iederen vorm. Tabakspoeder is ook met goed succes aan te wenden;
men strooit het op de achterzijde der van te voren vochtig gemaakte
bladeren. Kan men de bladluizen niet met de vingers verwijderen, dan
is tabak verreweg het beste middel. Grootbladige planten, die door
Roode-spin of Thrips geteisterd worden, wascht men het beste met niet
te sterk zeepsop af. Wil men zekerheid hebben ze te vernietigen,
dan worden de bladeren met zeepsop ingesmeerd en den volgenden
dag met zuiver water afgewasschen. Heeft men kleinbladige planten,
zooals Azalea's en Myrten, die aan deze kwaal lijden, dan bestaat er
ook een afdoend middel. Men maakt een zeepsop van water, dat tot 100°
Fahr. verwarmd is. In dit mengsel worden de kronen der planten enkele
seconden goed ondergedompeld; de kroon wordt hierna naar beneden
gehouden en goed afgeschud, opdat het zeepsop niet op de aarde zal
loopen. Zoo laat men de planten een dag staan en spuit ze den volgenden
dag met zuiver water goed af. Zoo noodig moet deze behandeling twee-
of driemaal met tusschenruimten van 8 dagen herhaald worden. Schild- en
wolluizen worden eerst voorzichtig met een kwastje verwijderd, waarop
men de planten op de aangegeven wijze met tabak of zeepsop behandelt.
Naast de opgegeven plantenvijanden zijn er nog vele andere, die
schade kunnen berokkenen, zoo bijv. de Smeerluis, die slechts zelden
en dan op weeke bladeren optreedt. Heeft men last van deze diertjes,
dan wordt het blad, waar zij op huizen, afgesneden en verbrand.
Verder heeft men nog larven, die in het inwendige van het blad leven.
Deze treft men veel aan bij Chrysanthemums, die in een te warme droge
lucht gekweekt worden. Ook heeft men nog larven, die het merg van
Rozescheuten uitvreten. Op deze komen wij later, bij het bespreken
der Rozen, nog nader terug.
Verscheidene vijanden der planten leven ook in de aarde. Het
menigvuldigst treedt de Regenworm op, hoewel deze niet als eigenlijke
plantenvijand mag beschouwd worden. De regenworm toch voedt zich
niet, zooals algemeen geloofd wordt, met levende plantenwortels, doch
slechts met rottende stoffen. Gewoonlijk wijst het aanwezig zijn van
regenwormen op een verzuurden grond en men doet het best de planten in
dit geval te verpotten in versche aarde. Is de aarde echter nog goed,
dan kan men toch den regenworm niet dulden, daar hij, door de gangen,
die hij in de aarde boort, de wortels beschadigt en daardoor schade
veroorzaakt. Ook wil het vaak voorkomen, dat het gietwater door
deze gangen wegloopt, voordat het de aarde behoorlijk heeft kunnen
bevochtigen. Men kan de regenwormen zeer gemakkelijk verdrijven,
door de planten een- of tweemaal met goed warm water--echter geen
heet water--te begieten.
Een nog onschuldiger middel is de planten een paar maal met een
aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes te begieten. Bij de
aanwending van deze drie middelen kruipt de regenworm uit de aarde
en kan gemakkelijk verwijderd worden.
Veel schadelijker, maar gelukkig niet zoo vaak in de potten voorkomend,
is de zoogenaamde Draadworm, de larf van den hoornkever, waarvan
verscheidene soorten bekend zijn. De draadworm leeft drie à vier
jaren als larf; hij heeft oppervlakkig bezien het voorkomen van een
meelworm en doet veel schade door het afvreten der wortels. Men vangt
de draadwormen door des avonds saladestronken met de snijvlakte op
den pot te leggen; hierdoor worden de wormen gelokt en des morgens
kan men ze dan onder deze stronken vinden en verwijderen.
Zeer schadelijk zijn ook de Wortelluizen. Deze heb ik tot heden slechts
aangetroffen bij grassoorten en ook bij de Adiantum. Zij zien er wit
en wollig uit, verspreiden zich snel over het geheele wortelnet en
richten daar veel schade aan. Zijn het minder kostbare planten, die er
door aangetast zijn, dan doet men verreweg het beste, die eenvoudig
op te ruimen. Heeft men er last van bij kostbaarder planten, dan kan
men beproeven ze door het begieten met goed warm water te vernietigen.
Als groote vijanden van kamerplanten moeten wij ten slotte nog de
Pissebedden en Melkslakken vermelden. Deze algemeen bekende diertjes
doen het meeste schade aan de planten, welke des zomers buiten in
de schaduw worden gekweekt. In de kamer zal men er weinig last van
hebben, tenzij zij er door gekochte planten ingebracht worden. De
pissebedden, die vooral in jonge en zachte bladeren gaten vreten,
worden gemakkelijk gevangen met doorgesneden rauwe en uitgeholde
bieten of aardappels. Deze stukken worden tusschen de planten gelegd,
de diertjes kruipen daar bij voorkeur des nachts onder, zoodat zij
den volgenden morgen gemakkelijk te vangen zijn. De melkslakken,
die gedurende vochtige zomers bij voorkeur in tuinen met zwaren grond
leven, richten door het stukvreten van alle teere bladeren zeer veel
schade aan. Het beste doet men, ze des avonds met een lantaarn op
te zoeken, wat men gemakkelijk doet door slabladeren neer te leggen
op de plekken, waar zij optreden. Ziet men deze des avonds laat na,
dan zal men er verscheidene van deze ongenoode gasten op vinden.
De kamerplanten hebben ook vijanden in het plantenrijk. Het optreden
van deze woekerplanten zou men kryptogamische ziekte kunnen noemen. Een
der lastigste is wel een draadalg, die hoofdzakelijk in stekpotten
optreedt, alsook de Honigdauw. De Honigdauw is zèker een der lastigste
vijanden van potplanten. Zij treedt, afgezien van den Wijnstok,
hoofdzakelijk bij Rozen en Chrysanthemums op. Het ontstaan van
den Honigdauw wordt zeer begunstigd en dikwijls zelfs veroorzaakt
door tocht en sterke temperatuur-schommelingen. De Honigdauw is
gemakkelijk waarneembaar door de witte stof, waarmede hij de bladeren
en jonge scheuten bedekt; deze groeien dan krom en krijgen een leelijk
voorkomen. Meer nog dan iedere dierlijke vijand kan de Honigdauw de
aangetaste planten beschadigen. Er worden talrijke middelen tegen
Honigdauw aanbevolen; het eenvoudigste en beste blijft toch zeker de
bloem van zwavel. De aangetaste planten worden bij helder, zonnig weer
goed bevochtigd en daarna flink bepoederd met bloem van zwavel. Het
is niet de bloem van zwavel zelf, die den Honigdauw doodt, maar het
is het zwavelzuur, dat daaruit door de inwerking van de zon en het
water ontstaat.
Een zeer kwaadaardige ziekte, die bij verschillende planten voorkomt
is de Roest. De Roestalg kenmerkt zich door een zeer gecompliceerde
ontwikkeling; zij heeft in de verschillende stadiën daarvan een zoo
verschillend voorkomen, dat men vroeger de Roest op rozen bij voorbeeld
in haar ontwikkeling voor verschillende algen heeft aangezien. Dikwijls
kan men op een blad de ontwikkeling zeer goed waarnemen. De Roest
treedt bij verscheidene planten op, o.a. bij Rozen, Camellia's, Palmen,
Anjelieren, enz. Het eenige middel tegen dezen vijand is: de aangetaste
bladeren zoo spoedig mogelijk af te snijden en te verbranden; de
geheele plant moet dan verder met bloem van zwavel behandeld worden,
op dezelfde wijze als wij tegen den Honigdauw opgaven.
De Honigdauw en de Roest kunnen als de voornaamste vijanden der Rozen
beschouwd worden. Deze lievelingsbloemen worden echter ook door tal
van dierlijke vijanden bezocht. Onder deze vijanden, die ook wel in
de kamer optreden, behooren ook de Rupsen. De vlinder dezer rups legt
haar eieren tegen de rozetakjes en wel bij voorkeur tegen de droge of
gestorven twijgjes; reden waarom men deze in den herfst moet afsnijden
en verbranden. Uit deze eieren komen reeds vroegtijdig rupsjes, die
groen of grijs gekleurd zijn. Deze rupsjes omspinnen de bladeren,
zoodat deze zich oprollen; zij vreten dan de opgerolde bladeren
en de jonge twijgjes op. Ook de bloemknop valt dikwijls als offer
dezer rups. Waar deze rups verschijnt, moeten de planten dagelijks
nagezien, de omgekrulde bladeren afgeplukt en verbrand en de overige
rupsen verwijderd worden. Zeer schadelijk is ook de Ringrups, de
rups van de Ringspin, die haar eieren ringvormig om de scheuten legt
(Fig. 58). Deze rups is ook zeer schadelijk voor vruchtboomen. In
Mei ontwikkelen zich uit de eieren kleine rupsen, die zich direct
in de bladeren inspinnen. Deze rupsen zijn zóó vraatzuchtig, dat
zij in enkele dagen een geheele bladkroon kunnen vernielen. Beter
nog dan het zoeken naar de rupsen, is het op tijd verwijderen der
eieren. Gevaarlijke vijanden der Rozen hebben wij ten slotte nog in de
Rozebladwespen. Deze volvoeren haar werk geheel in het verborgene. Zij
boren een gaatje in den onderkant der scheuten en leggen daar tusschen
de veertig en vijftig eieren in. De aangestoken scheuten krommen zich
om, in welk geval zij direct afgesneden en verbrand moeten worden. De
larf van deze wesp tast het merg der rozetwijgen aan.
Zieke kamerplanten.
Welke bloemenliefhebber heeft niet eens met groote spijt een zijner
planten ziek zien worden en ten laatste zien doodgaan? Evenals
onder de menschen en dieren, heerschen er ook onder de planten
verschillende ziekten, welke dikwijls in het begin slechts voor
vakmannen waarneembaar zijn, door leeken meestal pas bemerkt worden,
wanneer het voor genezing te laat is.
De zoogenaamde één- en tweejarige planten, die regelmatig na de
vruchtdraging afsterven, buiten rekening gelaten, sterven wel de meeste
planten door ziekten en invloeden van buiten, zooals vorst, droogte,
storm, enz. Sterven, zooals bij menschen en dieren, door ouderdom, komt
waarschijnlijk bij planten niet voor. Het kan bijvoorbeeld gebeuren,
dat een bliksemstraal, die een tak uit een eeuwenouden boom slaat,
te gelijk de indirecte oorzaak van zijn dood is. Het hout begint aan
de wonde te rotten, de stam wordt aangestoken en na verloop van eenige
tientallen van jaren geheel uitgehold en ten slotte is er slechts een
krachtige windstoot noodig om den trotschen reus, die zoovele eeuwen
over zijn kruin zag gaan, tegen den grond te werpen.
De planten, die in een kamer gekweekt worden, zijn voor dergelijke
invloeden, waaraan de planten in de vrije natuur zijn blootgesteld,
beschut; ook zijn zij verzekerd tegen de dikwijls noodlottige
aanvallen van grootere dieren, maar toch worden zij door de meest
verschillende ziekten overvallen. De kamerplanten kan men als
gevangenen beschouwen; evenals de vogel in een kooi, zitten zij met
haar wortels in den pot gevangen en deze belet maar al te dikwijls haar
krachtigen groei. Evenals de wortel in den pot, is dus ook de plant
in de kamer gevangen. Hoe dikwijls is het vertrek gevuld met droge,
stoffige lucht; hoe vaak wordt het toetreden van behoorlijk licht niet
verhinderd? Onze kamerplanten zijn echter niet alleen gevangenen,
het zijn ook bannelingen uit de meest verschillende landen, en wij
moeten ze niet alleen goed verzorgen, maar ook haar vaderlandsche
toestanden trachten na te bootsen en haar zoo mogelijk datgene geven,
wat zij in haar land van herkomst kunnen vinden.
Heel veel liefhebbers, die met een plant van de markt komen of er
een in de kweekerij gekocht hebben, vermoeden weinig, dat die plant
reeds de kiem des doods bevat. Het zou onjuist zijn, te beweren,
dat vele kweekers opzettelijk zieke planten verkoopen, maar er zijn
er toch wel, die in warme kassen opgekweekte planten zoo aan de markt
brengen, of die vergeten, wanneer een liefhebber een plant wil koopen,
die als kamerplant ongeschikt is, hem daarop opmerkzaam te maken.
Afgezien van die planten, welke des winters door kunstmatige warmte
in bloei worden getrokken, maar die toch zoo hard zijn, dat zij
onze winters zonder nadeeligen invloed buiten kunnen verdragen,
hetzij gedekt of ongedekt, leveren ons de tropische streken de beste
kamerplanten. Onder deze vindt men het meerendeel der bladplanten,
zooals alle Palmen, die onze kamers versieren. Een handelskweeker moet
deze planten in een warme kas, dikwijls ook in een verwarmden bodem
kweeken, want het is er hem om te doen in den kortst mogelijken tijd
fraaie exemplaren te verkrijgen. De zoo opgekweekte planten echter zijn
verwend, en het is een liefhebber niet geraden ze zoo uit de warme
kas in zijn woonvertrekken te plaatsen. Zeer raadzaam is het, zulke
planten nog een dag of veertien bij den kweeker te laten, die ze dan
langzaam aan een minder warme temperatuur kan doen gewennen. De planten
worden zoodoende gehard en zullen veel gezonder in de kamer blijven.
Het meeste nadeel ondervinden de bladplanten van de droge lucht,
die in de kamers heerscht; hoe meer er gestookt wordt en hoe hooger
de temperatuur stijgt, des te meer lijden de planten. Onder de
inwerking der droge lucht verdorren de spitsen der Palm- en andere
bladeren. Men snijdt deze dorre punten dan af, doch daarmede is het
kwaad niet gestuit, want de bladranden drogen weer in en ten slotte
blijft er van het geheele fraaie Palmblad weinig meer over dan de
steel, die natuurlijk ook afgesneden moet worden. Een gevolg van de
droge lucht is bij tropische planten ook het optreden der, in het
vorige hoofdstuk besproken, insecten. Deze vestigen zich meestal op de
onderzijde van het blad. In den beginne zijn zij voor het ongewapende
oog bijna onzichtbaar, maar hoe zieker de aangetaste plant wordt,
des te meer nemen zij in aantal toe.
Evengoed als zich de dorre bladpunten laten afsnijden, kan men ook
het ongedierte verwijderen; een geheele genezing der planten wordt
daarmede echter niet bereikt; deze verkrijgt men slechts door de
oorzaak der ziekte weg te nemen, en dus in dit geval door te trachten
een eenigszins vochtige lucht in het vertrek, waar men zijn planten
heeft, te verwekken. Zeer droog en derhalve ook zeer schadelijk voor
de planten is de kamerlucht gedurende den winter, wanneer de kachels
worden gestookt. Dit kwaad is tamelijk gemakkelijk te voorkomen, door
een vlakke schaal, met water gevuld, op de kachel zetten; ook kan men
een paar van zulke schalen tusschen de planten zetten. Het water zal
langzaam verdampen en zoodoende de lucht vochtig maken. Een nog beter
middel is, een zelfwerkend fonteintje in de kamer te plaatsen. Ik wil
er hier tegelijkertijd de aandacht op vestigen, dat een eenigszins
vochtige lucht niet alleen voor de planten, doch ook voor de menschen
zeer nuttig en gezond is, daar zij veel zuiverder en stofvrijer blijft.
Men moet vooral ook niet verzuimen de bladeren der bladplanten
minstens een keer per week met een zachte spons en lauw water af te
wasschen, daar zich op de groote bladvlakten licht stof en ander vuil
afzet. De bladeren vervullen met hunne talrijke, voor het ongewapende
oog onzichtbare openingetjes, dezelfde functie als de longen bij de
menschen; reden waarom men dus moet zorgen, dat deze openingetjes
niet verstopt geraken, afgezien nog van het feit, dat een stoffige
en vuile plant nooit een aangenamen indruk kan maken.
Zeer vele der teedere kamerplanten sterven, om het juist uit te
drukken, aan gevatte koude. Men moet er vooral voor zorgen, dat de
planten niet op de tocht staan, daar zij dit evenmin kunnen verdragen
als de vogels. Zeer veel schade veroorzaken ook de schommelingen in
de temperatuur; men moet er dus op letten, dat deze zoo gelijkmatig
mogelijk is, wat niet wegneemt, dat de temperatuur des nachts altijd
eenige graden lager moet wezen dan overdag, iets wat in de natuur
ook altijd het geval is. Wanneer een kamer schoongemaakt moet worden,
en daarom alle vensters worden geopend, zet men de planten tijdelijk
in een ander verwarmd vertrek; men brengt ze vooral niet eerder op
haar plaats, vóórdat het vertrek geheel gereed is en weder de gewone
temperatuur heeft verkregen.
Bij veel planten treedt dikwijls rotting van den stam in, hetgeen men
bemerkt aan het rot worden van den bast en later van het hout. Deze
ziekte ontstaat door te diep planten en zeer vaak ook bij houtachtige
planten door het gieten met te koud water. Ook bij kruidachtige
planten komt deze ziekte voor, meestal vergezeld met schimmel; dit
is dan het gevolg, behalve van de genoemde oorzaken, van te koude,
vochtige lucht. Planten, die aan stamrotting en schimmel lijden,
moeten zoo spoedig mogelijk, uiterst voorzichtig, verplant worden,
waarop men ze een zoo gunstig mogelijke standplaats moet geven.
Zeer dikwijls lijden de warme planten aan wortelziekte, die op
verschillende wijzen, doch zeer dikwijls des winters door begieting
met te koud water ontstaat. Iedere kamerplant moet, zooals trouwens
reeds in het hoofdstuk over het gieten is gezegd, begoten worden met
water, dat minstens vier en twintig uur in het vertrek heeft gestaan,
waarin de planten staan en dat daardoor de temperatuur van dit vertrek
heeft verkregen. Zeer veel liefhebbers hebben de onvoorzichtigheid hun
planten met ijskoud water te begieten; de slechte gevolgen blijven
dan echter niet lang uit, daar de wortels ziek worden, afsterven
en de dood der geheele plant daarvan het gewone gevolg is. Naast de
ziekten, door het gieten met koud water ontstaan, treft men die aan,
welke door het te overvloedig gieten worden veroorzaakt. Ook hierdoor
ontstaat wortelziekte. Men moet bij alle plantencultuur den groeitijd
van den rusttijd onderscheiden. Gedurende den groeitijd heeft een
plant overvloedig water noodig, gedurende den rusttijd daarentegen
moet men zeer spaarzaam met gieten zijn.
Gedurende den rusttijd geeft men veel planten, in plaats van
betrekkelijk weinig, maar al te vaak toch geregeld water. Deze
waterhoeveelheid kunnen zij dan natuurlijk niet verwerken, en daar des
winters de zon geen kracht genoeg heeft om de plant te doen opdrogen,
en zij ook onmogelijk in de vrije lucht kunnen gezet worden, heeft dit
ten gevolge, dat de aarde slikachtig en ten laatste zuur wordt. In
zulk een zure aarde worden natuurlijk de wortels ziek en beginnen
te rotten. Wordt de fout niet vroegtijdig opgemerkt en tegengegaan,
dan zijn de planten reddeloos verloren.
Wortelzieke potplanten moeten steeds zoo spoedig mogelijk verpot
worden; men wascht de zure aarde zorgvuldig weg, en snijdt vervolgens
alle zieke wortels met een scherp mesje zorgvuldig af. Er moet nu voor
gezorgd worden, dat de zieke plant in den kleinst mogelijken pot wordt
gezet. De pot moet rijkelijk gedraineerd worden, zoodat het water goed
kan wegloopen en de te gebruiken aarde moet zeer licht zijn. Raadzaam
is het de aarde, vóór het gebruik, goed met scherp zand en stukjes
houtskool te vermengen. Op deze wijze behandeld, heeft men kans,
dat een zieke plant weder nieuwe wortels krijgt en daardoor weder
aanvangt te groeien. Men moet echter zeer voorzichtig zijn met gieten
en er op letten, dat de plant, zoodra zij daaraan behoefte krijgt,
weder in een grooteren pot wordt verplant.
Gemakkelijker dan planten, die door te veel gieten wortelziek zijn
geworden, laten zich die behandelen, welke door te weinig gieten ziek
werden en dan een verwelkt aanzien hebben gekregen. Het gieten toch
mag vooral niet te gemakkelijk worden opgevat; het is een handigheid,
welke door practische ervaring is te leeren. Het grootste gedeelte
der zoogenaamde ringwortels bevindt zich onder in den pot; wordt er nu
niet genoeg gegoten, dan worden wel de bovenste aardlagen bevochtigd,
doch de kluit blijft inwendig droog en na korten tijd zal die van
binnen geheel uitgedroogd zijn, de wortels verdrogen en ten slotte
gaat de plant ten gronde.
De voor den kweeker en liefhebber onontbeerlijkste grondsoort is
zeker wel de boschgrond. Zooals wij reeds in het hoofdstuk over het
gieten opgemerkt hebben, bezit deze aarde de eigenschap, dat zij,
eenmaal uitgedroogd, slechts zeer moeielijk weder water opneemt. Deze
eigenschap bezitten ook alle aardmengsels in meerdere of mindere
maten, die met boschgrond vermengd zijn. Is nu een plant, in een dier
mengsels geplant, geheel uitgedroogd, dan loopt het water bij het
gieten tusschen de kluit en den pot naar het drainagegaatje, zonder
de kluit ook maar in het minst te bevochtigen. Deze bijzonderheid
merkt de onkundige plantenkweeker niet op, en hij komt ook niet op de
gedachte, dat zijn planten droog zijn, wijl hij toch geregeld goot en
de aardoppervlakte zijner planten ook behoorlijk vochtig is. Om deze
reden is het nuttig zieke planten even uit den pot te nemen, teneinde
de aarde en wortels te onderzoeken. Zijn de wortels aangestoken of is
de aarde zuur, dan wordt de plant, zooals wij reeds gezegd hebben,
verplant. Is de aarde echter uitgedroogd, dan legt men de plant
zoolang in een emmer met water, totdat de kluit geheel nat geworden
is, iets wat somtijds heel lang kan duren.
Gewoonlijk maakt een liefhebber weinig onderscheid tusschen de
planten, die in warme en die in gematigde streken groeien; hij kweekt
ze alle in de warme kamer en dat is toch zeer verkeerd. Een bekwaam
en practisch kweeker kan aan een plant, die hij nog niet behandeld
heeft en die hij zelf niet kent, veelal zien welke aarde en welke
temperatuur zij verlangt, en mocht hij zich al eens vergissen, dan
zal het niet lang duren, of hij zal zijn fout aan het voorkomen
der plant kunnen bemerken. Een zoodanigen practischen blik bezit
een leek meestal niet, en wil hij met het kweeken van planten in de
kamer succes hebben, dan moet hij van tijd tot tijd beproeven zich
daaromtrent op de hoogte te stellen. Niet weinig planten uit gematigde
streken hebben een zoo vreemd voorkomen, dat zij de leeken licht
doen denken, dat het tropische planten zijn en dus behoefte hebben
aan een hooge temperatuur. Van de hiertoe behoorende planten wil ik
er slechts een drietal noemen, namelijk de Aspidistra, de Aralia en
de Ficus. De Aspidistra is de algemeen bekende, ijzersterke plant,
waarvan de groote, groene of bonte bladeren direct uit de aarde
ontspringen. Deze plant behoort in China en Japan thuis en verlangt
des winters slechts een lage, mits vorstvrije temperatuur en toch
wordt zij meestal in een warme kamer gekweekt. Wij hebben nu in de
Aspidistra een dier weinige planten, die zelfs bij de slechtste en
meest ondoordachte cultuur gezond blijft en waarschijnlijk ook daarom
zoo algemeen verspreid is. De Aralia, die uit Japan afkomstig is en de
Ficus, die uit Australië stamt, zijn daarentegen zeer gevoelig voor
een verkeerde behandeling. Deze beide planten verlangen des zomers
een zonnige standplaats in den tuin of vóór het geopende venster,
terwijl men ze 's winters moet plaatsen in een kamer, waarvan de
gemiddelde temperatuur niet meer dan 45° à 50° Fahr. bedraagt. De
meeste plantenliefhebbers weten dit echter niet en zij meenen dezen
planten al een zeer goeden dienst te bewijzen, wanneer zij ze een
plaats in een warme kamer geven. De planten echter nemen dezen dienst
al zeer ongunstig op en toonen dit duidelijk door haar bladeren eerst
slap te laten hangen, waarna zij geel worden en eindelijk afvallen. De
liefhebber echter verstaat deze plantenspraak niet; verdrietig snijdt
hij de geel geworden bladeren af en wanneer dan ten laatste de plant
kaler en kaler geworden is en zich eindelijk aan den kop een jong
blaadje ontwikkelt, dan wordt dit teeken, al is het ook nog zoo zwak,
als een bewijs van goede behandeling beschouwd, terwijl toch maar al
te dikwijls juist het tegenovergestelde het geval is.
Te groote warmte toch is voor alle planten, die zich gedurende den
winter in haar rustperiode bevinden en die niet tot de tropische
gewassen behooren, ten zeerste nadeelig. Vele onzer meest in trek
zijnde decoratie- en bloemplanten overwinteren uitstekend in een
vorstvrijen kelder of een ongestookt, doch vorstvrij vertrek. Brengt
men nu deze planten in een warme kamer, dan wordt de zoo hoognoodige
rustperiode verstoord; zij groeien dan door, en wijl het haar aan
kracht en vooral aan lucht, licht en zon ontbreekt, kunnen de zich
dan ontwikkelende scheuten niet anders dan zeer zwak zijn. Een
onkundig liefhebber verheugt zich nu in dit bewijs van leven,
en hij vermoedt weinig, dat deze scheuten zich ontwikkelen ten
koste van de reservestoffen der plant, en dat zij deze daardoor
zeer verzwakken. Dezelfde planten, die des winters in een warme
kamer lijden, worden er ook des zomers ziek. Dit zijn alle planten,
afkomstig uit de omstreken der Middellandsche zee, van de Kaap,
van Nieuw Holland, van China en Japan, en van alle landstreken met
een klimaat als het genoemde. Wij moeten dan ook wel verschil maken
tusschen kamer- en vensterplanten. De eerstgenoemde hebben behoefte
aan warmte en moeten het geheele jaar door in de kamer gekweekt
worden; de laatste daarentegen moet men des zomers in den tuin of op
de vensterbank buiten het raam kweeken, terwijl zij des winters in
een koele kamer of in een kelder bewaard worden. De vensterbloemen
hebben dus voor een goeden groei veel versche lucht noodig; in de
kamer worden zij slap, laten zij de bladeren en bloemen hangen en
spoedig verschijnen jonge scheuten, die dan echter dadelijk met
bladluizen overdekt zijn. Deze laatste kunnen ons alle liefhebberij
voor planten benemen; het zijn vieze diertjes, die de planten vaak
geheel ten gronde richten. Het beste middel tegen ongedierte vindt
men in een goed beredeneerde cultuur, waarvan het twee keer daags
besproeien der planten, eens des morgens en eens des avonds, een
onderdeel uitmaakt. Zijn de ongenoode gasten echter eenmaal verschenen,
dan moet men die op de reeds aangegeven wijze weder trachten kwijt
te raken en wel bij voorkeur zoo spoedig mogelijk.
Vele lezers zullen zich moeilijk kunnen voorstellen, dat ook de
zon, zonder welke geen plantenleven mogelijk is, de oorzaak van
plantenziekten kan zijn, en toch is dit inderdaad zoo. Er zijn toch
zeer vele schaduwminnende planten en verscheidene van deze zullen,
wanneer men ze slechts korten tijd aan de zon blootstelt, spoedig
geheel en al bederven. Onder deze planten behooren al de Selaginella's
en fijnere Varens. Alle tropische blad- en bloemplanten verlangen
des zomers een meer of minder beschaduwde standplaats; zij krijgen,
in de zon geplaatst, brandvlekken, worden daardoor leelijk, ja,
sterven er dikwijls geheel door. Behalve de z.g.n. vetplanten, waartoe
b.v. de Cactussen behooren, zijn er niet veel planten, die des zomers
ongeschermd achter een op het zuiden gelegen venster kunnen gekweekt
worden. Door de sterke zonnestralen ontstaan namelijk bruine vlekken
op de bladeren, die niet meer verdwijnen. Vooral is dit het geval,
wanneer de planten, in de volle zon staande, bespoten worden. Vensters,
die op het Zuiden gelegen zijn, moeten dan ook voorzien zijn van
een inrichting, waarmede men de planten tegen de te scherpe zon kan
beschermen, maar niettegenstaande zulk een inrichting, zullen zij
toch nog zeer lijden, wanneer aan de vensterbank geen gelegenheid
is gemaakt, in den vorm van een bak, waarin ook de potten tegen de
zon beschermd staan. Wanneer die toch met volle kracht op de potten
schijnt, worden ze zoo warm, dat al de zich aan de zonzijde bevindende
wortels verbranden. Niet alleen hierdoor, doch ook nog door het veel
te sterk uitdrogen, hebben de planten in dit geval veel te lijden.
Een der grootste gevaren voor onze kamerplanten is zeker wel het
gebrek aan voedingsstoffen. De langzaam groeiende planten moeten eens
per jaar, bij voorkeur in het voorjaar, verplant worden; met de snel
groeiende moet dit in den loop van den zomer meermalen geschieden. De
meeste onzer plantenliefhebbers weten dit echter niet; zij laten hun
planten jarenlang in denzelfden pot staan en zelfs bij de zorgvuldigste
behandeling moet dan een plant ten laatste sterven. Door aanwending
van mest kan het verplanten wel tijdelijk uitgesteld worden, in geen
geval echter is dit dan, zooals velen denken, onnoodig geworden. Is de
aarde slecht en zuur geworden of is de plant zóó beworteld, dat het
vormen van nieuwe wortels onmogelijk is, dan moet zij noodzakelijk
verplant worden. Mest, van welke hoedanigheid ook, zal in zulke
gevallen meer kwaad dan goed doen.
Ten laatste kunnen ook nog ziekten ontstaan door het bevriezen der
planten. Zijn zij aan een lichte vorst blootgesteld geweest, dan moet
men vóór alles het spoedig ontdooien voorkomen. Een zeer goed middel
is, de planten dan zoo spoedig mogelijk met koud water te bespuiten
en ze twee of drie dagen in een koele kamer te laten staan. Bevroren
planten mogen in geen geval in een verwarmd vertrek of in de zon
worden gezet.
Zooals wij gezien hebben, komen de ziekten van kamerplanten uit zeer
verschillende oorzaken voort en wij zijn niet in het bezit van pillen
of drankjes, waarmede zij weder te genezen zijn. De verschillende
oorzaken hebben wij zoo uitvoerig mogelijk beschreven, opdat de lezer
zou begrijpen, dat hij zijn planten slechts door een zeer oplettende
behandeling gezond kan houden, en dat zieke planten alleen met zeer
veel moeite weer genezen kunnen worden.
Het verwarmen der vertrekken.
Een kweeker bewaart zijn planten in vier, door de temperatuur van
elkander onderscheiden kassen, namelijk in warme, gematigde en koude
kassen, benevens in een oranjerie. De gemiddelde wintertemperaturen
bedragen voor de warme kas van 60°-65° Fahr., voor de gematigde kas
van 50°-55° Fahr., voor de koude kas van 40°-45° Fahr. en voor de
oranjerie van 35°-40° Fahr. De warme kas van een kweeker komt overeen
met de woonkamer van een liefhebber, de gematigde kas met een suite
of slaapkamer, waarin slechts weinig gestookt wordt, de koude kas
met een vertrek, waarin slechts bij strengere vorst gestookt wordt
en de oranjerie met den vorstvrijen kelder.
Een liefhebber moet echter niet vergeten, dat hij met een hooge
temperatuur nooit die resultaten zal bereiken als een kweeker en
hij moet er ook voor zorgen, dat hij de tropische planten gedurende
den winter altijd in een lagere temperatuur bewaart dan die, welke
de kweeker ze in zijn kassen geeft. De vochtige wanden, de altijd
vochtig gehouden paden der warme kassen, de meestal daarin gebruikte
warmwatertoestellen, de steeds water uitwasemende planten zijn alle
oorzaak, dat in de kassen de vochtigheidsgraad geëvenredigd blijft met
den warmtegraad. Een groot voordeel leveren de warme kassen ook nog op,
namelijk, dat de temperatuur, doordat er dag en nacht gestookt wordt,
steeds vrij gelijkmatig blijft.
Hoe slecht zijn, daarmede vergeleken, de toestanden in onze
woonvertrekken! Hoe meer wij overdag stoken, des te droger wordt
de lucht en des te ongunstiger wordt zij voor het leven der
planten. Daarbij komt nog, dat in sterk verwarmde vertrekken het
verschil tusschen dag- en nachttemperatuur meestal zeer groot is. De
planten, die overdag in een warmtegraad van ruim 65° Fahr. staan,
moeten na een kouden nacht zich des morgens dikwijls met 35°
tevreden stellen. Des morgens begint men dan weder te stoken; de
temperatuur rijst nu snel, om in den daarop volgenden nacht weder
even snel te dalen. Om deze reden groeien tropische planten vaak
beter in een vertrek, dat niet zoo warm gestookt wordt. Gedurende
koude winternachten doet de buitentemperatuur zich nabij de vensters
natuurlijk sterker gevoelen dan meer midden in de vertrekken; reden
waarom het zeer geraden is de planten des avonds van het venster
te verwijderen. Het beste doet men, de planten des avonds midden
in het vertrek te zetten en zoo mogelijk op een verhevenheid, daar
de temperatuur boven in het vertrek altijd warmer blijft dan nabij
den vloer.
Hij, die het verwarmen zijner vertrekken regelen kan naar de daarin
staande planten, doet het best een reguleerkachel te gebruiken. Deze
kachels geven geen rook en stof, branden zeer gelijkmatig, kunnen
het vertrek op iedere verlangde temperatuur houden en branden, wat
een zeer groot voordeel is, ook des nachts door. De droge lucht in
het vertrek laat zich eenigszins temperen door achter op de kachel,
waarvoor meestal een inrichting is, een ketel met water te zetten,
dat dan langzaam verdampt.
Het gebruik van z.g.n. calorifères is in kamers, waar men planten
heeft, zeer te ontraden, wijl zij een zeer ongelijkmatige warmte geven,
en veel schadelijke dampen verwekken.
In de moderne groote huizen worden vaak alle vertrekken door een
centraal toestel verwarmd, dat zóó is ingericht, dat men ieder vertrek
de verlangde temperatuur kan geven. Gebruikt men voor deze verwarming
heete lucht, dan zullen noch de menschen, noch de planten zich daar wel
bij bevinden; wordt echter stoom of warm water gebruikt, dan worden
de toestanden veel beter. De vrij omslachtige stoomverwarming wordt
betrekkelijk weinig, de warmwaterverwarming daarentegen tamelijk veel
aangetroffen. Ook bij deze verwarming moet men den vochtigheidsgraad
in de vertrekken verhoogen, door, indien het eenigszins mogelijk is,
schotels met water op de buizen te zetten. In koudere vertrekken,
die slechts zeldzaam verwarmd worden, is het niet noodig de lucht
vochtiger te maken.
Ten slotte willen wij nog opmerken, dat ook in vertrekken, waarin niet
gestookt kan worden, zeer harde planten goed kunnen overwinteren. Wordt
het zóó koud, dat het in de vertrekken zou kunnen vriezen, dan kan men
in zoo'n kamer een veelvoudig gebruikt wordend petroleumkooktoestel,
of, zoo men daarover kan beschikken, nog beter een petroleumkacheltje
zetten. Bij zeer strenge vorst is het geraden, het toestel of kacheltje
ook des nachts, al is het niet hoog, te laten branden.
Het luchten der vertrekken.
Een plant heeft voor haar goede ontwikkeling lucht, licht,
warmte, vochtigheid en voedsel noodig, en wel alles in de juiste
verhouding. Wij hebben reeds gezien, hoe men zijn planten behoorlijk
licht moet verschaffen, hoe men ze moet begieten en bemesten, ook op
welke wijze men ze de noodige warmte moet geven; wij willen nu nog even
nagaan, hoe men ze aan de noodige frissche lucht moet helpen. Iedere
plant neemt uit de lucht bepaalde voedingsstoffen op, zij heeft voor
haar onderhoud dus wel degelijk behoefte aan goede lucht.
Des zomers, wanneer de hardere planten in den tuin staan en
de zachtere door de desnoods dag en nacht geopende vensters de
noodige frissche lucht toegevoerd krijgen, is het gebrek aan lucht
niet zeer voelbaar. In oude, slecht gebouwde huizen, enge straten
en ingebouwde tuinen zal men dan echter, zooals trouwens altijd,
gebrek aan de noodige lucht hebben. In zulk een geval is daar echter
niet veel aan te verhelpen. Maar gedurende den winter worden de
vertrekken weinig of in het geheel niet gelucht, en mensch en dier
hebben daaronder te lijden. De minste frissche lucht behoeven de
tropische, in warme vertrekken gekweekte planten, zooals Palmen en
andere bladplanten. Staan deze, zooals het behoort, dicht bij het
venster, dan krijgen zij genoegzaam versche lucht, door de kieren
daarvan. Worden de vertrekken door meerdere personen bewoond,
dan moeten zij natuurlijk dagelijks zeer goed gelucht worden. Dit
luchten nu moet zoodanig geschieden, dat de planten daar niet door
lijden. Heeft men een suite, dan doet men het beste de vensters van
dat vertrek, waar geen planten staan, te openen en de tusschendeuren
geopend te houden. Heeft men geen suite, dan moet men de planten
van de vensters verwijderen, deze openen en in de opening een hor,
met dicht ijzergaas bespannen, zetten, ten einde op die wijze tocht
te voorkomen. Wil men zulke horren niet gebruiken, dan worden de
planten tijdelijk zoo ver mogelijk van de vensters verwijderd en
met een lichten doek bedekt, zoodat de koude luchtstroom haar niet
direct kan bereiken. Bij het luchten moet men steeds oppassen, dat er
geen trekking ontstaat en dus nooit vensters of deuren over elkander
openzetten; ook mag, bij koud weder, de temperatuur niet te veel dalen,
wat men voorkomen kan door tijdens het luchten flink te stoken.
Bij het luchten van vertrekken, waarin harde planten overwinterd
worden, behoeft men niet zoo voorzichtig te zijn. Deze kamers,
waarin slechts in hoog noodige gevallen gestookt wordt, kan men altijd
luchten, zoolang de buitentemperatuur meer dan 35° Fahr. bedraagt. Bij
een dergelijke temperatuur is het beter dezen planten zooveel mogelijk
frissche lucht te geven. Des nachts moeten de vensters echter steeds
gesloten worden, om te voorkomen, dat onverwacht intredende vorst de
planten beschadigt.
In het voorjaar moet zeer veel gelucht worden, niet alleen wijl
dan door den invloed van de zon de temperatuur zeer stijgt, maar ook
omdat men er voor moet zorgen, de planten, die 's zomers buiten moeten
verblijven, behoorlijk aan de lucht te gewennen en te harden.
In onvoldoende of in het geheel niet geluchte vertrekken ontwikkelen
vele planten zich ontijdig; zij krijgen dan kleurlooze, zwakke scheuten
en bladeren. Bij vele treedt in zulk geval stamrotting en schimmel
op, terwijl zij spoedig door ongedierte zullen worden aangetast. Om
deze ongemakken te voorkomen, moet men ook des winters iedere goede
gelegenheid aangrijpen, ten einde aan de planten behoorlijk frissche
lucht te verschaffen.
Het overwinteren en aan den groei brengen van bollen en knollen.
Onder de kamerplanten bevinden zich verscheidene bol- en knolgewassen,
die door zeer schoone bloemen uitmunten. Deze ontwikkelen zich des
zomers meestal tot flinke planten, die zeer rijk en prachtig kunnen
bloeien. In het najaar beginnen ze langzaam te verdorren, zij worden
kleiner en kleiner en sterven ten laatste geheel af. De onervaren
liefhebber, die wellicht zulk een plant in haar volle ontwikkeling ten
geschenke bekwam, ziet haar tot zijn spijt langzaam achteruitgaan,
en kan maar niet begrijpen wat de oorzaak daarvan is; hij is in de
behandeling der plant toch zoo voorzichtig mogelijk geweest. Ten
slotte wordt dan de groote fout begaan, haar weg te werpen.
Bol en knolgewassen, die een volmaakten rusttijd behoeven, toonen al
de eigenschappen, die wij hier hebben opgesomd. De liefhebber, die dit
weet, houdt bij de behandeling dier planten daarmede rekening. Met het
begin van den herfst, wanneer de nachten koeler beginnen te worden,
zullen de in vensterbank gekweekte bol- en knolgewassen langzamerhand
hun schoonheid gaan verliezen. Men moet nu deze planten haar rusttijd
laten intreden, door langzamerhand minder te gaan gieten. De potten
worden dus zuiniger begoten dan des zomers en al naar de planten
stengels en bladeren verliezen, geeft men minder water, totdat
men ten slotte, wanneer zij geheel afgestorven zijn, met gieten
ophoudt. Men neemt nu de planten uit de vensterbank en zet ze in
een hoek van een koeler vertrek. Na eenigen tijd zal de aarde in de
potten geheel uitdrogen, waarop de bollen of knollen er uit genomen
worden. De droge aarde laat zich gemakkelijk uit de wortels schudden;
deze worden dicht bij den knol afgesneden en zoo er zich nog stengels
aan bevinden, worden deze diep ingesneden of geheel verwijderd. De
aldus schoongemaakte bollen en knollen worden nu in een bakje met
droog zand gelegd en zoo in een vorstvrije kamer bewaard. Op deze
wijze behandelt men de knollen van Begonia's, Gloxinia's en de meeste
Gesneriaceeën, alsook de bollen van Ismene (Pancratium), Sprekelia
(Goudlelie) en verscheidene andere. De knollen van Dahlia's en
Canna's, de bollen der Lilium's en verscheidene Amaryllissen laten
zich bij voorkeur niet geheel droog overwinteren; zij krimpen dan
geheel in, en worden ten slotte waardeloos. Deze planten behandelt
men aanvankelijk juist zooals wij daareven vermeld hebben. Zijn zij
uit de aarde genomen en schoongemaakt, dan doet men het beste ze
gedurende haar rusttijd in een vorstvrijen kelder op slechts even
vochtig zand te leggen en gedurende strenge vorst met een oud tapijt
of leege zakken te bedekken. Dergelijke bollen en knollen, die niet
geheel droog overwinteren willen, maken het den liefhebber zeker het
lastigste; zij rotten gemakkelijk, waarom zij gedurende den winter
voortdurend nagezien moeten worden. Het is dus zaak, ze dan eenige
malen stuk voor stuk na te zien; vindt men aan den een of ander een
rotachtige plek, dan wordt die met een scherp mesje weggesneden,
en het snijvlak goed met houtskoolpoeder bestrooid.
Bij vele rustende bolgewassen zal men kunnen waarnemen, dat de
dikke wortels afsterven; dit is het geval bij de Lilium's (Lelies)
en eenige Amaryllis-soorten. Deze bollen, waarvan men de Lilium's zoo
koel mogelijk en de Amaryllissen iets warmer moet laten overwinteren,
laat men in de potten staan, of wel, men neemt ze er uit, om ze
met de wortels in droog zand te graven. Een andere wijze om bol-
en knolgewassen te laten overwinteren is, ze na het afsterven en
opdrogen in de potten te laten staan en ze pas in het voorjaar uit
te schudden en schoon te maken. Dit heeft het voordeel, dat men den
wortels meer tijd geeft tot rustig afsterven; het heeft echter dit
tegen, dat men niet kan nagaan of er ook rotplekken zijn ontstaan,
zoodat men dikwijls in het voorjaar tot de onaangename ontdekking komt,
dat de knol geheel is verrot. Past men deze wijze van overwinteren toe,
dan is het voldoende die bol- en knolgewassen, welke niet geheel willen
opdrogen, eenige malen per winter met een broesgietertje te besproeien.
Hebben de rustende bollen en knollen met succes overwinterd, dan komt
de groote vraag, om deze schijnbaar doode voorwerpen weder tot het
leven terug te roepen. Zij moeten dus ter rechtertijd weder opgeplant
en aan den groei gebracht worden. Al naar den tijd, waarop men de
planten in bloei wil hebben, begint men vroeger of later met het
opplanten. Als vroegste datum geldt wel de maand Januari, als beste
zeker de maand Maart. Iedere bol of knol wordt nu afzonderlijk in
een kleinen pot geplant, waartoe men bij voorkeur zeer zandige aarde
gebruikt. Al naar de soorten meer of minder warmte noodig hebben,
zet men ze dan op de vensterbank, in een warmere of koudere kamer.
Bij het behandelen van bol- en knolgewassen moet men er in de eerste
plaats om denken, dat zij, in tegenstelling met alle andere planten,
niet direct na het opplanten aangegoten mogen worden. Men moet hier
enkele dagen mede wachten, totdat de aarde, waarin men ze geplant
heeft, behoorlijk is opgedroogd. Het begieten moet ook gedurende den
eersten tijd zeer voorzichtig geschieden, daar men moet toezien,
dat de knollen niet direct met het water in aanraking komen. Men
giet dus langs den rand van den pot en met het oog hierop zal men
wel doen zóó te planten, dat de aarde naar het midden toe een weinig
oploopt. Wanneer de bollen en knollen eenmaal flink aan het groeien
zijn, en men veronderstellen kan, dat de wortels goed in de aarde
zijn doorgedrongen, dan kan men meer en ook geregelder gieten.
Doordat vele liefhebbers met den rusttijd dezer gewassen onbekend
zijn en zoodoende vele bol- en knolgewassen òf in het najaar worden
weggeworpen, òf in het voorjaar verkeerd behandeld, worden zeer
veel fraaie planten geheel ten gronde gericht. Veel schade wordt ook
aangericht door het ongeduld van vele liefhebbers. Een bol of knol,
dien men vandaag geplant heeft, begint niet direct morgen te groeien;
vele liggen verscheidene weken, sommige wel twee maanden, voordat
er werking in komt. Men moet daarom geduld hebben, en mag hoogstens
door een laagje aarde te verwijderen en voorzichtig met den vinger
te voelen, zich overtuigen of de bol of knol niet tot rotting is
overgegaan. Dit rotten heeft meestal plaats, wanneer men de knollen
of bollen te veel begiet, te diep in de aarde geplant heeft en ook,
wanneer een ongeduldige ze telkens weder uit de aarde neemt om te
zien of ze nog geen wortels maken of uitgroeien. Wil men ook in dit
opzicht zijn pogingen met succes bekroond zien, dan moet men in de
eerste plaats geduld oefenen.
De kamerplanten gedurende den zomer.
A. In den Tuin.
Wanneer het ongestadige voorjaarsweer voorbij is en voor een meer
geregelde zomerwarmte heeft plaats gemaakt, waardoor de tuin zich
weder in zijn fraaiste blader- en bloemenkleed heeft gestoken, dan is
het niet geraden alle kamerplanten, die men des winters binnenhield,
nog steeds binnen te doen blijven. De meeste kamerplanten houden er
van des zomers in de frissche, vrije lucht te staan en versche lucht
kan men den planten, zelfs met de beste ventilatie-inrichting, in de
kamers slechts weinig geven. Betrekkelijk weinige, zeer gevoelige
planten moeten ook des zomers in gesloten kamers gekweekt worden;
verreweg het meerendeel doet men beter andere plaatsen te geven. De
beste plaats voor alle, niet te teere, gewassen is zeker wel in den
tuin. Een liefhebber zal zeker aanmoedigende resultaten verkrijgen,
wanneer hij een zonnig en beschut stukje grond bij zijn huis heeft,
dat hij des zomers niet alleen met eigenlijke tuinplanten, maar ook
met zijn kamerplanten kan versieren. De veelvuldige vormen, die de
uit zeer verschillende streken stammende kamerplanten bezitten, kunnen
aan een tuintje een zeer eigenaardig en aantrekkelijk voorkomen geven.
Al naar den aard van de buiten te brengen potplanten moet de
plaats bepaald worden, waar men ze zetten zal. Terwijl bijna alle
Cactussen en Vetplanten bij voorkeur in de volle zon staan, moeten
de meeste bloemplanten een eenigszins meer beschaduwde standplaats
bekomen. Palmen, en andere tropische bladplanten, verkiezen bij
voorkeur een plaats in halfschaduw, terwijl Varens op een zeer
schaduwrijke plek moeten gezet worden. Wat de hardere decoratie-planten
betreft, zooals: Laurus (Laurier), Citrus (Oranjeboom), Laurus-Tinus,
Rhododendron (Alpenroos), Evonymus en vele andere, deze zijn wat de
plaats betreft niet zoo heel erg kieskeurig. Zij groeien in de volle
zon even goed als in een niet te dichte schaduw. In ieder geval moet
er echter op gelet worden, dat men de planten zóó plaatst, dat zij
beveiligd zijn tegen tocht of harden wind. Tocht is zeer schadelijk
voor alle planten en harde wind kan groote schade aanrichten, door
het uit den pot rukken der planten, het breken van takken en het
scheuren der grootere bladeren.
Indien men de planten boven op den grond plaatste, dan zouden zij
bij warm zomerweer zeer snel en bijna geheel uitdrogen, wat voor
de ontwikkeling zeer schadelijk is. Een tweede bezwaar zou zijn,
dat de grootere planten bij den minsten wind zouden omwaaien. Beide
bezwaren kan men gemakkelijk voorkomen, door de potten in te graven. De
plaats, waar men zijn planten wil ingraven, moet eerst omgespit en
gelijk geharkt worden. Het zou nu zeker het gemakkelijkst zijn met
een kleine spade de gaten te maken, waar men zijn planten in wil
zetten. Toch doet men beter dit met een ander werktuig en wel met
een puntigen dikken paal te doen. Eerst rangschikt men de planten op
de bepaalde plaats, waarbij men er op moet letten, dat iedere plant
de noodige ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen, waarom
zij dus niet te dicht op elkander mogen staan. In de tweede plaats
moet men zorgen, dat al de planten te zamen een goede groep vormen,
die een aangenamen indruk maakt. Heeft men de planten gerangschikt,
dan neemt men ze een voor een van haar plaats en maakt op de plek,
waar zij stonden, een diep gat. Men doet dit door den paal midden op
de plek, waar de pot stond, flink diep in den grond te drukken en
hem dan, al naar de grootte van den pot, in meer of minder schuine
houding eenige malen rond te draaien. Heeft men op deze wijze het
gat zóó wijd gemaakt, dat de pot er gemakkelijk in kan, dan wordt de
plant er in gezet en de aarde rondom den pot aangedrukt. Deze wijze
van ingraven heeft zeer veel voordeelen. Onder den pot toch blijft een
vrij diep spits toeloopend gat, dat goede diensten zal bewijzen om het
overvloedige water, dat, hetzij door het gieten, hetzij door zwaren
regen, op den pot komt, gemakkelijk door het drainagegaatje te doen
wegloopen. Een tweede voordeel is, dat door het geheel vrij liggen
van het drainagegaatje, regenwormen en ander ongedierte verhinderd
worden, daardoor in den pot te dringen. Bij het ingraven moet men er
ook op letten, dat niet de rand van den pot gelijk met de aarde komt te
staan; deze moet er minstens één of twee centimeter uit steken, daar
anders bij zware regens de tuinaarde op de potaarde wordt gespoeld,
wat minder wenschelijk is. Grootere planten, die in kuipen staan,
graaft men niet in, daar dan de kuipen gemakkelijk rotten. Men zet
de kuip echter op drie baksteenen, er op lettende, dat zij in alle
richtingen waterpas staat, en slaat dan door de ooren een paar stevige
stokken, ten einde het omwaaien te voorkomen.
Wanneer dit eenigszins mogelijk is, moet men er voor zorgen, dat de
kamerplanten, vóórdat zij buiten gezet worden, tijdig verplant zijn,
zoodat zij eenigen tijd rustig kunnen blijven staan op de plaats,
waar men ze ingegraven heeft.
Niet weinig kamerplanten hebben gedurende den winter in de
woonvertrekken armoede geleden; zij zien er dan in het voorjaar
ziekelijk uit en gaan zeker dood, wanneer geen bijzondere maatregelen
genomen worden. Gewoonlijk behooren deze patiënten tot de hardere
planten, en deze knapt men het beste op, door ze uit den pot te nemen,
de kluit wat los te maken, de zieke wortels weg te snijden en ze dan
vrij in den tuin uit te planten. Wanneer dit uitplanten moet dienen
om zieke planten weder gezond te doen worden, dan moet men ze niet
alleen op een gunstige plaats zetten, doch ook in een goed bereiden
grond planten. Het beste doet men door op de bepaalde plaats de
aarde een goeden steek diep uit te graven en die te vervangen door
goede compostaarde. Is dit niet mogelijk, dan spit men den grond om,
na er een flinke hoeveelheid zand en ouden koemest op gebracht te
hebben. Het gebruik van verschen mest is voor dit doel niet raadzaam;
het geschiktst is koemest, die een jaar oud is. Kan men niet over
ouden koemest beschikken, dan spit men de aarde alleen met zand om en
zoodra de uitgeplante gewassen krachtig beginnen door te groeien, giet
men enkele malen met verdunden koemest. De zoogenaamde harde planten,
die het uitplanten verdragen, ontwikkelen zich daarna prachtig. Het
beste voorbeeld daarvan levert de Musa Ensete (Abessinische Banaan),
die dikwijls in het voorjaar, zelfs bij de kweekers, geen enkel
blad meer bezit en uitgeplant, in den herfst somtijds vijftien
tot twintig reusachtige bladeren gemaakt heeft, die niet zelden
een lengte bereiken van 2 of 3 meter. Afgezien van de Palmen, die
nooit in den tuin uitgeplant mogen worden, is het uitplanten van de
meeste kamerplanten, mits geen absoluut warme planten, zeer aan te
bevelen. Willen wij bij het uitplanten van die gewassen, welke des
winters in de warme kamer moeten staan, een zeer goed succes hebben,
dan moet men ze een z.g.n. warmen voet geven. Hiertoe wordt een gat
gegraven van ongeveer een Meter diep; hierin brengt men, op dezelfde
wijze als een kweeker dat in zijn warmen bak doet, een laag van 80
cM. verschen paardenmest, die er in lagen wordt ingebracht d.w.z. de
mest wordt er bij gedeelten in geworpen, goed gelijk gemaakt en
stevig vastgetrapt. Op deze laag mest brengt men de aarde, die zóó
hoog opgewerkt wordt, dat er een flink verhoogd, doch van boven vlak
vak ontstaat. De aardlaag op den mest moet, al naar de grootte der
planten, 30-60 cM. dik zijn en moet minstens 20 cM. boven den beganen
grond uitsteken. Deze verhooging is zeer noodig. Te gelijk met het
verteren, zakt toch de paardenmest en natuurlijk dus ook de aardlaag
met de planten. Heeft men nu de opgebrachte aarde niet behoorlijk
boven den beganen grond doen uitsteken, dan zal in het najaar de
plant in een kuil komen te staan, die uit den aard der zaak koud en
vochtig is. Wanneer men het niet te veel moeite acht, dan kan men
op dezelfde wijze ook aan die planten, die niet uitgeplant worden,
een warmen voet geven, door op de mestlaag een zoo dikke laag aarde
te brengen als de potten hoog zijn en deze daarin te graven. Ook in
dit geval moet men zorgen, dat de potten minstens 20 cM. boven den
beganen grond staan. Een warme voet bevordert sterk de wortelvorming,
en heeft daarom zulk een gunstigen invloed op den groei. De in den tuin
uitgeplante of ingegraven gewassen veroorzaken den liefhebber niet zeer
veel moeite. Een hoofdzaak is, dat men de planten 's morgens vroeg,
wanneer de zon nog niet brandt, en des avonds direct na het gieten,
met de handspuit goed besproeit, of wel men giet de bladeren en twijgen
met een broesgietertje goed nat. Het gieten doet men steeds des avonds
en mocht dit wegens de groote zomer warmte, gepaard met droogte,
niet voldoende zijn, dan giet men 's morgens vroeg nog eens over.
Wat nu het verplanten en bemesten betreft, gelden voor de buiten
ingegraven planten dezelfde regels, die wij reeds vermeld hebben. Wat
de uitgeplante kamerplanten betreft, moeten wij er op letten, dat deze
tijdig weder in de potten worden gezet. De lastigste onder haar, die
moeilijk aan den groei gaan, moeten in de laatste helft van Augustus,
de andere in de eerste helft van September opgenomen worden. Wanneer
men al de voordeelen, die met het uitplanten bereikt zijn, niet
weder met het in de potten zetten wil verliezen, dan moet dit zeer
voorzichtig geschieden. Men doet dit op een donkeren, regenachtigen
dag, neemt de planten voorzichtig op, zoodat zij zoo weinig mogelijk
wortels verliezen en zet ze in goed passende potten. Zijn de planten
voorzichtig opgepot, dan worden zij op een beschutte, schaduwrijke
plek gezet en goed aangegoten. Op deze plek laat men ze nog een dag
of veertien staan, er voor zorgende, dat bladeren en takken, zoowel
als de kluit, goed vochtig blijven. Gedurende deze veertien dagen
en ook gedurende de eerste dagen, nadat zij weer in de kamer staan,
zorgt men er voor, dat de planten niet door de zon beschenen worden,
ten einde het afvallen van bladeren te voorkomen.
B. De kamerplanten op het balkon en in de vensterbank.
Er zijn helaas slechts weinig liefhebbers, die over een tuin kunnen
beschikken, om er des zomers hun planten in te kweeken. In de grootere
steden heeft men slechts te beschikken over kamers, vensterbanken en
in het gunstigste geval over een balkon, en met deze hulpmiddelen
moet men dan zijn planten kweeken. Die liefhebbers, die maar een
beperkte ruimte hebben, kweeken in den regel slechts planten, van
kleine afmetingen. Wanneer tegen het einde van Mei meer bestendig weer
gaat heerschen, moet men ook de planten buiten brengen, die dan op het
balkon of op de buitenvensterbank worden gezet. Een fraaie versiering
der balkons en vensterbanken zal den waren liefhebber, die over geen
tuin kan beschikken, altijd zeer veel genot verschaffen. Wel is waar
staan nu de bloemen boven de straten en zijn zij daardoor voortdurend
aan den wind blootgesteld, terwijl het van de straten opwaaiende stof
ze bevuilt, waardoor zij lang niet zoo gunstig staan als in den tuin,
maar bij een oplettende behandeling kan men toch met het balkon en
de vensterbank zeer aardige resultaten verkrijgen. Afgezien van de
bakjes, waarop wij later terugkomen, is het balkon het best geschikt
om de grootere potgewassen te herbergen, aangenomen natuurlijk, dat de
ligging eenigszins gunstig is en dat het nu en dan wat zon heeft. Voor
het plaatsen der planten in de vensterbank heeft de liefhebber meestal
een betere keus, daar veelal de vensters in verschillende hemelstreken
liggen. Voor planten, die veel zon verlangen, gebruikt men de vensters
op het zuiden; voor de andere planten kan men de verschillende vensters
gebruiken, doch bij voorkeur die, welke morgenzon hebben. De vrij in
het venster staande planten hebben echter, vooral bij groote hitte
midden in den zomer, veel te lijden van de zon, wanneer daartegen
geen maatregelen genomen worden. Zeer goede beschermers tegen de zon
zijn buitenjaloezieën, die men met een paar ijzeren haken zóó geleidt,
dat zij over de planten neergelaten kunnen worden, zonder die aan te
raken. Door meer of minder opentrekken der jaloezieën, kan men den
planten juist zooveel zon geven, als wordt noodig geacht.
De plantenrekjes, die meestal in de vensterbanken worden aangebracht,
zien er wel heel aardig uit, maar zijn voor het doel, waarvoor zij
moeten dienen, meestal geheel ongeschikt. Deze bloemenrekjes bestaan
gewoonlijk uit een paar plankjes om er de potten op te zetten en
een hekje, dat moet dienen, om het naar beneden vallen der potten te
voorkomen. Dat hekwerk nu is zoo onpractisch mogelijk. Wel wordt het
naar beneden vallen der potten er door verhinderd, doch het beschermt
deze geenszins tegen de zon. In den zomer brandt de middagzon met volle
kracht op de steenen potten, waardoor deze overmatig verhit worden. Het
gevolg daarvan is niet alleen, dat de aarde snel en volkomen uitdroogt,
maar ook, dat de tegen den potwand liggende wortels verbranden en
natuurlijk dood gaan. Hier heeft men met gevallen te doen, waarover
wij vroeger reeds spraken. De kluiten worden toch geheel droog en
nemen ten laatste geen water meer op. Als gevolg hiervan, en van
het verbranden der wortels, gaan de planten merkbaar achteruit en
tevergeefs gist de liefhebber naar de oorzaak van den slechten groei
zijner lievelingen. Fig. 63 toont ons een zoodanig bloemenrekje en
tegelijkertijd, hoe slecht de planten er daarin kunnen uitzien. Een
goed bruikbaar plantenrekje moet geheel van hout zijn en het voorkomen
van een bakje hebben, waardoor de potten doelmatig tegen het inwerken
der zon beschut worden. Toch kan zoo'n gesloten plantenrekje er zeer
elegant uitzien, wanneer men het uit besneden hout laat vervaardigen,
of wel het met kurkschors of andere ornamenten laat bekleeden. Maar
zelfs het eenvoudigste groen geverfde bloemenrekje voldoet uitstekend,
wanneer men slechts zorgt, dat het gesloten is. Ook kan zulk een
eenvoudig rekje er zeer mooi uitzien, wanneer men de planten zóó
schikt, dat de buitenwand geheel met hangplanten wordt bedekt. Voordat
de planten in het rekje gezet worden, vult men het voor twee derden met
zaagsel of nog beter met fijnen turfmolm; hierin worden de planten tot
op 2 à 3 cM. onder den rand ingegraven. De pot kan, daar hij poreus
is, een goede hoeveelheid water opnemen; en staat hij nu ingegraven,
dan blijft hij steeds vochtig, wat den tegen den binnenwand groeiende
wortels ten goede komt. De op deze wijze ingegraven potten zijn geheel
tegen den schadelijken invloed der zon beschermd. Een groot voordeel
heeft het ingraven in turfstrooisel ook nog. Dit neemt veel water
op en door de verdamping hiervan wordt de lucht rondom de planten
altijd eenigszins vochtig gehouden, terwijl men ook niet behoeft te
vreezen, dat het gietwater, wanneer het bakje niet waterdicht is of
geen afvoerbuisje heeft, den vloer zal beschadigen. Dit water wordt
toch door het turfstrooisel openomen (Fig. 64).
In veel gevallen moeten echter de planten voor het venster gezet
worden, zonder dat men een plantenrekje kan aanbrengen, zij worden
dan door een ijzeren stang voor afvallen behoed. Dan beschut men
den pot tegen de te felle zonnestralen, door hem in een grooteren te
zetten, en de tusschenruimte met mos of turfstrooisel op te vullen
(Fig. 65). Dit mos kan men gemakkelijk voldoende vochtig houden.
De planten, die op het balkon of voor het venster staan, veroorzaken
heel wat meer moeite dan die, welke in den tuin staan. Vooreerst moeten
wij er op rekenen, dat de planten, die in de kamer gestaan hebben,
verwend zijn en gewoonlijk is het de zon, die in den beginne het meeste
kwaad doet. De bladeren krijgen, wanneer men ze ondoordacht buiten zet,
brandvlekken; en zelfs vetplanten, die van veel zon houden, kunnen in
den beginne daarvan lijden. Het is niet alleen raadzaam de planten,
die men buiten wil zetten, eerst langzamerhand door meer luchten te
harden, maar men moet ze ook, wanneer men ze buiten heeft gebracht,
in den beginne tegen de zon beschermen. Langzamerhand schermt men
wat minder, totdat de planten ten laatste aan de zon gewend zijn. Dit
geldt niet alleen voor planten, die op het balkon of in de vensterbank
worden gekweekt, doch ook voor die, welke men des zomers in den tuin
zet. Het bespuiten moet zoowel des avonds als des morgens geschieden,
en vooral op het gieten moet goed acht gegeven worden. Bij het
rangschikken der planten moet men er niet alleen op letten of zij,
van uit de straat gezien, een mooi effect maken, doch men zie toe of
zij wel goed ruim en luchtig staan, zoodat zij zich naar alle zijden
goed kunnen ontwikkelen.
Plantenbakjes en hun Beplanting.
De balkons en waranda's zijn in de steden slechts zelden zóó ingericht,
dat men ze met overblijvende klimplanten kan laten begroeien. Deze
moeten dicht tegen het huis in den vollen grond geplant worden, en
kunnen dan in betrekkelijk korten tijd een groot gedeelte van het huis
zeer fraai bekleeden. Een liefhebber zou nu wel deze klimplanten in
potten kunnen kweeken, doch dat gaat niet heel best. De potten moeten,
zooals wij reeds gezien hebben, tegen de zonnestralen beschermd worden,
iets, dat in de vensterbank tamelijk gemakkelijk gaat, doch dat op
het balkon meestal tamelijk lastig te bewerkstelligen is. Daarbij
komt nog, dat dergelijke planten zich in potten lang niet zoo goed
ontwikkelen als die, welke voldoende ruimte hebben om haar wortels
naar alle zijden uit te spreiden. Voor dergelijke doeleinden worden
dan de plantenbakjes gebruikt.
Deze bakjes worden vervaardigd uit grenen- of eikenhout en uitwendig
geolied. Het hout is een slechte warmtegeleider; het wordt in de zon
lang niet zoo warm als metaal of steen, en de wortels van in dergelijke
bakjes geplante gewassen loopen dan ook geen gevaar te verbranden. De
lengte der bakjes moet natuurlijk overeenkomen met die van het balkon;
zij moeten minstens 30 cM. diep zijn en in geen geval smaller wezen
dan 20 cM. Natuurlijk moeten zij stevig in elkander getimmerd worden,
daar zij anders door den invloed van vochtigheid en warmte licht uit
elkaar zouden trekken; ook moet men er voor zorgen, dat zich in den
bodem voldoende drainagegaten bevinden. Deze drainagegaten kunnen er
met een groote boor in geboord worden.
Heeft men de bakjes enkele malen goed met olie laten verven en zijn
zij goed droog, dan kan men ze gaan gebruiken. Het beplanten doet men
het beste ter plaatse, waar men ze wil gebruiken, dus op het balkon of
in de veranda. Daar de voor de beplanting gebruikte gewassen meestal
in kweekerijen gekocht worden, en daar vaak onder glas zijn gekweekt,
waardoor zij niet tegen koude bestand zijn, doet men wijs het beplanten
niet te vroeg te verrichten. Het best is daartoe de laatste helft van
Mei geschikt. Willen wij nu de bakjes beplanten, dan moeten wij in de
eerste plaats daartoe goede aarde hebben en in de tweede plaats goede
planten. Een zeer goede aarde voor dergelijke bakjes bestaat uit 3
deelen broeiaarde, 1 deel graszodengrond en 1/2 deel scherpzand. Aan
deze aarde voegt men voor een bakje van middelbare grootte een kleine
handvol hoornspaanders toe, een voor zulke inrichtingen uitnemende
meststof, daar zij slechts langzaam verteert en dus den geheelen zomer
door werkt. Ligt het balkon zoodanig op de zon, dat er kans bestaat
voor spoedig en geheel uitdrogen der aarde, dan is het voorzichtig bij
het opgegeven aardmengsel nog 1/3 deel turfstrooisel te voegen. De
ondervinding heeft mij geleerd, dat turfstrooisel en ook turfmolm
uitstekende hulpmiddelen bij de plantencultuur zijn. Turf bestaat uit
plantaardige stoffen, en heeft de eigenschap om, zonder te rotten of
zuur te worden, het overvloedige water uit de aarde op te nemen en
vast te houden. Door deze eigenschap is ze dus zeer goed geschikt om
planten, die niet al te onhandig gegoten worden, voor sterk uitdrogen
te behoeden. Wanneer men goed oplet, dan zal men bemerken, dat de
wortels van talrijke planten dikwijls in de stukjes turf doordringen
en zich daar rijkelijk in vertakken.
Heeft men de aarde voor het bakje klaargemaakt en vooral goed gemengd,
dan wordt de drainage er in gebracht. Op ieder drainagegaatje wordt
een potscherf gelegd en de bodem verder met scherven bedekt. Hierna
wordt het bakje met aarde gevuld en deze gelijk gemaakt. Wil men het
doorlekken van het gietwater geheel of zoo goed als geheel voorkomen,
dan wordt op de scherflaag nog een laag grove turfstrooisel gelegd
van een paar vingers dikte. Indien men niet al te onbedachtzaam giet,
dan is deze laag voldoende om het overvloedige water op te zuigen,
dat zij dan langzamerhand eerst aan de aarde en later weder aan
de wortels teruggeeft. Wanneer men het bakje goed, dat wil zeggen,
tot een paar vingers beneden den rand, met aarde gevuld heeft, dan
kan met het beplanten aangevangen worden. In de eerste plaats moet
men daarbij in het oog houden, dat men wijd moet planten; er moeten
dus slechts weinig planten in ieder bakje gezet worden, opdat zij
voldoende ruimte hebben om zich goed te ontwikkelen. In den regel
toch wordt veel te dicht geplant; de bakjes zien er dan wel is waar
direct mooi gevuld uit, doch de planten hebben geen ruimte om goed
door te groeien en kunnen dus haar natuurlijke schoonheid niet ten
toon spreiden. Gebruikt men voor het beplanten potplantjes, dan neemt
men ze uit den pot, maakt de wortels met een houtje een weinig los,
zooals dit ook bij het verplanten geschiedt, snijdt deze wat in en
plant ze hierna zóó in het bakje, dat zij even diep, of hoogstens een
weinig dieper komen te staan, dan zij in haar pot stonden. Beplant men
de bakjes met éénjarige zomerbloemen, die men in de kamer in schotels
of kistjes uit zaad heeft gekweekt, of die in een kweekerij in een half
warmen bak zijn ontwikkeld, dan moet men den hoofdwortel een weinig
inkorten, ten einde de plantjes te nopen rijkelijk haarworteltjes te
maken. Het planten van deze zaailingen geschiedt met behulp van een
stevig, aan de punt een weinig toegespitst verplantstokje. Met dit
stokje steekt men daar, waar de zaailing moet komen te staan, een
voldoend diep en wijd gaatje in de aarde. Het plantje wordt nu met
de linkerhand zóó daarin gehouden, dat het worteltje loodrecht naar
beneden hangt, en de beide onderste blaadjes op de aarde rusten. Met
het stokje wordt dan het gaatje toegedrukt, zoodat de aarde goed om
het worteltje sluit en het plantje stevig vaststaat.
Bij het beplanten der bakjes moet men met het kiezen der planten
natuurlijk rekening houden met het doel, dat men er mede wil
bereiken. Wil men een balkon laten begroeien, zoodat het hekwerk
daarvan geheel met bladeren bedekt wordt, dan is het verkieselijkste
klimplanten te gebruiken. In dit geval moet men, wanneer aan het
balkon of de warande geen bijzondere inrichtingen daartoe zijn, een
hekje van hout of ijzer aan ieder bakje laten bevestigen, opdat de
jonge plantjes daar in den beginne tegenop kunnen klimmen. Wil men
het geheele balkon in een priëel veranderen, dan moet men niet te
wijd uit elkander ijzerdraden spannen van een bepaalde hoogte van het
huis naar de balustrade der veranda. Hoe rechter deze draden loopen,
des te sneller zal men het gewenschte doel bereiken.
Wanneer men klimplanten wil gebruiken, die weinig moeite veroorzaken
en een ongunstige ligging van het balkon, hetzij door gebrek aan zon,
hetzij doordat het veel aan den wind is blootgesteld, voor lief nemen,
dan neemt men Vitis quinquefolia (Wilde Wingerd) of Hedera Helix
(Klimop). De grootere kweekerijen zijn meestal goed voorzien van deze
planten, waarvan men ook verschillende variëteiten heeft gewonnen. Een
met Klimop of Wilde Wingerd beplant bakje vereischt in de eerste jaren
niet bijzonder veel zorg. Wanneer men niet verzuimt deze planten,
wanneer zij zich in haar krachtigsten groei bevinden, een paar keeren
te gieren, dan kunnen zij vier à vijf jaar in dezelfde aarde blijven
staan. Men vervangt dan hoogstens in het voorjaar de bovenlaag der
aarde door wat verschen grond. Bij gewone winters is het voldoende
de bakjes met wat blad of stroo te bedekken, teneinde het geheel
bevriezen der aarde te voorkomen; is de winter buitengewoon streng,
dan doet men voorzichtiger de bakjes binnenshuis, b.v. in den kelder,
te laten overwinteren. De Klimop behoeft in het geheel niet gesnoeid
te worden, de Wilde Wingerd echter doet men beter in het voorjaar
goed te snoeien; men snijdt daartoe de voorjarige gezonde scheuten,
al naar gelang der sterkte, op 2 tot 5 oogen terug.
Meer moeite, maar zeker ook meer genot, verschaffen de met éénjarige
klimplanten beplante bakjes. Een dergelijk pas beplant bakje toont
ons Fig. 66. Onder de éénjarige planten zijn er vele, die dadelijk na
het uitplanten in Mei flink gaan doorgroeien. In Juli kan het balkon,
wanneer men deze planten gebruikt, reeds volgegroeid zijn. In deze
maand beginnen de éénjarige planten te bloeien, en vele gaan dan
tot aan de intredende vorst daarmede door. De bewonderenswaardig
snelle groei van deze éénjarige klimplanten wijst er natuurlijk
reeds op, dat zij zeer veel voedsel noodig hebben. Wanneer wij kunnen
veronderstellen, dat de wortels het bakje goed gevuld hebben, dan moet
men beginnen den grond te gieren; men kan de planten dan wekelijks een
paar keer met gier begieten. Laat men dit gieren na, dan houden de
planten op met groeien, zij krijgen een matte, gele kleur en worden
daardoor veel minder fraai. Heeft men een bakje van een paar Meter
lengte, dan moet men daarin niet meer dan drie klimplanten zetten,
wanneer dit sterk groeiende soorten zijn. Heeft men minder snel
groeiende soorten, dan kan dat aantal verdubbeld worden. Het is niet
raadzaam, het bakje met andere planten dan klimplanten te vullen. Deze
toch laten, wanneer zij in vollen groei zijn, ook verscheidene scheuten
naar beneden hangen, zoodat zij het bakje volkomen bedekken; voor
andere planten is hier dus geen plaats. Zeer geschikt om in bakjes
geplant te worden zijn de volgende éénjarige of wel als éénjarig
beschouwd wordende klimplanten, namelijk: Humulus japonicus en
Humulus japonicus fol. var. (groene en bontbladerige Japansche Hop),
de Melothria abyssinica, een zeer schoone Pompoensoort met fraaie
bladeren, kleine stervormige bloemen en aan bosjes samenhangende
mooie oranjeroode vruchten; de Lophospermum scandens met donkere,
karmijnroode, trompetvormige bloemen, die in vorm veel overeenkomst
hebben met die van een Gloxinia, en de Cobæa scandens met gevinde in
een rank eindigende bladeren en groote, klokvormige, lilakleurige
bloemen. Van de hoofdzakelijk om haar fraaie bladeren gekweekte
éénjarige planten willen wij naast de reeds genoemde Humulus nog
vermelden de Micania scandens met bladeren als die van een Klimop
en de Pilogyne suavis, een zeer fraaie Pompoensoort, wier bladeren
dikwijls een zeer aangenamen geur verspreiden. Zeer veel worden ook
gebruikt de Phaseolus multiflorus (Pronkboonen) en Ipomæa purpurea
(Winde). Van de fraaie klimplanten, die zeer geschikt zijn om
gebruikt te worden, wanneer alleen de balustrade van het balkon
bekleed moet worden, noemen wij slechts de zich met schoone roode
bloemen tooiende Maurandia, alsook enkele lage soorten Tropæolum
(Oost-Indische kers). Voor ditzelfde doel laten zich ook zeer goed
enkele dunstengelige gewassen gebruiken, die toch eigenlijk geen
klimplanten zijn. Onder deze noemen wij de Pelargonium peltatum
(Klimopbladerige Pelargonium) en enkel bloeiende Petunia's. Voor
meerdere soorten raadplege men het hoofdstuk "Klimplanten".
Moeten de bakjes dienen om op de balustraden der balkons te worden
geplaatst, en deze met een bloemenrand te sieren, zonder ten doel
te hebben schaduw te geven, terwijl zij ook het uitzicht niet mogen
belemmeren, dan worden zij met fraai bloeiende potplanten bezet. In
dit geval kan men met goed gevolg verschillende soorten Pelargoniums,
de lekker riekende, blauw bloeiende Heliotropium en de lief met rood en
zwarte bloempjes bloeiende Cuphea platycentra gebruiken. Ook enkelen
gevuldbloemige Petunia's, alsmede blauwe en witte Lobelia's zijn hier
zeer op haar plaats. Deze planten, die veel voor bloembedden worden
gebruikt, kan men in het voorjaar in iedere kweekerij koopen. Wanneer
men de bakjes met dergelijke planten beplant, moet men vooral niet
vergeten langs den rand eenige hangplanten te zetten, bij voorbeeld
de bonte en groene Tradescantia, die zeer welig groeien en een schoon
effect teweegbrengen.
De zoogenaamde zomerbloemen,--dit zijn de éénjarige planten,
die zeer goedkoop zijn en die men zelf gemakkelijk uit zaad kan
kweeken--, worden slechts zelden voor het beplanten der bakjes
gebruikt. Men schenkt, zeer ten onrechte, slechts dan zijn aandacht
aan dergelijke planten, wanneer men een uiterst goedkoope beplanting
wil bewerkstelligen. Nadere mededeelingen hierover kan men in het
hoofdstuk "Zomerbloemen" vinden.
Het binnenbrengen der gedurende den zomer buiten gekweekte planten.
Wanneer in de tweede helft van September koude regens beginnen te
vallen en dikwijls op warme dagen zeer koude nachten volgen, moet men
aanvangen met de teedere planten, die men gedurende den zomer buiten
kweekte, weder binnen te brengen.
De teerste planten dus, waaronder Palmen, Varens en zachte blad-
en bloemplanten, blijven niet langer dan tot de tweede helft van
September buiten staan. Alle hardere planten, namelijk die, welke des
winters in koudere, slechts even vorstvrije vertrekken staan, en die
gedeeltelijk zelfs enkele graden vorst zonder schade kunnen verdragen,
kan men langer buiten houden; de uiterste termijn is echter half
October. Als regel moet men aannemen na 15 October geen kamerplanten
meer buiten te hebben staan, hoewel het zaak is er op te passen, dat
de hardere planten niet te vroeg binnen gezet worden. Een bezwaar
is het, dat ook de hardere planten in den nazomer veel te lijden
hebben van koude regenvlagen, die de aarde doorweeken en afkoelen,
terwijl de planten reeds in rust zijn. Om dit bezwaar te voorkomen,
is het voorzichtig deze planten van af half September in een prieel te
plaatsen of een op palen rustend dak te laten maken en ze daaronder
te zetten. Deze laatste maatregel heeft nog een groot voordeel;
wanneer men, voordat de planten buiten gebracht zijn, voor onverwachte
nachtvorsten vreest, kan men tegen dit dak rietmatten zetten of er iets
aan hangen, waardoor de planten dan voldoende beschermd staan. Kan
men niet over een prieel beschikken en heeft ook het maken van een
tijdelijk dak bezwaar, dan doet men voorzichtig de planten bij een muur
of schutting te verzamelen. Gaat het zwaar regenen, dan kan men door
ze om te leggen, voorkomen, dat te veel water in de kluiten dringt,
terwijl zij zoo staande met geringe moeite tegen onverwachte vorst
beschermd kunnen worden.
De allerhardste planten zooals Hydrangea's, Fuchsia's, Granaten,
Laurieren, Oranjeboomen, Evonymussen en andere worden, al naar
gelang van het weer, tusschen 15 October en 't begin van November
binnengebracht. Dikwijls kunnen zij nog langer buiten blijven staan,
daar zij best eenige graden vorst kunnen verdragen; men vergete
echter niet, dat de potten licht kunnen springen, wanneer de kluiten
bevriezen.
Vóór het binnenbrengen worden al de potten en kuipen met een
stijven boenborstel, die wel in elke huishouding voorradig is, goed
afgeboend. Is men hiermede klaar, dan wordt de aarde der potten
gereinigd, door alle mos en onkruid te verwijderen; hierna worden
de dorre bladeren en doode twijgjes afgesneden. De door ongedierte
aangetaste planten worden op de genoemde wijze gewasschen en de
met aarde volgespatte bladeren goed schoongemaakt. Is men met deze
werkzaamheden gereed, dan ziet men na of de planten ook opgebonden
moeten worden en vernieuwt men zoo noodig de banden, stokjes en
etiquetten. Planten, die ziek zijn, of door de een of andere oorzaak
geleden hebben, werpt men eenvoudig op den mesthoop. Zieke planten
zien er in de eerste plaats allesbehalve fraai uit, en kunnen dus
niet als kamerversiering dienen; brengt men ze daarenboven in het
najaar ziek binnen, dan is de kans zeer groot, dat zij gedurende den
winter gaandeweg afsterven.
Heeft men de planten geheel klaargemaakt om binnengebracht te worden,
dan moet men letten op de eischen, die zij stellen aan temperatuur en
licht. De warmere planten, die reeds in September zijn binnengebracht,
verlangen over het algemeen een zeer lichte standplaats, dus zoo
dicht mogelijk bij het venster. Van de hardere planten, stellen die,
welke des winters bloeien, ook nogal hooge eischen wat licht betreft;
de niet-bloeiende zijn des winters minder veeleischend. Ten laatste
moet men niet vergeten, dat alle kruidachtige planten, onverschillig
welke temperatuur zij verlangen, steeds zeer licht willen staan,
daar zij bij gebrek aan licht gemakkelijk gaan rotten en schimmelen.
Wanneer men de planten, die des zomers in den tuin, op het balkon of
de vensterbank hebben gestaan, binnen gaat brengen, dan komt men vaak
tot de ontdekking, gebrek aan ruimte te hebben. Zij moeten dan dicht
op elkander gezet worden, hoewel het veel beter is, dat zij zóó wijd
staan, dat zij elkander niet raken. Om dit laatste te bereiken, is het
dus noodig, vóór men planten binnenbrengt, alle zieke of overcomplete
exemplaren op te ruimen, waardoor vaak een aanmerkelijke ruimte
gewonnen wordt. Vele planten laten zich ook, zooals uit het volgende
hoofdstuk zal blijken, zeer goed in den kelder overwinteren. Heeft
men de planten op tijd en met de noodige voorzorgsmaatregelen
binnengebracht, dan zijn zij tegen regen, wind en vorst beveiligd,
maar zij missen dan de frissche lucht, waarvan zij gedurende den zomer
zoo ruimschoots genoten hebben. Men moet nu in den overgangstijd de
planten hierin zooveel mogelijk te gemoet komen, door de vertrekken,
zoolang het weer dit toestaat, op de vroeger reeds beschreven wijze te
luchten. De vertrekken waarin men de warmere planten laat overwinteren,
worden natuurlijk slechts bij fraai weer eenigen tijd midden op den
dag gelucht; die, waarin de hardere planten staan, kan men op schoone
herfstdagen gerust tot aan den avond openlaten.
De kelder als overwinteringsplaats voor harde planten.
Wij hebben reeds gezegd, dat men, wanneer men in den herfst de
hardere planten wil gaan binnenbrengen, maar al te dikwijls bemerkt
geen ruimte genoeg te hebben. Om hieraan te gemoet te komen, om veel
planten, die gedurende den winter een minder fraai aanzien krijgen,
aan het oog te onttrekken en ze toch goed te laten overwinteren,
wordt vaak de kelder gebruikt.
Een kelder, dien men voor het overwinteren van planten wil gebruiken,
moet in de eerste plaats goed luchtig zijn, daar anders de planten
licht schimmelen. Wanneer men niet in de gelegenheid is hem te
verwarmen--en dit is maar hoogst zelden het geval--dan moet hij door
zijn inrichting vorstvrij zijn. Ook moet men goede gelegenheid hebben
om te luchten en mag er vooral des winters geen water in komen.
Voor overwintering in den kelder komen in de eerste plaats in
aanmerking alle grootere kuipplanten, die men des zomers gebruikt om
den tuin, het balkon of de waranda te versieren, en die men, om groote
kosten te vermijden, niet in een kweekerij ter bewaring wil geven. Tot
deze planten behooren o.a. de Laurieren, Granaten, Oleanders,
Coniferen, enz. Verder kan men hierin laten overwinteren alle kleinere
groenblijvende harde planten, de bladverliezende bloemstruiken,
zooals Fuchsia's, Hortensia's en Rozen en ten laatste alle tot op den
wortelstok afstervende vaste planten. Van de bladverliezende struiken
plukt men, alvorens ze in den kelder te brengen, alle bladeren af,
aangezien die anders licht tot bederf overgaan, dan schimmelen en
zoodoende rotting in de stengels kunnen veroorzaken. De overige
planten moet men geregeld nazien en alle bladeren met schimmel
direct verwijderen. Van de vaste-planten snijdt men de stengels tot
10 cM. boven den pot af, alvorens ze binnen te brengen.
De planten, die men in den kelder laat overwinteren, moeten daar pas
laat ingebracht en er weer zoo vroeg mogelijk uit genomen worden. Men
geeft ze zooveel mogelijk frissche lucht, door het keldervenster,
indien dit kan, open te laten staan. Daalt de buitentemperatuur onder
35° Fahr., dan is het voorzichtig, het te sluiten. De planten, die in
den kelder staan, veroorzaken weinig moeite; men heeft er slechts voor
te zorgen, dat zij schoon blijven, dat er geen rotting in ontstaat en
dat er zich geen muizen in nestelen. Vinden deze laatste geen ander
voedsel, dan kunnen zij, door het afknagen van takjes en knollen,
aanmerkelijk schade veroorzaken.
Daar de in den kelder overwinterende planten meestal volkomen rusten,
is het natuurlijk onnoodig ze veel, ja dikwijls goed ze in het
geheel niet te begieten. In het hoofdstuk over het gieten hebben
wij hieromtrent reeds de noodige wenken gegeven; alleen willen wij
er hier nog op wijzen, dat men er, bij de bladverliezende planten,
op moet letten, of de bast door te groote droogte niet gaat rimpelen.
De in het najaar in den kelder geplaatste planten kunnen reeds vroeg,
gewoonlijk tusschen 15 Maart en 15 April buiten gebracht worden,
aangezien zij van de nachtvorsten niet lijden. Men doet dit bij
voorkeur op een donkeren, regenachtigen, zachten dag. Veel planten,
zooals Rozen, Fuchsia's, Hortensia's, enz., die men gedurende den
winter wil forceeren, brengt men in Januari of Februari uit den
kelder in de woonvertrekken. Najaarsbloeisters, zooals Bouvardia's
en Chrysanthemums, die na den bloei leelijk worden en dan volkomen
rusten, kunnen dan in den kelder gezet worden en daar tot aan het
intreden van haar groeitijd blijven.