II. DE BESTE KAMERPLANTEN.

Inleiding.

In het nu volgende gedeelte worden de beste kamerplanten behandeld,

practisch gerangschikt in verschillende groepen. Ik heb mij hierbij

bepaald niet alleen tot die planten, welke dankbaar en gemakkelijk

te kweeken, maar ook tot die, welke gemakkelijk verkrijgbaar zijn

en die in iedere goede kweekerij gevonden worden. Van verscheidene

soorten, die ik graag behandeld had, heb ik afgezien, wetende,

dat de aanschaffing zeer veel moeite zou veroorzaken. Het is toch

doelloos den liefhebber planten aan te bevelen, die hij zich òf in het

geheel niet, òf slechts met veel moeite en opoffering van veel geld,

kan aanschaffen.

Wat de namen der planten aangaat, was het onmogelijk de

wetenschappelijke namen te vermijden; ten eerste, wijl talrijke planten

geen Nederlandsche namen bezitten, en in de tweede plaats, wijl deze

namen dikwijls in verscheidene deelen des lands verschillen. Waar

dit mogelijk was, zijn achter de wetenschappelijke namen ook de

Nederlandsche gevoegd.

De verschillende planten worden gedeeltelijk zoo practisch mogelijk

in groepen verdeeld. Eenige grootere geslachten en familiën echter,

waarvan de soorten ongeveer een gelijke behandeling verlangen,

worden afzonderlijk behandeld. Bij de behandeling der verschillende

groepen--niet bij die der geslachten of familiën--zijn de planten naar

de wetenschappelijke namen alphabetisch gerangschikt. Bij het inkoopen

toch, moet men den kweeker steeds den wetenschappelijken naam opgeven,

aangezien deze niet altijd met de Nederlandsche namen bekend is.

Struikachtige bloemplanten voor koele vertrekken, het balkon en

de vensterbank.

Abutilon. De Abutilon behoort tot de dankbaarste en rijk bloeiendste

kamerplanten. De plant op zichzelf is zeer elegant en licht gebouwd,

de bladeren zijn meestal lichtgroen, fraai ingesneden en gewoonlijk

nogal groot. De bloemen hangen aan een dun steeltje naar beneden;

het is uitzondering, wanneer men er twee of drie vereenigd ziet. De

kleur der bloemen is wit, geel of rood, met talrijke gele meeldraden;

ze zijn klokvormig. De oudere Abutilon-soorten zijn sterke, in de kamer

niet zeer dankbaar bloeiende struiken; zij groeien erg in de lengte

en worden spoedig onhandig, wanneer men ze in het voorjaar niet diep

terugsnijdt, welke bewerking zij zeer goed verdragen. Deze zijn dan ook

beter geschikt om op het balkon of in de waranda gebruikt te worden,

waar zij in bakjes geplant, zeer rijk bloeien. Zeer geschikt zijn deze

soorten ook om in den tuin uitgeplant te worden; zij ontwikkelen zich

daar vaak tot struiken van 2 à 3 Meter hoogte.

Als kamerplanten zijn de nieuwere dwergvariëteiten veel meer aan te

bevelen, ook om haar rijken bloei. Deze variëteiten komen in den

handel voor onder den naam Abutilon hybridum nanum compactum en

de bloemen zijn zeer verschillend van kleur: wit, geel, oranje en

vuurrood. Een bijzonder fraaie variëteit, die zeer laag blijft en

rijk bloeit met donker vuurroode bloemen, is de Abutilon Boule de

feu. Een mooie bontbladerige variëteit is de Abutilon Thompsonii,

die lichtgroene met geel gemarmerde bladeren heeft en met lichtoranje

bloemen bloeit. Van deze soort bestaat ook een variëteit met gevulde

bloemen, de eenige gevulde Abutilon, die bekend is; zij is echter

niet zeer aanbevelenswaardig.

De nieuwste variëteiten zijn die met witbonte bladeren, die echter

uitsluitend als fraaie bladplanten waarde hebben. Twee daarvan zijn het

meest bekend geworden, namelijk: de Souvenir de Bonn met lichtgroene,

wit omzoomde bladeren, en de Sawitzers Ruhm met lichtgele bladeren,

die een groen hart hebben.

Alle soorten van Abutilon, die in Brazilië thuis behooren, moeten

des zomers buiten voor het venster gekweekt worden. Eenmaal 's jaars,

bij voorkeur in het voorjaar, moeten zij verplant worden in broei- of

compostaarde, vermengd met wat graszodengrond; des zomers kan men ze

enkele malen flink gieren. In den winter zet men ze achter een zonnig

venster in een koele kamer. Wanneer men ze in een lichte kamer zet,

met een gemiddelde temperatuur van 50° Fahr., dan is er veel kans,

dat zij den geheelen winter doorbloeien. Zijn de Abutilons in haar

sterksten groei, dan moet men niet verzuimen ze flink te begieten. De

vermenigvuldiging geschiedt door zaden. Wil men een bepaalde variëteit

vermeerderen, zonder dat men bang behoeft te zijn, dat die terugslaat,

dan moet men haar van stek kweeken. De jonge, van bloemknoppen ontdane

twijgtopjes, groeien vooral in het voorjaar zeer gemakkelijk.

Acacia. De Acacia en vooral de in Nieuw-Holland thuis behoorende

soorten, zijn zeer dankbare bloemheesters, die door veelvormigheid

hunner bladeren ten zeerste onze aandacht waardig zijn. Men

onderscheidt soorten met gevederde bladeren, die ook daarom interessant

zijn, wijl de zijblaadjes zich des avonds tegen elkander leggen, om

zich des morgens weder op te richten en uit te gaan staan. Als tweede

groep onderscheidt men bladlooze soorten. Deze laatste hebben alleen

als zeer jonge plantjes gevederde bladeren; daarna vormen zij slechts

verbreede bladstelen, zoogenaamde phyllodieën, die daarbij nog dikwijls

spiraalvormig gedraaid, of door andere vormen belangwekkend zijn.

Bijna alle Acacia-soorten behooren tot die heestergewassen,

welke tegen het einde van den winter en in het vroege voorjaar

bloeien. De gewoonlijk gele, zelden witte, bloemen zijn vaak tot

kleine balletjes vereenigd, die aan dunne steeltjes hangen, en

alleen, òf paarsgewijze òf aan trosjes vereenigd in de bladoksels

voorkomen. Bij de bladerlooze soorten staan zij ook wel aan aartjes

vereenigd, die dan een cylinderachtigen vorm hebben.

Als kamerplant heeft tot heden slechts één soort, de Acacia lophanta,

burgerrecht verkregen. Deze sterk groeiende, met groote, vedervormige

bladeren prijkende soort bloeit niet alleen zeer ondankbaar, maar ook

niet schoon; zij verdraagt echter de gesloten kamerlucht uitstekend

en is daardoor waarschijnlijk een zeer gezochte kamerplant geworden.

Een veel dankbaarder en ook fraaiere soort is de Acacia dealbata. Ook

dit is een soort met gevederde bladeren, die met groote trossen

gele bloemen bloeit. Deze soort wordt tegenwoordig veelvuldig in

Zuid-Frankrijk en Italië aangekweekt, ten einde de bloemen voor

den uitvoerhandel te gebruiken. Vroeg in het voorjaar kan men de

welriekende bloemen in grooten getale in de bloemenmagazijnen vinden.

De sierlijkste en voor kamercultuur meest geschikte soort is zeker wel

de Acacia pulchella, die het best als kroonboompje wordt gekweekt en

dan knievormig gebogen takjes heeft. Haar donkergroene vedervormige

blaadjes zijn zeer sierlijk. In iederen bladoksel bevindt zich een

stekel, bijna dubbel zoo lang als het blad, en van midden April tot

einde Mei ook een bloemknopje, hetwelk prijkt met het schoonste geel.

Onder de bladerlooze soorten, die verbreede bladstelen hebben, is

in de eerste plaats de Acacia lineata zeer aanbevelenswaardig. De

schijnblaadjes van deze soort zijn slechts 1 cM. lang. De bloemen,

die meestal reeds in de tweede helft van den winter verschijnen, zijn

citroengeel en zeer welriekend. Andere soorten van deze groep, die

wij gerust durven aanbevelen, zijn Acacia myrtifolia, A. argyrophylla,

A. armata en A. longifolia.

De handelskweekers, die de vroeger zoozeer in trek zijnde

Nieuw-Hollandsche bloemplanten tegenwoordig al zeer stiefmoederlijk

behandelen, kunnen verscheidene Acacia-soorten niet altijd

leveren. Gelukkig bieden de grootere zaadhandelaars van talrijke

soorten zaden aan. Uit stek laten de Acacia's zich zeer slecht

voortkweeken; gewoonlijk willen zij geen wortel maken en slaagt

men er al in een stek aan den groei te krijgen, dan groeit zij in

den regel zeer slecht door. Men doet dus beter zaden te koopen, die

zeer goedkoop zijn. Deze zaden zijn zeer hard, waarom het goed is ze

een dag of acht in dagelijks te ververschen, lauw water te leggen,

ten einde ze een weinig te weeken; hierna worden zij tusschen een

doek afgedroogd en daarna uitgezaaid. Geeft men den zaden een warme

standplaats, dan kiemen zij wel vrij zeker, maar zeer ongelijk;

gewoonlijk tusschen 12-30 dagen. Het wil wel voorkomen, dat het

omhulsel taai is, en de jonge kiemplantjes moeite hebben dit af

te werpen; is dit zoo, dan moet men ze met den vinger een weinig

helpen. De krachtige kiemplantjes van Acacia's worden niet gerepikeerd,

maar direct in zaadpotjes geplant. Groeien zij goed door, dan kunnen

zij in hetzelfde voorjaar nog eens verpot worden en gedurende den

zomer kan men ze dan buitenzetten. De maand Februari is de meest

geschikte om Acacia's te zaaien.

Men kweekt de Acacia's in heidegrond, die met 1/4 klei-

of graszodengrond en rijkelijk scherpzand vermengd wordt. Oudere

planten houdt men tot na den bloei in een koel, vorstvrij vertrek;

hierna worden zij ingesneden, verpot en eindelijk tegen Pinksteren

buiten gezet. Des zomers verlangt de Acacia een zonnige standplaats,

rijke begieting en af en toe een begieting met gier.

Agathæa amelloides. Dit is een sierlijke struik, met kleine, ovale

blaadjes en lieve, reukelooze bloempjes, die het gansche jaar door,

doch bij voorkeur gedurende den winter verschijnen. De Agathæa

behoort tot de asterachtige samengesteldbloemige planten. De

op lange stelen steeds alleen staande bloemen bestaan uit gele

schijf- en blauwe straalbloempjes, wat een zeer fraaie vereeniging

van kleuren vormt. Daarbij komt nog, dat dit een van de weinige

blauwe winterbloeiers is. De voortkweeking geschiedt in het voorjaar

gemakkelijk door zaden, stekken en ook door verdeeling der kluit. Zij

verlangt een goeden, lichten grond, bijv.: 1/2 deel broeiaarde en

1/2 deel blad- of heideaarde, vermengd met zand. Des zomers moet de

Agathæa buiten gekweekt worden en gedurende den winter verlangt zij

een koele, zeer lichte standplaats. Het is zaak, des winters zeer

voorzichtig te zijn met het gieten.

Boronia. De Boronia's zijn sierlijke Nieuw-Hollandsche planten, met

kleine bladeren en allerliefste, klokvormige, afhangende roode en

blauwe bloempjes. De bloeitijd valt tusschen de maanden Maart en April

en de bloempjes op zichzelf blijven van 6 tot 8 weken goed. Tegen dat

zij gaan verwelken, krijgen de bloempjes een donkerroode kleur. De

Boronia's behooren tot de fraaiste bloemplanten van Australië; zij

zijn echter niet heel gemakkelijk te houden. De fraaiste soort is wel

de Boronia alata met bleek rozeroode bloempjes. De vermenigvuldiging

geschiedt meestal door veredeling op Correa, een bewerking, die

slechts door een kweeker uitgevoerd kan worden. Men kweekt ze in

zandigen heidegrond; zij verlangen des winters een koele doch lichte

standplaats, en des zomers een zonnige plaats, bij voorkeur buiten.

Bouvardia. Onder de kamerplanten, die ons door haar ongemeen

rijken bloei gedurende het laatste gedeelte van den herfst en den

vóórwinter het meest verheugen, behooren zeker de Bouvardia's. Deze

aardige, gewoonlijk niet meer dan 1/2 Meter hoog wordende struikjes

van Centraal-Amerika hebben ovale bladeren. De bloemen zijn wit,

rose, rood en geel; bij enkele soorten geheel reukeloos, bij andere

echter een aangenamen jasmijngeur verspreidende. Gewoonlijk staan de

bloemen, in den vorm van schermpjes, aan de spitsen der takjes. Zeer

schoone soorten, waaronder ook met gevulde bloemen, die echter niet

zoo gemakkelijk bloeien, zijn vooral in Amerikaansche kweekerijen

gewonnen. Van die met enkele bloemen durf ik gerust aanbevelen:

B. corymbiflora met lange, witte (Fig. 67), B. flavescens met gele,

B. President Cleveland met scharlakenroode en B. leyantha met oranje

bloemen. Van de dubbelbloemige soorten zijn de fraaiste: B. albo-plena

(B. Alfred Neuner) met witte bloemen, B. roseo-plena (President

Garfield) met zacht roode en B. Hägarthi flore pleno met roode bloemen.

De cultuur der Bouvardia's is tamelijk eenvoudig. Nadat de planten

uitgebloeid zijn, gaan zij haar rusttijd in; de uitgebloeide bloemen

en de bladeren kunnen afgesneden worden, en planten, die nu zeer

droog gehouden moeten worden, kunnen ter overwintering in een koele

achterkamer of een volstrekt vorstvrijen kelder worden gezet. In Maart

worden de planten weder voor den dag gehaald, en in goede broeiaarde

verpot. Het is de zaak, er bij het verpotten op te letten, dat de

oude aarde zooveel mogelijk tusschen de wortels uitgeschud wordt. De

planten worden nu voor het venster van een matig warm vertrek gezet,

waar zij weldra beginnen uit te groeien. In de tweede helft van

Mei kan men de Bouvardia's in den tuin, of buiten voor het venster

zetten. Laat men nu de planten ongestoord doorgroeien, dan zullen

zij zonder twijfel alle in den zomer bloeien. Daar men ze echter

als najaars- en winterbloeisters wil kweeken, moeten de scheuten tot

Augustus geregeld getopt worden, ten einde den bloei te beletten. Zeer

nuttig is het Bouvardia's in Juni nog eens te verplanten. Tegen de

tweede helft van September zet men de planten in een vertrek, dat

voorloopig nog geregeld gelucht, doch bij het intreden van kouder

weer matig verwarmd wordt. Slechts dàn zullen de bloemen zich goed

ontwikkelen, wanneer men den planten een goede, lichte standplaats

geeft. Bloeiende Bouvardia's mogen in geen geval bespoten worden,

daar de bloemen dit niet verdragen. De voortkweeking geschiedt het

beste door wortelstekken. Bij het verplanten, in het voorjaar, snijdt

men eenige sterke wortels van de planten af; deze worden daarna in 4-5

cM. lange stukjes gesneden, en deze stukjes pot men in lichte zandige

aarde op. Zet men de potjes met zulke wortelstekken op een warme

plaats, dan zullen zich daar jonge plantjes uit ontwikkelen. Stekken

die men in het voorjaar van de jonge, weeke twijgen snijdt, wortelen

zonder bodemwarmte niet gemakkelijk.

Calceolaria rugosa. De Calceolaria vormt een aardig, ongeveer 60

cM. hoog wordend struikje, met ovale, ruwe bladeren en lieve in

bundeltjes vereenigde bloempjes. De bloeitijd duurt van de maand Mei

tot aan den herfst. Er bestaan tegenwoordig talrijke variëteiten van

met gele, bruine en roode bloemen, terwijl ook enkele verscheidenheden

fraai gevlekte bloemen voortbrengen. Des zomers kweekt men deze planten

buiten; zij worden geplant in een grondmengsel, bestaande uit gelijke

deelen broei-, blad- en graszodenaarde. Wil men mooie planten kweeken,

dan is een herhaald verpotten noodig, waarbij vooral de kluit niet

beschadigd mag worden. De overwintering geschiedt in een koud vertrek

of wel in een lichten kelder.

De vermenigvuldiging van deze lieve, rijk bloeiende plant geschiedt

door stekken, die in Augustus gesneden en niet te warm gehouden mogen

worden. De stekken worden, zes à acht te zamen, langs den rand van

een 10 cM. wijden pot gestoken. Totdat zij geworteld zijn, bedekt

men ze met een stolp en houdt men ze in de schaduw. In het volgende

voorjaar worden de stekken pas afzonderlijk opgepot. De Calceolaria

leent zich ook uitstekend om in de bakjes voor balkonversiering

gebruikt te worden.

Callistemon. De Callistemons zijn harde, groenblijvende

Nieuw-Hollandsche planten, die tot de Myrtachtige gewassen behooren. De

bloemen danken haar schoonheid aan de talrijke, lange, meestal roode

meeldraden, die aan de geheele bloeiwijze het voorkomen der bekende

lampeglazenborstels geven. Zij vormen zich in het voorjaar aan de

twijgen en zijn aarvormig; uit den top van de aar groeit dan de twijg

verder door. De vruchten vormen zich op het hout van de scheuten, waar

zij juist als de eieren van de ringspin omheen zitten. Somtijds blijven

zij zoo verscheidene tientallen van jaren zitten, zonder dat de zaden

haar kiemkracht verliezen. De lange, spitse, somtijds naaldvormige

bladeren, zijn, vooral wanneer men ze wrijft, dikwijls zeer aromatisch.

Men kweekt de Callistemons in heideaarde, vermengd met een weinig

kleigrond. Des zomers moeten zij op het balkon of in den tuin

staan. Houdt men ze voortdurend in de kamer, dan zijn zij zeer

ondankbaar. De overwintering moet geschieden in een koel, luchtig en

licht vertrek. De voortkweeking geschiedt het best door zaden.

Camellia japonica. De uit Japan afkomstige Camellia is een der meest

bekende en geliefde sierplanten, waarvan de oorspronkelijke soort

reeds 150 jaar geleden gekweekt werd.

De hoofdculturen van deze plant bevinden zich tegenwoordig rondom

Gent en Dresden, waar zij in talrijke prachtige variëteiten gekweekt

worden. De niet onaardige enkelbloeiende soorten worden niet veel

meer aangetroffen; de gevuldbloemige (Fig. 68) worden echter in

zeer veel verscheidenheid van kleur en vorm gekweekt. De kleur der

bloemen doorloopt alle tinten tusschen het zuiverste wit en het

donkerste rood. Vaak zijn de bloemen ook wit, gevlekt, gestreept of

gespikkeld met rood. Ook in den vorm vindt men vele afwijkingen. De

oorspronkelijke vorm heeft slechts kleine bloemen en wordt niet veel

meer in de tuinen gevonden.

De Camellia behoort tot die planten, welke het liefst in veengrond

gekweekt worden; bij gebrek daaraan kan men echter ook heide- of

bladaarde gebruiken. De Camellia, die reeds door haar prachtige donker

glanzend groene bladeren een ware sierplant is, is niet gemakkelijk

in de cultuur. Gewoonlijk snoeit men haar niet en is het voorzichtig

ze slechts om de twee jaar te verplanten, welke bewerking geschiedt,

nadat zij uitgebloeid is. Terwijl de andere harde planten reeds tegen

Pinksteren buiten worden gebracht, moet men met de Camellia's daarmede

wachten, totdat de jonge scheuten volwassen zijn, wat niet vóór Juni

of Juli het geval is. Eerst dan worden de planten buiten gezet en op

een schaduwrijke plek geplaatst. Zoolang de planten binnen stonden,

moesten zij rijkelijk begoten worden; nu zij buiten staan, geeft

men echter pas water, wanneer de jonge scheuten een weinig slap

beginnen te hangen. Door dit betrekkelijk weinig gieten, wordt de

bladvorming tegengegaan en het maken van bloemknoppen bevorderd. Deze

ontwikkelen zich aan de punten der twijgen of in de bladoksels der

laatste bladeren; zij staan alleen of met twee en drie te zamen. Zij

onderscheiden zich door hun dikken ronden vorm en zijn gemakkelijk van

de bladknoppen te onderscheiden, die dun en spits zijn. De bladknoppen

zitten gewoonlijk naast de bloemknoppen, maar moeten eerst in het

volgende voorjaar uitgroeien. Hebben de laatste zich eenmaal gevormd,

dan kan men weder geregeld gieten, omdat dan voor een doorgroeien

der bladknoppen niet meer te vreezen is.

Tegen het einde van September zet men de Camellia's, die, zoolang

zij buiten stonden, 's morgens en 's avonds licht bespoten werden,

in een vertrek, dat voorloopig nog geregeld gelucht wordt. Zij

moeten zoo dicht mogelijk bij het venster geplaatst worden. De reeds

sterk ontwikkelde knoppen zijn nu zeer gevoelig; zij vallen zeer

gemakkelijk af, wanneer de aarde, waarin de planten staan, te droog

wordt, wanneer men de planten voortdurend verplaatst en ook, wanneer

de temperatuur van het vertrek, waarin zij staan, zeer ongelijkmatig

is. De Camellia kan zelfs een paar graden vorst verdragen, en,

hoewel verscheidene soorten zich in een warme kas laten forceeren,

doet men toch het beste ze in een koel, doch vorstvrij vertrek te

laten overwinteren. Hier zullen zich enkele bloemen reeds in den

herfst of den voorwinter ontwikkelen; de meeste verschijnen echter

in de maanden Februari tot April. De zeer teere, steeds reukelooze,

maar edele bloemen mogen niet bespoten of aangeraakt worden, daar

zij dan vlekken krijgen en haar schoonheid inboeten.

Houdt men de Camellia's vochtig, dan krijgen zij leelijke gele en geel

gevlekte bladeren of er ontwikkelt zich een fungus op, de zoogenaamde

"roestdauw", waardoor de bladeren aan de achterzijde bruinvlekkig

worden.

Het voortkweeken door stekken of veredelen moet den kweeker overgelaten

worden, aangezien men daarmede in de kamer geen goede resultaten

bereiken kan.

Cestrum. Deze plant wordt door liefhebbers gekweekt om den

eigenaardigen geur, die sommige soorten ontwikkelen. Een der schoonste

soorten is zeker wel de Cestrum roseum, met fraaie, rozeroode bloemen,

die in trosjes aan het einde der takken verschijnen. Een groenbloemige

soort, de Cestrum nocturnum, geurt des avonds overheerlijk.

De Cestrum groeit goed in elken voedzamen grond. Des zomers moet zij

buiten en des winters in een koel vertrek staan. De vermenigvuldiging

geschiedt gemakkelijk door stekken.

Choisya ternata. Dit is een Mexicaansche heester, die in het voorjaar

bloeit en een hoogte kan bereiken van 1--1 1/2 Meter. De witte bloemen

verspreiden den geur van Anjelieren en worden door de Indianen van

Mexico in groote getale verzameld, om ze op de markten te verkoopen. De

bloemen, die tamelijk klein zijn, zitten tot trosjes vereenigd, in

de bladoksels der twijgspitsjes. Des zomers moet deze plant buiten

gekweekt worden, gedurende den winter verlangt zij een licht vertrek

met een temperatuur van 40-45° Fahr. De plant moet gekweekt worden in

een zwaren, goeden grond. Men doet wijs, zich direct bloeibare planten

aan te schaffen, daar de voortkweeking uit zaden, voor kamercultuur,

zeer weinig loonend is.

Chrysanthemum frutescens (Margariete). De bekende Margariete,

de lievelingsbloem van de Koningin-Moeder van Italië, bloeit bij

een oplettende cultuur bijna het gansche jaar door. Zij vormt een

kleinen struik met fijne, sappig groene bladeren en heeft witte of

gele bloemen. Zij hoort thuis op de Canarische eilanden. Des zomers

moet men haar op het balkon of buiten op de vensterbank kweeken in

bakjes of groote potten; ook kan men haar in den tuin uitplanten,

wat een uitstekend resultaat geeft, wanneer men er een vrije,

zonnige standplaats voor uitkiest. Des winters verlangt zij in een

lichte, koele, doch vorstvrije kamer te staan. Om een goeden groei

te bevorderen, moet men ze dikwijls verpotten in niet te lichten,

voedzamen grond; ook dikwijls bemesten verdragen zij zeer goed. Oude

exemplaren worden in het voorjaar flink ingesneden. De bloemen, die

gedurende den ganschen winter een belangrijk handelsartikel vormen,

volgen elkaar bij een goede behandeling bijna het geheele jaar door

op. Men moet voorzichtig zijn de Chrysanthemum niet te warm en te

droog te zetten; er verschijnt dan een made, die in het inwendige

van het blad leeft en het bladmoes vernielt. Men kent tegenwoordig

verscheidene grootbloemige soorten. Een nieuwe verscheidenheid, pas

kortelings ingevoerd, is de Leucanthemum Queen Alexandra. Deze zeer

lieve, nieuwe plant heeft mooie, geheel of half gevulde bloemen. De

voortplanting van de Chrysanthemums geschiedt door stekken, die òf

in het voorjaar òf in Augustus gestoken worden; de stekken moeten

onder glas geplaatst, doch mogen niet warm gehouden worden. De

voortkweeking door zaden gaat ook zeer goed, wanneer men in het

voorjaar zaait. De jonge zaadplantjes moeten vrij spoedig in kleine

potjes, met voedzamen grond opgepot worden; zij worden gedurende

het voorjaar nog eenige keeren verpot en tot aan het einde van den

bloeitijd buiten op een zonnige plek gezet. De bloeitijd duurt bij

deze behandeling, wanneer zij in October worden binnen gezet, door

tot diep in den winter toe. De bloemen bestaan uit gele schijf- en

witte straalbloempjes. Een bezwaar is het, dat de bloemen bij donker

weer wel eens minder goed willen openkomen.

Clerodendron. Een der aanbevelenswaardigste soorten is de Clerodendron

fragans (Volkameria fragrans), een Japansche struik met groote

bladeren, die bij wrijving een onaangenamen geur verspreiden. De

bloemen verschijnen gedurende den zomer en den herfst; zij zijn zuiver

wit, zeer welriekend en meestal gevuld. (De enkelbloemige soort treft

men slechts zelden aan). De bloemen staan vereenigd aan de uiteinden

der twijgen. Men kweekt ze gedurende den zomer buiten of ook wel het

geheele jaar door in de kamer. De Clerodendron verlangt een goeden

voedzamen grond en in den zomer nu en dan wat gier. De voortplanting

geschiedt door stekken.

Clianthus. Dit zijn prachtige halfheesters, afkomstig uit

Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland. Zij hebben fraaie, gevederde bladeren

en vurig roode, reukelooze bloemen, die in trosjes uit de bladoksels

ontspringen en naar beneden hangen. De bloeitijd valt in de lente en

den voorzomer. De meest verspreide soort is de Clianthus puniceus,

de schoonste zeker wel de Clianthus Dampieri; deze draagt groote,

scharlakenroode bloemen met een zwart purpere vlek op de vlag. De beste

wijze om deze laatste soort te kweeken is ze, als jonge zaailing, op de

veel sneller groeiende Colutea arborescens te veredelen. De Clianthus

wil des zomers buiten staan; zij verlangt met wat kleigrond vermengde

heideaarde. Des winters geeft men ze een lichte standplaats in een

vertrek met een gemiddelde temperatuur van 40°-50° Fahr. Men moet

dan zeer voorzichtig zijn met het gieten. De voortkweeking geschiedt

gemakkelijk door zaden en stekken; overigens zijn deze planten nogal

lastig in de cultuur.

Correa. De Correa's zijn kleine, groenblijvende, Australische

struikjes, die als dankbare winterbloeiers voor de kamercultuur wel

geschikt zijn. De beste bloeier is de Correa speciosa met pijpvormige,

donkerroode, aan de punten groene bloemen. De schoonste soort is

de scharlakenroode Correa cardinalis, met zeer lange bloemen. De

fijnere soorten worden alle veredeld op de Correa alba, die ook een

rijk bloeiende, doch zeer kleinbloemige soort is. De bloemen van

alle Correa's zijn reukeloos. Men kweekt deze planten in heideaarde,

vermengd met wat klei- of graszodengrond, terwijl er, zooals bij de

aarde voor alle Australische planten, een goede hoeveelheid scherpzand

door moet gemengd worden. Des zomers moet men de Correa's buiten

zetten, op een eenigszins beschutte plaats; des winters verlangen

zij een licht vertrek met een gemiddelden warmtegraad van 45° Fahr.

Cuphea. Dit zijn sierlijke, doch tamelijk kleine Mexicaansche

struikjes, die zeer rijk, vaak ook gedurende den winter bloeien. De

bloemen zijn klein en pijpvormig. De meest verspreide soort, die ook

dikwijls in mozaïek-vakken wordt gebruikt, is de Cuphea platycentra,

met roode, zwart omrande bloempjes. Kweekt men deze plant op een

stammetje, dan is zij, wanneer zij des winters bloeit, lang niet

onaardig; kweekt men haar in struikvorm, dan doet men beter ze in

de bakjes te planten. Men plant ze in een rijke broeiaarde en zet ze

bij voorkeur des zomers buiten. De in een koel vertrek overwinterde

planten moeten in het voorjaar ingesneden en verpot worden.

De voortkweeking geschiedt gemakkelijk door stekken of door zaden.

Cytisus. Dit zijn lage, fijn bebladerde struiken, die zich in den

nawinter en het voorjaar rijk met gele, welriekende, vlindervormige

bloemen tooien. In België wordt de Cytisus veel als kroonboompje

gekweekt, en dan op de Goudenregen veredeld. De Cytisus komt zeer nabij

de Genista canariensis, die ook gele, welriekende bloemen draagt. Nadat

deze planten uitgebloeid zijn, snijdt men ze flink terug, verplant ze

in goeden voedzamen grond en zet ze tegen het midden van Mei buiten,

waar zij gaarne een zonnige standplaats hebben. De overwintering

geschiedt in een koel, vorstvrij vertrek.

De vermenigvuldiging heeft in Augustus plaats door stekken of ook

wel in het voorjaar uit zaden.

Datura arborea. Deze Peruaansche plant draagt ook nog den

wetenschappelijken naam van Brugmansia suaveolens; zij behoort tot

de zeer vergiftige familie der Nachtschaden. Zij kan 3 à 4 Meter

hoog worden en maakt, wanneer zij jong is, dikke, vleeschachtige

stengels, waaraan groote, lichtgroene, zeer fraaie bladeren zich

ontwikkelen. Van den zomer tot diep in den winter ontspruiten uit die

stengels zeer groote, witte, trompetvormige bloemen, die vooral des

avonds een heerlijken geur verspreiden. Er bestaat een andere soort,

de Datura Knightii, die gevulde bloemen heeft. Al deze boomachtige

Datura's dragen in de kweekerijen dezen naam, doch behooren eigenlijk

tot het geslacht Brugmansia.

Wordt deze plant goed behandeld, dan is zij spoedig voor de kamer

ongeschikt, daar zij zeer snel groeit, zoodat in het voorjaar gestoken

stekken in den herfst vaak planten vormen van een Meter hoogte. Als

balkonplant kan de Datura, die in den winter haar meeste bladeren

verliest, zeer goede diensten bewijzen. Des winters moet zij tamelijk

koud en droog worden gehouden. In het voorjaar worden de overwinterde

planten flink teruggesneden en in zeer voedzamen grond verpot.

De vermenigvuldiging geschiedt in het voorjaar door stekken, genomen

uit de jonge scheuten, die dan in juist zooveel stukken gesneden

kunnen worden, als zij oogen hebben. Ieder oog wordt dan met het

daarbij behoorende stengeldeel afzonderlijk in een potje geplant, de

stek moet daarna een tamelijk warme plaats hebben. De stengeldeeltjes

slaan zeer spoedig wortels en het oog groeit dan verder door.

Diosma alba. Deze dankbare, zeer aromatisch riekende plant is afkomstig

van de Kaap de Goede Hoop. Door haar fijne bladeren doet zij denken aan

de voor kamercultuur ten eenenmale ongeschikte Erica's. De bloempjes,

die in het voorjaar verschijnen, zijn wit en gelijken veel op kleine

Myrtebloempjes.

De Diosma groeit slechts langzaam; zij verlangt een mengsel van blad-

en heideaarde, waarbij een weinig kleigrond wordt gevoegd. Om goede

bossige planten te vormen, moet zij herhaalde malen worden ingesneden;

daarbij moet zij dan des zomers een goede, vrije standplaats hebben

en vooral goed begoten worden. Droge, warme kamerlucht is voor deze

plant zeer ongeschikt. De voortkweeking geschiedt midden in den zomer

door middel van stekjes.

Erythrina crista-galli. Dit is een prachtig bloeiende Braziliaansche

struik met drietallige bladeren, die zij, evenals de jonge scheuten,

gedurende den herfst verliest. Iedere sterke scheut eindigt, in den

zomer, in een langen tros vlindervormige bloemen, die prachtig rood

en geheel reukeloos zijn. De oude planten bestaan uit korte, dikke

knoesten, waaruit ieder voorjaar nieuwe scheuten ontspruiten. Het

beste doet men de Erythrina, des zomers op een warme, zonnige plaats

in den tuin of anders op het balkon te zetten. De jonge planten

moeten ieder voorjaar in goeden, voedzamen, zwaren grond verpot

worden. Des zomers moeten zij rijkelijk begoten en verscheidene malen

gegierd worden. Gedurende den herfst giet men langzamerhand minder

om eindelijk de rustende planten, geheel droog, in een kelder of

vorstvrije achterkamer te laten overwinteren.

In het voorjaar kan men de oude planten in de kamer aan den groei

brengen, en dan de jonge scheuten, ter vermenigvuldiging, als stekken

gebruiken. Jonge exemplaren, die nog geen stam gevormd hebben, mag

men niet zoo koud en droog laten overwinteren, als de oudere. Er

zijn verscheidene fraaie variëteiten van bekend. Om in de kamer en

des zomers buiten voor het venster gekweekt te worden, is het meest

aanbevelenswaardig de Erythrina crista-galli compacta; deze blijft

steeds klein, doch bloeit zeer rijk met groote, roode bloemen.

Fuchsia. Onder de meest geliefde potplanten, die men overal voor

het venster, op de vensterbank, op het balkon en in den tuin vindt

staan, die door rijk en arm worden gekweekt, neemt de Fuchsia zeker

wel een eerste plaats in. Wie kent dezen lieven bloemstruik niet,

wiens sierlijke, hoewel reukelooze, roode, paarse of witte bloemen,

hetzij alleen, hetzij in trosjes, naar beneden hangen en somtijds

bij honderdtallen aan één plant gevonden worden? De roode of witte

kelkbladeren staan horizontaal, of zijn om het vruchtbeginsel

teruggeslagen. De bloembladeren vormen meestal een trechtervormige

kroon. Somtijds krijgt de bloem ook door den pijpvormigen kelk een

meer buisvormig voorkomen. Hierbij geven de ver uit de bloem stekende

meeldraden en de nog verder uitstekende stamper aan de enkelbloemige

soorten een zeer eigenaardig voorkomen. De eerste Fuchsia werd in 1696,

dus ruim 200 jaar geleden, door Plumier in Amerika ontdekt en onder

den naam Fuchsia triphylla flore coccineo beschreven. Hoewel in den

loop der tijden honderden variëteiten, door het kruisen van soorten

onderling en van soorten met variëteiten gewonnen zijn, worden er

nog altijd veel echte soorten om haar fraai voorkomen gekweekt. Zoo

is de lang vergeten Fuchsia triphylla (Fig. 70) tegenwoordig weer

in de mode gekomen; zij wordt in den laatsten tijd met bijzondere

voorliefde gekweekt, en men heeft er ook reeds verbeterde variëteiten

van gewonnen. Een van de meest verspreide echte soorten is zeker wel

de Fuchsia gracilis, waarvan jonge plantjes dikwijls met honderden

kleine, roode bloempjes bedekt zijn (Fig. 71, bovenste twijg). Een

zeer schoone soort is ook nog de Fuchsia fulgens met fraaie, lange,

pijpvormige bloemen en zeer groote bladeren; ook de Fuchsia coccinea

verdient aanbeveling.

Zoowel de groot- als kleinbloemige soorten, de enkele of gevulde,

alle Fuchsia's zijn, wanneer zij rijk bloeien, zeer fraai. De Fuchsia's

rusten des winters volkomen; zij verliezen dan haar blad en men kan ze

in een vorstvrijen kelder laten overwinteren. Tijdig in het voorjaar

haalt men ze voor den dag; zij worden dan ingesneden, uit den pot

genomen en, nadat de kluit voorzichtig losgemaakt is, verplant in matig

groote potten. Voor het verplanten gebruikt men goede broeiaarde. Deze

bewerking is geraden wanneer men een op het zuiden gelegen venster

heeft, waar zij aan den groei gebracht kunnen worden; heeft men dit

niet, dan doet men wijzer de planten tot het begin van Mei in den

kelder te laten staan, om ze dan direct buiten te zetten. Geeft men den

versch verpotten Fuchsia's een lichte standplaats, en vergeet men niet

ze bij zonnig weer te bespuiten, dan gaan zij spoedig aan den groei

en de jonge scheuten zullen weldra in bloei komen. Zeer bruikbaar

zijn de jonge, bossige planten, die men, door van de jonge twijgen

stekken te nemen, zeer gemakkelijk kan kweeken. Gewoonlijk wortelen

deze stekken, wanneer men ze onder een stolp zet, na 8 of 10 dagen,

en spoedig daarop kunnen de jonge plantjes in potjes worden uitgeplant.

Zoodra er geregeld warm weer begint te heerschen, verdragen de

Fuchsia's de kamerlucht niet meer. Het liefst staan zij op een

eenigszins beschaduwde plek in den tuin of op een balkon of bloemrekje,

waarop de morgenzon schijnt. Wanneer men de Fuchsia's nog eens verpot

en men zorgt goed voor de begieting, terwijl het toedienen van gier

niet vergeten wordt, dan ontwikkelen zij gedurende den zomer een waren

bloemenrijkdom. Men moet ze dan echter op haar plaats laten staan,

en niet van de eene naar de andere dragen, wijl zij daar niet tegen

kunnen en direct daarop haar bloemen en knoppen laten vallen. Het

rijkste bloeien de kleinbloemige soorten.

Voor het bloemenrekje kan men slechts jonge planten gebruiken,

die van onder tot boven met blad bezet zijn. Oudere, overwinterde

planten kan men met goed succes in bakjes aanwenden, waarin zij dan

uitgeplant kunnen worden. Als alleen staande planten in den tuin of op

het balkon gebruikt men het beste oudere Fuchsia's, die in kroonvorm

zijn gekweekt. Deze kroonboompjes plant men in kuipjes of groote

potten, waarin zij, wanneer men ze nu en dan giert, jarenlang kunnen

staan. Zulke kroonboompjes kunnen inderdaad prachtig bloeien. Voor

dezen kroonvorm leent zich bij uitnemendheid de Fuchsia gracilis.

Enkele Fuchsia's zijn door haar groeiwijze zeer goed geschikt voor

ampelplanten. De sierlijkste van deze hangende Fuchsia's is de Fuchsia

procumbens, een kruipende soort uit Australië, met kleine bladeren,

vurig purperroode bloempjes en betrekkelijk groote vruchten.

Van de lente tot den herfst zijn alle gekweekte Fuchsia's met bloemen

overdekt, die tot de uiterste twijgspitsjes ontspruiten. De aanhoudende

koude najaarsregens maken aan den bloei pas een einde. Indien men oude

Fuchsia's zoo lang mogelijk in den kelder laat rusten, ze gedurende

den zomer herhaaldelijk insnijdt, zoodat zij niet tot bloeien kunnen

komen, dan maakt men er najaarsbloeiers van, die gedurende den herfst

en den voorwinter veel genot kunnen verschaffen. Bij de gewone

behandeling giet men in het najaar langzamerhand minder en brengt

men ze in November, nadat men er vooraf al de bladeren afgeplukt

heeft, ter overwintering in den kelder, waar zij droog kunnen blijven

staan. Er moet echter op gelet worden, dat men ze niet zoodanig laat

uitdrogen, dat de bast gaat rimpelen, aangezien dit minder goed voor

de planten is.

Men heeft verscheidene soorten (Fuchsia gracilis, F. coccinea,

e.a.) winterhard genoemd; ook zijn er eenige soorten als buitengewoon

winterhard in den handel gebracht. Inderdaad zijn de meeste Fuchsia's

zóó hard, dat zij best wat vorst kunnen verdragen en dan ook, onder

een droge bedekking, zeer goed buiten overwinteren.

Het zou geen zin hebben hier enkele variëteiten der Fuchsia's aan te

bevelen. Zij worden in iedere kweekerij in groote keuze gekweekt en men

doet het beste die uit te zoeken, welke men zelf het fraaiste vindt.

Habrothamnus elegans. Deze plant komt zeer nabij de reeds besproken

Cestrum. Zij is uit Mexico afkomstig, heeft lancetvormige bladeren

en pijpvormige, purperroode bloemen, die in losse trossen aan het

einde der scheuten hangen.

Deze fraaie struik ontwikkelt zich het best, wanneer men hem in

Mei flink terugsnijdt, dan zoo mogelijk in den tuin uitplant op een

zonnige plaats en in September weder in potten zet. Totdat kouder

weer begint te heerschen, laat men hem buiten staan, waarop men hem

in een vertrek met een temperatuur van 45°-50° Fahr. plaatst. Hij is

een zeer schoone winterbloeier, waarvan men veel pleizier kan hebben.

De voortkweeking geschiedt door middel van stekken.

Heliotropium peruvianum (Heliotroop). Dit is zeker wel een der meest

geliefde planten. Zij is uit Peru afkomstig, heeft eivormige, ruwe

bladeren en wordt om de kleine, in dichte bundeltjes te zamen staande

bloemen gekweekt (Fig. 72). Deze min of meer intensief blauwe bloemen,

die bij sommige minder gezochte soorten ook bijna wit zijn, kenmerken

zich door een overheerlijken, zachten vanille-geur. De Heliotroop stelt

ongeveer dezelfde eischen als de Fuchsia. Ook zij verlangt een goeden,

voedzamen grond, die met wat graszodengrond vermengd kan worden. Voor

het verpotten, in het voorjaar, wordt zij flink ingesneden en des

zomers op een eenigszins beschaduwde plek buiten gekweekt. Zij

verdraagt niet de minste vorst, en moet daarom in een vorstvrij

vertrek, met een temperatuur van 40°-45° Fahr. overwinteren. Indien

zij haar bladeren niet afgeworpen heeft, moet men haar op een lichte

standplaats zetten. In struikvorm gekweekt, heeft men alleen genot

van jonge planten, daar zij, ouder geworden, haar onderste bladeren

laten vallen en dan een minder mooi voorkomen verkrijgen. Kweekt men er

stamboompjes van, dan is zij vele jaren een dankbare bloeister. Uit de,

in het voorjaar, gestoken stekken laten zich het eerste jaar reeds

aardige kroonboompjes kweeken. Om dit doel te bereiken, zoekt men

de sterkste stekplanten uit, zet er 80-100 cM. lange stokjes bij en

bindt de jonge plantjes, vooral niet te stijf, daaraan vast. Geeft men

deze stekplantjes een zonnige, lichte plaats, dan groeien zij spoedig

flink door. Men laat nu de bladeren onaangeroerd, doch verwijdert,

zoo spoedig mogelijk, de jonge zijscheuten, terwijl ook de bloemen,

zoo spoedig men ze kan vatten, weggesneden moeten worden. Al naar de

plantjes hooger worden, bindt men ze aan stokjes, totdat zij daareven

bovenuit gegroeid zijn. Hebben de plantjes op deze wijze de verlangde

hoogte bereikt, dan worden de koppen er uit gesneden. Er zullen zich

dan spoedig bovenaan jonge zijscheuten ontwikkelen, die men laat staan,

omdat zij de kronen moeten vormen. Om goede kronen te krijgen, moeten

deze zijscheuten ook herhaaldelijk ingesneden worden, zoo lang totdat

de kroontjes dicht genoeg geworden zijn. Snijdt men bij zoo gevormde

kroonboompjes de bloemen geregeld des zomers weg en zet men ze des

winters op een lichte plaats, dan zullen zij den ganschen winter door

bloemen geven. Geheel op dezelfde wijze kan men ook van Fuchsia's in

den zomer kroonboompjes kweeken.

Kweekt men de Heliotroop in de kamer, dan moet men haar een zeer

lichte standplaats geven, daar zij anders zwakke, dunne scheuten

en onbeduidende, bleeke bloemen ontwikkelt. Om in de bakjes uit te

planten, zijn de Heliotropen uitstekend geschikt.

Er zijn slechts betrekkelijk weinig Heliotroop-soorten, waarvan,

zooals wij reeds zeiden, de donkerblauwe verreweg de schoonste zijn.

Hydrangea (Hortensia). Dit is een algemeen bekende Japansche

bloemstruik, die om zijn, wel reukelooze, maar fraaie groote schermen

vormende bloemen zeer gezocht wordt.

De gewone Hortensia (Hydrangea Hortensia), waarvan Fig. 73 een

paar bloemschermen toont, komt in talrijke soorten en variëteiten

voor en behoort tot een van de meest verspreide potplanten. Al

de variëteiten kenmerken zich door deels geslachtelooze bloemen,

aangezien die bloemen, waarin meeldraden en stampers voorkomen, als

sierbloemen geen waarde hebben. Dergelijke bloemen treft men nogal

eens bij een bontbladerige variëteit aan, die echter zeer zwak groeit

en dus in alle opzichten niet zeer aan te bevelen is. De kleur der

Hortensia-bloemen is wit, of ook wel lichtrood. Plant men ze echter

in ijzerhoudende aarde, of wel, begiet men ze met water, waarin men

roestige ijzeren voorwerpen eenigen tijd laat liggen, dan verkrijgen

de bloemen een meer of minder intensief blauwe kleur.

De Hortensia kan best enkele graden vorst verdragen. In het

najaar plukt men er de bladeren af, om haar in den kelder te laten

overwinteren. Zij behoort tot die bloemplanten, die in Januari of

Februari, voor een zonnig venster in een warm vertrek geplaatst,

zich zeer goed in bloei laten trekken. Om dit te doen, moeten de

planten eerst verpot worden, waartoe men een mengsel gebruikt

van heide- en veengrond, benevens een weinig klei en een goede

hoeveelheid zand. Staan de twijgen te dicht, dan kunnen de zwakste

geheel weggesneden worden; aan de krachtige twijgen echter, die moeten

bloeien, mag in het geheel niet gesneden worden, omdat de bloemen zich

uit de eindknoppen ontwikkelen. Begiet men de aan den groei gebrachte

planten rijkelijk, dan zullen zij spoedig krachtig doorgroeien en

zullen uit den wortel een aantal jonge scheuten ontspruiten. Op drie

of vijf na moeten deze scheuten echter alle weggesneden worden. Die,

welke men laat staan, dienen om enkele uitgebloeide scheuten, die

leelijk zijn geworden, te vervangen. De uitgesneden jonge scheuten zijn

zeer goed als stekken te gebruiken en wortelen gemakkelijk. Tijdig

aan den groei gebrachte Hortensia's kunnen reeds in April of Mei

bloeien. Wil men de Hortensia's niet in bloei trekken, dan laat men

ze tot het begin van April in den kelder staan, waarop men ze in

den tuin of op het balkon zet; zij bloeien dan van het midden van

den zomer tot aan den herfst. De Hortensia houdt niet van de volle

zon; men moet haar dus een beschaduwde standplaats geven, of anders

tegen de felle middagzon beschermen. Dezen planten, die des winters

volkomen droog moeten blijven, kan men des zomers bijna geen water

genoeg geven. Verzuimt men ze tijdig te begieten, dan hangen zij maar

al spoedig te slap, en herstellen zich in den loop van den zomer niet

gemakkelijk. Houdt men de Hortensia's gedurende den winter te vochtig,

dan worden zij wortelziek en het gevolg zal zijn, dat zij den volgenden

zomer slechts zwakke scheuten en gele bladeren zullen voortbrengen.

Naast de gewone Hydrangea Hortensia wordt tegenwoordig de Hydrangea

paniculata (Trosvormige Hortensia) ook veel aangetroffen. Deze soort

stamt ook uit Japan en draagt groote, witte bloemen. Deze zeer harde

plant is, als kroonboompje gekweekt (Fig. 74), zeer fraai en uitstekend

geschikt ter versiering van het balkon of den tuin. Deze winterharde

soort laat zich minder goed in bloei trekken; voor het overige kan

zij als de gewone Hortensia behandeld worden.

Oude, in kuipjes staande, goed behandelde Hortensia's zijn gedurende

haar langen bloeitijd ware prachtplanten, waarvan iedere liefhebber

zeer veel genot kan hebben.

Lantana hybrida. De Lantana met haar kegelvormige, gele of roode

bloemhoofdjes, die snel ontluiken, doch even spoedig afvallen, wordt

tegenwoordig niet veel gekweekt. Onze tuinvariëteiten stammen alle

van enkele Zuid-Amerikaansche soorten af, en kenmerken zich daardoor,

dat de bloemen, al naar zij ouder worden, van kleur veranderen. Dit

heeft ten gevolge, dat de bloemtuiltjes meestal verschillend gekleurde

bloemen dragen. Wrijft men de bladeren tusschen de vingers, dan

verspreiden zij een onaangenamen geur.

De Lantana verlangt een goeden, weinig zwaren grond, niet te kleine

potten, een zonnige plaats voor het venster en overwintering in een

temperatuur van 40°-45° Fahr. In het voorjaar worden de overwinterde

planten ingesneden, verpot en aan den groei gebracht.

De voortkweeking gaat gemakkelijk uit stekken, die men van de, zich

in de kamer ontwikkelende, scheuten snijdt en die zeer vlug wortelen.

Libonia floribunda. Deze zeer klein blijvende, bossige, somtijds

kogelrond groeiende struik is uit Brazilië afkomstig. De bladeren

zijn langwerpig en klein; de bloemen zijn ook niet groot, buisvormig,

half rood, half geel en reukeloos.

De Libonia houdt van zandige broeiaarde; zij wordt in den zomer buiten

voor het venster, in den winter op de vensterbank van een koel vertrek,

of, nog beter, tusschen de dubbele vensters van het woonvertrek

gekweekt. Jammer is het, dat de Libonia, die tegenwoordig niet veel

meer aangetroffen wordt, in den winter dikwerf veel blad verliest. Het

is anders een echte bloemplant voor den winter. In den laatsten tijd

wordt de Libonia penrhosiensis, een in Engeland gewonnen variëteit,

als winterbloemplant zeer aanbevolen. Deze verliest wel is waar niet

zoo gemakkelijk haar blad, maar zij is ook niet bijzonder mooi.

De Libonia laat zich in het voorjaar gemakkelijk voortkweeken uit

stekken, of ook wel door het verdeelen der oude planten.

Myrtus communis (Mirt). De verschillende kleinbladerige vormen

van den in Zuid-Europa algemeen voorkomenden Mirt behooren tot de

lievelingsplanten van vele dames, die zich met het verzorgen van

planten bezighouden. Vooral in Duitschland is deze plant bij de

dames zeer in trek; het komt daar niet zelden voor, dat een jong

meisje zelf haar Mirte-boompje kweekt, uit welks jonge twijgjes zij

later haar bruidskrans windt, om als getrouwde vrouw de zorgvuldige

verpleegster van dit boompje te blijven.

De Mirt is een plant voor het koele, vorstvrije vertrek, die des zomers

wel in een goed geluchte kamer doorgroeit, doch zich dan buiten beter

houdt. Hij wordt hoofdzakelijk als kroonboompje gekweekt, in welk geval

hij een klein, kogelvormig kroontje krijgt; men ziet hem echter ook

in struik- en pyramide-vorm. Kleine struik- en pyramideboompjes kunnen

zich uit stekken reeds gedurende één zomer ontwikkelen; wil men echter

kroonboompjes kweeken, dan duurt dit verscheidene jaren. Laat men een

jonge, krachtige stekplant, nadat men haar aan een stokje gebonden

heeft, rustig doorgroeien, zonder de zijscheuten weg te snijden,

dan ontwikkelt zij zich vanzelf tot een pyramide; snijdt men uit een

dergelijke stekplant direct den kop, dan zal zij tot een struikje

opgroeien. Stamboompjes worden gekweekt aan een stokje van 50-60

cM. hoogte; men bindt den hoofdscheut daaraan geregeld vast, snijdt de

sterke zijscheuten geheel weg en laat de zwakke zoo lang doorgroeien,

totdat het stammetje de noodige sterkte verkregen heeft. Snijdt men

steeds álle zijscheuten weg, dan wordt het stammetje te zwak.

De Mirten moeten in goede broeiaarde gekweekt worden en bij het

oppotten gebruikt men bij voorkeur kleine potten. Moeten zij verplant

worden, dan past men op, niet te diep te planten; komt toch een

gedeelte van den stam in de aarde, dan wordt dit spoedig door rotting

aangetast. Houdt men deze plantjes te vochtig, dan krijgen zij in

plaats van fraai groene, dof gele bladeren, en zet men ze te warm of te

donker, dan maken zij lange, zwakke scheuten, die door thrips worden

aangetast. Op deze wijzen kan men gezonde exemplaren in korten tijd

ziek maken. De witte bloempjes, die zeer snel uitbloeien, verschijnen

bij den Mirt slechts zelden, daar men door het insnijden, ter wille van

den vorm, de bloem wegsnijdt. Een kleine vorm, de Myrtus nana compacta

multiflora, bloeit geregeld iederen zomer. Een variëteit van dezen

vorm is de Myrtus Jenny Reitenbach, ook wel Koningsberger Bruidsmirt

genaamd, die uitstekend geschikt is om als kroonboompje gekweekt te

worden en in dien vorm des zomers met duizenden bloemen prijkt.

De vermenigvuldiging van den Mirt geschiedt het beste door middel

van stekken, die, koud en beschaduwd geplaatst, in 4-6 weken wortelen.

Nerium Oleander (Oleander). De Oleander, wiens eigenlijk vaderland

Klein-Azië is, wordt tegenwoordig in Zuid-Europa overal in het

wild groeiend aangetroffen. Deze, ook bij ons zeer in trek zijnde

sierstruik komt daar langs de oevers der beken en rivieren voor,

die daardoor een zeer aantrekkelijk voorkomen verkrijgen. De Heer

C. Sprenger, te Napels, schrijft in het tijdschrift "Natur und Haus"

het volgende over den Oleander: "De wilde Oleander-struik wordt zelden

hooger dan vier Meter; in de meeste gevallen blijft hij lager, daar hij

als oeverstruik zich hoofdzakelijk in de breedte ontwikkelt. Op deze

wijze vormt hij dichte boschjes, die, wanneer zij met bloemen overdekt

zijn, een prachtigen aanblik opleveren en de lucht met heerlijke

geuren vervullen. Met verwondering volgt het oog deze roode banden,

hoe zij tegen de bergen oploopen om van daar af, de beken volgend,

in gebogen lijnen terug te keeren."

Bij ons ziet men den Oleander wel vaak als sterke pot- of kuipplant,

doch slechts zelden ziet men hem in zijn ware bloemenpracht. Dikwijls

is dit niet-bloeien het gevolg van gebrek aan zon, waardoor de bloemen

niet tot ontwikkeling kunnen komen. De knoppen blijven dan des winters

aan de takken zitten, om in een volgenden zomer, bij gunstig weer,

open te komen. Dikwijls ook is het gevolg van gebrek aan voedsel en

water, en bij oudere exemplaren wordt het weer veroorzaakt door het

niet-tijdige insnijden. Wanneer oude Oleanders niet goed meer groeien

en bloeien, dan moet men ze flink insnijden, desnoods zóó diep, dat

er slechts een paar takken met bladeren overblijven. Op dit insnijden

laat men dan een verplanten volgen. Bij voorkeur moeten zij geplant

worden in ouden, verteerden koemest, die met wat kleiaarde en zand

vermengd wordt. Goed bewortelde Oleanders moet men niet verzuimen

des zomers flink te gieren. Plant men ze in te armen grond of wel,

houdt men ze des winters te warm, dan worden zij aangetast door de

Oleander-schildluis, die zich vaak op beide zijden der bladeren zet,

en die zeer lastig te verwijderen is.

Zooals uit zijn groeiplaats, aan de oevers van rivieren en beken, reeds

voortvloeit, moet men den Oleander des zomers volop begieten, waarbij

hij een standplaats op de volle zon in den tuin of op het balkon

verlangt. De Oleander laat zich overwinteren in een koel vertrek, ook

wel in een lichten, doch vorstvrijen kelder; want, hoewel eenige graden

vorst hem niet deren, moet men daarmede toch voorzichtig zijn. Het

meest treft men den enkel- of gevuldbloemigen, rooden Oleander aan;

er bestaan echter ook witte en gele variëteiten. Van deze laatste durf

ik gerust aanbevelen de Madoni grandiflorum fl. pl., met groote, half

gevulde witte bloemen en de luteum plenum met groote, gele bloemen.

De voortkweeking slaagt het best des zomers, door de stekken in een met

water gevuld medicijnfleschje te zetten. In ieder fleschje zet men een

stekje, waarvan de halsopening met warme was wordt toegestreken. Zet

men de stekken zóó in de volle zon, dan zullen zij na weinige weken

geworteld zijn. Men moet ze echter eerst dán in potjes zetten,

wanneer zij overvloedig wortels gemaakt hebben.

De liefhebber moet met den Oleander eenigszins voorzichtig zijn,

aangezien hij vergiftig is. Zoogdieren en vogels, die van de bladeren

gegeten hadden, stierven in betrekkelijk korten tijd, en het is ook

reeds waargenomen, dat menschen, die door de een of andere oorzaak

het sap in de oogen kregen, daarvan blind werden. Men neme zich dus

eenigszins voor hem in acht.

Pelargonium (Ooievaarsbek). Deze planten komen heel dikwijls

voor onder den verkeerden naam Geranium, welke naam echter aan

een ander geslacht derzelfde familie behoort. Naast de Fuchsia

is zeker wel de Pelargonium een der meest verspreide en geliefde

planten. De ontelbare, in de tuinen gekweekte, variëteiten stammen

van verschillende soorten af; de meeste waarde heeft echter voor de

cultuur in de kamer de Pelargonium zonale en haar variëteiten. Deze

hebben alle een kogelvormig bloemscherm, dat uit enkele of gevulde

bloemen bestaat, benevens fraaie groene bladeren, meestal met een

donkeren band geteekend.

Onder deze Pelargoniums treft men er aan met zeer fraaie, bonte

bladeren, nú eens zijn zij met geel of wit geteekend, dàn weder

wit gerand, of wel, zij hebben geheel een bronsachtige kleur. De

bontbladerige Pelargoniums geven echter over het algemeen tamelijk

kleine bloemen. De grootste waarde van de groenbladerige is

gelegen in de schitterende kleur der bloemen. Het fraaiste zijn

zeker wel de vuurroode, de zuiver paarse, de vleeschkleurige en

de witte variëteiten. Over het algemeen zijn de enkelbloemigen

te verkiezen boven de gevulde, daar de eerste veel fraaiere en

dichtere bloemschermen vormen en ook lang zoo gevoelig niet zijn

voor regen. Bij donker, regenachtig weer komen de bloemen der

gevuldbloemige variëteiten zeer slecht open. De Pelargonium peltatum

(Klimop-Pelargonium) kenmerkt zich door dikke, klimopvormige bladeren

en lange slappe stengels, waarom zij uitstekend geschikt is ter

versiering van balkonhekken. Ook als ampelplant is deze soort zeer

aan te bevelen. De bloemen der Klimop-Pelargonium zijn meestal rose,

de donkerroode en witte variëteiten worden veel zeldzamer aangetroffen.

Terwijl de beide, thans besproken groepen niet alleen geschikt zijn om

voor het venster of in de balkonbakjes gekweekt te worden, doch zich

ook uitstekend leenen om er des zomers bloemperken mede te beplanten,

zijn de grootbloemige Engelsche of Odier-Pelargoniums slechts voor

venstercultuur te gebruiken. Deze soort heeft eigenaardig gevouwen

groene bladeren, niet zeer bloemrijke schermen, maar zeer groote,

buitengewoon fraai geteekende bloemen. Zij zijn echter vaak ondankbare

bloeisters en worden het spoedigst van alle door ongedierte aangetast.

Van de verschillende Pelargonium-soorten, waarvan sommige een zeer

aangenamen, aromatischen reuk hebben, vindt men er hier of daar

nog enkele in verzamelingen. Het meest wordt nog aangetroffen de

Pelargonium radulum roseum, die een sterken rozengeur heeft. Deze

soort heeft kleine bloempjes, maar fraaie, fijn verdeelde bladeren.

Wanneer men des zomers buiten wandelt, dan treft men overal de

Pelargoniums aan, in talrijke vensters en veranda's, op balkons en

bloemvakken in den tuin; waar men gaat, ziet men ze, en zelfs des

winters bemerkt men ze nog vaak achter de vensters. De aromatische

geur, die de tusschen de vingers gewreven bladeren verspreiden,

bezitten de bloemen niet; zij munten slechts uit door haar elegante

vormen, schitterende kleuren en groote bloemrijkheid.

De Pelargoniums worden vooral des zomers zeer veel aangewend. Heeft

men vensters of balkons, die op de volle zon liggen, dan zijn het

verreweg de beste sierplanten daarvoor. Van zeer vroeg in het voorjaar

af, tot diep in den herfst, zullen de bloemen ontluiken, wanneer deze

planten maar een zonnige plaats hebben. In den oksel van ieder nieuw

verschijnend blad bevindt zich de in den aanvang knikkende bloemsteel,

die zich weldra krachtig opheft; ook de bloemknoppen hebben eerst een

hangende houding; zoodra echter de bloem zich opent, richt zij zich

op. De duur van ieder bloemscherm is zeer lang, want, niettegenstaande

er vaak zooveel bloemen te gelijk open zijn, dat het scherm op een

bol gelijkt, is dit aantal toch slechts gering in vergelijking met

het aantal knoppen, dat iedere bloemstengel draagt. Zeer fraai is in

dit opzicht de Pelargonium "Meteor", een nieuwe enkel roode variëteit,

die zeer groote bloemschermen vormt.

Het dankbaarste bloeien de Pelargoniums, wanneer men ze in betrekkelijk

kleine potten kweekt. Plant men ze in groote potten, of wel in bakjes,

dan groeien zij zeer sterk, maken prachtige bladeren, doch bloeien

niet rijk. Wil men de bakjes toch met Pelargoniums beplanten, dan

doet men het beste ze niet uit den pot te nemen, doch met den pot in

de aarde van het bakje te graven. Op deze wijze behandeld, zullen er

wel wortels door het drainagegaatje en over den rand van den pot in

de aarde van het bakje dringen, maar de voornaamste wortels blijven

toch in den pot besloten; hierdoor is de groei niet zoo welig, doch

de bloei veel rijker.

Tegen Pinksteren kan men de Pelargoniums buiten zetten; in Maart of

April zijn zij dan reeds ingesneden en in voedzame, met wat kleigrond

vermengde broeiaarde verplant. De oude, overwinterde planten verdragen

het insnijden zeer goed; men kan ze zoo snoeien, dat er van 2-5 oogen

op iederen scheut blijven zitten. Zoo behandeld, zal men mooie gevulde

planten verkrijgen, die zeer rijk bloeien. In den beginne moet men

na het insnijden en verplanten zeer voorzichtig zijn met het gieten

en ze vooral niet bespuiten, aangezien oude Pelargoniums gemakkelijk

tot rotting overgaan. Het vroegst bloeien in de kamer de stekken,

die men in Augustus stekt. Van deze stekken zet men er dan 4 of 6 om

den rand van een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekken wortelen na 2 of

3 weken, wanneer men ze vrij voor een zonnig venster zet en eerder

te droog dan te vochtig houdt. Het lastigst wortelen de stekken van

Odier-Pelargoniums. De Augustusstekken laat men den winter door rustig

in de stekpotten staan; in het voorjaar neemt men ze er voorzichtig

uit en plant ze ieder in een 8-10 cM. wijden pot. Deze stekplanten moet

men geheel ongesnoeid laten, daar zij anders veel later bloeien en zij

zich toch wel voldoende vertakken. De Pelargoniums laten zich ook zeer

gemakkelijk uit zaad voortkweeken; toch is dit voor een liefhebber niet

aan te raden. De zaailingen immers bloeien hoogst zelden in het eerste

jaar, terwijl dit met stekken steeds het geval is. Er zijn echter nog

meer zwarigheden. Wanneer men een fraaie variëteit bezit en men wil die

uit zaad voortkweeken, dan is men lang niet zeker, dat de zaailingen

de goede eigenschappen van de moederplant bezitten, daar zij zeer

dikwijls terugslaan. Van de zaailingen zal dan nog de ééne plant zeer

goed, de andere daarentegen slecht bloeien, zoodat de liefhebber wijs

doet, deze wijze van vermenigvuldiging aan de kweekers over te laten,

die het doen met het uitzicht nieuwe variëteiten te winnen.

Zoo gemakkelijk en dankbaar als de Pelargoniums des zomers zijn,

wanneer men ze in betrekkelijk kleine potten houdt, regelmatig begiet,

en voldoende giert, zoo lastig zijn zij gedurende den winter. Een

troost is het voor den liefhebber, dat de overwintering in een droge

kamer vaak nog veel beter gelukt dan in een vochtige kas.

Daar de Pelargonium gevoelig is voor nachtvorsten, moet men

haar reeds begin October binnenbrengen. De vensterbank van een

op het zuiden gelegen vertrek, dat een gemiddelde temperatuur

van 45°-50° Fahr. heeft, is een uitstekende plaats om ze te doen

overwinteren. Zeer lastig is gedurende den winter het afrotten. De

planten moeten dus zoo droog mogelijk gehouden worden, en moet men

ze begieten, dan moet dit hoogst voorzichtig geschieden en wel zóó,

dat de stengels en bladeren niet vochtig worden. Gele bladeren worden

met een scherp mesje afgesneden, en wel zoodanig, dat een gedeelte

van den bladsteel aan de plant blijft zitten; dit verdroogt langzaam

en valt eindelijk af. Snijdt of breekt men de bladeren te kort bij

den stengel af, dan ontstaat er licht een wond, die gemakkelijk

rotting kan veroorzaken. Geeft een stengel bewijzen van rotting,

of toont hij rotte plekken, dan snijdt men het zieke gedeelte, of

den geheelen stengel, met een scherp mesje af en bestrooit de wond

met houtskoolpoeder. Gedurende den winter moet echter elk noodeloos

snijden vermeden worden.

Gewoonlijk zijn de Pelargonium zonale en P. peltatum in het het

eerste jaar, d.w.z. het jaar, nadat zij gestoken zijn, het schoonst;

bij een goede behandeling kan men er echter 2 of 3 jaar ruimschoots

pleizier van hebben; langer echter is het niet raadzaam ze te bewaren,

omdat zij, zeer oud geworden, niet meer bloeien.

De veel teerdere Odier-Pelargoniums moet men in bladaarde, vermengd

met een weinig graszodengrond, kweeken. Houdt men deze soort voor het

venster van een goed gelucht vertrek, waar zij tegen regen beschermd

staat, dan zal zij in het tweede en derde jaar het rijkst bloeien. Deze

soort moet zoo min mogelijk ingesneden worden, daar zij dan veel

beter bloeit. Hebben de Odier-Pelargoniums gebrek aan licht en zon,

dan worden zij heel spoedig door luis aangetast.

Punica Granatum (Granaatboom). Tegenwoordig wordt de Granaatboom,

die oorspronkelijk uit Noord-Afrika afkomstig is, doch in Italië en

Griekenland verwilderde, nog maar weinig gekweekt. Wanneer men dezen

boom echter in goed gekweekte kuipplanten heeft, dan vormt hij, met

zijn kleine, op die van Mirten gelijkende bladeren en schitterend

roode bloemen een werkelijk prachtige sierplant. Er bestaan twee

soorten van: die met enkele en die met gevulde bloemen. De groote,

met een kelk gekroonde roode vruchten, zijn zeer schoon.

De Granaat wordt over het algemeen slecht behandeld; hij is wel

een harde plant en kan dus veel verdragen, maar dan gaat dit ten

koste van den bloei. Zoo noodig moet de Granaat in het voorjaar

verplant worden in zeer goeden, voedzamen grond. Wanneer hij nog

geen bladeren gemaakt heeft, dus op zijn laatst tegen het einde van

April, wordt hij buiten op een zeer zonnige plek gezet. Des zomers

moet hij rijkelijk begoten worden en is hij doorgeworteld, dan kan

het gieren om geregelde tijden geen kwaad. De snoeiing moet tot het

uiterste beperkt worden en mag slechts bestaan in het verwijderen der

overvloedige twijgen. De overwintering kan in den kelder geschieden;

de Granaat moet echter niet te vroeg in huis gebracht worden,

niet voor in de tweede helft van November. Men kan dit gerust doen,

omdat hij zeer goed enkele graden vorst kan verdragen. De bloemen,

ontwikkelen zich op de krachtige, rechtop staande twijgen. Kan men

de Granaten in een serre of wintertuin wat aan den groei brengen,

dan is dit zeer goed, mits men ze dan niet vóór Pinksteren buiten zet

en zij ook niet direct een zonnige plaats verkrijgen. Van dergelijke

planten kan men de jonge scheuten als stekken gebruiken.

Als oude, in kuip gekweekte, plant is de Granaat een zeer dankbare

bloeier. Hij wordt in stam- of struikvorm gekweekt. De zoogenaamde

Dwerggranaat (Punica Granatum nanum) bloeit reeds als zeer jonge plant,

maar de bloemen zijn veel kleiner, dan die van het type.

Rosa (Roos). Onder de planten, die tegenwoordig veel in de kamers of

buiten voor de vensters worden gekweekt, vindt men de aan ieder bekende

Roos betrekkelijk weinig. De reden hiervan is, dat men twijfelt aan

haar waarde als kamerplant en ook, omdat zij niet erg gemakkelijk

in de cultuur is. Een waar liefhebber echter schept weinig behagen

in planten, die, zonder goede verzorging, goed groeien; hij stelt

er juist een eer in, zijn moeite en zorgen met een goeden uitslag

bekroond te zien. Zulke liefhebbers zullen de Roos met waar genoegen

kweeken. De liefhebbers echter, die planten in vertrekken hebben,

omdat dit tegenwoordig mode is, en die de verzorging dier planten

moeilijk en lastig vinden, zullen in de cultuur der Roos zeer weinig

behagen scheppen.

Vele Rozenvrienden zullen licht de vraag stellen: Is dan de Roos

werkelijk een goede kamerplant?

Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden, wanneer wij onder het

woord kamerplant een plant verstaan, die jaar in, jaar uit in een

gesloten vertrek kan staan; zij kan echter toestemmend beantwoord

worden, wanneer wij ook die planten tot de kamerplanten rekenen,

die niet altijd in een gesloten vertrek willen staan, maar op het

rekje voor het raam of in den tuin een gedeelte van het jaar willen

doorbrengen.

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat wij de laatste

groep van planten, waartoe zeer vele onzer meest geliefde gewassen

behooren, wel degelijk als kamerplanten beschouwen en doen wij dit,

dan moet ook de Roos daartoe gerekend worden.

Het is waar, dat lang niet de meeste Rozen zich voor alle doeleinden

laten gebruiken, zoo zijn er Rozen, die volstrekt niet deugen,

om geforceerd te worden en zoo zijn er ook, die voor kamerplanten

ongeschikt zijn. Klimrozen, sterk groeiende Rozen en die, welke

wel fraai, doch niet rijk, bloeien, zijn om in de kamer en voor het

venster te kweeken geheel ongeschikt. De Roos is slechts dan waard een

plaats naast andere planten in te nemen, wanneer zij rijk met bloemen

bezet is, want deze en niet de doorns of de bladeren vormen haar

pracht. Omdat de Rozen, die men voor kamerplanten gebruikt, altijd

met bloemen getooid moeten zijn, worden de Maandrozen daarvoor zeer

veel gebruikt. Wel zijn de bloemen van de Maandroos snel verwelkt, wel

kunnen zij, wat schoonheid van vorm en kleur betreft, niet vergeleken

worden met de Thee- en Remontantrozen, zij is echter verkieselijk om

haar zeer rijken, voortdurenden bloei.

Met succes kan men de Roos slechts van het einde van Februari tot

het intreden van warmer weer in de kamer kweeken, en dan heeft deze

cultuur uitsluitend ten doel den groei aan te wakkeren, te vervroegen

en daardoor de plant in bloei te krijgen op een tijdstip, dat de buiten

uitgeplante Rozen pas weer aan den groei beginnen te komen. Om dit doel

te bereiken, moet men de Roos dicht voor het raam van een zeer zonnig

vertrek zetten, dat, zoodra het weer het toelaat, rijkelijk gelucht

moet worden. Treedt kouder weer in, dan moet dit vertrek zoodanig

verwarmd kunnen worden, dat men zeker is, dat het er niet in vriest.

Kweekt men van Februari tot April in de kamer slechts Struikrozen,

d.w.z. wortelechte of op den wortelhals veredelde Rozen, dan biedt de

vensterbank ruimte genoeg om ze te plaatsen. Beter dan de Struikrozen

zijn echter voor kamercultuur Halfstamrozen geschikt; dit zijn Rozen

met een stammetje van 30-40 cM. hoogte. Daar deze Halfstamrozen,

wanneer wij ze evenals de Struikrozen, in de vensterbank zetten,

veel te weinig licht zouden krijgen, moet men ze plaatsen zooals

Fig. 78 dit aantoont.

Men zet ze daartoe op een onder de vensterbank aangebracht plankje

of op een lagen standaard zoodanig, dat de kroon slechts daarboven

uitsteekt en in hoogte gelijk komt met de op de vensterbank geplaatste

Struikroos. Worden de Rozen van Februari af langzaam aan den groei

gebracht, dan kan men ze reeds tegen Pinksteren, wanneer zij door goed

luchten gehard zijn, als fraai ontwikkelde planten ter versiering van

het balkon gebruiken, of wel in het buiten aan het venster aangebrachte

bloemenrekje plaatsen.

Een goed bezet bloemenrekje voor het venster is zonder twijfel een

sieraad voor ieder huis; zeer mooi is het echter, wanneer er ook

Rozen tusschen de andere planten staan.

De Rozen in potten zullen het beste groeien, wanneer men ze zet

voor een venster, waar zij volop morgenzon hebben; natuurlijk

wordt verondersteld, dat men ze goed behandelt. In de eerste

plaats moet men er zorg voor dragen, dat de potten beschut staan,

en moeten zij dus in een gesloten plantenrekje geplaatst worden,

zooals door Fig. 64 is afgebeeld, opdat de wortels tegen te groote

warmte beschermd worden. Een groote factor bij de Rozencultuur is

ook het besproeien. Worden de planten op warme dagen voorzichtig

besproeid of bespoten, dan voorkomt men voor een groot gedeelte de

aanvallen van insecten; terwijl ook de planten opfrisschen, doordat

zij van alle stof en vuil gereinigd worden, waardoor de huidmondjes

open blijven. Het besproeien is bij donker, vochtig weer onnoodig;

onvoorzichtig is het echter, wanneer men het doet, als de zon op de

planten schijnt, daar de bladeren dan zeer licht verbranden. Een

uitstekende uitwerking heeft het echter, wanneer men het doet des

avonds na een warmen dag. Het besproeien des avonds moet het gieten

voorafgaan. Het gieten is natuurlijk van het grootste belang en vooral

bij potrozen moet dit met groote voorzichtigheid geschieden. Deze

moeten begoten worden, vóórdat de aarde geheel is opgedroogd, en

men moet er op letten, dat de geheele aardkluit behoorlijk vochtig

wordt. Zijn er warme dagen voorafgegaan, dan is het gieten des avonds

alleen niet voldoende, en men moet dan den volgenden morgen nog eens

gieten; dit moet echter steeds zóó vroeg geschieden; dat de zon de

planten niet direct na het begieten beschijnt.

Van groot belang is bij het kweeken van Rozen ook de aarde, waarin men

ze plant. De meeningen zijn over dit punt zeer verschillend; onder

de bekwame kweekers is er echter niet een, die beweren zal, dat een

Potroos in lichte of in gewone tuinaarde goed groeien zal. Een Roos

groeit zeer goed in een kleinen pot, maar daaruit volgt natuurlijk,

dat zij ook vette, goed voedzame aarde verlangt. Als aardmengsel voor

Rozen bevelen wij aan: twee deelen broeiaarde, twee deelen klei-

of graszodengrond en een deel zand. Bij dit aardmengsel worden dan

nog eenige hoornspaanders gevoegd. De ondervinding heeft ons geleerd,

dat Rozen in zulk een grondmengsel uitstekend groeien.

De beste tijd om Rozen te verplanten is, mits het voorzichtig

geschiedt, in de maand Augustus. De planten maken dan vóór den winter

nog nieuwe wortels en groeien in het volgende jaar direct goed door,

wat niet het geval zal zijn, wanneer men ze kort vóór den groeitijd,

dus in het voorjaar, verplant.

Uit het voorgaande blijkt, dat het kweeken van Potrozen niet weinig

moeite veroorzaakt; het biedt echter talrijke voordeelen, welke aan de

cultuur in den tuin niet verbonden zijn. De Potrozen hebben wij steeds

in onze macht; wij kunnen ze van alle zijden goed beschouwen en dus ook

gemakkelijk aan schadelijke invloeden onttrekken. Worden de planten

aangetast door honingdauw of ongedierte, dan kunnen wij deze kwalen

bij Potrozen grondig en dus meestal met goed succes bestrijden. Een

ander groot voordeel biedt de cultuur in potten ons nog. Wanneer de

eerste sterke nachtvorsten de bloemen der uitgeplante Rozen dreigen te

vernietigen, dan behoeven wij onze Potrozen slechts binnen te zetten,

om nog lang pleizier van haar bloemen te kunnen hebben; zelfs nog,

wanneer de buitenstaande Rozen reeds lang ontbladerd en tegen de

winterkoude gedekt zijn. Veel strenge winters hebben ons geleerd, dat

de Rozen, al zijn zij nog zoo goed gedekt, toch lang niet tegen den

schadelijken invloed van de vorst beveiligd zijn. Met de Potrozen is

men echter van het weer geheel onafhankelijk. Deze behoeft men slechts

in een luchtigen kelder of in een achterkamer te laten overwinteren,

en men heeft het geheel in zijn hand, ze vroeger of later aan den

groei te brengen.

Veel genoegen verschaft het, in het vroege voorjaar, d.w.z. tusschen de

maanden Februari en April, Rozen in bloei te trekken. De Rozen, die men

wil forceeren, vereischen een zeer zorgvuldige behandeling. Afgezien

van de keuze der soorten, waarop wij later terugkomen, moeten de

Rozen, die men in bloei wil trekken, reeds een jaar te voren in

potten gekweekt zijn, zoodat zij goed vaststaan. Men plant deze

Rozen, waartoe men krachtige struiken of halfstamboompjes gebruikt,

in het voorjaar, of nog beter in den herfst, in potten. In de meeste

gevallen zijn potten van 15 cM. hoogte en 12-15 cM. wijdte groot

genoeg. De opgepotte Rozen moeten nu eerst gesnoeid worden. Bij dit

snoeien moet men er op letten of men met zwak of met sterk groeiende

soorten te doen heeft. Bij zwak groeiende soorten worden de twijgen

op 3 of 4, bij sterk groeiende op 5 of 6 oogen teruggesneden,

terwijl de zwakste twijgjes bij den stam worden afgesneden. Heeft

men de Rozen in den herfst opgepot, dan worden zij in een luchtigen

kelder gezet en slechts weinig begoten, zoodat de aarde maar even

vochtig blijft. In het voorjaar worden de zóó overwinterde Rozen

in een luchtige kamer gezet, en zoodra er geen nachtvorsten meer

te vreezen zijn, zet men ze buiten. De in het voorjaar opgepotte

Rozen graaft men, indien dit doenlijk is, geheel onder den grond,

zoodat ook de twijgen zich onder de aarde bevinden. Zoo laat men ze

staan, totdat zij goed wortel gemaakt hebben, hetgeen ongeveer 3 à

4 weken duurt. Men moet ze echter vooral niet te lang ondergegraven

laten staan, omdat zij dan gaan uitgroeien en gele scheuten zouden

maken. Heeft men geen gelegenheid, de planten in de aarde te

graven, dan zet men ze in een vertrek, dat in den aanvang weinig,

langzamerhand echter meer gelucht wordt. Er moet voor gezorgd worden,

dat de planten den eersten tijd niet in de zon staan; ook mogen

zij slechts matig begoten worden. Het nu en dan bevochtigen der

twijgen met den rafraichisseur zal zeer heilzaam werken. Het komt

bij de in het voorjaar opgepotte Rozen wel eens voor, dat zij niet

willen uitgroeien, en bij droog weer, niettegenstaande herhaaldelijk

besproeien, beginnen te verdrogen. Dergelijke planten moet men tegen

de zon beschermen, door de kroon in papier, bijv. courantenpapier,

te wikkelen (Fig. 79). Een dergelijke bescherming, die het licht niet

geheel en al onderschept en na 2 of 3 weken verwijderd kan worden,

zal steeds blijken zeer heilzaam te werken.

Gedurende den zomer behandelt men de pas opgepotte Rozen zeer

voorzichtig. Zij worden tot aan den rand van den pot op een half

beschaduwde plek ingegraven, regelmatig begoten en bij warm weder

des morgens en des avonds besproeid. Zeer nuttig is het ook, om te

voorkomen, dat de aarde te veel uitdroogt, de potten met korten mest

te bedekken. Zijn de Rozen goed geworteld en groeien zij krachtig door,

dan kunnen zij tweemaal per week gegierd worden. In den herfst, op zijn

allerlaatst half September, worden de planten opgenomen en omgelegd;

slechts in de noodzakelijkste gevallen, wanneer de bladeren slap

gaan hangen en men dus moet gieten, worden zij rechtop gezet. Deze

behandeling is noodig, om er voor te zorgen, dat het blad vroegtijdig

afvalt en de plant dus in rust komt. Het is toch hoognoodig, dat een

Roos, die vroeg in het voorjaar moet bloeien, ook in den herfst vroeg

tot rust wordt gebracht. Hebben de planten haar bladeren verloren,

dan zet men ze in een luchtigen vorstvrijen kelder, waarin zij tot

Januari blijven. Na Januari worden zij in de kamer gebracht, om ze

te forceeren.

Voordat men de Rozen in de kamer zet, moeten zij nog eens goed

nagezien worden. De door den pot gegroeide wortels worden afgesneden,

de bovenste aardlaag wordt voorzichtig uit den pot genomen en door

versche aarde vervangen; ook de potten worden goed afgeborsteld,

of nog beter afgeschrobd. Na deze voorbereidende werkzaamheden wordt

de Roos gesnoeid. Men begint met alle zwakke twijgen af te snijden,

zoodat er niet meer dan 4 of 5 sterke, goed rijpe twijgen aan iedere

plant overblijven. Deze twijgen worden nu, al naar de soort en naar

haar sterkte, op 3 tot 6 oogen teruggesneden, waarbij men er op moet

letten, dat het bovenste oog steeds naar buiten is gericht; dit is

hoognoodig om te voorkomen, dat de jonge scheuten in elkander groeien,

doch een goed gevormde kroon maken. (Zie ook het hoofdstuk over "Het

snoeien"). De zoo behandelde Rozen zet men nu in een vertrek, waarvan

de gemiddelde temperatuur niet meer dan 50° Fahr. bedraagt. Deze

temperatuur mag niet hooger zijn, om te beletten dat de scheuten

zich te snel ontwikkelen. Binnen veertien dagen toch mag dit niet

geschieden. Beginnen na dien tijd de eerste blaadjes zich te vertoonen,

dan moeten de Rozen voor het venster van een zonnig, geregeld verwarmd

vertrek geplaatst worden. Het is nu een voorname zaak, goed op het

gieten te letten; de planten mogen toch volstrekt niet uitdrogen,

waarom tamelijk veel gegoten moet worden, echter zoo, dat de aarde niet

te overdadig nat wordt. Het te gebruiken gietwater moet een temperatuur

van ongeveer 65° Fahr. hebben. De scheuten beginnen zich nu krachtig te

ontwikkelen en spoedig worden de eerste bloemknoppen zichtbaar. Zoodra

het laatste het geval is, kan men de planten eens per week gieren, ten

einde den groei nog wat te bevorderen en zoodoende groote, volkomen

gaaf ontwikkelde bloemen te verkrijgen. Veel meer dan bij de cultuur

buiten, zal men nu met ongedierte te kampen hebben. Men moet deze

plaag voortdurend krachtig bestrijden en haar steeds meester trachten

te blijven, daar zij anders al de genomen moeite kan verijdelen.

De uitgebloeide Rozen worden in een koel, doch vorstvrij vertrek gezet

en slechts matig begoten; wordt het warmer, dan moet het vertrek flink

gelucht worden, en is het weer bestendig geworden, dan kunnen zij

buiten gezet en juist zoo behandeld worden als voor de pas opgepotte

Rozen is vermeld. Voordat men de uitgebloeide Rozen in den tuin zet, is

het echter zaak, ze te verplanten. Dit verplanten moet zeer voorzichtig

geschieden: van de oude aarde wordt slechts weinig afgenomen en men

moet er op passen, dat de kluit niet uit elkander valt. De potten,

die men gebruikt, moeten slechts weinig grooter zijn, daar zij in

groote potten zeer slecht groeien. Nadat deze Rozen verplant zijn,

moeten zij ook gesnoeid worden, geheel op dezelfde wijze als men niet

geforceerde Rozen na den bloei snoeit (Fig. 79).

Bij dezen tweeden zomersnoei verwijdert men ook de zwakke, niet

bloeibare twijgjes, terwijl de sterkere en uitgebloeide twijgen

voldoende worden ingesneden. De zich in den bladoksel bevindende

oogen beginnen nu uit te loopen en spoedig verkrijgt men een tweeden,

niet minder fraaien bloei.

De Rozen worden op verschillende wijzen gegroepeerd. Al deze groepen

hier nader te beschrijven zou veel te ver voeren, wij zouden dan te

uitgebreid worden. Wij geven hierbij, uit de verschillende groepen,

eenige der fraaiste soorten op, die voor Potrozen geschikt zijn en

ook voor kamer- en venstercultuur kunnen dienen.

Maand- of Bengaalrozen, (Rosa indica semperflorens).

Cramoisi supérieur, een kleine plant met schitterend

karmijnroode bloemen.

Hermosa, een zeer geliefde Maandroos, met rose bloemen.

Louis Philippe (Fig. 81), laag blijvende soort,

met karmijnroode bloemen.

Mme Eugène Résal (Fig. 82), met roode bloemen.

Mlle Laurette de Messimy, met koperkleurige bloemen.

viridiflora, de Roos met groene bloemen, niet zeer

schoon, maar zeer interessant.

Lilliputrozen, (Rosa indica Lawrenceana).

Gloire de Laurentia, een slechts 20 cM. hoog wordend

miniatuur-Roosje, met donkerroode bloemen.

Kleinbloemige Rozen, (Rosa polyantha).

Clotilde Soupert, met tamelijk groote, rose bloemen.

polyantha multiflora, een enkel- en gevuldbloemig

dwergroosje, met witte of rose bloemen, dat interessant

is, omdat in de kamer, in enkele maanden bloeibare

planten uit zaden kunnen worden gekweekt.

Paquerette, zeer rijk bloeiend met witte bloempjes.

Perle d'or (Fig. 83), met nankingele bloemen.

Theerozen, (Rosa indica fragans).

Cathérine Mermet, met vleeschkleurige bloemen.

Elise Fugier (Fig. 84), met witte, inwendig gele

bloemen.

Etoile de Lyon, met gele bloemen.

Gloire de Dijon, met lichtgele bloemen.

Mme. Falcot, met nankingele bloemen.

Maman Cochet (Fig. 85), met vleeschkleurige bloemen.

Niphetos, met prachtige knoppen en witte bloemen.

Safrano, met oranje bloemen.

Sunset, met saffraankleurige bloemen.

The Bride, witte bloemen met gelen weerschijn.

Noisetrozen (Rosa indica Noisettiana).

Céline Forestier, met lichtgele bloemen.

Mme. Pierre Cochet (Fig. 86), met gele bloemen.

Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer · 第 18 / 25 题