nu in iets grovere aarde geplant
en op een onderlingen afstand van 3 cM. gezet worden. Raken de bladeren
elkander nu weer aan, dan worden de plantjes afzonderlijk in kleine
potjes geplant. Bij een goede behandeling beginnen de in Februari
gezaaide Begonia's reeds in Juni of Juli te bloeien, zij vormen dan
vóór den rusttijd nog vrij flinke knollen.
De enkelbloemige Begonia's laten zich, wanneer de zaden van goede
bloemen gewonnen zijn, tamelijk constant uit zaad voortkweeken. Met de
gevuldbloemige variëteiten gaat dit echter niet zoo gemakkelijk. Zaait
men deze uit, dan zal zich onder de zaailingen een groot aantal
enkele of half gevulde verscheidenheden bevinden. Constant kan men de
gevuldbloemige dan ook alleen door stekken vermenigvuldigen, die wel
zeer goed wortelen en bloeien, doch gewoonlijk geen knol, maar slechts
een verdikking van den stengel vormen, welke zeer slecht overwintert.
Canna. De oude Canna-soorten en variëteiten zijn algemeen bekende
planten, die voor groepen zeer veel gebruikt worden. Zij hebben een
dikken, knolvormigen wortelstok, waaruit zich in de lengte kruidachtige
stengels ontwikkelen, die somtijds 2 1/2 à 3 M. hoog kunnen worden,
en die groote, ovale, groene, roode of gestreepte bladeren dragen. Uit
deze stengels ontwikkelt zich ten laatste een tros onbeteekenende
roode of gele bloemen, die zeer onregelmatig gevormd zijn. In de
laatste jaren heeft men echter gedrongen groeiende, zeer schoon en
rijk bloeiende variëteiten gewonnen, waardoor de Canna's ook voor pot-
en venstercultuur waarde hebben verkregen. Er zijn twee groepen fraai
bloeiende Canna's, namelijk de variëteiten van Canna gladioliflora en
de Crozy Canna's, welke laatste het eerst door den Franschen kweeker
Crozy zijn gewonnen, en die uitmunten door haar schitterend gekleurde
bloemen. De bloemen der Canna gladioliflora hebben in haar voorkomen
wel wat van Gladiolus-bloemen; zij zijn echter onregelmatiger gevormd;
de Crozy Canna's daarentegen kenmerken zich door veel regelmatiger
gevormde bloemen. De kleuren der grootbloemige Canna-soorten doorloopen
alle schakeeringen tusschen geel en donkerrood, en deze soorten
kenmerken zich vaak door fraai gevlekte of gestreepte bloemen.
De cultuur van deze schoone zomerbloeisters, die gelijke waarde
hebben als blad en als bloemplanten, is zeer eenvoudig. Al naar
wij ze vroeger of later in bloei willen hebben, worden de rustende
knollen in Februari-April opgepot. Vóór het oppotten en ook nog later,
wanneer de knollen reeds goede oogen ontwikkeld hebben, kan men ze,
door ze in stukken te snijden, vermenigvuldigen, waarbij men er op
moet letten, dat ieder gedeelte minstens één oog moet behouden. Het
snijvlak, dat een dikke, kleverige vloeistof afscheidt, wordt dan
met houtskoolpoeder bestrooid. Voor het oppotten moet tamelijk
zware en goed voedzame, rijkelijk met zand vermengde grond gebruikt
worden. Het beste grondmengsel is 2/3 broeiaarde en 1/3 klei- of
graszodengrond. De potten, die men gebruikt, moeten zóó groot zijn,
dat de knol er juist goed in past. Zij worden nu zoo warm mogelijk
gezet en in den beginne matig met lauw warm water begoten; zoodra
de scheuten zich krachtig beginnen te ontwikkelen, kan men meer
water geven. Tegen het midden van de lente worden de Canna's, door
de vertrekken, waarin zij staan, meer en meer te luchten, langzaam
gehard, zoodat zij in de eerste dagen van Juni in het bloemenrekje,
buiten voor het venster, kunnen gezet worden; of wel, men plant ze
tegen dien tijd in de balkonbakjes, waarin zij zich zeer goed zullen
ontwikkelen. De in potten gekweekte Canna's moeten gedurende den
zomer rijkelijk gegierd en verscheidene malen verpot worden. Zet
men de planten in het najaar voor het venster van het woonvertrek,
dan zullen zij dikwijls tot diep in den winter doorbloeien.
Is de Canna uitgebloeid, dan geeft men haar langzamerhand minder
water, neemt ze, na het afsterven der bladeren, uit den pot, snijdt
alle scheuten eenige centimeters boven den knol af, kort de wortels
diep in en laat de zoo schoongemaakte knollen op matig vochtig zand in
een vorstvrijen kelder of in een koele achterkamer overwinteren. Hoe
vroeger een Canna afsterft, des te vroeger kan zij weder aan den
groei worden gebracht.
Behalve op de boven aangegeven wijze door deeling, laten de Canna's
zich ook door zaden voortkweeken. De groote, harde zaden legt
men eenige dagen in lauw warm water te weeken, waarop zij ieder
afzonderlijk in een potje worden gezaaid. Geeft men ze voldoende
warmte en vochtigheid, dan zullen zij vrij spoedig kiemen.
Colchicum (Herfsttijdeloos). Een schoone vorm van de in sommige streken
van ons land wild voorkomende Herfsttijdeloos is de Colchicum autumnale
speciosum. Deze variëteit wordt tegenwoordig door vele bollenkweekers
in het groot gekweekt en komt dan ook iederen herfst aan de markt. De
mooie, goed gekweekte knollen, die tot 300 gram zwaar kunnen worden,
en door de zaadhandelaars ieder najaar worden aangeboden, hebben al de
stoffen, die zij tot de ontwikkeling van haar bloemen noodig hebben,
in het voorjaar in zich opgenomen. De knollen kunnen in iederen grond
worden geplant; men kan ze op met vochtig zand gevulde schotels zetten
of ook wel droog op een vensterbank of étagère. Wanneer men ze zoo
heeft staan, is het zeer aardig om te zien, hoe zich snel na elkander
van 10 tot 30 fraaie licht violette bloemen uit den knol ontwikkelen,
zonder dat deze één enkel blad draagt. Onze afbeelding (Fig. 118)
toont een drogen knol, prijkende met zijn bloemen.
Evenals bij al de Colchicums verschijnen ook bij deze de bladeren
eerst in het voorjaar, zij moet daartoe echter opgepot worden. De
droge knol ziet er natuurlijk na den bloei verschrompeld uit. Tijdig
opgepot, kan hij ook het tweede jaar weder bloeien, mits hij, tot
aan het begin van zijn rusttijd, koel en vochtig gehouden wordt.
Crinum. Onder de fraaie bloemplanten, die voor de kamer geschikt zijn,
nemen ook de Crinums een voorname plaats in. Deze fraaie bolgewassen,
die tot de familie der Amaryllideeën behooren, hebben geen absoluten
rusttijd; zij blijven dus steeds groen. De verschillende soorten
behooren thuis aan de Kaap de Goede Hoop. In tropisch Azië, in Amerika
en Nieuw-Holland. Zij dragen fraaie breede of ook wel riemvormige
bladeren en groote bloemschermen.
Zeer schoone soorten zijn: Crinum Yemense, met atlas-witte zeer
welriekende bloemen en Crinum Kirkii met groote, witte, purper
gestreepte bloemen.
De Crinums hebben zeer groote, dikke bollen, met talrijke vleezige
wortels; zij moeten dus in behoorlijk groote potten gekweekt
worden. Als grondmengsel gebruikt men 1/2 deel bladaarde en 1/2 deel
vetten graszodengrond, vermengd met veel zand. Oudere exemplaren
behoeven slechts om de twee jaar verpot te worden.
De cultuur is zeer eenvoudig. Gedurende den winter worden de planten
betrekkelijk, doch niet geheel, droog gehouden; des zomers verlangen
zij echter veel water, en het beste doet men dan ze in den tuin,
liefst op een beschaduwde plek, of anders op het balkon, te zetten. Een
bloeiende Crinum levert een prachtig gezicht op.
De voortkweeking geschiedt door kweekbolletjes, die van de oude plant,
bij het verpotten, afgenomen worden.
Cyclamen (Alpenviooltje). Wie kent niet het lieve Alpenviooltje,
met zijn mooie niervormige, veelal fraai geteekende bladeren en
zijn zacht gekleurde, dikwijls welriekende bloemen? Nòch het in het
voorjaar bloeiende Europeesche Alpenviooltje, Cyclamen europæum,
nòch de andere harde Alpensoorten hebben als kamerplanten waarde. Een
zeer gewaardeerde kamerplant is echter de Cyclamen persicum, waarvan
gedurende den langen tijd, dat zij gekweekt wordt, talrijke schoone
variëteiten zijn gewonnen. Hoewel de naam op Perzië duidt, behoort deze
soort daar toch feitelijk niet thuis, daar zij van het eiland Cyprus
afkomstig is. Waar men des winters bloemen kweekt, is ongetwijfeld ook
de Cyclamen te vinden, daar zij naast de Primula een der dankbaarste
winterbloeisters is. Hoewel de Cyclamen voor den leek niet de minste
overeenkomst met de Primula vertoont, behoort zij toch tot dezelfde
familie, namelijk die der Primulaceeën.
Uit een vlakken, schijfvormigen knol, die op de aarde rust, ontspringen
de lang gesteelde, bijna altijd fraai geteekende bladeren, die zich
bij vrijstaande planten gelijkmatig naar alle zijden uitspreiden,
zoodat dan de plant den vorm van een halven kogel verkrijgt. Gedurende
den zomer ontwikkelen zich tusschen de bladstelen de bloemknoppen,
dikwijls bij tientallen te gelijk. Zij groeien gewoonlijk van
September af langzaam door, verheffen zich boven de bladeren en
ontplooien dan haar fraaie bloemen, die door de naar boven geslagen,
vaak spiraalsgewijze gewonden bloembladeren, een zeer interessant
voorkomen hebben. Hoe zuiverder en schitterender de bloembladeren zijn,
des te schooner is de bloem. Naast de zuiver witte kleur, die echter
niet dikwijls voorkomt, doorloopen de bloemen alle tinten tusschen het
zachte rose en het vurigste rood. Ook komen er witte bloemen voor met
roode strepen of vlekken en omgekeerd; zelfs gevulde variëteiten worden
aangetroffen, doch deze laatsten zijn in schoonheid en sierlijkheid
niet te vergelijken met de enkelbloemige. De oorspronkelijke Cyclamen
kenmerkt zich door een wel wat scherpen doch overigens aangenamen
geur; maar de kweekers der nieuwere variëteiten hebben er zich,
jammer genoeg, nog niet op toegelegd welriekende te kweeken.
De fraaie Cyclamen persicum wordt tegenwoordig in bijna alle
kweekerijen in groote getale gekweekt. De liefhebber koopt ze meestal
tegen het najaar en de prijzen loopen daarbij sterk uiteen, al naar
de variëteit en de grootte der plant, die men verlangt. Bij het
koopen moet men er op letten steeds exemplaren te nemen, waarvan
de knol zich boven de aarde bevindt en niet die, waarvan hij in
de aarde geplant is; vervolgens moet men toezien, dat men goed
bewortelde planten verkrijgt, die in den pot gekweekt zijn en ook,
dat de bladeren van de te koopen planten niet waggelen of hangen,
niet met stokjes en bast zijn opgebonden, maar stevig aan den knol
bevestigd zijn. Ook moet men nooit in Augustus bloeiende Cyclamen
koopen, daar deze spoedig met bloeien ophouden. De beste tijd om ze
te koopen is in October; men moet dan planten nemen, die goed beknopt
zijn en waarvan de eerste bloemen beginnen te ontluiken.
Gewoonlijk sterven de gekochte planten na korteren tijd, ook al zijn
zij nog zoo krachtig, af, wijl zij verkeerd behandeld worden. Hoewel de
Cyclamen den geheelen winter bloeit, wil zij, evenmin als de Primula,
warm staan; zij is geen plant voor de woonkamer en gewoonlijk is zij te
breed om tusschen dubbele vensters geplaatst te worden. Ook vorst kan
zij niet verdragen, zoodat de beste plaats, die men haar geven kan,
een lichte plek op de vensterbank van een kamer met een gemiddelde
temperatuur van 45°-55° Fahr. is. Op zulk een plaats gezet, zullen de
bloemen zich na elkander ontwikkelen en niet zelden zullen er 20 à 30
tegelijkertijd open zijn. De planten moeten af en toe met slappe gier
begoten en matig vochtig gehouden worden. Bij het begieten moet men
goed oppassen, dat er geen water tusschen de bladeren en op den knol
blijft staan; hierdoor toch zouden niet alleen de bloemknoppen, doch
ook de knollen zeer gemakkelijk gaan rotten, in welk laatste geval
de plant zeker verloren is. Uitgebloeide bloemen en geel geworden
bladeren moeten voorzichtig bij den knol worden afgesneden.
Nadat de bloei geëindigd is, begint de Cyclamen te rusten. Hoewel
de kweeker meestal de uitgebloeide planten, als ze wat oud worden,
wegwerpt en de oude knollen niet meer waard acht verder te kweeken,
kunnen de liefhebbers ze verscheidene jaren bewaren en tot bloei
brengen. Om dit te bereiken moet men ze op de volgende wijze
behandelen: De uitgebloeide Cyclamen worden langzamerhand minder
begoten, waardoor zij gaandeweg afsterven. In Juni zijn de knollen
ontbladerd en men doet het best ze dan op een beschaduwde plek in
den tuin te zetten. Hier laat men ze rustig staan; doch, wijl de
wortels niet geheel afsterven, maar in leven blijven, moet men ze
af en toe een weinig begieten, ten einde te voorkomen, dat de aarde
geheel uitdroogt. Tegen het begin van den regentijd, in September,
beginnen de knollen weder teekenen van leven te geven; zij worden
dan voor den dag gehaald en in een mengsel van gelijke deelen broei-
en blad- of heideaarde, goed met zand vermengd, opgeplant, voor een
venster met morgenzon gezet en gelijkmatig begoten.
De voortkweeking van de Cyclamen geschiedt door zaden. Men kan zelf
zeer goed zaden verkrijgen van in het voorjaar bloeiende bloemen,
mits men deze bevrucht. Daar men niet gemakkelijk met een penseel
bij de meeldraden kan komen, moet men de bevruchting op een andere
wijze volvoeren. Op een zonnigen dag stoot men tegen den middag met
duim en middelsten vinger krachtig tegen de bloem, zoodat deze flink
heen en weer geschud wordt; het stuifmeel komt dan als een wolkje
te voorschijn, wat voldoende is, om de bevruchting te doen plaats
hebben. De bevruchte bloem bloeit snel uit, haar steel buigt zich
over den potrand heen en na verloop van eenige weken rijpen in een
bolvormige vrucht de tamelijk harde zaadkorrels. In Augustus worden
de versche zaden in potten of schalen gezaaid; zij worden warm en
gelijkmatig vochtig gehouden, waarop de kieming binnen 4-6 weken
volgt. De zaailingen, die al heel spoedig een knolletje vormen, worden
op de vensterbank gezet, tegen felle zon geschermd en, zoodra zij het
tweede of derde blad vormen, gerepikeerd. Gedurende den winter worden
de jonge plantjes nogmaals gerepikeerd en in het voorjaar kunnen zij
dan afzonderlijk in kleine potjes worden opgepot. De kweeker houdt
zijn Cyclamen van den beginne af aan in een bak dicht onder het glas,
totdat zij volgroeid zijn; de liefhebber moet zich echter met de
vensterbank behelpen. De jonge Cyclamen, die niet, zooals de oude
knollen, des zomers rusten, doch steeds doorgroeien, moeten in den
loop van den zomer nog een paar keeren verpot worden; ook moet men
bij zonnig weer voor behoorlijk schermen en spuiten zorgen. Hoewel men
zoodoende vrij goede planten kan kweeken, zullen zij zich toch nooit
zoo fraai ontwikkelen als in een bak, zoodat wij den liefhebbers,
die niet zeer veel zorg aan hun planten kunnen besteden, aanraden
liever jaarlijks eenige planten bij een vertrouwd kweeker te koopen.
Eucharis. Tot de fierste en te gelijk fraaiste winterbloeisters
moet zeker wel de Eucharis gerekend worden. De verschillende
soorten van het geslacht Eucharis behooren in tropisch Amerika
thuis en wetenschappelijk vertoonen haar bloemen slechts een
zeer gering verschil. In de kweekerijen treft men meestal vijf
verschillende soorten aan; namelijk: Eucharis candida, Eu. grandiflora,
Eu. Sanderiana, Eu. Mastersii en Eu. amazonica. De laatste soort wordt
verreweg het meest gekweekt, waarom wij dan ook door Fig. 120 een
zeer schoon exemplaar er van afbeelden. De Eucharis is een bolgewas,
en haar bloemen toonen eenige overeenkomst met de Tazette, wat niet
te verwonderen is, daar zij tot dezelfde familie behoort, namelijk
tot die der Amaryllideeën; een familie, waaruit we reeds vele fraaie
winterbloeisters vermeld hebben.
Onze fraaie afbeelding zal menig liefhebber den wensch doen koesteren
zulk een schoone plant te bezitten. De vervulling van dezen wensch
behoort wel tot de mogelijkheden, want zij zijn nòch moeilijk
te verkrijgen, nòch duur; toch meenen wij tegen een overijlde
aanschaffing er van te moeten waarschuwen. De Eucharis wordt wel
algemeen als kamerplant aanbevolen, maar wij durven deze aanbeveling
niet zonder voorbehoud onderschrijven. Slechts dien liefhebbers, die
zeer veel ondervinding op het gebied van kamercultuur hebben, durven
wij aanraden deze plant te kweeken. Hij, die lastige Amaryllissen en
Orchideeën met succes in een kamer kweekt, kan zonder twijfel zijn
krachten ook wel eens aan deze planten beproeven, andere liefhebbers
moeten wij haar echter, met het oog op haar lastige cultuur, ontraden.
De Eucharis behoort tot die bolgewassen, welke niet geheel afsterven,
zij moet dus ook gedurende haar rusttijd begoten worden. Veel water
mag zij dan echter niet hebben; slechts genoeg om te voorkomen, dat
de wortels en de bladeren verdrogen. Gedurende dezen rusttijd moeten
zij ook luchtiger en koeler gehouden worden dan anders. Wenscht men
des winters bloeiende Eucharissen te hebben, dan moet men het zoo
trachten in te richten, dat de groeiperiode tegen Augustus eindigt. De
Eucharissen groeien liefst gezellig, het kweeken van iederen bol
afzonderlijk is dus zeer ondankbaar, zij bloeien dan zelden, of in
het geheel niet. Het is daarom ook niet geraden om, zooals men bij de
meeste bolgewassen doet, de kweekbolletjes spoedig te verwijderen;
doet men dit bij de Eucharis, dan zal men weinig pleizier van haar
beleven. Bij het aanschaffen tracht men flinke, groote exemplaren,
dus echte bolkolonies te verkrijgen, en deze laat men, zonder ze te
scheuren, doorgroeien, al worden zij ook nog zoo breed. Zulke groote
planten bloeien zeer dankbaar en meestal wel twee keeren per jaar,
eens in den voorzomer en eens in den winter.
Voor de cultuur van de Eucharis moet men geen gewone potten, doch
zoogenaamde schalen gebruiken, die veel breeder zijn dan diep,
natuurlijk mogen zij niet al te ondiep zijn, en ook moeten zich
talrijke drainage-gaatjes in den bodem bevinden. Oudere exemplaren
behoeven niet jaarlijks verpot te worden; is dit echter noodig, dan
moet het na het einde der rustperiode geschieden. Wil men verpotten,
dan wordt de plant uit den pot genomen, en worden de vleezige wortels
voorzichtig losgemaakt, waardoor een deel der oude aarde er tusschen
uitvalt. Aan de gezonde wortels mag nooit gesneden worden. Als aarde
gebruikt men een voedzamen, doch zeer groven grond, het best is een
mengel van twee deelen half verteerde bladaarde, waar de fijne aarde
door zeven uit verwijderd is, één deel brokkeligen graszodengrond,
één deel ouden koemest (in de meeste kweekerijen wel te verkrijgen) en
één deel scherp zand. Wil men succes met zijn Eucharissen hebben, dan
moeten zij op een lichte plaats staan met een gemiddelde temperatuur
van 55°-65° Fahr. Tegen te felle zon moet geschermd worden, terwijl
men, door herhaaldelijk te spuiten, de lucht voldoende vochtig moet
houden. Heeft men gezonde exemplaren, dan moet men niet vergeten, die
van tijd tot tijd te bemesten. Het best zal de Eucharis steeds in een
kamerkasje groeien, waarin zij tegen tocht en droge lucht beschermd is.
Hæmanthus. De Hæmanthussen zijn sierlijke Amaryllideeën, afkomstig van
de Kaap de Goede Hoop. Zij hebben dikke bollen en betrekkelijk korte,
zeer breede, stevige bladeren. In het voorjaar ontspruit tusschen deze
bladeren de tamelijk korte, vleezige bloemsteng, die een, uit dicht
op elkander geplaatste witte of roode bloempjes bestaand bloemscherm
draagt. Door de ver uitstekende meeldraden hebben deze bloemen een
zeer eigenaardig voorkomen. Zeer in trek zijn de Hæmanthus coccineus,
met scharlakenroode bloemen; de Hæmanthus albiflos, die zeer op de
voorgaande gelijkt, doch er van verschilt, doordat de bloemen wit
en de meeldraden, geel zijn en de Hæmanthus Kalbreyeri, met fraaie,
lichtroode bloemen.
De behandeling van de Hæmanthus is zeer eenvoudig. Des zomers kweekt
men ze in het op de zon gelegen bloemenrekje buiten voor het venster,
des winters daarentegen in een matig warme kamer. De verplanting
moet geschieden na den bloei en in tamelijk zwaren grond. Bij het
verplanten moet men de wortels zeer ontzien. Men moet er op passen
gedurende den winter niet te veel water te geven. De vermenigvuldiging
geschiedt door kweekbolletjes.
Hymenocallis (Pancratium). De Pancratiums staan zeer dicht bij de
Eucharis en behooren ook tot de familie der Amaryllideeën. Het zijn
bolgewassen met groote bollen, lange, tamelijk breede, riemvormige
bladeren en op krachtige bloemstengen staande, schermvormige
bloeiwijzen. De zachte vanieljegeur, dien zij verspreiden, is zeer
aangenaam. De bloemen zijn pijpvormig, boven op dit pijpje zit een
verbinding van meeldraden en vormt daar als het ware een trechter,
ongeveer gelijk als die der Tazette; om dezen trechter staan stervormig
de lange, witte, lijnvormige, teruggeslagen bloembladeren, die aan
het geheele bloemscherm een los voorkomen geven.