214. _door een gunstigh oogh tot in het hert_, vgl. 377. Zie Martijn
(ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En
"....een soet en aerdich beelt
Dat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt".--
"Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,
Het is een open deur, een inganck van de lusten."--
"Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,
Dat niet als door het _oogh_ het herte wert geraeckt."--
"Myn verstant.... moet syn ghetogen,
In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde
oogen."
Nosemans, Hans.
223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen
dat zij bloost.
230. _geest_, een persoon van geest, iemand met voortreffelike
hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.--en 't fra. _esprit_.
242. _jaren_, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature
de vrolike tijd.