Ik heb een gezelligen middag gehad------hurkend bij de tin-spoelsters
in de beek en half omdat ik moest, half omdat ik ze wilde beluisteren,
hielp ik flink mee. Wie dit "goudwasschen" niet van jongs af aan als
handwerk heeft beoefend, kan vermoeide knieën krijgen en de zon brandt
hem heet in den rug.
Al deze vrouwen hier waren zoo goed als naakt, hadden heur rok-doek
tot op "mannen-zwembroekjes-uiterste-grens" geheschen en draaiden de
vlakke houten borden met vlijtige handen.----
Telkens wanneer het zand in mijn eigen waschkom verdween en het tinerts
als een zwaar hoopje zuiver achterbleef, schonk ik deze kostbaarheid
met een paar vriendelijke woorden aan de eerste de beste die naast
mij zat. Als antwoord sloeg ik dan meestal een blik te meer in deze
eenvoudige menschen.
Zelf als uitgewasschen, blootgelegd en al het bijkomstige weg, zaten
ze om mij heen als zich van de werkelijkheid losgezaagd hebbende
levens. Vijf of zes. Rimpelige oudjes, met plooien in den buik,
sporen van zwaren arbeid op den rug, soms een halven teen missend,
een heel leven achter zich hebbend, grootmoeder------overgrootmoeder
misschien.----
Ze spraken enkel over het re tiboek (het tinerts), over het gebrek
aan water, over de hitte, alles beschouwd in het licht van den satang,
het Siameesche geld.
Eén enkele was er onder die niet meepraatte------en haar heb ik het
meeste geschonken, hoewel ze als antwoord enkel maar lachte.------Deze
was nog geen moeder.----