733. _quam_, perf., vgl. 1020; zie Vondels Taal, II, § 171.

752. _Wij stellen_, ons stelsel is dat overal het goed aan

allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij

behoeven. Gen. vóór 't bep. woord, vgl. 291.

757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij

kent de kunstjes.

760. Zinspelend op de fabel _Phaedr._ IV, 8. In de ME. en later nog,

bekend in de redaksies van de Romulus [66], III, 12: "De duobus malis

auctor talem subiecit fabulam--Malus peiorem non ledit nec iniquus

iniquum superat.

In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera--Dum quereret

aliquid ciborum--rodere coepit limam--Tunc lima ridens--ait ad

viperam--Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum--quae consuevi

omne ferrum rodere--sed et si quid forte est asperum--fricando facio

lene-quae si angulum tersero--si quid ibidem est ipsa precido--Ideo

eum acriore mihi certandum est." Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus,

(IXe eeuw) ed. Oesterley.

Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe--XVe eeuwen, aldaar

opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine, lib. V:

Le serpent et la lime.

Spaens Heydinnetie · 第 46 / 59 题