47. _maer en_: negatie bij "maer" (uit "ne ware", het ne ware),
de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daar _en_ er bij gevoegd.
54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door
't geen zij hoort en verneemt.
81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....--Vgl. hierbij
Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)--Ons "het", collect. = iemands zaken.
84. _prenten_, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet
met.--Vgl. Gloss. Lekensp.
89. _uyt den neus_, vgl. I. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt,
ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock
met verssen van de Heer Jac. Cats.... (1651), blz. 86, die niet
gelooft, al beweren 't sommigen, zoals Democritus: "dat de neus eenich
teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van
't gene hy niet gesien en heeft.... _Democritus_, een Dochter den
eenen dagh ontmoetende, groete haer, _Goeden dagh Maeghdeken_; en
's anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar met _Goeden dagh
Vrouken._ En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt,
gelijckse dat noemen."
94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en
nauwkeuriger onderzocht. Omtrent _plagh_ hier alleen dit:
pleghen, in 't Mnl., "doen", zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt,
lusten, gemeenschap van bedde met, enz.--"Wat kooplieden ... plegen
en niet plegen,"--"Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen".--
plegen = gewoon zijn: "Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het
Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?--Behalven
dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn
geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake,
want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen,
ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh:
sulcx dat niet geseyt en kan werden..."
_plagh_ staat vaak waar men _nu_ een praes. zou vinden, "(de jongman)
gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn,
of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier,
schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster
tegen)."
Als _praeteritum_ vindt men in de regel _placht_. "Een kint dat niet
en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem
kan uyten syn gedachten."--
"Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van 't houwelicx bedde het
welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaem _placht_ in te brengen,
daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken." [63]
_Plegen, plach, placht_, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De
Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93,
161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.--Vgl. Gloss. Granida;
_plach, praes._ Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.--_pleech,
praet._ War. 174; _praes._ War. 310.
Zo _plach_ praes. moet wezen, dan zou _placht_ geen paragogiese _t_
hebben; zie de Grammatica's.
Dat daarnaast ook _pleegt_, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn
verklaring in bedeutungsübertragung. "Wat kooplui doen", wordt duratief
"wat zij voortdurend doen", "wat zij gewoon zijn te doen": zo gaat
de infin. _plegen_ bij plach, ook _gewoon zijn_ betekenen. Dit kan
oorzaak zijn dat ook het nieuwe _pleegt_, eerst zeldzaam, later vaker,
= gewoon is, voorkomt.
Nader onderzoek in de geschriften der XVIIe en vroegere eeuwen zal
mischien deze consecutio temporum ophelderen.
Vgl. voor 't vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229,
en noot. Behaghel, Gebrauch der Zeitformen (1899).
100. _het jaer_, houdt in "de 12 Hemelsche Tekenen" van de diereriem,
of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het
grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).--_De hemel_ zijn "die Sterren
die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen"; ook deze hebben
elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op "wat den menschen
voor een Natuure uyt den Gesteernten _toegeneigt_ is,..... daarom
niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche
daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende
begeerten met verstand wederstaan."