752. _Wij stellen_, ons stelsel is dat overal het goed aan
allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij
behoeven. Gen. vóór 't bep. woord, vgl. 291.
757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij
kent de kunstjes.
760. Zinspelend op de fabel _Phaedr._ IV, 8. In de ME. en later nog,
bekend in de redaksies van de Romulus [66], III, 12: "De duobus malis
auctor talem subiecit fabulam--Malus peiorem non ledit nec iniquus
iniquum superat.
In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera--Dum quereret
aliquid ciborum--rodere coepit limam--Tunc lima ridens--ait ad
viperam--Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum--quae consuevi
omne ferrum rodere--sed et si quid forte est asperum--fricando facio
lene-quae si angulum tersero--si quid ibidem est ipsa precido--Ideo
eum acriore mihi certandum est." Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus,
(IXe eeuw) ed. Oesterley.
Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe--XVe eeuwen, aldaar
opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine, lib. V:
Le serpent et la lime.