Men kan op tweeërlei wijzen veredelen, namelijk met een doorgroeiend

of met een slapend oog. Bij een vroege oculatie, dat is van Juni tot

Augustus, groeien de oogen in hetzelfde jaar nog uit, terwijl zij bij

de September-oculatie wèl voor het begin van den winter vastgroeien,

doch pas in het voorjaar van het volgend jaar uitgroeien. Het is

voorzichtig, op ieder wildstammetje, naar verschillende kanten twee

of drie oogen te oculeeren. De wildstam is geschikt om gebruikt te

worden, zoodra hij zooveel sap heeft, dat bast en hout zich gemakkelijk

laten scheiden. Met een scherp geslepen, zoogenaamd oculeermesje

geeft men dan twee sneden in den vorm van een T, en wel zóó, dat

de bast tot op het hout doorgesneden is. De bast wordt nu met de

rugzijde van het hiertoe ingerichte mes, of nog beter met het heft,

dat daartoe in den vorm van een vouwbeen toeloopt, opgelicht en het

oog tusschen hout en bast ingeschoven. De oogen neemt men van voldoend

volgroeide scheuten. Aan den voet van iederen bladsteel bevindt zich

een oog, dat, onder gunstige omstandigheden, zich tot een twijg kan

ontwikkelen. Nadat men het blad, tot op een stukje van den steel na,

heeft weggenomen, wordt het oog in den vorm van een driehoekig schildje

uit den tak gesneden. Heeft men het oog klaar, dan wordt, met het

reeds vermelde heft van het mes, de T-vormige insnede in den wildstam

een weinig opengebogen en het oog daarin geschoven. Is men hiermede

klaar, dan neemt men een eindje bindbast en bindt de oculatie goed

stevig vast, waarbij vooral moet gezorgd worden, dat het ingeschoven

oog vrijblijft. Is men zoover klaar, dan worden de meeste takjes van

den wildstam weggesneden, opdat deze niet te veel sappen tot zich

zouden trekken. Beginnen de oculaties zich goed te ontwikkelen, dan

wordt de omgelegde band weggenomen en ook de wildstam tot even boven

de oculatie afgesneden. Bij Fig. 32 kan men duidelijk zien, op welke

wijze een oculatie moet volvoerd worden; ook een afzonderlijk oog

staat er bij; bij Fig. 33 ziet men dan een veredeld wildstammetje,

waarbij de wijze van omwinden duidelijk zichtbaar is. Geheel op

dezelfde wijze; veredelt men in de kamer de kleine Oranjeboompjes,

die zeer gemakkelijk uit gezaaide pitten opkomen (Fig. 34). Bij

Oranjeboompjes moeten echter de oculaties met een stolp bedekt en

zeer warm gehouden worden; daar zij anders heel moeielijk uitgroeien.

Voor de kamer is ook het veredelen van Cacteeën heel aardig. Om

Cactussen in de kamer te veredelen, moet men natuurlijk soorten

bezitten, die men zoodoende voortkweeken wil, en ook daartoe

geschikte wildstammetjes. Als wildstammetjes gebruikt men meestal

snel groeiende Zuilencactussen, vertegenwoordigers van het geslacht

Cereus. Goede wildstammetjes, die bij kweekers wel te verkrijgen

zijn, zijn o.m. Cereus Spachianus, C. peruvianus, C. macrogonus,

C. rostratus; verder verschillende soorten van het geslacht Opuntia

en ten laatste Pereskia aculeata en P. calandrinifolia. De beide

laatstgenoemde Cactussen zijn groenbladerige, dunstelige plantjes, die

eerder aan koffieboompjes dan aan Cactussen zouden doen denken. Deze

beide soorten zijn vooral geschikt om Bladcactussen (Epiphyllum) op

te veredelen, De Epiphyllums vormen hierop zeer fraaie kroontjes, die

tegen Kerstmis met de bekende purperen bloemen zeer rijk bloeien. De

Pereskia, wordt om als onderstam voor Epiphyllums te dienen, door

sommige kweekers in grooten getale aangekweekt. Deze veredeling

wordt verricht door zoogenaamd spleetgriffelen. Nadat men den kop

van een krachtige Pereskia op de verlangde hoogte heeft afgesneden,

wordt dit snijvlak van dit ingesneden boompje, ongeveer 1 cM. diep,

met een scherp mesje gespleten. Men neemt dan een gezonde, uit

twee of drie bladeren bestaande, Epiphyllum-twijg en snijdt deze

door twee schuine sneden, één links en één rechts, platpuntig toe,

zoodat de kern de punt vormt. De zoo puntig toegesneden twijg, zet

men dan met de punt in de spleet van den wildstam. Gewoonlijk zet

men op een Pereskia-stammetje verscheidene twijgen te gelijk, om op

die wijze spoedig grootere boompjes te verkrijgen. In het stammetje

van de Pereskia kan men ook nog eenige twijgen griffelen. Hiertoe

maakt men op de bestemde plaats tot in het hart van het stammetje een

schuine snede, neemt dan een Epiphyllum-twijg, op de aangegeven wijze

afgesneden, en zet deze in de gemaakte snede. Natuurlijk moeten ook

bij deze veredeling de wonden goed met bast dicht gebonden worden. Bij

Pereskia en Epiphyllum duurt het aangroeien gewoonlijk niet zeer lang,

soms is dit slechts een zaak van enkele dagen.

Een zeer weinig bekende wijze van veredelen is die van kogelvormige

Cactussen op Pereskia-stammetjes. Deze worden daartoe aan een klein

stokje gebonden, daarna eerst afgesneden en dan een weinig spits

toegesneden. De Cactus, die men hierop enten wil, wordt voorzichtig

van de moederplant afgesneden. Met een scherp, puntig mesje snijdt men

nu een gaatje onder in deze spruit en wel zoo, dat dit niet grooter is

dan het spitsje van den onderstam. Beide stukken worden nu op elkander

gezet en de ontstane spleet met entwas dichtgesmeerd. Natuurlijk

moet deze veredeling tot samengroeiing goed verbonden worden. Het

beste doet men dit, door boven op de kogelvormige Cactus een kluitje

watten te leggen en dan door middel van bindbast een stevig verband

te maken. Het bindsel wordt onder den pot doorgehaald, over de Cactus

heengelegd en dan vastgebonden. Men moet er vooral om denken, dat,

past men deze veredeling toe, de Pereskia steeds aan een stevig stokje

moet gebonden worden.

De groei van de kogelvormige Cactus is toch veel sneller, dan die,

van den onderstam, zoodat deze laatste zijn zwaren last ten langen

leste niet meer zou kunnen dragen, en dus zou moeten afbreken.

Beter dan op Pereskia veredelt men zware Cactus-soorten op Cereus. De

afbeelding stelt een op Cereus veredelde Cactus voor (Fig. 36). Met

een scherp mes snijdt men de, als onderstam dienende, Zuilencactus

den kop af en van de daarop te plaatsen kogelvormige Cactus snijdt

men de onderzijde zóó af, dat, zet men de laatste op de eerste, de

beide snijvlakken elkander volkomen bedekken en de middelpunten van

beide juist op elkander sluiten. De geheele bewerking bestaat dus

uit het met zekerheid uitvoeren van twee sneden.

Na beide soorten op elkander gezet te hebben, legt men het verband.

Het aangroeien heeft bij Cactussen zeer snel, meestal in weinige

dagen plaats.

Een bekend Cactusliefhebber, de heer Walter Mundt, te Pankow, bij

Berlijn, zegt over het veredelen van Cactussen het volgende: "als

onderstam gebruik ik bij voorkeur twee- of driejarige zaailingen

of ook wel stekplanten van groene Cereus-soorten; de blauwachtige

Cereus-soorten, zooals Cer. azureus, C. Seidelii en andere, gebruik

ik bij voorkeur niet, daar deze niet goed aangroeien en dikwijls na

eenigen tijd den entkop weder afwerpen. Zaailingen, van in het eind

van Maart of begin April gezaaide zaden, kunnen hoewel dan heel weinig

gedoornd, reeds in Juli tot veredeling dienen [1]. Zijn onderstam

en entkop beide zeer jong, dan is het resultaat tamelijk zeker,

de plantensappen schijnen zich dan goed te vermengen. Men neemt den

entkop tusschen duim en wijsvinger en drukt dien, terwijl men een

eenigszins draaiende beweging maakt, nogal stevig met de snijvlakte

op die van den onderstam, waarop men de plant goed verbindt".

Het verbinden is, bij het veredelen van kogelvormige Cactussen op

zuilenvormige, het moeilijkste werk en bij kleine entkopjes, niet

grooter dan de kop van een lucifer, is het zelfs een kunststuk;

doch ook hier geldt het spreekwoord: "Al doende leert men". Nadat

ik den uit den zaadpot genomen entkop, op de bovenvermelde wijze,

op het onderstammetje heb geplaatst, neem ik een wollen draad,

dien ik aan twee einden strak aantrek, zoo doende, dat ik tusschen

beide handen een ruimte van twee tot drie duim heb. Ik leg nu dezen

draad voorzichtig in horizontale richting over het entkopje, dat

toch reeds door zijn eigen sappen vastgekleefd zit. Beide uiteinden

van den draad haal ik nu voorzichtig naar beneden, er voor zorgende,

dat de druk aan beide zijden juist gelijk is. Bij den potrand gekomen,

trek ik den draad voorzichtig een weinig aan, leg hem dan eerst langs

den pot heen, trek hem er vervolgens voorzichtig onderdoor, en knoop

dan de beide einden aan elkander vast. De druk van den draad moet aan

beide zijden juist dezelfde zijn. Er moet nog opgepast worden, dat

de snijvlakken niet rond zijn, waarom het mes, waarmede men snijdt,

zoo dun mogelijk moet wezen.

Zijn de entkoppen van de grootte van een boon, of nog grooter, dan

gebruik ik een tweeden draad overkruis en ook bij plantjes, die ten

gevolge van haar naar onder gerichte doorns, gemakkelijk van het

onderstammetje worden afgetild, dan verdrogen en niet aangroeien,

zijn kruisdraden zeer aan te bevelen. Om geheel zeker te zijn en

afstooten met opdrogen te voorkomen, bezwaar ik de draden met een

metalen ring. Hiertoe schuif ik het ringetje van boven over de plant en

haal het zoover naar beneden, totdat de draden sterk genoeg aangehaald

zijn. Den volgenden dag leg ik, al naar de zwaarte van den ring er

nog een tweeden bovenop. Fig. 37 verduidelijkt deze handelwijze.

De jonge zaailingen, die als onderstam dienst doen en dus bij het

aanbinden licht ombuigen, moeten eenigszins versterkt worden, door

er twee of drie kleine stokjes omheen te zetten en deze aan elkander

te binden.

De veredelde plantjes zet ik in een gesloten, beschaduwde, maar toch

warme ruimte, de kleinere plantjes in een groote schaal of in een

kistje, dat, met een door middel van krijt en water witgemaakte ruit,

wordt gedekt.

Wanneer de kleine patiënten acht dagen in zulk een kastje staan, is dit

meestal voldoende. Gedurende dien tijd mogen zij in het geheel niet

gegoten en gespoten, en moet elk vochtig worden der wond zorgvuldig

vermeden worden.

Als voorbeeld van een goed resultaat, wil ik het volgende vermelden. In

het voorjaar entte ik den geheel vlak afgesneden nog gezonden kop

van een zeer zeldzame Echinocactus-soort op een zaailing van Cereus

peruvianus als onderstam. Het kopje zou zeker verloren geweest zijn,

daar het van den moederstam afgestooten was. Het entkopje, dat niet

grooter was dan een kleine erwt, had in het najaar de grootte van

een walnoot gekregen, zóó sterk was het gegroeid. Voor halfverloren

planten is enten nog dikwijls een vrij zeker redmiddel.

Het oppotten en verplanten.

Wanneer wij de planten in de kamer kweeken, dan moet er al spoedig

na het zaaien of na het langs ongeslachtelijken weg voortkweeken aan

het oppotten der zaailingen of stekken gedacht worden.

Deze bewerking is zeker gemakkelijker uit te voeren, dan het

verplanten.

Dit laatste behoeft alleen die liefhebber te doen, die zich niet

met het voortkweeken van planten bezighoudt, maar die de door hem

gekochte planten, zoo mogelijk, in goeden staat wil onderhouden. Over

de verschillende aardsoorten, die bij het oppotten en het verplanten

dienst moeten doen, hebben wij reeds vroeger gesproken. Van veel

belang is echter ook het gebruik van goede bloempotten. Een goede

bloempot moet van gebakken klei zijn; hij mag niet te zwaar wezen,

zoodat dunne wanden een vereischte zijn; ook niet te hard gebakken,

daar hij poreus moet zijn. Wat nu den vorm aangaat, is men teruggekomen

van het hooge, smalle model, dat vroeger gebruikt werd; toch mag hij

ook niet te plat wezen. De beste afmeting is, dat een pot even hoog

is, als hij op zijn grootste wijdte middellijn heeft. Zeer platte

potten, die meer van schalen of schotels hebben, zijn slechts in

enkele gevallen, voor planten met weinig wortels aan te bevelen. In

den bodem van iederen pot, moet zich een drainagegaatje bevinden en

al naarmate de potten grooter worden, moeten er drie of vijf zulke

gaatjes in zijn. Gewoonlijk maken de pottenbakkers deze gaatjes van

buiten naar binnen in den pot. Dit is zeer verkeerd, daar dan om het

gaatje zich een eenigszins verhoogde rand bevindt, die het afloopen

van het water belet. Ieder, die dan ook potten koopt, moet daar

zeer op letten en er bij den pottenbakker op aandringen, dat hij het

gaatje van binnen naar buiten in den pot steekt. In de kamers treft

men dikwijls verglaasde potten aan, of ook wel min of meer fraaie

porseleinen potten, ja zelfs ziet men ze wel eens van metaal. In

dergelijke potten is het onmogelijk dat een plant goed kan groeien,

omdat zij niet poreus zijn. De lucht kan door dergelijke potten niet

heendringen, waardoor het opdrogen der aarde bemoeilijkt, zoo niet

geheel onmogelijk gemaakt wordt, hetgeen natuurlijk tot gevolg heeft,

dat deze verzuurt, waardoor dan ziekte in de wortels ontstaat. Wil

men dergelijke fraaie potten toch gebruiken, dan gaat dit zeer goed,

wanneer men de plant in haar oorspronkelijken pot laat staan en ze

daarmede in den fraaieren zet. Het is echter zaak, dan eerst een paar

steentjes of stukjes hout in den buiten pot te leggen, om daar de plant

op te zetten, daar deze anders licht in het doorgeloopen gietwater komt

te staan. Goede potten moeten dus zoo eenvoudig mogelijk zijn. Heeft

men echter grootere planten, die in kuipjes moeten gezet worden, dan

kan men deze zoo fraai en elegant maken als men wil. Voor grootere

planten, die in kuipjes gekweekt moeten worden, is het zelfs geraden,

die wat fraaier te laten vervaardigen, of wel, de eenvoudige kuipjes

met kurk of boomschors te doen bekleeden. Fig. 38 stelt twee zulke

kuipjes voor, die in den handel voor matigen prijs te verkrijgen

zijn. De rechtsche kuip is zeer eenvoudig, de linksche daarentegen

fraaier afgewerkt; deze laatste is ook practischer, omdat door den

uitgestoken rand van den bodem, de lucht beter kan toetreden, terwijl

het overvloedige gietwater beter kan wegloopen.

Men doet het beste, bij het verplanten steeds nieuwe potten te

gebruiken; deze moeten echter vóór het gebruik eerst gewaterd worden,

d.w.z. men moet ze tien à twintig minuten in het water leggen,

opdat de poriën van het steen met water voltrekken. Vergeet men

dit, dan zal na eenigen tijd de aardkluit zich zóó vast met den pot

verbinden, dat bij het verplanten de plant onmogelijk uit den pot te

krijgen is, zonder haar te beschadigen of den pot stuk te slaan. Dit

laatste is natuurlijk schade voor de hand. De oude gebruikte potten

moet men natuurlijk niet wegwerpen, daar deze nog zeer goed gebruikt

kunnen worden. In de meeste gevallen zijn deze potten vuil; aan den

buitenkant zit mos of zwarte aanslag, wat de poreusiteit tegengaat en

aan de binnenzijde zit meestal oude aarde. Deze oude potten kunnen

dus slechts gebruikt worden, wanneer zij eerst goed schoongemaakt

zijn. Hiertoe worden zij, met een harden boenborstel, aan den binnen-

en buitenkant goed afgeschrobd, waartoe men bij voorkeur warm water

gebruikt. Hierna laat men ze goed opdrogen. Zijn de potten sterk

met mos bezet geweest, dan is het raadzaam, ze vóór het gebruik

eenigen tijd in kokend water te leggen, ten einde zoodoende alle

kiemen en mossporen te dooden. Gebruikte kuipjes moeten vóór het

weder in gebruik nemen ook goed met warm water uitgeschrobd worden,

om ze volkomen schoon te maken.

Vóórdat men met het planten of verplanten begint, moet op een tafel

de noodige aarde klaargemaakt worden. Behalve aarde heeft men ook

drainage-materiaal noodig. Wanneer bij het verplanten een pot breekt,

dan behoeft men dien niet weg te werpen. Hij wordt in kleine stukjes

geslagen, die, als drainage in de potten, gebruikt kunnen worden,

mits men ze van te voren goed afwascht. Op het drainage-gaatje, dat

zich, zooals wij gezien hebben, in iederen goeden pot bevindt; legt

men een scherf, en wel zóó, dat de holle zijde naar onder en de bolle

dus naar boven gekeerd is. Heeft men kleine potjes te draineeren,

dan is het voldoende op deze grootere scherf nog enkele kleinere te

leggen. Moet men grootere potten gebruiken, dan is verstopping der

drainage gevaarlijker. De aarde hierin droogt natuurlijk veel langzamer

uit en heeft dus meer kans om te verzuren; terwijl grootere planten

in den regel veel kostbaarder zijn en het verlies er van dus grooter

is. Op ieder drainage-gaatje legt men dan een potscherf en hierboven

een flinke laag kleinere scherven. Heeft men zooveel kleinere scherven

niet voorhanden, dan kan men ook stukjes baksteen, cokes of houtskool

gebruiken. De aarde zal natuurlijk, door het gieten, zeer gemakkelijk

tusschen de drainage-scherven of steentjes indringen en dit moet

zoo mogelijk voorkomen worden. Hiertoe legt men boven de scherven

een laagje moerasmos (sphagnum) of wel zeer grof turfstrooisel. In

den regel is de drainage slechts gedurende betrekkelijk korten tijd

werkzaam. De wortels toch dringen spoedig in de versche aarde en

dan door het moslaagje tusschen de scherven. Wanneer men bij het

verplanten de plant uit den pot neemt, dan zal men meestal zien, dat

haar wortels langs den pot een dicht netwerk hebben gevormd, waarin

de geheele drainage besloten is. Bij sterk groeiende planten dringen

de wortels zelfs in het drainage-gaatje en staan de planten op een

vochtigen bodem of op aarde, dan dringen zij daar zelfs doorheen. Het

is maar goed, dat in bovengenoemd geval de plant meestal veel water

noodig heeft en dus al het gietwater spoedig verbruikt en ook, dat

het overvloedige water tusschen de wortels door, gemakkelijk wegzakt,

wanneer men maar zorgt, dat het gaatje goed geopend blijft. Is het

gaatje toevallig door aarde of wortels verstopt, dan moet men dit,

door er een stokje in te steken, weer vrijmaken.

Gemakkelijk om te leeren en te doen is het oppotten van planten. Men

heeft hierbij meestal te doen met kleine zaad- of stekplantjes,

die tot nu toe in een pan te zamen stonden, en die, voor een beteren

groei, ieder afzonderlijk in een potje moeten gezet worden. Hiertoe

bedient men zich van het kleinste model potjes, die onder den naam

stekpotjes voorkomen. Bij het opplanten in zulke kleine potjes,

waarin de planten natuurlijk slechts korten tijd staan, behoeft men

niet zoo heel veel werk van de drainage te maken; één scherf op het

drainage-gaatje is voldoende.

Het oppotten geschiedt op de volgende wijze. Men vult het potje

geheel met aarde, maakt daar, in het midden, met den wijsvinger van de

rechterhand een vrij ruim putje in, waarin men het op te potten plantje

met de linkerhand houdt. Met duim en wijsvinger van de rechterhand,

wordt nu de aarde rondom de wortels goed vastgedrukt, zoodat het

plantje stevig vaststaat. Is men zoover gevorderd, dan wordt de aarde

in het potje nog een weinig aangedrukt, terwijl er zoo noodig, nog

wat aarde bijgevoegd wordt. (Fig. 19). Wat het plantje zelf betreft,

dit wordt van te voren zeer voorzichtig uit de pan of den pot, waarin

het gerepikeerd stond, genomen en indien de wortels wat lang zijn,

worden deze ingekort. Dit inkorten is voor de ontwikkeling van talrijke

haarworteltjes zeer bevorderlijk.

Omslachtiger en ook veel moeilijker dan het oppotten is het

verplanten. De beste tijd om te verplanten is voor de meeste planten

zeker wel het voorjaar, wanneer zij weder tot ontwikkeling beginnen te

komen. Planten, die in het voorjaar bloeien, moeten pas na den bloei

verplant worden, omdat zij dan in haar ontwikkeling niet gestoord

mogen worden. Snel groeiende en dus veel voedsel behoevende planten,

moeten in den loop van den zomer nogmaals verplant worden. Fijne

bladplanten en andere, die zich minder snel ontwikkelen, behoeven

slechts eens per jaar verplant te worden, terwijl grootere kuipplanten

daaraan geen behoefte hebben in perioden, afwisselende tusschen vier

en tien jaar; vooral wanneer men niet te spaarzaam is met vloeibaren

mest. (Zie het hoofdstuk "De bemesting"). Vóór men nu een plant in een

grooteren pot zet, moet men onderzoeken of de pot, waarin zij staat,

goed volgeworteld is; daar een gezonde plant niet verplant behoeft te

worden, voordat dit het geval is. Het onderzoek, naar den toestand der

wortels geschiedt door het uit den pot slaan. Men neemt de plant in

de linkerhand en wel zoo, dat de stam zich tusschen den wijs- en den

middelvinger of tusschen den middel- en den ringvinger bevindt. Men

keert nu plant met pot ten ondersteboven, neemt de onderzijde van

den pot in de rechterhand en slaat daarop zijn rand een paar keer

flink op dien van de verplanttafel. Men zal zien, dat de aardkluit

nu van den pot loslaat, welke laatste daarop gemakkelijk van de

eerste kan afgenomen worden (Fig. 39). Men heeft nu de plant met

haar geheel wortelgestel vóór zich, zoodat men het laatste op zijn

gemak kan bekijken. Zijn de wortels overal goed om den pot gegroeid,

of hebben zij zich zóó sterk ontwikkeld, dat zij een viltachtig

netvormig weefsel om de geheele kluit heen vormen, dan is de tijd om te

verplanten daar. Men kiest nu den pot uit, dien men wil gebruiken. In

de eerste plaats moet er op gelet worden, dat de te gebruiken pot niet

te groot is, wijl de aarde daarin dikwijls reeds zuur wordt, vóórdat

de jonge wortels er in hebben kunnen doordringen. De pot, dien men

wil gebruiken, moet zóó groot zijn, dat de kluit der plant er in past

en er dan rondom haar, al naar de grootte der plant, een ruimte van

één tot drie centimeter overblijft. Voordat men tot het verplanten

overgaat, moet nu de kluit losgemaakt worden. Met een spits stokje,

waartoe men het beste een puntig toegesneden plantenstokje gebruikt,

wordt dit werk verricht. Eerst wordt de aarde om den rand van de kluit

een weinig afgebroken en daarna worden de in elkander gegroeide wortels

voorzichtig losgemaakt. Het beste geschiedt dit door met de punt van

het stokje van boven naar beneden--d.w.z. van den onderrand der kluit

naar de plant toe--voorzichtig langs den buitenkant van de kluit te

steken. Dit moet echter zeer voorzichtig geschieden, daar men anders

te diep in haar steekt, waardoor de wortels beschadigd zouden worden

en zij te veel aarde zou verliezen (Fig. 40). De losgemaakte wortels

hangen nu langs de kluit.

Zeer doelmatig is het voor alle planten met een sterk ontwikkeld

wortelgestel, en vooral voor die met veel haarwortels, de afhangende

wortels, met een scherp mesje, behoorlijk in te snijden (Fig. 41

en 42). Heeft men echter Palmen, Bol- of Knolgewassen te verplanten

en in het algemeen gewassen met sterk ontwikkelde hoofd- en weinig

haarwortels, dan moet er aan de gezonde wortels in het geheel niet

gesneden worden; alleen de zieke of beschadigde wortels snijdt men dan

met een scherp mesje af. Ook aan de planten met weinig of zeer zwakke

wortels mag niet gesneden worden; het losmaken van de kluit moet echter

steeds geschieden. Opgemerkt moet nog worden, dat er enkele planten

zijn, die van nature slechts zeer zwak ontwikkelde wortels hebben,

zoodat zij, wat men noemt, geen kluit houden, d.w.z. dat de aarde na

het verwijderen van den pot van de wortels afvalt. Bij dergelijke

planten behoeft men zich daar echter niet ongerust over te maken,

het heeft geen nadeelige gevolgen.

Heeft men de kluit losgemaakt en de wortels behoorlijk ingesneden,

dan kan het verplanten beginnen. In den gekozen pot wordt nu eerst

op de voorgeschreven wijze de drainage aangebracht. Op deze drainage

wordt dan een laag aarde gelegd en deze aarde een weinig aangedrukt

met den rug van de rechterhand. Op deze aarde zet men nu de kluit

en let er op, of die diep genoeg staat. De kluit toch mag niet te

ondiep staan, omdat dan de wortels boven den pot zouden uitsteken of

met te weinig aarde bedekt zouden worden. Zet men de kluit echter

te diep, dan komt een gedeelte van den stam onder de aarde, en dit

is in verscheidene gevallen ook zeer nadeelig, omdat daar wel eens

rotting van stam of stengel het gevolg van kan zijn. Er moet dus

goed toegezien worden, dat de bovenkant der kluit één, hoogsten

twee vingerbreedte diep onder den rand van den pot komt te staan,

zoodat zij behoorlijk met aarde kan worden bedekt. Men zet de kluit

zóó in den pot, dat de stam of stengel juist in het midden komt te

staan. Met de linkerhand wordt nu de plant op haar plaats gehouden,

terwijl men met de rechterhand den pot verder met aarde aanvult. Om

nu de aarde behoorlijk onder in den pot aan te drukken, gebruikt men

een verplantstok. Dit is een plat stokje, dat men aan één zijde dun

afsnijdt, zoodat het den vorm van een lange wig verkrijgt. Met het

verplantstokje wordt de aarde nu voorzichtig tusschen de kluit en den

wand van den pot aangedrukt. Hierbij moet men vooral oppassen niet

met het verplantstokje in de kluit te stooten, daar dan de wortels

gekneusd zouden worden; het beste is zooveel mogelijk langs den rand

van den pot te drukken (Fig. 43).

De aarde moet zeer gelijkmatig worden aangedrukt. Is de ruimte

tusschen kluit en pot tot aan den bovenrand gevuld, dan stoot

men den pot eenige malen flink op de tafel om het geheel nog een

weinig te doen inzakken. Hierna wordt een laagje aarde op de kluit

gebracht, dat men met de vingers matig aandrukt, er voor zorgende,

dat het bovenvlak steeds goed losblijft. Heeft men kleine plantjes

te verplanten, dan behoeft men geen verplantstokje te gebruiken; de

aarde kan dan met den wijsvinger aangedrukt worden. Het is lang zoo

gemakkelijk niet als het wel schijnt, een plant zóó te verplanten,

dat zij goed in het midden van den pot staat en de aarde overal om de

kluit goed aangedrukt is. Om dit goed te doen, moet men er zich veel

in oefenen, maar ieder liefhebber, die het met ware liefhebberij

doet, zal het spoedig genoeg leeren. Van veel belang is het, dat

men bij het aandrukken van de aarde geen holen doet ontstaan, ze

niet te vast en ook niet te los aandrukt. Laat men holen tusschen de

aarde, of drukt men te los aan, dan loopt het gietwater dadelijk weg,

zonder de kluit behoorlijk te bevochtigen. Heeft men te vast geplant,

dan kunnen de wortels van vele planten slechts moeielijk in de aarde

doordringen. Zeer weinige teerdere planten, zooals Selaginella's en

enkele Varen-soorten, willen los opgepot worden.

Er doen zich wel eens gevallen voor, waarin niet goed van wortels

voorziene planten toch verplant moeten worden. Dit kan gebeuren,

wanneer uit den slechten reuk der aarde blijkt, dat deze zuur is,

of wel, wanneer men uit het slecht groeien der planten opmaakt

dat de wortels ziek zijn. Wortelziekte is in de meeste gevallen

het gevolg van ondoordacht gieten, van het gebruik van te koud of

slecht water, of van het gebruik, voor zwak bewortelde planten, van

een te grooten pot. Wortelzieke planten worden uit den pot genomen

en al de aarde tusschen de wortels uitgeschud. De wortels worden

hierna goed afgewasschen en alle zieke deelen met een scherp mes

afgesneden. Verkrijgt men zoodoende groote snijvlakken, dan worden

deze met houtskoolpoeder bestrooid. Om planten, die erg wortelziek

zijn, nog te redden, doet men het beste, ze in een zoo klein mogelijke

pot te zetten, een pot, die dikwijls veel kleiner moet zijn dan die,

waar zij uitkwam. Een vereischte bij het oppotten van zulk een plant

is dan, dat men voor een zeer goede drainage zorgt, zoo mogelijk

lichten grond gebruikt, en dezen rijkelijk met zand en in enkele

gevallen met fijne houtskool vermengt.

De behandeling van pas opgepotte of verpotte planten.

Na het oppotten of verpotten worden de planten dadelijk aangegoten;

vooral bij teedere en grootbladerige planten, die neiging hebben om

spoedig slap te hangen, moet dit zoo gauw mogelijk geschieden. Palmen

en eenige andere plantensoorten, waaronder ook Vetplanten, kunnen,

wanneer men bij het verpotten donker weer heeft, daarentegen enkele

dagen onaangegoten blijven staan. Of men echter dadelijk aangiet,

dan wel, daarmede nog wat wacht, wanneer men het doet, moet men het

goed doen. Bij het verplanten, heeft men er natuurlijk voor gezorgd

een behoorlijken gietrand te houden, d.w.z. dat men niet den geheelen

pot met aarde heeft gevuld, maar er voor zorgde, dat het bovenvlak

der aarde een weinig onder den rand van den pot bleef. Deze ruimte,

die noodzakelijk is om te beletten, dat bij het gieten het water

dadelijk van den pot afloopt, noemt men den gietrand. Bij het gewone

gieten, is het voldoende, dezen gietrand eens met water te vullen,

bij het aangieten gaat men echter anders te werk. Men neemt een fijnen

broes-gieter en besproeit daarmede de aarde, er voor zorgende, dat er

geen water op blijft staan. Deze bewerking herhaalt men, al naar de

grootte van den pot, drie-, vier- of vijfmaal, ten einde te zorgen,

dat de geheele kluit behoorlijk vochtig wordt. Door op deze wijze aan

te gieten, blijft het oppervlak der aarde los en poreus, terwijl dit

zich anders direct zou sluiten en er dan een harde korst ontstaat,

die het zoo noodige doordringen der lucht in de aarde verhindert. In

den beginne zijn de pas opgepotte of verpotte planten zeer gevoelig

voor te veel water, daar zij veel minder snel opdrogen, dan goed

doorwortelde planten. De versche grond blijft toch vochtig, zoolang

daar geen jonge worteltjes in doorgedrongen zijn. Het beste is dan

ook deze planten eerder iets te droog dan te vochtig te houden; men

voorkomt daardoor, dat de versche aarde zuur wordt en prikkelt de plant

tot vernieuwde wortelvorming. Zijn de jonge worteltjes eenmaal goed in

den nieuwen grond doorgedrongen, dan is deze voorzichtigheidsmaatregel

niet meer noodig. Om te voorkomen dat bij het gieten te veel water in

den verschen, nog niet met wortels doordrongen, grond dringt, hoogt

men bij het verplanten de aarde een weinig naar den rand van den pot

op. Er ontstaat hierdoor rondom den stengel een soort kom, waar het

water naar toe zakt, dat zoodoende in de oude kluit dringt. Vooral

moet er op gelet worden, dat de kluit, bij het verplanten, behoorlijk

vochtig is, daar deze anders moeilijk water opneemt, terwijl bij

het aangieten het water door de versche aarde wegzakt, waardoor de

kluit zou verdrogen en de wortels ziek zouden worden. Pas geplante

gewassen moeten den eersten tijd steeds met een broesgietertje en

nooit met een pijpgieter gegoten worden, door den laatste wordt de

nog losse aarde van haar plaats gespoeld; er ontstaan dan kuiltjes in

de oppervlakte der aarde, waardoor zeer licht wortels komen bloot te

liggen. Zijn de planten na het verpotten goed doorgegroeid, zoodat

men kan veronderstellen dat zij talrijke wortels langs den potwand

hebben gemaakt, dan brengt men om den stam heen een weinig aarde,

waardoor nu het bovenvlak eenigszins naar buiten toe afhelt. Dit is

noodig, omdat nu de buitenkant van de kluit het meeste uitdroogt en

het gietwater zoodoende daarheen geleid wordt. Zeer dikwijls lijden de

planten door het verpotten; de wortels toch worden er door gestoord en

nu en dan nogal beschadigd. De kweeker heeft hier tegen verschillende

hulpmiddelen, hetzij dat hij de planten in de gesloten, warme, vochtige

lucht van een kas brengt, hetzij dat hij ze een warmen voet geeft,

door ze met de potten in een broeibak te graven. Dergelijke middelen

staan den liefhebber echter niet ten dienste; deze moet dan ook zijn

planten, gedurende dezen overgangstijd, meer of min als patiënten

beschouwen. Warme planten vooral moeten op een zoo licht en warm

mogelijke plaats gezet worden; tegen de zon moet zorgvuldig geschermd

worden en vooral moet men de planten dikwijls spuiten. Het voorkomen

van tocht en van sterke schommelingen in de temperatuur zal aan de

planten, vooral in dit critieke tijdperk, zeer ten goede komen.

Het gieten.

Een van de moeilijkste werken, zoo niet het moeilijkste werk, is

voor den liefhebber zeker wel het gieten der potgewassen. Hij, die

hiermede goed overweg kan, mag zich gerust een eenigszins ervaren

plantenkweeker noemen. In de meeste gevallen worden de kamerplanten

ziek, door de lichtvaardigheid waarmede ze gegoten worden. In plaats

dat de liefhebber dan pleizier heeft van zijn planten, ze ziet groeien,

in omvang toenemen en ten slotte ziet bloeien, gebeurt juist het

tegenovergestelde. Hij ziet het ééne blad na het andere verwelken en

afvallen; hij ziet de twijgjes verdrogen en de wortels ziek worden,

totdat ten laatste zijn kweekelingen sterven en de eigenlijke oorzaak

daarvan kan hij maar niet bevroeden.

Den minsten last heeft men, wat gieten betreft, met die planten,

welke het minst in de kamer gekweekt worden; namelijk met de water

en moerasplanten. Bij de waterplanten vervallen alle moeilijkheden

dienaangaande; daar men slechts behoeft te zorgen, dat zij voldoende

diep in het water staan en dus nu en dan voor het verdampte water

versch behoeft bij te vullen. Moerasplanten, die niet direct in

water, doch in een moerassigen en dus zeer waterrijken bodem groeien,

behoeft men slechts in schaaltjes of schoteltjes te zetten en er voor

te zorgen, dat deze steeds voldoende met water gevuld blijven.

Voor alle overige planten is het gieten lang zoo eenvoudig niet.

Men moet hierbij rekening houden met het jaargetijde, zoowel als

met den gezondheidstoestand en den groei der planten. Ook moet de

grootte der potten of kuipjes in het oog gehouden worden en ook, of

men met pas verpotte gewassen te doen heeft, of niet. In de eerste

plaats moet men er op rekenen, dat bij alle planten op een periode

van flinken groei een periode van rust volgt; tijdperken, welke niet

sterk begrensd zijn, maar langzaam in elkander overgaan.

Talrijke planten zijn er, die gedurende haar groeitijd bijna niet

genoeg water kunnen krijgen, terwijl diezelfde planten in den rusttijd

zeer gevoelig voor te veel water zijn. In de groeiperiode komt het

vaak voor, dat planten, die des morgens flink gegoten zijn, des

avonds weder behoefte hebben aan water. Dit wil nu niet zeggen, dat

de planten gedurende dezen korten tijd al dit water verbruikt hebben,

doch men moet niet vergeten, dat vooral gedurende den zomer, de zon en

de heerschende droge lucht de aarde der potten ook niet weinig doet

uitdrogen. Voordat men een plant giet, moet men zich overtuigen of

zij wel water noodig heeft. Er zijn verscheidene kenteekenen waaraan

een leek de behoefte aan water kan waarnemen.

Planten, die teer van bouw zijn, laten, zoodra zij gebrek aan

water krijgen, al spoedig de bladeren hangen, maar ook planten van

krachtiger bouw, krijgen, wanneer zij gebrek aan water hebben, een

matte tint en gaan daarop slap hangen. Een plant, die slap hangt,

moet natuurlijk dadelijk gegoten worden. Het is echter zeer gewenscht,

dat men niet wacht met gieten, totdat de planten slap gaan hangen,

zoodat het kennen van andere kenmerken zeer noodig is. Een eenvoudig

kenteeken is de eigenschap die allen aardsoorten, ook den zwarten,

eigen is, namelijk om in drogen toestand lichter gekleurd te zijn

dan in vochtigen. Zware leemachtige aardsoorten bersten ook nog, als

ze droog zijn. Zeer dikwijls komt het echter voor, dat de bovenlaag

der aarde er droog uitziet, terwijl het inwendige, waar zich juist

de wortels bevinden, nog voldoende vochtig is. In zulke gevallen kan

men echter toch ook tamelijk gemakkelijk weten of men al dan niet

gieten moet. Een zeer juist kenteeken heeft men, in zulke gevallen,

in het gewicht der plant. Terwijl toch vochtige planten eenigszins

zwaar aanvoelen, kenmerken droge planten van dezelfde afmeting zich

door een veel lichter gewicht.

Natuurlijk behoort er eenige oefening toe, om aan het gewicht te

onderscheiden of een plant behoefte heeft aan water. Bij een weinig

practijk krijgt men deze echter spoedig.

Gedurende den groeitijd, dus midden in den zomer, heeft het niet

veel te beteekenen of men al een keer te veel giet; gedurende den

winter is dit echter iets anders; één fout, in het gieten begaan,

kan dan voor de plant noodlottig worden. Dikwijls verloopen er weken,

voordat een in haar rusttijd te veel gegoten plant weer opdroogt.

Voor in kleine potjes staande planten is te veel gieten ook niet zoo

nadeelig als voor die, welke in grootere potten of kuipjes worden

gekweekt. Bij het gieten van grootere pot- en kuipplanten, moet

men dus met bijzondere voorzichtigheid te werk gaan; men kan zich

hier niet meer verlaten op de kleur der aardoppervlakte, maar men

moet door kloppen tegen den pot- of kuipwand den vochtigheidsgraad

bepalen. Verkrijgt men door te kloppen een doffen toon, dan is de

aarde droog.

Het is een merkwaardig verschijnsel, dat de eigenlijke water- en

moerasplanten slechts betrekkelijk weinig vocht in haar weefsel

opzamelen, terwijl de in droge landstreken groeiende planten veel

meer water bevatten. Juist dààrdoor zijn deze laatste dan ook in

staat langen tijd droogte te verdragen. Inderdaad hebben de wortels

slechts zeer weinig behoefte aan water en zijn het hoofdzakelijk de

in het water opgeloste voedingsstoffen, die de plant opneemt. Uit

dit oogpunt beschouwd, moet het dus wel schadelijk werken, wanneer de

aarde met water oververzadigd is. De aarde moet los en poreus zijn,

zoodat het water gemakkelijk kan doorzakken. Heeft men staand water,

dan ontstaat er rotting in den bodem, de lucht wordt daaraan en ook aan

de wortels onttrokken, en het is zoodoende de onmiddellijke oorzaak

van den dood van alle landplanten. Deze hoogst ongunstige werking is

de reden, waarom de schaaltjes of schoteltjes, die uit zindelijkheid

dikwijls onder de planten gezet worden, zooveel mogelijk moeten

vermeden worden. Wil men ze toch gebruiken, dan moeten zij, zoodra

het doorgeloopen gietwater zich er in verzameld heeft, leeggegoten

worden. Alleen wanneer men planten heeft, die in een zeer lichte,

doorlatende aarde staan, mag men ze een half uur na het gieten pas

leegmaken, daar in dit geval het water dikwijls wegloopt zonder de

aarde voldoende bevochtigd te hebben. Een groote fout zou dit echter

wezen, er met het gieten op te rekenen, dat het water niet door den

pot loopt.

Wanneer men giet, dan moet dit, onverschillig welk jaargetijde het is,

goed geschieden, zoodat het water de geheele kluit doortrekt en ten

slotte door het drainage-gaatje in den bodem wegloopt. Fig. 44 toont

naast het gewone plantenschoteltje een tweetal, die sinds eenigen tijd

in den handel gebracht zijn. Deze laatste zijn voor den liefhebber zeer

gemakkelijk, daar zij niet dadelijk na het gieten leeggemaakt behoeven

te worden. Een tweede voordeel is het ook nog, dat, blijft het water

er in staan, dit langzaam verdampt, en zoodoende de planten met een

vochtige atmosfeer omringt, terwijl deze toch niet met den pot in het

water staan. Iedere pottenbakker kan, wanneer hij deze schoteltjes

niet heeft, ze gemakkelijk naar de afbeelding vervaardigen. Vaste

regels kunnen voor het gieten onmogelijk gegeven worden; dit hangt,

zooals wij reeds opmerkten, veel af van het jaargetijde, van den

gezondheidstoestand der planten en de afmeting der potten waarin

zij staan.

Naast de hoeveelheid water, die men geeft, is het ook van belang met

welk water er gegoten wordt. Het meest geschikt is zeker wel vijver- of

regenwater. Rivierwater is meestal ook zeer goed te gebruiken, mits men

zeker is, dat dit niet door loozingswater van fabrieken verontreinigd

is. Leidingwater is ook niet schadelijk, doch dit is in de meeste

gevallen zeer arm aan voedende bestanddeelen. Het minst geschikt is

bron- of welwater, daar dit in den regel te hard is en daarbij maar

al te dikwijls kalk en andere minerale stoffen bevat, die vaak zeer

schadelijk kunnen werken op de ontwikkeling der planten. Water,

dat te veel kalk bevat, moet men in geen geval gebruiken; is het

gebruik daarvan echter niet te vermijden, dan laat men het een paar

dagen vóór het gebruik in een kuip zetten en voegt men er een weinig

koolzure kali of potasch aan toe, die dan de kalk neerslaat.

Een factor, die ook niet uit het oog verloren mag worden, is

de temperatuur van het water. Vele mooie, sterke planten worden

wortelziek, doordat zij met te koud water werden begoten. Niet alleen

voor teedere planten is het koude water nadeelig, maar zelfs de hardste

planten hebben daarvan te lijden. In ieder jaargetijde, hetzij zomer

of winter, moet men voor het gieten geen ander water gebruiken, dan dat

minstens twaalf uren in hetzelfde vertrek heeft gestaan als de planten,

en zoodoende de temperatuur van dit vertrek heeft aangenomen. Een

voorname rol speelt ook het tijdstip waarop gegoten wordt. Des zomers

giet men het beste 's avonds, 's winters daarentegen des morgens.

Indien het eenigszins mogelijk is, moet het gieten van in de zon

staande planten vermeden worden. Is het niet voldoende, gedurende

het warme seizoen uitsluitend des avonds te gieten, dan doet men dit

's morgens voor den tweeden keer, terwijl men dan in den namiddag de

planten verfrisschen kan, door ze licht te besproeien. Gewoonlijk

houdt zware kleiachtige grond het water lang vast en planten, die

daarin staan, behoeven dus niet zoo dikwijls gegoten te worden. Het

is echter onmogelijk om alle kamerplanten in zware aarde te kweeken;

de teerste verlangen daarentegen juist lichten grond, zooals blad-

of boschgrond. Deze aardsoorten hebben niet alleen de eigenschap bij

warm weer sterk uit te drogen, maar, en hier moet vooràl op gelet

worden, zijn zij eenmaal goed uitgedroogd, dan nemen zij niet zoo

heel gemakkelijk het water op. Is een in deze aarde geplaatste plant

eens goed droog en giet men haar, dan loopt het water tusschen de

kluit en den potwand weg, zonder de kluit, waarin de wortels zich

bevinden, te bevochtigen. Hoogstens de oppervlakte wordt dan even

nat. Hetzelfde gebeurt ook, wanneer, door te sterk uitdrogen, de

kluit van den potwand heeft losgelaten en men haar, vóór het gieten,

niet eerst goed aangedrukt heeft.

Niet weinig kamerplanten gaan door dit uitdrogen ten gronde. Een

plant, waarvan de kluit inwendig droog is, begint te kwijnen; zij

verdort, zonder dat de onervaren liefhebber er achter kan komen,

wat de ware oorzaak daarvan is. Een meer geoefend liefhebber behoeft

den pot slechts even op te lichten, om aan het gewicht te bemerken,

waar de fout schuilt. In twijfelachtige gevallen zal men wijs doen,

de plant voorzichtig uit den pot te nemen, om te onderzoeken of zij

ook uitgedroogd kan zijn. Is de plant werkelijk geheel uitgedroogd,

dan bestaat er slechts een radicaal middel, namelijk haar in een

emmer met water te zetten. Het kan voorkomen, dat zij zóó licht is

geworden, dat zij op het water blijft drijven. Meestal heeft een plant

meer dan een half uur noodig om zoodoende tot haar vocht te komen;

het wil echter wel gebeuren, dat daar vijf à zes uren voor noodig zijn.

Het ligt vóór de hand, dat het te weinig gieten ook zeer schadelijk

voor den groei der planten is. Maar dit is niet de groote fout van

de meeste liefhebbers; de meesten gaan aan het euvel mank, dat ze

den planten te veel van het goede geven en daardoor veel te rijkelijk

gieten. Wij hebben reeds gezegd, waardoor het te veel gieten schadelijk

is voor de planten en het is nog zeer de vraag, wat noodlottiger is,

het te veel of te weinig gieten. Als zeker kan men aannemen, dat het te

weinig gieten minder gevaarlijk is, daar men dit den planten, die aan

droogte lijden, direct kan aanzien en ook, omdat deze, wanneer men ze

gegoten heeft, zich tamelijk snel weder herstellen. Een plant echter,

dien men te veel water geeft, toont aanvankelijk geen verandering;

begint zij eindelijk ziekelijk te worden, dan kan men met tamelijke

zekerheid aannemen, dat de wortels ziek zijn, en in de meeste gevallen

zullen zij dan wel reeds tot verrotting zijn overgegaan.

Een groote fout begaan vele liefhebbers, vooral bij de buitenstaande

planten, doordat zij te wild met het water omgaan en in plaats van

de tuit des gieters op den rand van den pot te leggen en dan langzaam

het water op de plant te gieten (Fig. 45), die er ver van verwijderd

houden en er het water op laten stroomen, zoodat de aarde met het

opspringende water medegevoerd wordt. Door deze wijze van gieten,

ontstaan er gaten in de kluit en worden er wortels bloot gelegd,

wat natuurlijk moet voorkomen worden (Fig. 46). In woonkamers, waar

men alle morsing zooveel mogelijk tracht te voorkomen, wordt meestal

voorzichtiger gegoten. In Fig. 47 geven wij nog een afbeelding van een

door J. C. Heinemann, te Erfurt, in den handel gebracht kamergietertje,

dat het bemorsen der woonvertrekken zooveel mogelijk voorkomt. In

plaats van een tuit is er aan dezen gieter een gutta-percha slangetje

verbonden met een glazen mondstukje. Bij het gieten, neemt men het

einde der slang in de hand, houdt het glazen mondstukje op den pot

en regelt door in de slang te knijpen den toevoer van het water. Na

afloop van het gieten, wordt het slangetje in den gieter gelegd.

Let men bij het gieten goed op, dan is dit niet zoo moeilijk als het

zich wel laat aanzien. Een liefhebber, die werkelijk hart voor zijn

planten heeft, zal spoedig den rechten weg vinden, indien hij niet

slechts oogen heeft, maar daar ook goed mede kan zien. Uit kleine

veranderingen, die zijn planten ondergaan en welke een gewoon mensch

niet ziet, zal hij al heel spoedig de behoeften van zijn kweekelingen

leeren kennen en zal hij al gauw raad weten, hoe daarin te voorzien.

De bemesting der potplanten.

Bij het kweeken van planten geldt het tamelijk wel als regel, dat

men verplanten moet, wanneer de pot met wortels volgegroeid is en

de aarde dus geen voldoend voedsel meer bevat. Het verplanten is

echter niet ten allen tijde even raadzaam. Heeft men teere planten,

dan is het, door het verre seizoen, dikwijls onmogelijk geworden; bij

grootere planten, vooral kuipplanten, is het vaak te kostbaar en te

lastig en bij de, in het voorjaar, met bloemplanten bezette waranda-

en balkonbakjes is het meestal onmogelijk. Groeien de planten in al

deze gevallen goed en wil men ze gaarne wat goed doen, dan is het

raadzaam om mest te gebruiken.

Wil men van de bemesting een goede werking verwachten, dan moet men

er voorzichtig mede zijn en haar slechts toepassen bij gezonde, goed

bewortelde planten. Zieke planten of gewassen, die in haar rusttijd

zijn, mogen nooit bemest worden. Fraai bloeiende planten mogen pas dán

bemest worden, wanneer de bloemknoppen zich beginnen te ontwikkelen;

doet men dit vroeger, dan zal men wel een sterke bladontwikkeling,

doch geen bloemen krijgen. Gewoonlijk begint men met de bemesting in

de maanden Mei en Juni, en, al naar den aard der te behandelen planten

en van den te gebruiken mest, herhaalt men dit met tusschenruimten

van vier tot veertien dagen. Bij potgewassen gebruikt men in den

regel slechts vloeibaren mest, die dadelijk na de toediening begint

te werken. De bemesting doet men het best op donkere dagen of tegen

den avond. De mest heeft slechts dán invloed, wanneer geen ongunstige

omstandigheden den groei der plant beletten en er geen fouten in de

behandeling worden begaan. Ook moet men niet vergeten, dat door de

bemesting het verplanten slechts verdaagd wordt, daar deze bewerking,

vroeger of later, toch moet geschieden, indien men niet wil, dat de

elkander verdringende wortels tot rotting overgaan.

In den laatsten tijd worden de chemische hulpmeststoffen zeer

aanbevolen. Deze zijn uit verschillende zouten en minerale

bestanddeelen samengesteld. Wij durven echter deze meststoffen den

liefhebber niet aanraden. Hij toch kan moeilijk, of in het geheel niet

nagaan, welke bouwstoffen een plant noodig heeft, en de meeste dezer

chemische meststoffen zijn bij verkeerde aanwending zeer gevaarlijk,

terwijl bij juiste aanwending de resultaten toch altijd bij vele

plantengeslachten zeer twijfelachtig zijn.

Een liefhebber doet verreweg het beste, meststoffen te gebruiken,

bestaande uit plantaardigen en dierlijken afval; deze bevatten evenals

goede aardsoorten al die voedingsstoffen, welke de planten voor een

goeden groei noodig hebben.

Een der beste meststoffen is zeker wel de koemest. Op een afgelegen

plek van het huis of den tuin zet men een vaatje neer, dat men met

water laat vullen. Door dit water wordt zooveel koemest geroerd,

dat het een donker troebel voorkomen krijgt. Op dezelfde wijze

behandelt men den zeer goed bruikbaren schapenmest. Het mengsel,

dat men met deze mestsoorten laat bereiden, is bekend onder den

naam van gier. Door den minder aangenamen reuk laat deze gier zich

natuurlijk niet best in een kamer gebruiken. Voor in den tuin of de

waranda staande planten is zij echter zeer aan te bevelen.

Voor bemesting in de kamer gebruikt men Peru of Vischguano, kippen-

of duivenmest. Deze mestsoorten vermengt men met koud water, welk

mengsel dan voor het gebruik een paar dagen moet staan, of wel,

men lost het in kokend water op; in dit geval kan men het na het

koud worden toedienen. Het is niet raadzaam de oplossingen van deze

droge meststoffen te sterk te nemen, 2 à 3 gram op een Liter water

is voldoende. Op dezelfde wijze wordt ook beender- en hoornmeel

aangewend, beide zijn zeer stikstofrijke en goede meststoffen. Ook

Salmiak kan als een stikstofhoudende meststof gebruikt worden, mits men

er voorzichtig mede is en niet meer gebruikt, dan enkele druppels op

een gieter water. Bij het gebruik van vloeibare meststoffen moet men

er op letten nooit te bemesten, wanneer de planten droog zijn. Is dit

het geval, dan worden de potten eerst met gewoon water gegoten, daarna

bemest en is men wellicht bang, te sterk gemest te hebben, dan kan men

met water nog eens nagieten. Bij het verplanten van sterk groeiende

planten kan men ook enkele hoornspanen (afval van hoorndraaierijen

en kammenfabrieken) door de aarde heenmengen. Deze meststof werkt

zeer langzaam, daar zij pas na enkele maanden verteert. Bij den, op

genoemde wijzen bereiden vloeibaren mest, kan men nog wat houtasch

of schoorsteenroet voegen, wat de werking nog een weinig verhoogt.

Daar de meeste meststoffen eenigszins scherp werken en daar de meeste

planten haar voedsel slechts in zeer zwakke oplossingen opnemen,

moet men er zeer voorzichtig mede wezen. De vloeibare mest dringt

zeer snel door de geheele kluit tot aan de fijnste haarworteltjes,

en bij een te sterke dosis kan dit zeer gevaarlijk worden. Het beste

is dus, slechts zeer zwakke oplossingen te gebruiken en dan enkele

keeren meer toe te dienen. Midden in den zomer, wanneer de planten

in vollen groei zijn, gebruiken zij de meeste voedingsstoffen; van

het begin van den rusttijd echter tot den hernieuwden groei in het

volgend voorjaar, hebben zij weinig of geen voedsel noodig en de

bemesting moet dàn ook geheel achterwege blijven.

In den handel komen enkele soorten bloemenmest voor, meest in een nette

verpakking, welke bij de meeste zaadhandelaars verkrijgbaar zijn. Deze

meststoffen hebben somtijds een zeer goede werking en bevelen zich

ook aan, wijl zij in het geheel niet rieken. Bij ondervinding weten

wij, dat er door enkele vertrouwde handelaren in hulpmeststoffen

tegenwoordig zeer goede mengsels in den handel worden gebracht. Van

deze meststoffen geeft men, met tusschenpoozen van enkele weken,

al naar de grootte der planten, een grootere of kleinere hoeveelheid

droog op iederen pot. Op dezelfde wijze kan ook Guano of hoornmeel

toegediend worden. Men verwijdert daartoe om den potrand een weinig

aarde, strooit in het gemaakte gleufje den mest en bedekt dat weder

met aarde, waarna de plant flink gegoten wordt.

Maar al te dikwijls wordt door onze dames koffiedik als meststof

gebruikt, terwijl talrijke heeren een zwak hebben, daarvoor sigarenasch

te doen dienen. Beide stoffen zijn wel onschadelijk, maar hebben niet

den minsten invloed op de ontwikkeling der planten. Men doet dus beter,

beide stoffen maar niet op de potten te brengen, daar zij deze slechts

verontreinigen.

Vatten wij de hoofdregelen voor de bemesting nog eens in het kort

samen, dan zien wij, dat men steeds zwak, maar liever enkele keeren

meer moet bemesten. Men diene nooit mest toe aan zieke of pas

verplante gewassen, maar doe dit slechts, wanneer zij goed gezond

en doorgeworteld zijn. De toediening moge nooit geschieden, wanneer

de plant droog is of in de zon staat, maar men doe dit uitsluitend

des avonds of op donkere dagen. Zeer langzaam groeiende of teere

planten bemeste men bij voorkeur nooit, of, zoo dit al noodig is,

dan in geen geval met sterke, veel stikstof bevattende meststoffen.

Het snoeien der potplanten.

Maar al te vaak vindt men in de kamers en voor de vensters planten,

hetzij groenblijvende of bloemplanten, die een zeer treurigen indruk

maken. Dit is niet altijd het gevolg van een slechte behandeling,

maar van het feit, dat de onkundige bezitter ze niet behoorlijk

snoeide. Terwijl tuinman zoowel als liefhebber, door onverstandig

snoeien van vruchtboomen en bloemheesters, dikwijls meer bederven dan

zij goedmaken, wordt bij kamerplanten de meeste schade aangericht,

doordat in het geheel niet gesnoeid wordt. Men vergete niet, dat de

potplanten eenigszins als gevangenen kunnen beschouwd worden. De

wortels zijn tot den pot beperkt, en kunnen hun natuurlijke

ontwikkeling niet verkrijgen, en daar vele planten uit een gunstiger

klimaat stammen, kunnen zij natuurlijk niet zulke forsche scheuten

ontwikkelen, als zij dit in de vrije natuur van haar moederland

doen. De betrekkelijk zwakke scheuten der potplanten groeien, wanneer

zij niet gesnoeid worden, gewoonlijk slechts aan de toppen der twijgjes

uit; van onder blijven zij dus kaal. Door het gewicht der, in het

tweede jaar, ontstane twijgen worden de eersten nu zoo bezwaard, dat

zij gaan overbuigen en in de plaats van fraai rechtgroeiende planten,

verkrijgt men dan kromme, vergroeide exemplaren. De potplanten moeten

dus gesnoeid worden, en wanneer men ze in een bepaalden vorm wil

kweeken, moet dit zelfs zeer goed geschieden. De struikvorm is de meest

natuurlijke vorm voor het met bloemplanten beoogde doel. De kroon-,

pyramide, zuil- of kogelvorm, waarin men zeer veel planten ziet, kunnen

slechts door snoeiing verkregen worden. Wij willen het aankweeken

van dergelijke kunstmatige vormen niet in de hand werken, want zonder

twijfel zijn de stijve pyramide- en kogelvormen even onnatuurlijk als

leelijk. Over het juiste snoeien der kamerplanten moeten wij echter

nog het een en ander zeggen. Men moet met snoeien reeds beginnen

bij de jonge, pas opgepotte stekken. Reeds dadelijk moeten wij met

zulke jonge plantjes weten of wij ze in struik- of stamvorm willen

voortkweeken. In het eerste geval moet men dadelijk beginnen met de

koppen uit de stekken te snijden. Een jonge stek, die in een warmen

bak aan alle kanten uitgroeit en dus uit ieder bladoksel een twijg

ontwikkelt, doet dit, in de kamer gekweekt, meestal niet; hier groeit

zij slechts recht naar boven. Het uitsnijden van den kop is dus noodig,

om zoodoende de nog slapende oogen tot uitgroeien te nopen. Wil men

daarentegen van een stek een stamboompje kweeken, dan mag de kop er

in het geheel niet uitgesneden worden. Voor dit doel moet men steeds

goed groeiende stekken gebruiken. Bij deze worden dan stokjes gezet en

de stekken, naarmate zij groeien, daaraan gebonden, terwijl men alle

zijscheuten, die zich ontwikkelen, zoo spoedig mogelijk, vóórdat zij

kunnen doorgroeien, wegneemt. Heeft de plant eindelijk de verlangde

hoogte bereikt, dan wordt de kop eruit gesneden. Spoedig zullen zich

nu zijtakjes ontwikkelen, van welke men er drie tot vijf laat staan,

die ook weder, zoodra zij eenige bladeren verkregen hebben, worden

ingesneden. Het insnijden der zich achtereenvolgens ontwikkelende

scheuten wordt zoo lang voortgezet, totdat de kroon een voldoenden

vorm verkregen heeft. Ook de jonge struikplanten moeten, zoolang zij

nog in haar groeiperiode zijn, ingesneden worden, en wel zoo vaak,

totdat zij een mooien, goed gevulden, doch niet stijven vorm aangenomen

hebben. Zeer dikwijls moet dit insnijden geschieden met opoffering

van den bloei. Hierdoor late men zich echter niet van streek brengen,

daar men veel beter doet de jonge planten nog niet te laten bloeien,

wijl dit haar veel te veel verzwakt.

Het spreekt van zelf, dat niet alle planten op dezelfde wijze en even

dikwijls gesnoeid moeten worden. Er zijn zeer veel planten, die,

wanneer men, toen zij jong waren, voor een goede vertakking heeft

gezorgd, van zelf een gedrongen vorm behouden, zonder dat het later

noodig is, ze meer in te snijden. Andere planten echter, waaronder de

meeste groenblijvende, die men slechts als decoratieplanten kweekt,

zooals: Evonymus, Eugenia, Viburnum Tinus, Laurus nobillis en Myrtus,

nemen het lang niet kwalijk, wanneer men in den loop van den zomer

haar jonge scheuten een paar keeren insnijdt. Dit insnijden behoeft

men niet met een mesje te doen, men knijpt het kopje eenvoudig met

de nagels van duim en wijsvinger der rechterhand af. In alle gevallen

heeft dit dikwerf insnijden een gevulden groei ten gevolge.

Andere soorten van bloemplanten, die haar blad des winters verliezen,

zooals: Fuchsia's, Hortensia's, Rozen, Heliotropen, Pelargoniums

en meer dergelijke, worden in den regel slechts één keer 's jaars

gesnoeid, en wel in het voorjaar bij het begin van den nieuwen groei,

of wel kort vóór of na het verpotten (Fig. 48 en 49). Bij de meeste

dezer planten gaat men volgenderwijze te werk. Eerst verwijdert

men de doode en zeer zwakke twijgjes, door ze bij de hoofdtakken

af te snijden. Hierna worden die twijgjes geheel verwijderd, welke

merkbaar te veel zijn en waardoor de plant te dicht zou worden. De

overblijvende takken worden nu gemiddeld met een derde hunner

lengte ingekort, waarbij men er op moet letten, dat het uiterste,

dus het dichtst bij de snede staande oog, zoo mogelijk naar buiten of

tenminste zijwaarts gericht is; nooit mag dit oog echter naar binnen

staan. Uit het uiterste oog ontwikkelt zich toch de krachtigste twijg

en men moet voorkomen, dat deze naar binnen groeit, daar de kroon

anders niet voldoende in omvang toeneemt. Het spreekt wel vanzelf,

dat niet alle planten op dezelfde wijze behandeld kunnen en mogen

worden. Met het snoeien moet er dan ook vooral op gelet worden,

of de planten bloeien op de jonge scheuten dan wel op die, welke

in den vorigen zomer ontwikkeld zijn. Een voorbeeld van dit laatste

levert ons de Hortensia, welke bloeit uit de scheuten, die zich uit de

eindknoppen der voorjarige krachtige twijgen ontwikkelen. Snijdt men

nu deze twijgen in het voorjaar terug, dan ligt vóór de hand, dat zij

des zomers niet zal bloeien. De Hortensia is dus een voorbeeld van die

planten, waarvan de krachtige scheuten in het voorjaar in het geheel

niet gesnoeid mogen worden; men bepaalt zich tot het verwijderen der

doode en te dichtstaande twijgen. Worden zulke heesters te wild, dan

moeten zij, zoodra ze uitgebloeid zijn, teruggesneden worden. Ook de

Sering levert hiervan een duidelijk voorbeeld. De Roos behoort ook tot

de planten, die niet juist als een Fuchsia gesnoeid mogen worden. Onder

de Rozen bevinden zich eenige soorten, zooals de bekende Maréchal Niel,

waarvan de krachtige scheuten in het geheel niet gesnoeid mogen worden;

men verwijdert slechts het doode en te zwakke hout. Gewoonlijk snoeit

men naar den groei der bepaalde soorten. Thee- en andere zwak groeiende

rozensoorten, moeten diep ingesneden worden d.w.z. zoodanig, dat aan de

sterkste scheuten slechts 3-5 oogen blijven. De sterk groeiende soorten

worden tot op 6-8 oogen ingesneden. Snoeit men een Roos te kort,

dan wordt te diep in het rijpe hout gesneden, en het gevolg is een

arme bloei; snoeit men ze echter te lang, dan komen de onderste oogen

der te lang gesnoeide twijgen niet tot ontwikkeling en de struiken of

kroonboompjes blijven dan van onderen geheel kaal, wat niet erg mooi

is. In de meeste gevallen zal een opmerkzaam, plantenliefhebber zeer

spoedig zien, hoe hij zijn planten moet snoeien. Aan de ontwikkeling

laat zich spoedig waarnemen of men een plant te lang of wel te kort

gesnoeid heeft en men zal dan zeker niet nalaten, in het volgende jaar,

rekening te houden met de opgedane ondervinding.

Men gebruikt voor het snoeien, wanneer men kleine, dunne of zachte

takjes moet afsnijden, een scherp mesje; moet echter een plant

met dikkere houtachtige stengels gesnoeid worden, dan is het beter

van een zoogenaamde Rozenschaar, van klein model, gebruik te maken

(Fig. 50). Om er voor te zorgen, dat de schaar niet knijpt, lette men

er op, dat de scherpe schaar steeds naar boven gericht is. De snede

moet zoo dicht mogelijk bij een oog plaats vinden, daar er anders

een eind dood hout ontstaat, dat de plant zeer ontsiert. Dikwijls

zal ook zulk een dood eind inkankeren en het ziek worden der plant

ten gevolge hebben.

Het opbinden der potplanten.

Onder de planten, die in een kamer gekweekt worden, bevinden zich

verscheidene, die een stevigen steun behoeven, welken men haar in

den vorm van een plantenstokje geeft. Zonder zulk een steunsel laten

zich b.v. de Palmen kweeken, daar deze in de kamer wel nooit een stam

zullen vormen; ook de planten met een stevigen houtachtigen stengel,

de lage kruidachtige planten en de meeste Cactussen en vele vetplanten

zullen wel geen steun behoeven. Bij zeer veel planten moet men met

het aanbinden al zeer spoedig beginnen, bij andere kan men zoolang

wachten, totdat de kroon een bepaalden omvang verkregen heeft. Voor

het opbinden gebruikt men gewoonlijk uit vurenhout vervaardigde

stokjes. Deze stokjes worden tegenwoordig fabriekmatig gemaakt, en zijn

in iedere kweekerij voor matigen prijs in alle verlangde afmetingen

te verkregen. Daar het niet mooi staat, wanneer het stokje te veel in

't oog loopt, is het geraden, dit voor het gebruik groen te laten

verven. Het gebruik van mooie, gedraaide stokjes met bont gekleurde

knoppen is niet aan te bevelen, omdat deze stokken meestal veel te dik

zijn. Het opbinden moet zóó geschieden, dat de plant zoo min mogelijk

haar natuurlijk voorkomen verliest, zoodat dan ook de takken niet dicht

in elkander gebonden mogen worden. Het opbinden aan waaier-, ballon- of

pyramidevormige ijzerdraadfiguren moet daarom zooveel mogelijk vermeden

worden, slechts met klimplanten kan men hierop een uitzondering

maken. Een plant, in een kunstmatigen vorm gebonden, ziet er altijd

onnatuurlijk en bijgevolg ook leelijk uit. Het stokje wordt op de

meest geschikte plaats, bij voorkeur aan die zijde der plant, welke

het minst ontwikkeld is, kaarsrecht in de aarde gestoken. Men moet er

ook op letten, dat het zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam staat. Men

bindt nu dezen van onderen stevig aan het stokje vast, en doet dit

nog enkele keeren op gelijke afstanden. Eerst wanneer de hoofdstam

goed aangebonden is, kan men de kleinere takjes gaan binden. Het komt

vaak voor, dat één enkel stokje voor een plant voldoende is, doch ook

wel, dat men er meerderen gebruiken moet. Hortensia's bijvoorbeeld,

die dikwijls zes tot tien krachtige scheuten ontwikkelen, die elk

een groot bloemscherm te dragen krijgen, moeten aan meerdere stokjes

gebonden worden, wil de plant er natuurlijk en los uitzien. Toch is

het raadzaam, zoo min mogelijk stokjes te gebruiken. Een liefhebber,

die goed toeziet, zal echter spoedig genoeg begrijpen op welke wijze

zijn planten opgebonden moeten worden. Kan men het zonder stokje doen,

dan is dit steeds het raadzaamste. De meeste moeite veroorzaken zeker

wel de klimplanten, die ter versiering van balkons en waranda's worden

aangewend. Wanneer de gelegenheden, waar zij tegen op moeten klimmen,

niet eenigszins met de natuur der planten overeenstemmen--en dit

is meestal het geval--, dan moet iedere tak op zichzelf aangebonden

worden. Laat men de takken of scheuten van klimplanten, die zonder

hulp geen steun vinden, neerhangen, dan ontstaat er vaak stremming

in den sappenloop en een langzame groei is daar het gevolg van. Fraai

bloeiende klimplanten bloeien evenwel, wanneer men ze aanbindt, zeer

ondankbaar, terwijl de afhangende takken juist door de sapstremming

rijk gaan bloeien.

Het opbinden geschiedt door het aanleggen van een gewonen band

of wel, men kruist het band eerst, zooals Fig. 51 aantoont. De

liefhebbers gebruiken voor het opbinden niet zelden draden, bandjes of

touwtjes. Al dit bindmateriaal is niet aanbevelenswaardig, eerstens

wijl het leelijk staat, ten tweede omdat het vaak, door de scherpte,

de weeke twijgjes beschadigt en ten derde omdat het meestal spoedig

verteert. Het beste materiaal, om planten op te binden, is zeker

wel het zoogenaamde bind- of moscovischbast, dat in den vorm van

matten wordt verkocht. Dit bast is zacht en zeer duurzaam. Jammer

daarom, dat het niet overal even gemakkelijk te verkrijgen is. Door

verscheidene kweekers en zaadhandelaars wordt in groote vlechten het

zoogenaamde Raffiabast verkocht. Dit heeft vele goede eigenschappen;

het is zacht, bindt gemakkelijk, is sterk en ziet er netjes uit,

doch het is niet duurzaam, vooral niet, wanneer het buiten of

op vochtige plaatsen gebruikt moet worden. De duurzaamheid van

bindbast wordt aanmerkelijk verhoogd en de band minder zichtbaar,

wanneer men dezen, vóór het gebruik, een weinig draait, zoodat hij

het voorkomen van een touwtje krijgt. Naar de zwaarte der plant

moet men ook de zwaarte van den band nemen. Bindbast laat zich zeer

gemakkelijk in de lengte splijten, en voor kleine planten heeft

men slechts een dun bandje noodig. Het opbinden der planten moet

eenige malen 's jaars geschieden. In de eerste plaats moet men het

doen direct na de verplanting. Dit moet gebeuren, omdat het stokje,

in de meeste gevallen, bij de verplanting losraakt en dan natuurlijk

geen voldoenden steun meer voor de plant biedt. Daar de in den handel

zijnde stokjes steeds uit z.g.n. vurenhout zijn vervaardigd, rotten

zij spoedig aan de punt weg; alvorens dus oude stokjes te gebruiken,

moet men zich overtuigen of zij nog wel voldoende gaaf zijn. Langer

dan negen maanden of een jaar houdt een stokje het meestal niet uit,

en natuurlijk moet dan de plant opnieuw aangebonden worden. Aangezien

ook het bast niet zeer lang duurt, kan men als regel aannemen twee

of drie keer per jaar de planten te moeten opbinden.

Er zijn nog talrijke zaken, waar men bij het opbinden op te letten

heeft. Bij het opbinden van een kroonboompje mag de stok niet in

de kroon steken, zoodat hij in geen geval langer dan de stam mag

wezen. Als regel moet ook aangenomen worden, dat het stokje nooit

boven de plant mag uitsteken. Er zijn enkele planten met zeer zware

kronen, waarvan de takken zouden afbreken, wanneer zij niet gesteund

werden; onder deze planten behoort o.a. de reeds vermelde Epiphyllum,

een Cactussoort, die vaak op stam gekweekt wordt. In zulke gevallen

gebruikt men een ring van ijzerdraad, die onder de takken aangebracht

wordt en die door een drie- of een vijftal stokjes in positie wordt

gehouden. Bij het opbinden moet men ook acht geven, dat de band niet

te sterk om de plant wordt aangehaald. Door het groeien toch neemt

de stengel in dikte toe, heeft men den band te sterk aangehaald, dan

kan dit uitzetten daar plaatselijk niet gebeuren, waardoor de band

in den stengel groeit. Dit is zeer nadeelig, daar de sapbeweging er

door gestremd wordt: ook ontstaat er een inkerving, die nooit meer

verdwijnt. Lage, kruidachtige planten staan vaak zeer los, doordat de

wortelhals te zwak is, bij Chineesche Primula's komt dit o.a. veel

voor. Zulke planten worden niet opgebonden, doch er worden twee of

drie zeer kleine stokjes als steun langs den wortelhals geplaatst.

Zindelijkheid bij het kweeken van planten.

Menige veeboer verklaart, dat zindelijkheid het halve voedsel voor

zijn vee is, en met evenveel recht kan een plantenkweeker beweren,

dat zindelijkheid de halve cultuur uitmaakt. Vuile potplanten zien

er niet alleen onsmakelijk uit, doch zij kunnen ook onmogelijk goed

groeien. De zindelijkheid bij het kweeken van planten moet reeds met

den pot aanvangen. Wij hebben reeds gezien, dat vuile potten bij het

verplanten niet gebruikt mogen worden. De geheel nieuwe en schoone

pot verliest echter ook spoedig zijn zindelijk voorkomen; na eenige

weken of maanden wordt hij vuil, want door het vocht ontwikkelen

er zich spoedig mossen en andere lagere planten op. Een zoodanig

begroeide pot verliest zijn poreusiteit; het doordringen der lucht

tot de aarde heeft niet meer in voldoende mate plaats en deze wordt

zuur. Om dit te voorkomen is het noodig, dat men de potten minstens

twee keer per jaar, in het voorjaar en in het najaar, met een stijven

boenborstel afschropt. De oppervlakte van de aarde wordt ook meestal

onzindelijk. Door de vochtigheid ontwikkelt zich daar ook mos op; bevat

het gietwater kalk, dan wordt de oppervlakte langzamerhand wit. Ook

dit moet minstens twee keer per jaar verwijderd worden. Men bedient

zich hiertoe van een etiquetje, dat men dun afsnijdt en waarmede het

bovenlaagje der aarde zoo zuinig mogelijk afgeschrapt wordt.

Naast het mos ontwikkelen zich in de aarde dikwijls verschillende

onkruiden, waarvan de zaden in het grondmengsel aanwezig waren. Deze

onkruiden groeien sneller dan de gekweekte planten en zuigen den

bodem uit; reden waarom zij, zoodra men ze kan vatten, uitgetrokken

moeten worden.

De planten zelf en in hoofdzaak de bladeren en takken, tracht men,

door ze des zomers te bespuiten, schoon te houden. Het spuiten is

echter niet voldoende, daar het gebruikte water, al ziet het ook nog

zoo helder, nooit geheel zuiver is, waardoor het altijd, al is het

ook nog zoo weinig, vuil achterlaat. Slechts voor planten met kleine

blaadjes of wel voor kruidachtige planten, wier bladeren slechts

van korten duur zijn, is het spuiten voldoende. Fraaie bladplanten,

zooals Palmen, Ficus, Philodendron Aspidistra en anderen, die bij

een goede behandeling jaren haar bladeren behouden, moeten anders

gereinigd worden. De bladeren zijn, zooals bekend is, de longen der

planten, en zij kunnen dus onmogelijk gezond groeien, wanneer zij

geen schoone bladeren bezitten.

Een blad heeft voor de plant zeer veel functies waar te nemen, en wordt

het niet goed schoongehouden, dan kan het die onmogelijk vervullen. Een

blad waarvan de poriën verstopt zijn, kan zijn natuurlijke werking

niet verrichten. Bij de cultuur van alle bladplanten in de kamer is het

dan ook van het grootste belang, dat de bladeren minstens één keer per

week aan de boven- en onderzijde goed afgewasschen worden. Men bedient

zich hiertoe van zuiver, slechts even warm water, en een zachte spons

(Fig. 52).

Dit afwasschen moet bedaard en voorzichtig geschieden, omdat vele

bladeren zeer teêr zijn en door deze behandeling spoedig gewond

zouden worden. Hebben wij met planten te doen, waarvan de bladeren

door nalatigheid met een dikke, hard geworden laag vuil geheel of

gedeeltelijk bedekt zijn, dan is het gebruik van zuiver water niet

meer voldoende. In zulke gevallen moet men iets warmer water nemen,

waarin een weinig groene zeep is opgelost. Dit zeepsop heeft ook

het voordeel, dat talrijke jonge insecten, die men niet ziet, er

door gedood worden. Lastig om te wasschen zijn de gegolfde bladeren

van Waaier- en Vederpalmen. Tegen de nerven dezer bladeren hoopt

zich toch al te dikwerf vuil op, dat niet gemakkelijk te verwijderen

is. Het beste gelukt dit met een zacht kwastje, dat men telkens in het

water uitspoelt (Fig. 53). Zijn de planten door de onder te vermelden

ongedierten bezocht, dan is een zorgvuldige behandeling met de op te

geven middelen noodwendig.

Op de schors van oudere houtachtige planten, die reeds verscheidene

jaren in de kamer gekweekt worden, vormen zich dikwijls langzaam en

onbemerkt een dikke laag vuil. De op deze wijze vuil geworden takken

reinigt men het best met een hard kwastje.

Ook Cactussen, die men door hare stekels niet met een spons kan

schoonmaken, worden het best met een zachten kwast gereinigd.

Wil men de planten goed zuiver houden, dan moeten ook de gele,

verdorde of zieke bladeren verwijderd worden, alsmede de doode

twijgen en takjes. Dergelijke afgestorven of zieke plantendeelen,

evenals de uitgebloeide bloemen, moet men op tijd verwijderen, waartoe

men zich van een scherp mesje bedient. Veel te weinig wordt gelet op

het tijdig wegsnijden der verwelkte bloemen of oude bloemstelen. Is

men niet voornemens zaden der planten te verzamelen, dan moeten de

uitgebloeide bloemen zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, daar

zij anders onnoodig voedingsstoffen aan de plant onttrekken.

De vijanden der kamerplanten.

De strijd om het bestaan, dien alle schepselen moeten strijden, blijft

ook aan de in de kamer gekweekte planten niet gespaard. De vijanden,

die het plantenleven in de vrije natuur in gevaar brengen, en die,

wanneer zij nu en dan zeer talrijk optreden, geheele plantengeslachten

kunnen ten gronde richten, treden echter lang niet allen bij de

gekweekte planten op. De vijanden der planten, die zich onder de

zoogdieren en vogels bevinden, kunnen natuurlijk tot de in de kamer

gekweekte planten niet doordringen, en van niet weinig schadelijke

insecten, die buiten in den grond leven en de wortels aanvreten en

vernielen, bleven zij hier verschoond. Toch blijven er nog vijanden

genoeg over, die onze kamerplanten beschadigen en den liefhebber

vrij wat moeite kunnen veroorzaken. Het zijn hoofdzakelijk insecten,

die zich op onze kamerplanten nestelen, en het is merkwaardig, dat,

hoe zieker de planten zijn, hoe ondoelmatiger de behandeling is, die

wij haar geven, hoe droger en stoffiger de atmosfeer is, waarin wij

ze kweeken, deze plagen zich des te sterker vermenigvuldigen. Bij

de kamerplanten zijn juist de kleinste insecten de gevaarlijkste

vijanden. Zij treden vaak in zoo grooten getale op, en gelijken in

kleur dikwijls zoo sterk op de bezochte planten, dat de liefhebber,

die niet scherp toeziet, ze eerst dán bemerkt, wanneer een niet

onaanzienlijke schade is toegebracht.

Een der veelvuldigst voorkomende en gevaarlijkste vijanden van de

kamerplanten is zeker wel de Thrips (Thrips hæmorrhoidalis). Dit is

een zeer klein, zwart, gevleugeld diertje van langwerpigen vorm. Het

blijft gewoonlijk voor het oog verborgen, daar het zich steeds aan

de onderzijde van het blad ophoudt, waar het heen en weer loopt. Meer

nog dan het in vele soorten optredende diertje, vallen kleine zwarte

vlekjes in het oog; dit zijn de uitwerpselen dezer diertjes. De Thrips

beschadigt de planten, doordat zij met haar scherpe monddeelen de

opperhuid der bladeren afschaaft en dan haar voedsel uit het blad

zuigt. Veel last van dit insect hebben Aralia's, Azalea's, Varens,

Palmen en Ficussen. De aangetaste bladeren krijgen eerst zwarte

vlekken aan de onderzijden, worden daarna geel en vallen ten slotte af.

Een andere, niet minder gevaarlijke vijand is de Roode-spin

(Tetranychus telarius). Dit kleine spinachtige diertje is ook zóó

klein, dat men het nauwelijks kan zien. In jongen toestand is dit

diertje grijs, later rood van kleur. Het beweegt zich vooral des

nachts zeer snel over een fijn webachtig spinsel, op de onderzijde

van het blad. Naast de Thrips is de Roode-spin een der gevaarlijkste

plantenvijanden, omdat zij aan de bladeren het bladgroen onttrekt

en zoodoende de directe oorzaak van hun afsterven is. Fig. 54 toont

duidelijk hoe een door Roode-spin aangetast blad er aan de achterzijde

uitziet. Dergelijke sterk aangetaste bladeren worden spoedig geel en

sterven af; bij vele planten rollen zij zich op, om dan te verdorren.

Minder gevaarlijk, maar toch altijd nog zeer schadelijk zijn de

verschillende soorten van schildluizen. Deze treden bij voorkeur op

het oude hout op; dikwijls echter vindt men ze ook op de bladeren,

en dan wel aan beide zijden; ook op de jonge scheuten komen zij wel

voor. De schildluis heeft den vorm van ronde of langwerpige schildjes,

die als kleine verhevenheden op de bladeren voorkomen en maar al te

dikwijls de kleur bezitten der aangetaste organen. Zeer veel last

van schildluizen hebben de Oleander en Laurus (Laurier), waarvan de

bladeren dikwijls aan de onderzijden met witachtige schildluizen

als bezaaid zijn. De schildluizen, waarvan de beide geslachten in

voorkomen en levenswijze zeer sterk verschillen, zuigen zich op een

bepaalde plaats vast en sterven daar ook. Zij bevatten bij haar dood

een zeer groot aantal eieren, die door het doode diertje als met een

hard schild gedekt worden. Uit deze eieren ontwikkelen zich later de

larven. Op verschillende cultuurplanten vindt men verschillende soorten

van schildluizen. De wetenschappelijke namen van al deze soorten op te

geven, achten wij nutteloos, daar zij alle direct als schildluizen

zijn te herkennen en dan ook op dezelfde wijze moeten bestreden

worden. Fig. 55 toont een jong blad van een Palm, dat zich juist aan

het ontplooien is, en dat sterk door schildluizen is aangetast.

De insecten, waarvan men bij kamerplanten wel het meeste last heeft,

zijn ongetwijfeld de verschillende soorten van Bladluizen. Zij komen

meestal voor op jonge scheuten, waaraan zij de sappen onttrekken en

die zij door haar honigachtige, kleverige uitwerpselen daarenboven

zeer benadeelen. Deze uitwerpselen toch verstoppen de microscopische

openingetjes, die zich in de bladopperhuid bevinden en beletten

daardoor de ademhaling der planten.

Treft men vaak de bladluis aan, niet minder is dit het geval met de

Wolluis, een door een wit, wolachtig voorkomen zich onderscheidende

bladluis, die zich veel in de bladoksels ophoudt. Fig. 56 toont

het blad eener Sagittaria (Pijlkruid), sterk met bladluizen bezet,

en Fig. 57 een gedeelte van een Cactus (Echinopsis), waarop talrijke

wolluizen voorkomen.

Tegen al deze vijanden worden wel maatregelen genomen, doch het wijste

is zeker, hun optreden te voorkomen. Het beste doet men dit door den

planten een goede standplaats te geven. Den harden, kouden planten

geeft men de noodige frissche lucht, en men zorgt er des winters vooral

voor, dat zij niet in een vertrek staan, dat hooger verwarmd wordt dan

noodzakelijk is. De teerdere warme planten, die het meeste te lijden

hebben van de aanvallen van insecten, moet men beschermen tegen te

groote schommelingen in de temperatuur, tegen tocht en vooral tegen

te droge lucht. Dit alleen is echter niet voldoende, maar men zorge

er ook voor, dat deze planten op warme, lichte dagen minstens een

paar keer met de handspuit of den rafraîchisseur bespoten worden,

zoowel aan de boven- als aan de onderzijde der bladeren, terwijl

zij ook minstens één keer per week met lauw warm water moeten worden

afgewasschen. Het beste doet men, in dit water zooveel groene zeep

op te lossen, dat het melkwit gekleurd wordt. Het gebruik van zulk

zeepsop is reeds aan te bevelen, om de jonge, bijna onzichtbare

insecten te dooden. Een paar uur na het gebruik moeten de planten,

die er mede gewasschen zijn, echter met zuiver water afgespoten worden.

Wanneer men bemerkt, dat de insecten de overhand beginnen te krijgen,

dan moeten krachtiger maatregelen genomen worden. Vele middelen vindt

men hiervoor aanbevolen; de meeste gaan echter aan één groot gebrek

mank, namelijk: dat zij niet alleen de insecten vernielen, doch ook

zeer veel schade aan de planten berokkenen, waardoor al te vaak het

geneesmiddel erger is dan de kwaal. Het meest aanbevelenswaardig

is wel een aftreksel van tabaksbladeren, dat men zelf gemakkelijk

kan maken en dat ook in den handel verkrijgbaar is. Men maakt zulk

een tabaksextract van de zwaarste Kentucky- of Virginia-tabak; zulk

extract heeft een nicotine-gehalte van 7-8% en is vrij van minerale

vergiften. Om bijna alle planten-parasieten te dooden is het voldoende

de planten een of twee keer goed te bespuiten met dit extract, vermengd

met 60 tot 100 keer de hoeveelheid water. Heeft men zeer teere planten,

dan moet men het nog meer verdunnen; wil men het op planten met dikke,

lederachtige bladeren toepassen, dan kan het iets minder verdund

worden. Moet men grootbladige planten er mede behandelen, dan is het

beter ze er niet mede te bespuiten, maar de bladeren met een zachte

spons er mede af te wasschen. Heeft men kleinbladige planten met niet

al te groote kronen, dan is het eenvoudigste, deze met de kronen in

een emmer met zulk een oplossing te dompelen.

Heeft men een kleine, goed sluitende, leegstaande ruimte tot zijn

beschikking, bijv. een klein kamertje, dan kan men door middel van

tabak het ongedierte nog op een andere wijze verdelgen.

Men zet de planten des avonds in het kamertje; hierin brengt men

een komfoor met gloeiende kolen, waarop men, al naar de grootte der

kamer, een handvol of meer van de ordinairste tabaksbladeren legt,

die eerst een weinig vochtig gemaakt zijn.

De vochtige tabaksbladeren zullen nu gaan smeulen en een

dichten tabaksrook ontwikkelen, die al de insecten op de planten

doodt. Dezelfde uitwerking verkrijgt men door een aftreksel van

tabaksbladeren op een schaal te gieten en het in de kamer boven

een spiritusvlam te laten verdampen. Wij moeten echter opmerken,

dat verscheidene zachtere planten, vooral Palmen en Gesneriaceeën,

zeer sterk lijden van den tabaksrook, zoodat dit middel in geen geval

op deze planten mag worden toegepast. Hebben de planten een nacht in

het volgerookte vertrek gestaan, dan moet men ze den volgenden morgen

dadelijk weder in de versche lucht brengen en ze direct hierna goed

afspuiten. Was de berooking niet zwaar genoeg, dan liggen de luizen

bedwelmd en met opgezwollen lichamen op de aarde en den vloer; men

moet ze in dit geval verzamelen en verbranden. Tallooze proeven hebben

wij genomen met verschillende soorten insectenpoeders, die voor het

verdrijven van ongedierte op planten worden aanbevolen. Deze proeven

leverden steeds de ongunstigste resultaten. De in Fig. 54 en Fig. 56

afgebeelde bladeren zijn afkomstig van planten, die gedurende één zomer

zeker wel twintig keer met echt Zächerlin zijn bepoederd. Grootere

insecten zooals, pissebedden en kakkerlakken, worden door dergelijke

insectenpoeders vernield, de kleinere ongedierten, die op planten

leven, echter niet.

Kamerplanten: Handboek tot het kweeken van planten in de kamer · 第 16 / 25 题