2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemant
verlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge 1435
in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefde
past*.
3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofte
ongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.
4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte 1440
gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by die
gelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde
in-gevoert.
5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komende
saken ondersouck te doen. 1445
6. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden
in houwelicke te treden.
Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys
een haven om soo voor-by te zeylen met een loopende
spriet?* 1450
Soph. Ick en had u niet ghesien, Philogame, dan
juyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure
quam.
Phi. Soo was dan u voornemen niet, naer ick
hoore, om my de eere van u versouck* te geven. 1455
Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen,
behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat
ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wilt
doen van uwe in-vallen* op het selsaem houwelick
van den Spaenschen edelman met het heydinneken. 1460
Soph. Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften
gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegen
is. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat
ghy van my versouckt.
Phi. Op de gelegentheyt* van de voornoemde geschiedenisse, 1465
wilde ick voor eerst (soo het u wel
geviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout* van
dese lant-loopers, die men heydens noemt, en van
waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen;
want sulcx dunckt my aenmerckens weert te 1470
wesen.
Soph. Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lieve
Philogame. Ghy siet* hier van _E. Pasquier_ in syn
4. bouck in't 17. cap. van het Ondersouck van
Vrankrijk; die verhaelt uyt d'oude schrijvers, dat 1475
dese menschen in 't jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn
gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesproten
te zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t'onder-gebracht
van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove
aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts 1480
daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen,
sonder tegens de selve eenigen sonderlingen* tegen-weer
te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het
Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen
zijnde tot kennisse van de Christen vorsten, 1485
dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen,
en de Saraçijnen verdreven; niet willende
de Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt
ende ontrouwe) dat de selve in haer landt
souden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought 1490
na Roomen, om aldaer van den Paus t'ontfangen
soodanigen ordre als daer goet soude gevonden
werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en
groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus
(alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve 1495
hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, seven
jaren langh te mogen* gaen dwalen door de werelt,
sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende*
hun even-wel, om eenighsins hun te mogen
generen, dat yder kruys-dragende* Bisschop ofte Abt 1500
hun soude hebben te geven voor eenmael thien ponden
tournois.* Datse in den voorsz. jare 1427. in
den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijf
jaren alreede te hebben gedwaelt. _Pasquier_ verhaelt
vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx 1505
als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart
waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elck
oir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen
mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick
waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert, 1510
gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge,
een lappe lakens om 't lijf gebonden hebbende met
koorden vast gemaeckt; ende in 't korte een vreemt
gespuys van menschen. Noch wijders, datse veel
haer werck maeckten van de lieden in de hant te 1515
kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck
ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt
was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten
ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten,
de mans in-beeldende* dat de vrouwen quaet 1520
garen sponnen;* van gelijcken datse door quade kunsten
het gelt uyt de* lieden beurse in de heure konden
doen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van
Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende een
deftige* predicatie tegens haer bedrijf dede doen door 1525
een prediker monick geaemt _le petit Iacobin_, de
welcke onder andere seer berispte alle de gene die
sigh in de handen van dit volck hadden sien laten,
en de selve gheloof waren gevende [49]: en tot besluyt
datse van daer spoedelick mosten vertrecken ende 1530
haren wegh nemen nae Pontoise. _Munsterus_ verhaelt
datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417.
En soo ghy breeder bescheet hier van souckt te
weten, mooght den selven met andere schrijvers nae
sien, soo 't u gelieft, te weten _Camerar. hist. medit._ 1535
_part._ I. _cap._ 17. _Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c._
Phi. Ick sal my derhalven vergenought houden
met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen
tot de geschiedenisse selfs.
Ick hebbe voor eerst gelet in 't lesen van het 1540
eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo het
scheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die
selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken;
te weten, dat Giralde door liefde vervoert
moeste wesen, en dat sulcx d'oorsake was van hare 1545
sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick wel
onder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen, 2
ofte van de ondersouckers der naturen,* offer een
sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse
teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant 1550
(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen weten
ofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen
is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde
werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten
om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne 1555
te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten,
of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte van
menschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofte
andere toe-komende saken.
Soph. Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt 1560
van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien
best by de meesters van de selve kunste beslecht
soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen
te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh
oogh hebbe laten gaen over boucken van die 1565
gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de
ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerde
_Avicenna_, en met den selven Franciscus Valesius
lib. 3. _Controvers. Philos. & medic. cap._ 14. Iaques
Ferrand Argenois de la maladie d'Amour ou melancholie 1570
_Erotique._) een groot Spaens doctor, met verscheyde
andere van de gheleerste in die kunste vast 73
stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock
geen sekere teyckens in de selve, waer door die
sieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En 1575
voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde,
soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft,
is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse
is houdende [50]: maer buyten ofte boven reden
en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet 1580
in het herte sigh onthout, ende dien volgende* dat uyt
de pols ofte slagh-ader [51] (die uyt het herte haer beweginge
heeft) geen vaste teyckenen en konnen werden
genomen*, om te weten of yemant met de minnekoortse
gequelt is, dan niet; en noch min, wie daer 1585
van d'oorsake mochte wesen.
Phi. Gewisselick het is my leet dat de kunste
soo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo
scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer 't al
schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en 1590
zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat
al lange in voorlede tijden een groot deel van dese
kunst is ondeckt [52] geweest, even by oude vrouwen
die wat geslepen waren. Ick sie dat _Canace_ in dit
gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (als _Ovidius_ 1595
verhaelt)
Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,
Wt [53] ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;
Die seyde my in 't oir: Ick sie het datje mint,
En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint. 1600
En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemt
dat alle onse groote doctoren hier in noch maer als
mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af soo
klaer in sagh.
Soph. Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist 1605
soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerde
hebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is die
juyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uyt
dat de kunstenaers* uyt andere gelegentheden* (jae
oock uyt de pols selfs) niet al merckelicke* dingen en 1610
souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte*
soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel,
datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest
ende noch zijn, die door middel van de kunst
ten klaersten hebben weten t'ondervinden*, dat yemant 1615
van die wespe gesteken was. _Avic. lib._ 3. _cap. de amore._
En noch meer als dat, _Soranus_ van Ephesen (als
in het leven van _Hippocrates_ te lesen is) ondeckte
klaerlick de liefde die de koningh _Perdiccas_ drough
tot _Phyla_, een by-sit van syn vader; en dat even 1620
op de selve maniere gelijck _Erasistratus_ uyt-vont
de brandende genegentheyt van _Antiochus_ tot _Stratonice_
syn stiefmoeder. (_Val. Max., l._ 5 _cap._ 7.)
_Galenus_ in syn bouck, daer hy handelt van de gene
die den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben 1625
konnen ondervinden den heymelicken minnebrant van
een Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet*
hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Van
gelijcken roemt de selve _Galenus_ te hebben weten na
te sporen de liefde van een voornamelicke* jonckvrouwe 1630
tot eenen schoonen jongelingh _Philades_ genaemt.
_Iaques Ferrand_, een geleert Frans medeçijn,
seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden te
hebben de malle minne-driften die een jongh student
(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een 1635
schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huyse
daer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse
breeder verhaelt in syn bouck by hem
op dese stoffe beschreven.
Phi. Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en 1640
soude men door de kunst niet alleen konnen uytvinden
of yemant liefde drough, maer oock tot wien.
Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want my
dunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt*
van grooten gebruyeke soude konnen wesen. 1645
Soph. Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh
schijnt te wesen, soo wil ick u seggen 't gene icker
van bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemant
met liefde is bevangen, en op wien ('t zy dan man
of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een 1650
vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick
in u hant krijgt de hant van de gene daer
ghy de preuve [54] van nemen wilt, ende leght dan u
vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo
brenght in u reden te passe den naem van de gene 1655
die ghy meynt dat haer meest aen 't herte leyt;
spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfs
schoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven,
en t'elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelick
wat veranderingh ghy in haer oogen, wesen, 1660
ende sonderlinge* aen haren pols-slagh sult gevoelen:
daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer recht
ghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*,
ende een veranderlicken pols gewaer worden, die
geen regel of slagh en sal houden. (_Paul. Æginet._ 1665
_lib._ 3. _cap._ 17. _de amore._) Ghy sult oock meer
andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlingh
uyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn te
mercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch wat
op* dat vry aen-merckens weert is, en van grooten 1670
ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.
Phi. Ick bidde u en spaert doch geen broot voor de
vrienden, ende en laet niet onder u tonge 'tgene ick soo
seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.
Soph. Neen, vrient, soo plagh men een boer syn 1675
kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uyt
geseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken 76
zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo op
een bot* en met eenen adem niet geleert wesen.
Phi. Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven 1680
geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope het
kloen* wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God
danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die te
vinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten
watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel, 1685
dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen,
maer by de gene die wat kennisse van saken hebben,
kan gedaen werden. Het komt my nu binnen* dat
ick gelesen hebbe, dat _Erasistratus_ (daer ghy te voren
van gewagh deet) de liefde van _Antiochus_ gewaer 1690
wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t'elcken
veranderde als _Stratonice_ syn stief-moeder in de kamer
ofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh.
De poëten hebben daerom wel geseyt,
Wie is die heeten [55] minne-brant 1695
Behendigh in syn boesem sluyt?
De liefde past op geenen bant;
Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.
Soph. Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh;
maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te 1700
willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader,
om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selve
buyten gewoonte verandert, en rasser of [56] harder slaet 3
op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon)
dat t'elcken een uytmuntende* liefde hier van 1705
de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnen
vervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick
eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn,
uyt ghelijcke oorsake.