"en tot een soet besluyt,
Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt."
_quam_, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef 696;
waer 1383; gingh 1398; zie Vondels Taal § 173; of: "quam geleyden"
= geleidde, zie 462: koomt vougen.--Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.
379. Staat te weifelen, vgl. 136: stont en keeck; 1119: sit op haer
en sagh.--zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.
384. _wort_, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maar _wort_ praet. bij
_werden_, _wert_ 972, 1093, 1126, 1576, 1801.
407. _die_, naast _dien_; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal,
§ 124; Mndl. Spr., § 352, 364_e_; Cosijn, Taal en Letterb., VI,
276; _die men... koos, En_ (die)... _behaeght_. Als in 't Mndl.:
in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als 't in
_niet_-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels
Taal, § 206, en Add.
420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het
6e coupl.); vgl. lat. opprimere.
442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse
stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar
bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.
449. Bij de ouden wordt _Pan_, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten,
horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met
verliefde zinnen en bedoelingen.
459. _wachte_, oude vorm; vgl. "zegge", op kwitanties; ik herzegge
(van de voorzanger).
461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert,
begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.